Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:3264

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
04-11-2020
Datum publicatie
07-12-2020
Zaaknummer
23-004286-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Een destijds 20 jarige man is een gevangenisstraf van zes jaren opgelegd voor medeplichtigheid aan poging tot moord.

Hij bestuurde de vluchtauto. Het hof heeft volwassenenstrafrecht toegepast. Ook is een schadevergoeding aan het slachtoffer toegekend van 264.715,86 euro, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk aansprakelijk is.

De verdachte is vrijgesproken van (medeplegen) wapenbezit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2020-0928
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-004286-19

datum uitspraak: 4 november 2020

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 14 november 2019 (daaronder begrepen het daarbij behorende herstelvonnis van 22 november 2019) in de strafzaak onder parketnummer 13-728161-18 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Suriname) op [geboortedag] 1998,

thans gedetineerd in Penitentiaire Inrichting Heerhugowaard, locatie Zuyder Bos te Heerhugowaard.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 21 oktober 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Namens de verdachte en door het openbaar ministerie is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in hoger beroep door het gerechtshof toegelaten wijziging is aan de verdachte tenlastegelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 28 augustus 2018 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde], opzettelijk en met voorbedachte rade van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen (volautomatisch aanvalsgeweer) - één of meermalen in de richting van die [benadeelde] heeft getracht te vuren en/of - (terwijl die [benadeelde] op de grond lag) die [benadeelde] met veel kracht (met (de kolf van) dat vuurwapen meermalen op het hoofd geslagen terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair
[medeverdachte] op of omstreeks 28 augustus 2018 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om [benadeelde], opzettelijk en met voorbedachte rade van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen (volautomatisch aanvalsgeweer) - één of meermalen in de richting van die [benadeelde] heeft getracht te vuren en/of - (terwijl die [benadeelde] op de grond lag) die [benadeelde] met veel kracht (met (de kolf van) dat vuurwapen meermalen op het hoofd geslagen terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid tot en/of bij het plegen van welk misdrijf hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander of ander(en), althans alleen, op of omstreeks 28 augustus 2018 te Amsterdam, opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest door de bij de poging moord gebruikte vluchtauto te besturen en/of op de uitkijk te staan bij de poging moord;
meer subsidiair
hij op of omstreeks 28 augustus 2018 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, aan [benadeelde], tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachte rade zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht door meermalen, althans eenmaal, (telkens), met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg - (terwijl die [benadeelde] weerloos op de grond lag) (met kracht) (met de kolf van een vuurwapen) te slaan en/of te stompen op/tegen het hoofd van die [benadeelde] en/of (vervolgens (met kracht) te blijven (in)slaan en/of stompen op/tegen het hoofd van die [benadeelde];

meest subsidiair
[medeverdachte] op of omstreeks 28 augustus 2018 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, aan [benadeelde], tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade, zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht door meermalen, althans eenmaal, (telkens), met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg - (terwijl die [benadeelde] weerloos op de grond lag) (met kracht) (met de kolf van een vuurwapen) te slaan en/of te stompen op/tegen het hoofd van die [benadeelde] en/of (vervolgens (met kracht) te blijven (in)slaan en/of stompen op/tegen het hoofd van die [benadeelde]; tot en/of bij het plegen van welk misdrijf hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander of ander(en), althans alleen, op of omstreeks 28 augustus 2018 te Amsterdam, opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest door de bij de zware mishandeling gebruikte vluchtauto te besturen en/of op de uitkijk te staan bij de zware mishandeling;

2.
hij op of omstreeks 28 augustus 2018 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een vuurwapen van categorie II en/of III, te weten
- een (volautomatisch) vuurwapen, type aanvalsgeweer (AK-47) (categorie II) en/of
- munitie van categorie II en/of III, te weten een of meer patronen van kaliber 7.62 x 39 mm voorhanden heeft/hebben gehad;

subsidiair

[medeverdachte] op of omstreeks 28 augustus 2018 te Amsterdam en/of elders in Nederland, een vuurwapen van categorie I en/of II, te weten een (volautomatisch) vuurwapen, type aanvalsgeweer (AK47) (categorie II) en/of munitie van categorie II en/of III, te weten een of meer patronen (van kaliber 7.62 x 39 mm en/of 9 mm) voorhanden heeft gehad, tot en/of bij het plegen van welk misdrijf hij, verdachte, op of omstreeks 28 augustus te Amsterdam en/of elders in Nederland opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft of behulpzaam, is geweest, door die [medeverdachte] met dat vuurwapen en/of die munitie in een door hem, verdachte, bestuurde auto te vervoeren.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep, daaronder begrepen het daarbij behorende herstelvonnis, zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Bewijsoverweging

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor het medeplegen van de poging tot moord op slachtoffer [benadeelde] (feit 1 primair) en het medeplegen van het voorhanden hebben van een aanvalsgeweer en bijbehorende munitie (feit 2).

De raadsman heeft overeenkomstig zijn pleitnotitie ten aanzien van feit 1 betoogd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken. Ter onderbouwing heeft de raadsman – samengevat – ten eerste aangevoerd dat de verdachte niet kan worden aangemerkt als de bestuurder van de vluchtauto en ten tweede dat het bewijs ontbreekt dat de bestuurder opzet op het tenlastegelegde heeft gehad. Subsidiair heeft de raadsman betoogd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het medeplegen van de poging tot moord of doodslag dan wel zware mishandeling, omdat geen sprake is van een gezamenlijke uitvoering.

De raadsman heeft ook ten aanzien van feit 2 betoogd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken, omdat niet kan worden bewezen dat de verdachte het vuurwapen (in vereniging) voorhanden heeft gehad of dat hij daaraan medeplichtig is geweest.

Ten aanzien van feit 1

Inleiding

Op 28 augustus 2018 – zo blijkt uit de in het dossier opgenomen camerabeelden en daarvan opgemaakte processen-verbaal – parkeert [benadeelde] (hierna: het slachtoffer) zijn auto bij de [winkel], waar hij werkte, op de [adres 1] in Amsterdam (09:57:29 uur). Kort achter hem rijdt een gestolen Audi Q5 (09:57:48 uur). De Audi stopt ongeveer 30 meter verder. De bijrijder van de Audi (hierna: de dader) stapt uit en rent met een vuurwapen op het slachtoffer af. De dader heeft, zo stelt het hof vast, zijn gezicht niet bedekt. De dader en het slachtoffer staan dan ongeveer tien seconden tegenover elkaar. Dan geeft de dader een trap in de richting van het slachtoffer en vindt een worsteling plaats. Tijdens deze worsteling duwt het slachtoffer de dader weg, waarop de dader met het vuurwapen tegen het gezicht van het slachtoffer slaat. Hierdoor valt het slachtoffer op de grond. Vervolgens probeert het slachtoffer rechtop te zitten, waarop de dader het slachtoffer in zijn rug trapt. Direct hierna slaat de dader met het vuurwapen tegen het hoofd van het slachtoffer. Wanneer het slachtoffer gebukt met zijn hoofd richting de dader op zijn knieën zit, tilt de dader het vuurwapen tot ver boven zijn hoofd en slaat hij twee keer met de achterzijde van het vuurwapen op het achterhoofd van het slachtoffer. Het slachtoffer blijft stil op de grond liggen en er is bloed op zijn hoofd te zien. Hij ligt op zijn buik op de grond, beweegt niet meer en is kennelijk buiten bewustzijn. De dader slaat vervolgens nog vijf keer en (zo concludeert het hof op grond van zijn eigen waarneming van de camerabeelden en het geconstateerde letsel) heel hard, op dezelfde manier met het vuurwapen op het achterhoofd van het weerloze slachtoffer. Daarna rent de dader weg en tijdens het wegrennen draait hij zich kort en ogenschijnlijk twijfelend terug naar het slachtoffer, waarna hij toch doorrent. De dader rent terug naar de Audi en stapt aan de bijrijderskant in, waarna de Audi wegrijdt. De Audi wordt kort daarna geparkeerd op de [adres 2], in Amsterdam.

De handelingen van de dader waren van een dusdanige aard dat het slachtoffer hierna 18 minuten bloedend op de grond bleef liggen. Uiteindelijk is het slachtoffer afgevoerd naar het ziekenhuis, is daar in kunstmatige coma gehouden en vervolgens langdurig opgenomen in een revalidatiekliniek. Nadat het slachtoffer in het ziekenhuis is opgenomen zijn verschillende breuken in zijn gezicht/hoofd vastgesteld en was sprake van hersenletsel.

Betrokkenheid medeverdachte

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de medeverdachte [medeverdachte] degene is geweest die het slachtoffer meerdere malen met het vuurwapen op zijn hoofd heeft geslagen. Vlak nadat het strafbare feit is gepleegd is op camerabeelden te zien dat twee personen langs de woning aan de [adres 3] te Amsterdam lopen (10.01 uur) uit de richting van waar de gestolen Audi Q5 is achtergelaten. Eén van deze personen wordt herkend als de medeverdachte. Hij draagt twee tassen. De medeverdachte en de tweede persoon lopen de tuin in van de woning aan de [adres 4]. Tijdens doorzoeking van deze woning worden twee tassen aangetroffen. Getuige [getuige] heeft verklaard dat de medeverdachte deze tassen daar heeft neergelegd. In één tas zit een volautomatisch aanvalsgeweer van het merk Staatsarsenaal, model AKK (systeem AK-47) met (los aangetroffen) bijbehorende munitie. Op het aanvalsgeweer is celmateriaal aangetroffen waarvan het DNA-profiel matcht met het DNA-profiel van het slachtoffer.

Poging tot moord (feit 1 primair)

Het voorgaande leidt reeds tot de conclusie dat de medeverdachte opzettelijk heeft geprobeerd het slachtoffer van het leven te beroven. De medeverdachte – en de verdachte als medepleger – wordt echter niet alleen verweten dat hij dit heeft gedaan door het slachtoffer meermalen met het aanvalsgeweer tegen het hoofd te slaan, maar ook door met dat vuurwapen (eerst) te hebben geprobeerd het slachtoffer neer te schieten. En bovendien wordt de medeverdachte verweten te hebben gehandeld met voorbedachten rade.

Op basis van de NFI-rapporten kan niet zonder meer geconcludeerd worden dat de medeverdachte heeft getracht op het slachtoffer te schieten. Het hof gaat daarvan echter wel uit op grond van de volgende feiten in onderlinge samenhang bezien. Om te beginnen rende de medeverdachte met een geladen vuurwapen gericht op het slachtoffer af. Het hof gaat er van uit dat de op straat aangetroffen patronen aanvankelijk in het vuurwapen hebben gezeten. Het vuurwapen van de medeverdachte betrof een volautomatisch aanvalsgeweer (gelijkend op een AK-47), dat bij uitstek geschikt is voor liquidaties. De medeverdachte had zijn gezicht niet bedekt en kon zodoende een eventuele latere herkenning door het slachtoffer voorkomen. Tenslotte heeft het NFI vastgesteld dat bij het doorladen van het door de medeverdachte gebruikte vuurwapen meerdere aanvoerstoringen optraden en dat in een toestand na een opgetreden aanvoerstoring niet met het vuurwapen kon worden geschoten. Deze feiten en omstandigheden worden mede beschouwd in het licht van hetgeen na het richten van het vuurwapen op het slachtoffer is gebeurd. Het komt er kort gezegd op neer dat de medeverdachte, nadat hij ongeveer 10 seconden met zijn vuurwapen tegenover het slachtoffer stond, uit alle macht heeft geprobeerd het slachtoffer dood te slaan. Ook nadat het slachtoffer al bewusteloos op de grond lag, sloeg de medeverdachte nog vijf keer heel hard op diens hoofd. Vervolgens rende hij weg, draaide zich weer om en keerde een stap terug richting het slachtoffer, bedacht zich kennelijk en rende toch weg. Al deze gedragingen van de medeverdachte waren naar hun uiterlijke verschijningvorm zozeer gericht op het doden van het slachtoffer dat het er voor moet worden gehouden, behoudens aanwijzingen in een andere richting, dat de medeverdachte – alvorens hij heeft geprobeerd het slachtoffer dood te slaan – met het loutere doel het slachtoffer van het leven te beroven met een geladen vuurwapen in diens richting is gerend en heeft geprobeerd te schieten, maar dat het wapen weigerde. Zodanige aanwijzingen zijn er niet. De verdachte noch de medeverdachte bij de politie heeft daaromtrent een verklaring afgelegd.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt ook dat de medeverdachte met voorbedachten rade heeft gehandeld. Dit oordeel wordt gesterkt door het feit dat de medeverdachte voorafgaand aan het plegen van het feit met de gestolen Audi Q5, bestuurd door de tweede persoon, richting de [adres 1] is gereden (09:20 uur). De Audi rijdt dan twee keer langs het parkeerterrein bij de [winkel]. De Audi is vervolgens niet meer in beeld totdat het slachtoffer het parkeerterrein oprijdt (09:57:29 uur). De Audi rijdt dan direct achter het slachtoffer aan (09:57:48 uur). Naar het oordeel van het hof volgt hieruit dat de medeverdachte, bijgestaan door de tweede persoon, een voorverkenning van de plaats delict heeft gedaan en de komst van het slachtoffer heeft afgewacht. Gedurende die tijd had de medeverdachte alle tijd om over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad na te denken.

Betrokkenheid verdachte

Zoals hierboven beschreven kan worden vastgesteld dat de medeverdachte samen met een tweede persoon, vlak nadat het strafbare feit is gepleegd, langs de woning aan de [adres 3] loopt uit de richting van waar de gestolen Audi Q5 is achtergelaten (om 10:01 uur). Deze tweede persoon draagt (onder andere) een FILA trui en een donkere broek. De medeverdachte en de tweede persoon lopen de tuin in van de woning aan de [adres 4]. De tweede persoon trekt – kennelijk zijn bovenste laag – kleding uit en loopt zeer kort daarna de tuin uit. Hij draagt dan een trainingspak van [club].

In één van de tassen die door de medeverdachte in de woning is achtergelaten wordt een donkere broek aangetroffen en een FILA trui met daarop celmateriaal waarvan het DNA-profiel matcht met het DNA-profiel van de verdachte. Tijdens de doorzoeking van het verblijfadres van de verdachte aan de [adres 5] wordt een trainingspak van [club] gevonden. Dit is eenzelfde soort trainingspak als die de tweede persoon droeg toen hij de tuin van voornoemde woning verliet. Op basis van door het NFI uitgevoerd vezelonderzoek is waarschijnlijk dat de donkere broek die is aangetroffen in de tas en de broek van [club] over elkaar zijn gedragen.

In de buurt van het verblijfadres van de verdachte wordt een gestolen Toyota Auris gevonden. Uit onderzoek blijkt dat kort nadat de tweede persoon de tuin van de woning aan de [adres 4] verlaat (10:05 uur) de navigatiecomputer van deze Toyota is aangezet (10:08 uur). Het kenteken van de auto wordt twee minuten later, op twee minuten afstand rijden vanaf de [adres 4] geregistreerd op de Haarlemmerweg (10:10 uur). In de Toyota Auris zijn twee sigarettenpeuken aangetroffen met daarop celmateriaal waarvan het DNA-profiel matcht met het DNA-profiel van de verdachte.

De hiervoor genoemde feiten en omstandigheden zijn naar het oordeel van het hof redengevend voor het bewijs dat de verdachte, ten tijde van de poging tot moord op het slachtoffer, de bestuurder was van de Audi Q5, terwijl de verdachte geen aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring heeft gegeven. Het verweer van de raadsman – inhoudende dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte de bestuurder is geweest – wordt verworpen.

Medeplichtig aan poging tot moord (feit 1 subsidiair)

De vraag is hoe de betrokkenheid van de verdachte, als bestuurder van de Audi Q5, bij de door de medeverdachte gepleegde poging tot moord moet worden gekwalificeerd. In de kern genomen heeft het handelen van de verdachte vooral bestaan uit het vervoeren van de medeverdachte naar de plek van het misdrijf, daar op de komst van het slachtoffer te wachten en het – na het gepleegde feit – helpen ontkomen van de medeverdachte. Dit zijn handelingen die doorgaans in verband worden gebracht met medeplichtigheid. Dat kan anders zijn als uit de bewijsmiddelen (bijvoorbeeld) blijkt dat de verdachte in de voorbereiding een grotere rol heeft gehad of anderszins sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachte. Naar het oordeel van het hof blijkt daarvan echter niet, zodat de verdachte van hetgeen onder feit 1 primair is tenlastegelegd moet worden vrijgesproken.

De raadsman heeft aangevoerd dat de verdachte ook moet worden vrijgesproken van medeplichtigheid, omdat niet kan worden bewezen dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet had op het door de medeverdachte gepleegde geweld. Dat verweer wordt verworpen. Uit de hiervoor aangehaalde inhoud van de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte, die voor de gelegenheid een dubbele laag kleren had aangetrokken, de medeverdachte in een gestolen auto heeft vervoerd naar de plaats van het misdrijf. Ter plaatse is de situatie verkend en de komst van het slachtoffer afgewacht. Toen die arriveerde is de medeverdachte met een aanvalsgeweer uitgestapt en op het slachtoffer afgerend. De verdachte keerde ondertussen zijn auto en liet de medeverdachte weer instappen nadat deze heeft geprobeerd het slachtoffer dood te slaan. Vervolgens heeft de verdachte de medeverdachte naar een woning gebracht. In de tuin van die woning heeft de verdachte zijn bovenste laag kleding uitgetrokken. De medeverdachte heeft die kleding tezamen met het vuurwapen in de woning verstopt. Deze feiten en omstandigheden zijn naar het oordeel van het hof redengevend voor het bewijs dat de verdachte wist dat er door de medeverdachte een strafbaar feit gepleegd ging worden waarbij een automatisch aanvalsgeweer zou worden gebruikt en daarmee dat de verdachte minst genomen het voorwaardelijke opzet heeft gehad dat bij gebruik van dat vuurwapen het beoogde slachtoffer het leven zou laten. Ook hier geldt dat de verdachte geen aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring heeft gegeven

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat kan worden bewezen dat de verdachte medeplichtig is geweest aan de poging tot moord door de daarbij gebruikte vluchtauto te besturen. Het hof acht niet bewezen dat de verdachte, zoals in de tenlastelegging omschreven, op de uitkijk heeft gestaan en zal de verdachte daarom partieel vrijspreken van dat onderdeel van de tenlastelegging.

Ten aanzien van feit 2

Naar het oordeel van het hof kan niet worden bewezen hetgeen de verdachte onder 2 primair en subsidiair is tenlastegelegd. Het voorhanden hebben van een wapen vereist beschikkingsmacht en de verdachte moet zich in zekere mate bewust zijn geweest van de aanwezigheid van het wapen. Gezien het gegeven dat de medeverdachte met een gereed houdend aanvalsgeweer uit de auto is gestapt, moet de verdachte op de hoogte zijn geweest van de aanwezigheid van het wapen, maar dat is onvoldoende voor de conclusie dat de verdachte daarmee ook beschikkingsmacht had over het wapen. Evenmin volgt uit het dossier dat er sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachte ten aanzien van het wapenbezit of dat de verdachte opzettelijk behulpzaam is geweest bij het wapenbezit. Het hof zal de verdachte daarom vrijspreken van het wapenbezit.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.subsidiair
[medeverdachte] op 28 augustus 2018 te Amsterdam ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om [benadeelde] opzettelijk en met voorbedachte rade van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen (volautomatisch aanvalsgeweer) één of meermalen in de richting van die [benadeelde] heeft getracht te vuren en, (terwijl die [benadeelde] weerloos op de grond lag), met veel kracht meermalen op het hoofd van die [benadeelde] heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, bij het plegen van welk misdrijf hij, verdachte, op 28 augustus 2018 te Amsterdam, opzettelijk behulpzaam is geweest door de bij de poging moord gebruikte vluchtauto te besturen.

Hetgeen onder 1 subsidiair meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde levert op:

medeplichtigheid aan poging tot moord.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

Oordeel van de rechtbank en standpunten van partijen

De rechtbank heeft de verdachte voor medeplichtigheid aan poging tot moord (feit 1 subsidiair), met toepassing van een jeugdsanctie, veroordeeld tot 24 maanden jeugddetentie waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Daarbij zijn naast de algemene voorwaarden ook bijzondere voorwaarden opgelegd, namelijk de voorwaarde om zich te houden aan een meldplicht, ambulante behandeling en dagbesteding onder toezicht en begeleiding van de reclassering.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het in vereniging plegen van de poging tot moord (feit 1 primair) zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van dertien jaar.

De raadsman heeft primair verzocht om overeenkomstig het vonnis van de rechtbank een jeugdsanctie op te leggen, gelet op de persoonlijkheid van de verdachte en diens zeer beperkte rol bij het strafbare feit. De raadsman voert ten aanzien van de persoonlijkheid van de verdachte aan dat hij jong en beïnvloedbaar is, dat hij meeloopgedrag laat zien en dat hij moeite heeft om zijn leven te organiseren zonder duidelijke structuur en (pedagogische) aansturing. De raadsman heeft daarbij aangevoerd dat de ernst van het feit niet in de weg staat aan toepassing van het jeugdstrafrecht.

De raadsman heeft subsidiair verzocht bij toepassing van het volwassenenstrafrecht rekening te houden met de jeugdige leeftijd van de verdachte. Daarnaast heeft de raadsman verwezen naar jurisprudentie ten aanzien van straffen voor medeplichtigheid van (poging tot) moord en in verband daarmee verzocht de gevorderde straf aanzienlijk te matigen.

Oordeel van het hof

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft ten aanzien van de op te leggen onvoorwaardelijke gevangenisstraf in het bijzonder het volgende in overweging genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan medeplichtigheid aan poging tot moord, waarbij de medeverdachte op klaarlichte dag, op de openbare weg, heeft geprobeerd het slachtoffer om het leven te brengen. De verdachte heeft de medeverdachte naar de plaats delict gereden en zij hebben daar het slachtoffer opgewacht. De medeverdachte is uitgestapt en is met een volautomatisch vuurwapen, gelijkend op een AK-47, op het slachtoffer afgerend. Hij heeft eerst geprobeerd het slachtoffer neer te schieten, maar het wapen werkte op dat moment niet. Daarna heeft hij met de achterkant van dat wapen meerdere keren met veel kracht op het hoofd van het slachtoffer geslagen. Ook nadat het slachtoffer op zijn buik op de grond lag en niet meer bewoog, heeft de medeverdachte hard op het hoofd van het volstrekt weerloze slachtoffer geslagen. De medeverdachte heeft daarna het slachtoffer ogenschijnlijk levenloos, in een plas bloed, achter gelaten en is gevlucht in de door de verdachte bestuurde, gestolen, auto.

De verdachte heeft door opzettelijk behulpzaam te zijn aan de poging tot moord een bijdrage geleverd aan een voor het slachtoffer zeer angstaanjagende situatie waarbij een ernstige inbreuk is gemaakt op diens lichamelijke integriteit en waarbij hij gemakkelijk het leven had kunnen laten. Het slachtoffer zal verder moeten leven in de wetenschap dat deze schokkende gebeurtenis heeft plaatsgevonden en de gevolgen daarvan blijven ondervinden. Uit de schriftelijke vordering tot schadevergoeding en de schriftelijke slachtofferverklaring blijkt dat het slachtoffer ernstig en blijvend hersenletsel heeft opgelopen. Daarnaast lijdt hij aan gehoorverlies, ongevoeligheid van de huid in het gezicht, een stoornis van motorisch gebruik, ernstige geheugenstoornissen, onduidelijke uitspraak van woorden waardoor communicatie wordt bemoeilijkt en emotionele problematiek gepaard met stemmingsstoornissen. Het slachtoffer is arbeidsongeschikt verklaard.

Medeplichtig zijn aan een poging tot moord is een buitengewoon ernstig misdrijf waardoor de samenleving ernstig geschokt wordt. Daarnaast veroorzaakt het gevoelens van onveiligheid en onrust in de maatschappij. Door zijn handelen heeft de verdachte er blijk van gegeven geen enkel respect te hebben voor het leven van een ander.

De verdachte was ten tijde van het plegen van het feit 20 jaar oud en dus meerderjarig. Toepassing van het volwassenstrafrecht is in dat geval het uitgangspunt. Het jeugdstrafrecht kan worden toegepast indien dit gelet op de persoon van de verdachte en de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd is aangewezen.

Uit het psychologisch onderzoek Pro Justitia betreffende de verdachte door drs. [naam 1] van 1 mei 2019 blijkt dat er geen duidelijke indicaties zijn voor toepassing van het jeugdstrafrecht.

Zoals is opgemerkt in het reclasseringsadvies van [naam 2] van 28 juli 2020 was door de reclassering in eerste instantie ingezet op het jeugdstrafrecht, omdat een jongeman werd gezien bij wie sprake was van onvoldoende handelingsvaardigheden en meeloopgedrag, die niet beschikte over startkwalificaties en die ontvankelijk leek voor pedagogische beïnvloeding. Daarbij werden geen contra-indicaties vastgesteld zoals een langdurige justitiële voorgeschiedenis en/of het eerder laten mislukken van justitiële sancties.

In het reclasseringsadvies van 23 oktober 2019 gaf de reclassering aan dat bij de verdachte een verharding te zien was. Het werd door de reclassering niet langer reëel geacht het jeugdstrafrecht te adviseren. In dit verband is onder meer opgemerkt dat de verdachte al langer een negatieve leidersrol innam en dat hij een negatieve invloed had op andere jeugdige gedetineerden. Daarnaast leek hij weinig onder de indruk van justitiële autoriteiten en bleek hij niet open te staan voor pedagogische aansturing. In het hiervoor genoemde reclasseringsadvies van 28 juli 2020 worden in houding en gedrag van de verdachte in de justitiële jeugdinrichting, waar hij enige tijd heeft verbleven, contra-indicaties gezien voor toepassing van het jeugdstrafrecht.

Uit het voorgaande blijkt dat in recente reclasseringsadviezen en het hiervoor vermelde deskundigenadvies van [naam 1] geen grond kan worden gevonden voor de toepassing van een jeugdsanctie. Ook overigens ziet het hof hiervoor in de persoonlijkheid van de verdachte of de omstandigheden waaronder het feit is begaan, geen grond. Het hof zal daarom straffen op basis van het volwassenenstrafrecht.

Gelet op de ernst van het feit kan niet worden volstaan met een andere straf dan een langdurige

gevangenisstraf. Ten nadele van de verdachte weegt het hof mee dat hij geen enkel inzicht in zijn handelen heeft willen geven en geen verantwoordelijkheid voor zijn daden neemt. Hierbij weegt het strafdoel van vergelding zwaar. Daarnaast beoogt het hof met bestraffing eraan bij te dragen dat ook anderen ervan worden weerhouden om dergelijke misdrijven te begaan. Het hof acht daarom de oplegging van een gevangenisstraf van aanzienlijke duur aangewezen.

Het hof heeft in strafmatigende zin meegewogen dat de verdachte slechts 20 jaar oud was, en vanwege zijn persoonlijkheidsstructuur makkelijk beïnvloedbaar, op het moment dat hij het feit pleegde.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van zes jaar passend en geboden.

In het voorgaande ligt besloten dat het hof, met name gelet op de ernst van het feit, in hetgeen door de raadsman is aangevoerd geen grond ziet een lagere, dan wel deels voorwaardelijke, straf op te leggen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Inleiding

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze vordering bedraagt € 600.619,84. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 215.175,86. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

De vordering voor de materiële schade bedraagt € 550.619,84, te vermeerderen met de wettelijke rente, en bestaat uit de volgende schadeposten:

A. Gemaakte kosten naar aanleiding van het strafbare feit

1. factuur [bedrijf] € 1.815,00

2. factuur huisarts [naam 3] € 47,70

3. factuur Drs. P[naam 4] € 1.344,73

4. mediamarkt: Apple producten € 1.192,98,

€ 739,00

€ 1.238,00

5. gehoorapparaat € 1.557,98

6. flipover/Whiteboard € 124,95

7. psychosociale therapie, facturen in totaal € 2.500,-

8. eigen bijdrage CZ 2018, factuur 9 november 2018 € 385,-

9. eigen bijdrage CZ, factuur 8 februari 2019 € 101,-

10. eigen bijdrage CZ 2019, factuur 11 mei 2019 € 488,-

11. voorschot nog te volgen behandeling voor het komende half jaar € 3.000,-

B. Letselschade

1. ziekenhuis- en revalidatiegeldvergoeding € 1.740,001

€ 435,002

2. huishoudelijke hulp € 1.176,50

C. Gederfde inkomsten en pensioenverlies

Primair:

- toekomstige inkomstenverderving € 383.568,003

- pensioenverlies € 149.166,004

Subsidiair: gederfde inkomsten tot aan 1 januari 2020 € 13.646,005

De vordering voor de immateriële schade bedraagt € 50.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Standpunten van partijen

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij voor een bedrag van € 265.715,84 (waarvan € 50.000,- immaterieel) – hoofdelijk – zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

De raadsman heeft in verband met de bepleite, algehele vrijspraak primair verzocht de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren.

De raadsman heeft, subsidiair, ten aanzien van post 4 (materiële schade) verzocht de vordering af te wijzen, omdat deze onvoldoende verband houdt met het strafbare feit. Subsidiair heeft de raadsman verzocht dit onderdeel van de vordering overeenkomstig het vonnis van de rechtbank toe te wijzen tot een bedrag van € 1.000,00 op basis van de dagwaarde van de Apple producten. Ten aanzien van de gederfde inkomsten en het pensioenverlies, zoals genoemd onder C, heeft de raadsman verzocht de vordering niet-ontvankelijk te verklaren, omdat dit een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Subsidiair heeft de raadsman verzocht dit onderdeel van de vordering overeenkomstig het vonnis van de rechtbank toe te wijzen tot een bedrag van € 150.000,00. Ter onderbouwing heeft de raadsman gemotiveerd betwist dat het slachtoffer een blijvende invaliditeit heeft van 61%. Er is nog geen eindtoestand. Voorts heeft de raadsman verzocht de immateriële schadevergoeding van € 50.000,00 te matigen.

Oordeel van het hof

Uit het onderzoek ter terechtzitting is onvoldoende gebleken dat de benadeelde partij ten gevolge van het onder 1 primair bewezenverklaarde rechtstreeks schade heeft geleden aan de onder A, post 4 genoemde Apple producten. De verdachte is niet tot vergoeding daarvan gehouden, zodat de vordering voor een bedrag van € 3.169,98 zal worden afgewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 primair bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 214.715,86, bestaande uit de overige bedragen genoemd onder A en onder B (in totaal € 14.715,86) en na te noemen bedrag onder C. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering tot dat bedrag – hoofdelijk, vanwege de betrokkenheid van de medeverdachte – zal worden toegewezen.

Met betrekking tot de kosten genoemd onder C overweegt het hof dat de benadeelde partij naast de gederfde inkomsten tot 1 januari 2020 ook na deze datum (toekomstige) inkomstenderving en pensioenverlies zal hebben ten gevolge van het onder 1 primair bewezenverklaarde. Naar het oordeel van het hof zal dit in ieder geval een bedrag van € 200.000,00 zijn, welk bedrag voor vergoeding in aanmerking komt. Het hof zal de benadeelde partij in het overige deel van de vordering onder C (een bedrag van € 332.734,00) niet-ontvankelijk verklaren. Het hof overweegt daartoe dat behandeling van dat deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, omdat zonder uitgebreid onderzoek onzeker is hoe groot de toekomstige inkomstenderving en het pensioenverlies dat uitgaat boven het hiervoor vermelde toe te kennen bedrag zal zijn. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Het hof concludeert dat de vordering tot materiële schadevergoeding kan worden toegewezen tot een bedrag van € 214.715,86, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 september 2019, zijnde de datum van de indiening van de vordering.

Ten aanzien van de vordering tot de immateriële schadevergoeding overweegt het hof dat een zeer ernstige inbreuk is gepleegd op de persoonlijke levenssfeer en op de lichamelijke integriteit van de benadeelde partij. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade. De raadsvrouw van de benadeelde partij heeft ter terechtzitting een schriftelijke verklaring van de verdachte voorgedragen waaruit blijkt welke lichamelijke en psychische gevolgen hij heeft opgelopen ten gevolge van het onder 1 primair bewezenverklaarde. De benadeelde partij heeft ernstig hersenletsel, gehoorverlies, ongevoeligheid van de huid in het gezicht, een stoornis van motorisch gebruik, ernstige geheugenstoornissen, onduidelijke uitspraak van woorden waardoor communicatie wordt verminderd en emotionele problematiek gepaard met stemmingsstoornissen. Hij is arbeidsongeschikt verklaard. De lichamelijke en psychische gevolgen zijn onderbouwd met medische stukken.

Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot het hof de immateriële

schadevergoeding naar billijkheid op € 50.000,-.

Het hof zal de vordering tot immateriële schadevergoeding toewijzen tot een bedrag van € 50.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 augustus 2018, zijnde het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36f, 45, 48 en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep, waaronder begrepen het daarbij behorende herstelvonnis, en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 primair en 2 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 264.715,86 (tweehonderdvierenzestigduizend zevenhonderdvijftien euro en zesentachtig cent) bestaande uit

€ 214.715,86 (tweehonderdveertienduizend zevenhonderdvijftien euro en zesentachtig cent) materiële schade en € 50.000,00 (vijftigduizend euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van € 3.169,98 (drieduizend honderdnegenenzestig euro en achtennegentig cent) aan materiële schade af.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde], ter zake van het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 264.715,86 (tweehonderdvierenzestigduizend zevenhonderdvijftien euro en zesentachtig cent) bestaande uit € 214.715,86 (tweehonderdveertienduizend zevenhonderdvijftien euro en zesentachtig cent) materiële schade en € 50.000,00 (vijftigduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 365 (driehonderdvijfenzestig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 24 september 2019

en van de immateriële schade op 28 augustus 2018.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. F.M.D. Aardema, mr. V. Mul en mr. J. Piena, in tegenwoordigheid van
mr. S.H.M. van Gennip, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
4 november 2020.

mr. V. Mul is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

[…]

1 voor de periode van 28 augustus 2018 tot 25 oktober 2018

2 voor de periode van 25 oktober 2018 tot 23 november 2018

3 vanaf 28 augustus 2018 tot 67 jaar

4 tot 100 jaar

5 tot aan 1 januari 2020