Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:3271

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
02-11-2020
Datum publicatie
29-12-2020
Zaaknummer
200.282.899/01 OK
Rechtsgebieden
Ondernemingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

OK; enquêterecht; er wordt een onderzoek bevolen naar het beleid en de gang van zaken; bij wijze van onmiddellijke voorzieningen worden bestuurders geschorst, wordt een derde tot bestuurder benoemd en worden de aandelen ten titel van beheer overgedragen aan een derde

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ARO 2021/1
OR-Updates.nl 2021-0066
JONDR 2021/126
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

___________________________________________________________________

GERECHTSHOF AMSTERDAM

ONDERNEMINGSKAMER

zaaknummer: 200.282.899/01 OK

beschikking van de Ondernemingskamer van 2 november 2020

inzake

1 [A] ,

wonende te [....] ,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VREDE OORD HOLDING B.V.,

gevestigd te Voorthuizen,

VERZOEKERS,

advocaat: mr. C.J. Tijman, kantoorhoudende te Ede,

t e g e n

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VREDE OORD HOLDING B.V.,

gevestigd te Voorthuizen,

VERWEERSTER,

e n t e g e n

1 [B] ,

2. [C],

3. [D],

allen wonende te [....] ,

BELANGHEBBENDEN,

advocaat: mr. J. Anema, kantoorhoudende te Amersfoort.

1 Het verloop van het geding

1.1

In het vervolg zullen partijen en belanghebbenden (ook) als volgt worden aangeduid:

  • -

    verzoeker 1 met [A] ;

  • -

    verzoekster 2/verweerster met Vrede Oord Holding;

  • -

    belanghebbenden ieder afzonderlijk met [B] , [C] en [D] en gezamenlijk met [E]

1.2

[A] en Vrede Oord Holding hebben bij op 10 september 2020 ingekomen verzoekschrift met producties de Ondernemingskamer verzocht, bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad, een onderzoek te bevelen naar het beleid en de gang van zaken van Vrede Oord Holding over de periode vanaf 1 januari 2019. Daarbij hebben zij tevens verzocht – zakelijk weergegeven – bij wijze van onmiddellijke voorzieningen voor de duur van het geding [B] te schorsen als bestuurder van Vrede Oord Holding en een derde persoon te benoemen tot bestuurder van Vrede Oord Holding, alle door [B] en [C] gehouden aandelen in het kapitaal van Vrede Oord Holding minus één over te dragen aan een door de Ondernemingskamer te benoemen beheerder, dan wel een andere voorziening te treffen die de Ondernemingskamer juist acht.

1.3

[E] hebben bij op 24 september 2020 ingekomen verweerschrift, tevens voorwaardelijk verzoekschrift, met producties de Ondernemingskamer verzocht:

  1. primair: het verzoek af te wijzen en [A] te veroordelen in de kosten van het geding;

  2. subsidiair: voor zover het verzoek van [A] en Vrede Oord Holding strekkende tot het bevelen van een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van Vrede Oord Holding zou worden toegewezen, de door verzoekers verzochte onmiddellijke voorzieningen af te wijzen en bij wijze van onmiddellijke voorzieningen voor de duur van het geding [A] te schorsen als bestuurder van Vrede Oord Holding en een derde persoon te benoemen tot bestuurder van Vrede Oord Holding, alle door [A] gehouden aandelen in het kapitaal van Vrede Oord Holding over te dragen aan een door de Ondernemingskamer te benoemen beheerder en [A] te veroordelen in de kosten van het geding.

1.4

De verzoeken zijn behandeld ter openbare terechtzitting van de Ondernemingskamer van 8 oktober 2020. Bij die gelegenheid hebben de advocaten de standpunten van de onderscheiden partijen toegelicht aan de hand van – aan de Ondernemingskamer en de wederpartij overgelegde – aantekeningen en onder overlegging van op voorhand aan de Ondernemingskamer en de wederpartij gezonden nadere producties. Partijen en hun advocaten hebben vragen van de Ondernemingskamer beantwoord en inlichtingen verstrekt. Ter terechtzitting hebben [E] hun verweer, tevens voorwaardelijk verzoek gewijzigd in die zin dat zij hun primaire standpunt hebben verlaten en thans slechts (onvoorwaardelijk) toewijzing verzoeken van hun hiervoor onder 1.3 sub b weergegeven subsidiaire verzoek.

2 Feiten

2.1

Vrede Oord Holding is op 23 december 2003 opgericht. [A] , [B] en [C] houden ieder een derde van de aandelen in het geplaatste kapitaal van Vrede Oord Holding. [A] en [B] vormen samen het bestuur en zijn als bestuurders gezamenlijk bevoegd Vrede Oord Holding te vertegenwoordigen. [A] , [B] en [C] zijn broer en zussen van elkaar. Tussen de aandeelhouders in Vrede Oord Holding geldt ook een aandeelhoudersovereenkomst, op grond waarvan onder meer unanimiteit vereist is voor alle besluiten van de algemene vergadering van Vrede Oord Holding.

2.2

Vrede Oord Holding houdt alle aandelen in het geplaatste kapitaal van Camping Vrede Oord B.V. (hierna: Camping Vrede Oord). Het bestuur van Camping Vrede Oord wordt gevormd door Vrede Oord Holding. Camping Vrede Oord drijft een onderneming die een stacaravanpark exploiteert, gelegen aan de rand van Nationaal Park De Hoge Veluwe. [A] verricht beheers- en onderhoudswerkzaamheden op het terrein van de camping.

2.3

Vanaf juni 2018 kampt [B] met gezondheidsklachten. Zij is sindsdien niet in staat haar werkzaamheden op de camping te verrichten en heeft in februari 2019 aan [A] laten weten dat zij haar aandelen wenst te verkopen. Aan het einde van de zomer van 2019 heeft [B] dit ook aan [C] medegedeeld en heeft [C] ook besloten haar aandelen te willen verkopen. [A] heeft [B] en [C] daarop laten weten dat hij onvoldoende middelen had om zijn zussen uit te kopen. Daarop is besloten de verkoop van de camping in gang te zetten. [D] , de echtgenoot van [B] , is vervolgens feitelijk belast met de aansturing van het verkooptraject van de camping.

2.4

Bij e-mail van 28 oktober 2019 heeft [A] inzage verzocht in het e-mailverkeer tussen [C] , [B] en een mogelijke koper van de camping, [J] . [D] heeft daarop verslag uitgebracht van de door hem getroffen voorbereidingen voor de verkoop van de camping, maar heeft geen inzage in het onderliggend e-mailverkeer geboden. Uit het verslag van [D] blijkt ook van een met [J] overeengekomen geheimhoudingsverklaring, gesanctioneerd met een boeteclausule van € 100.000 per overtreding, die ook [A] bindt.

2.5

In elk geval op 6 november 2019 heeft [A] ondubbelzinnig ingestemd met de voorgenomen verkoop van de camping. [A] , [C] en [B] verschillen echter van mening over de te volgen verkoopwijze van de camping. [D] heeft voorgesteld twee taxaties te laten opstellen, één voor de ‘normale’ verkoop van de camping en één voor de verkoop van de camping aan een investeerder. [A] heeft laten weten dat hij niet wil dat de camping wordt verkocht aan een investeerder, vanwege de consequenties daarvan voor de bestaande campinggasten, en daarom een ‘normale’ taxatie voldoende te vinden.

2.6

Bij e-mail van 7 november 2019 heeft [D] aan [A] , [C] en [B] voorgesteld een overeenkomst te tekenen waarin een gezamenlijke doelstelling tot stille verkoop van de camping is opgenomen, inhoudende: “Camping Vrede Oord zo spoedig mogelijk, tegen een zo hoog mogelijke prijs en tegen fiscaal zo gunstig mogelijke condities via stille verkoop te verkopen.

2.7

Bij e-mail van 11 november 2019 heeft [A] onder meer als volgt gereageerd: “Helaas hebben [C] en [B] (samen de meerderheid van de aandeelhouders) de wens om het bedrijf te verkopen. Hier zal ik mij noodgedwongen bij neer moeten leggen. Wel verwacht ik dat ook mijn verkoopvoorwaarden gerespecteerd worden. (op dit moment heb ik het gevoel dat mijn verkoopvoorwaarden genegeerd worden). Als DGA ben ik verantwoordelijk voor de bedrijfsvoering en vertegenwoordig ik onze klanten.” [A] heeft de overeenkomst niet ondertekend en opnieuw om inzage gevraagd in het e-mailverkeer met [J] , alsmede met de Vereniging van Recreatieondernemers in Nederland (RECRON) en ingeschakelde makelaars.

2.8

Op 20 december 2019 hebben partijen opnieuw met elkaar gesproken, ditmaal in het bijzijn van [F] (hierna: [F] ), een door [A] ingeschakelde financieel adviseur. Blijkens diens verslag worden beide opties – continuïteit van de camping en verkoop aan een projectontwikkelaar – opengehouden.

2.9

Bij e-mail van 16 januari 2020 heeft [D] een update gegeven over de verkoop van de camping aan [A] , [C] , [B] en [F] , waarin hij het traject met betrekking tot de inschakeling van een makelaar voorlegt. [D] heeft een drietal offertes voor taxaties opgevraagd en voorgesteld het advies van een door hem reeds benaderde taxateur [G] (hierna: [G] ) te volgen dat de te kiezen taxateur tevens optreedt als verkopende makelaar.

2.10

Op 22 januari 2020 heeft [D] telefonisch contact gehad met [G] , die meldde dat de verkoop van Camping Vrede Oord bekend is in de markt. [D] heeft de drie makelaars vervolgens op de hoogte gesteld van het besluit om niet meer voor een stille verkoop te gaan.

2.11

Op 27 januari 2020 heeft opnieuw overleg plaatsgevonden tussen partijen. In de notulen van dat overleg staat vermeld:

“5. Taxateurs/makelaars, verkoop camping.

Eén of twee taxateur(s?)? Wie en waarom? We hebben toch voor een echte taxatie door [H] en [G] gekozen en [D] gaat dat z.s.m. regelen => is 28/1 in gang gezet. En daarna een verkoopbrochure met alle wetenswaardigheden en ook eventuele uitsluitingen, zodat niemand ons achteraf ergens op kan aanspreken.

Zijn er al potentiële kopers? Hebben zich al kandidaten gemeld? Er hebben zich 5 potentiële kopers gemeld, waarvan er 2 minder serieus/kansrijk lijken.

Wel of geen makelaar(s), wie dan en waarom? (kan later). Bepalen we later en mogelijk alleen op uurtarief basis als we er zelf met de huidige geïnteresseerden uit kunnen komen. Na de taxatie gaan we de verkoopwaarde bepalen en dan een inschrijving onder voorbehoud van gunning aan de geïnteresseerde kopers vragen.”

2.12

Partijen hebben vervolgens [I] (hierna: [I] ) ingeschakeld als bemiddelaar, om overleg te voeren over verschillende discussiepunten, waaronder de verkoop van de camping. Bij e-mail van 16 maart 2020 heeft [I] geconstateerd dat een patstelling lijkt te (zijn) ontstaan tussen partijen, die geen overeenstemming weten te bereiken. Bij e-mail van 2 april 2020 heeft [I] zijn bemiddelingspoging beëindigd.

2.13

Bij e-mail van 17 maart 2020 heeft [A] aan [B] en [D] de inloggegevens verzocht van het e-mailadres en de Facebook-pagina van Camping Vrede Oord. Een e-mail van 28 maart 2020 van [F] aan [D] houdt onder meer het volgende in:

“Dan de vraag omtrent informatie inzake verkoop van de camping. (…) Zoals je [A] kent, zijn dat soort vragen van [A] omtrent informatie vrijwel altijd mondeling. Het gaat er [A] om dat hij goed weet wat er, wanneer en met wie speelt. Alleen dan kan hij zijn taken als bestuurder vervullen en als bestuurder verantwoordelijkheid nemen. Zo wil [A] de namen van de geïnteresseerde kopers schriftelijk van je krijgen, met de onderliggende correspondentie/mailverkeer. Zo ook bijvoorbeeld de correspondentie en het mailverkeer met Capfun. [A] wil het volkomen open en transparant hebben. Dan kan hij als bestuurder (en aandeelhouder) van de vennootschap het proces, de kandidaten en de voortgang beoordelen. Anders gaat [A] door jouw activiteiten misschien het overzicht verliezen, en dat wil [A] voorkomen.

Tenslotte nog de andere vraag in [A] mail van 17 maart jl.: verzoek om de inloggegevens van info@campingvredeoord.nl en Facebook van de camping. Alleen dan kan [A] direct en volledig op de hoogte blijven. [A] vindt het o.a. vervelend dat mensen hem aanschieten over een door hen gestuurde mail en dat [A] van niets weet. Ik vertrouw er op dat [A] die gegevens per omgaande van je kan ontvangen.”

2.14

Bij e-mail van 24 juni 2020 aan [C] , [B] en [D] heeft mr. Tijman de verzoeken van [A] en [F] herhaald. Bij e-mail van 6 juli 2020 heeft [D] gemeld dat het vertrouwen in [A] bij [C] en [B] weg is, dat het verkoopproces volledig transparant verloopt en dat het verstrekken van inloggegevens niet zal plaatsvinden, omdat [A] niet kan mailen en slecht kan omgaan met social media. Na bij e-mail van 14 juli 2020 van mr. Tijman nogmaals om informatie verzocht te zijn, heeft [D] bij e-mail van 21 juli 2020 opnieuw laten weten dat die informatie niet aan [A] wordt verstrekt. [D] heeft [A] daarop diezelfde dag namens zijn zussen aansprakelijk gesteld voor schade als gevolg van onbehoorlijk bestuur en verwijtbaar gedrag.

2.15

Bij e-mail van 24 juli 2020 aan mr. Anema heeft mr. Tijman verzocht te bevestigen dat wordt ingestemd met beëindiging van het mandaat van [D] tot verkoop van de camping en dat wordt ingestemd met de inschakeling van een onafhankelijke derde om het verkooptraject te begeleiden. Bij e-mail van 31 juli 2020 heeft mr. Anema bericht dat [E] hieraan geen medewerking willen verlenen. Voorgesteld wordt [G] de regie te geven bij het verkooptraject van de camping. [A] is daar op zijn beurt niet mee akkoord gegaan en heeft de aandeelhouders opgeroepen voor een algemene vergadering met als agendapunt de beëindiging van het mandaat van [D] . Bij e-mail van 24 augustus 2020 heeft mr. Tijman deze oproeping namens [A] ingetrokken, en voorgesteld de optie te bespreken dat partijen gezamenlijk een onafhankelijke makelaar inschakelen om het verkooptraject verder te begeleiden en af te ronden. Dit voorstel is bij e-mail van 26 augustus 2020 door mr. Anema namens [E] afgewezen, omdat zij niet overtuigd zijn van de wil van [A] om daadwerkelijk tot verkoop over te gaan en daadwerkelijk alle medewerking te verlenen aan de verkoop. Gelijktijdig heeft [B] de aandeelhouders opgeroepen voor een algemene vergadering van Vrede Oord Holding, met op de agenda onder meer het ontslag van [A] als bestuurder en de benoeming van [D] als bestuurder.

3 De gronden van de beslissing

3.1

[A] en Vrede Oord Holding hebben aan hun verzoek ten grondslag gelegd dat er gegronde redenen zijn voor twijfel aan een juist beleid en een juiste gang van zaken van Vrede Oord Holding en dat gelet op de toestand van de vennootschap onmiddellijke voorzieningen dienen te worden getroffen. Ter toelichting hebben zij – kort samengevat – het volgende naar voren gebracht. De verhoudingen tussen partijen zijn welhaast onherstelbaar beschadigd. Er is sprake van een patstelling, die ertoe leidt dat 1) [A] niet deugdelijk wordt geïnformeerd door [E] , 2) [E] zich bedienen van een verkoopstrategie die haaks staat op de cultuur binnen de vennootschap, 3) [E] aansturen op een conflict en escalerend communiceren, culminerend in het aangekondigde ontslag van [A] als bestuurder onder gelijktijdige benoeming van [D] als bestuurder, en 4) het voornemen bestaat tot het nemen van besluiten met voorbijgaan aan het in de aandeelhoudersovereenkomst opgenomen unanimiteitsvereiste.

3.2

[E] hebben hun verweer ten aanzien van het verzoek van [A] ter zitting laten varen, aangezien zij het bij nader inzien in het belang van de onderneming achten dat de Ondernemingskamer op korte termijn ingrijpt. Zij vinden [A] ongeschikt als bestuurder en zien in zijn optreden reden om bij wijze van onmiddellijke voorziening zijn schorsing als bestuurder te verzoeken.

3.3

De Ondernemingskamer overweegt als volgt.

3.4

Uit de gedingstukken en het ter terechtzitting verhandelde blijkt genoegzaam dat de verhoudingen tussen [A] en [E] ernstig verstoord zijn. Partijen zijn het erover eens dat de camping moet worden verkocht, maar verschillen fundamenteel van mening over de te volgen verkoopstrategie, en de daarmee te belasten persoon. Partijen vertrouwen elkaar niet langer, als gevolg waarvan informatie wordt onthouden en het conflict tussen partijen verder oploopt. De ernstig verstoorde verhoudingen zijn strijdig met het vennootschappelijk belang van Vrede Oord Holding en de met haar verbonden onderneming, dat onder de gegeven omstandigheden gediend is met een succesvolle verkoop van de camping. Hieruit volgt dat er gegronde redenen zijn om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken van Vrede Oord Holding.

3.5

De Ondernemingskamer zal een onderzoek gelasten naar het beleid en de gang van zaken van Vrede Oord Holding vanaf de datum waarop een verkoop van de camping in gang is gezet, zijnde 1 september 2019, met dien verstande dat eerdere gebeurtenissen in het onderzoek kunnen worden betrokken voor zover zij licht werpen op de periode vanaf 1 september 2019. De Ondernemingskamer zal de aanwijzing van een onderzoeker vooralsnog aanhouden opdat kan worden bezien of reeds door de hierna te vermelden te treffen onmiddellijke voorzieningen een oplossing van het geschil kan worden bereikt. Ieder van partijen of de door de Ondernemingskamer te benoemen bestuurder of beheerder van aandelen kan op elk moment de Ondernemingskamer verzoeken de onderzoeker aan te wijzen.

3.6

De Ondernemingskamer is van oordeel dat de toestand van Vrede Oord Holding noopt tot het treffen van de navolgende onmiddellijke voorzieningen. Zij zal [A] en [B] schorsen als bestuurders van Vrede Oord Holding en in hun plaats de hierna te noemen persoon tot bestuurder benoemen. Deze bestuurder zal zich bij de uitoefening van zijn bestuurstaak bij Vrede Oord Holding naar eigen inzicht kunnen doen bijstaan door [A] , [B] of [D] op door hem te bepalen, nader te stellen voorwaarden. De Ondernemingskamer ziet tevens aanleiding om de aandelen in Vrede Oord Holding ten titel van beheer aan een door de Ondernemingskamer te benoemen beheerder over te dragen, telkens vooralsnog voor de duur van het geding.

3.7

De te benoemen bestuurder mag het uitdrukkelijk tot zijn taak rekenen een minnelijke regeling tussen partijen te beproeven. Het lijkt daarbij aan te komen op het vinden van een wijze van verkoop van de camping waarmee alle partijen kunnen instemmen.

3.8

De Ondernemingskamer zal de kosten van het onderzoek en de te benoemen bestuurder en beheerder van aandelen ten laste brengen van Vrede Oord Holding. De Ondernemingskamer zal het bedrag dat het onderzoek ten hoogste mag kosten niet aanstonds vaststellen. Indien het komt tot aanwijzing van een onderzoeker, zal de Ondernemingskamer de onderzoeker vragen om binnen zes weken een plan van aanpak en een begroting van de kosten van het onderzoek te maken en deze aan de Ondernemingskamer toe te zenden. De Ondernemingskamer zal partijen in de gelegenheid stellen zich uit te laten over die begroting en vervolgens het bedrag vaststellen dat het onderzoek ten hoogste mag kosten.

3.9

De Ondernemingskamer acht ten slotte termen aanwezig de kosten van het geding tussen de verschenen partijen te compenseren zoals hierna te vermelden.

4 De beslissing

De Ondernemingskamer:

beveelt een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van Vrede Oord Holding B.V. over de periode vanaf 1 september 2019;

benoemt een nader aan te wijzen en aan partijen bekend te maken persoon teneinde het onderzoek te verrichten;

houdt in verband met het bepaalde in rechtsoverweging 3.8 de vaststelling van het bedrag dat het onderzoek ten hoogste mag kosten aan;

bepaalt dat de kosten van het onderzoek ten laste komen van Vrede Oord Holding B.V. en dat zij voor de betaling daarvan ten genoegen van de onderzoeker voor de aanvang van diens werkzaamheden zekerheid dient te stellen;

benoemt mr. A.J. Wolfs tot raadsheer-commissaris, zoals bedoeld in artikel 2:350 lid 4 BW;

schorst, bij wijze van onmiddellijke voorziening en vooralsnog voor de duur van het geding, met ingang van heden [A] en [B] als bestuurders van Vrede Oord Holding B.V.;

benoemt bij wijze van onmiddellijke voorziening met onmiddellijke ingang en vooralsnog voor de duur van het geding een nader aan te wijzen en aan partijen bekend te maken persoon tot bestuurder van Vrede Oord Holding B.V.;

bepaalt vooralsnog voor de duur van het geding dat alle aandelen in Vrede Oord Holding B.V. ten titel van beheer met ingang van heden zijn overgedragen aan een nader aan te wijzen en aan partijen bekend te maken persoon;

bepaalt dat het salaris en de kosten van de bestuurder en de beheerder van aandelen ten laste komen van Vrede Oord Holding B.V. en bepaalt dat Vrede Oord Holding B.V. voor de betaling daarvan ten genoegen van de bestuurder en beheerder van aandelen zekerheid dient te stellen vóór de aanvang van hun werkzaamheden;

compenseert de kosten van het geding tussen de verschenen partijen aldus dat iedere partij haar eigen kosten draagt;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.J. Wolfs, voorzitter, mr. A.W.H. Vink en mr. H.J. Vetter, raadsheren, en drs. M.A. Scheltema en prof. dr. mr. S. ten Have, raden, in tegenwoordigheid van mr. F.L.A. Straathof en mr. P.H.M. Broere, griffiers, en in het openbaar uitgesproken op 2 november 2020.