Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:3256

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
04-12-2020
Datum publicatie
04-12-2020
Zaaknummer
23-000051-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Poging tot doodslag. Door als ongeoefend schutter met een automatisch wapen meerdere kogels in de richting van een (slaapkamer)raam van een benedenwoning af te vuren bestond aanmerkelijke kans dat een bewoner door de kogel dodelijk zou worden getroffen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2021/150
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-000051-20

datum uitspraak: 4 december 2020

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, van 24 december 2019 in de strafzaak onder parketnummer 15-019027-19 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1996,

zonder bekende woon- of verblijfplaats,

thans gedetineerd in PI Rijnmond - Gev. De IJssel te Krimpen aan den IJssel.

Onderzoek van de strafzaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzittingen in hoger beroep van

2 oktober 2020 en 20 november 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg ter terechtzitting van 9 juli 2019 door de rechtbank toegelaten nadere omschrijving van de tenlastelegging in de zin van artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering is aan de verdachte tenlastegelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 26 november 2018 te Zandvoort ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om een of meer bewoner(s) van een (beneden)woning gelegen aan de [adres] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met een (automatisch) vuurwapen (merk Skorpion) een- of meermalen heeft geschoten op en/of in de richting van die (beneden)woning (in welke woning op dat moment voornoemde bewoner(s) aanwezig waren), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 26 november 2018 te Zandvoort, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een of meer bewoner(s) van een (beneden)woning gelegen aan de [adres] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of zware mishandeling, door een- of meermalen met een (automatisch) vuurwapen (merk Skorpion) op en/of in de richting van die (beneden)woning te schieten (in welke woning op dat moment voornoemde bewoner(s) aanwezig waren);

2.
hij op of omstreeks 26 november 2018 te Zandvoort en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, een wapen van categorie II, onder 2 van de Wet wapens en munitie, te weten een automatisch vuurwapen (merk Skorpion), geschikt om (automatisch) te vuren, voorhanden heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een enigszins andere bewezenverklaring van het onder 1 impliciet subsidiair tenlastegelegde komt dan de rechtbank.

Vrijspraak van de onder 1 impliciet primair tenlastegelegde poging tot moord

Met de advocaat-generaal en de raadsvrouw van verdachte is het hof, evenals de rechtbank, van oordeel dat de onder 1 impliciet primair tenlastegelegde voorbedachten rade niet wettig en overtuigend is bewezen. Weliswaar bevatten het dossier en de door de verdachte ter terechtzittingen in eerste aanleg en in hoger beroep afgelegde verklaringen aanwijzingen die wijzen op enige planmatigheid in het handelen van de verdachte, maar deze aanwijzingen acht het hof onvoldoende concreet om op grond daarvan te kunnen vaststellen dat de verdachte met voorbedachten rade heeft gehandeld. Op grond van de verklaring van de verdachte is aannemelijk geworden dat de verdachte met de intentie van het uitvoeren van een bedreiging en het aanjagen van vrees naar de woning in Zandvoort is gegaan en deze vervolgens heeft beschoten en dat zijn intentie er niet op voorhand op was gericht iemand van het leven te beroven. Het hof ziet hierin een hiervoor omschreven contra-indicatie voor het aannemen van voorbedachten rade. Aldus is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 impliciet primair ten laste is gelegd - medeplegen van poging tot moord -, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

Bespreking van een gevoerd verweer ten aanzien van het onder 1 impliciet subsidiair tenlastegelegde

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep ten aanzien van het onder 1 impliciet subsidiair tenlastegelegde aan de hand van haar pleitnota betoogd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van (medeplegen van) poging tot doodslag. De raadsvrouw heeft daartoe aangevoerd - zakelijk weergegeven - dat uit het dossier niet blijkt van opzet, ook niet in voorwaardelijke zin, op het van het leven beroven van personen. [benadeelde 1] en [slachtoffer] lagen in een slaapkamer aan de achterzijde van de woning te slapen. Zij bevonden zich niet in de slaapkamer waar de twee projectielen via het raam en het raamkozijn de slaapkamer van [benadeelde 2] ingekomen zijn. Derhalve is ten aanzien van [benadeelde 1] en [slachtoffer] geen sprake van een aanmerkelijke kans dat zij door de kogels geraakt hadden kunnen worden. [benadeelde 2] bevond zich ten tijde van de beschieting in een slaapkamer aan de voorzijde van de woning, maar niet kan worden gesteld dat er een aanmerkelijke kans was dat hij dodelijk zou worden getroffen. In ieder geval is de verdachte zich niet van de aanmerkelijke kans bewust geweest en hij heeft die kans al helemaal niet aanvaard, nu de verdachte niet wist dat het een benedenwoning betrof en hij slechts naar de woning is gekomen om te dreigen. Ook had hij begrepen dat er beneden geen personen sliepen. De beschieting dient dan ook te worden aangemerkt als bedreiging. Derhalve kan het onder 1 subsidiair tenlastegelegde wel worden bewezen.

Op grond van de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat stelt het hof het volgende vast.

Op 26 november 2018 is de verdachte samen met medeverdachte [medeverdachte] vanuit de omgeving Utrecht met een auto naar de woning aan [adres] te Zandvoort gegaan. Dit betreft een benedenwoning. Op het terrein voor de woning stonden twee auto’s. De verdachte had een automatisch vuurwapen van het merk Skorpion, kaliber 7,65 mm Browning, bij zich. Hij was een ongeoefend schutter. [medeverdachte] was de bestuurder van de auto. De auto stopte eerst voor de woning op voornoemd adres, reed weer weg, stopte daarna nogmaals voor de woning en reed daarna een stukje achteruit. Vervolgens is de verdachte uit de auto gestapt en op korte afstand voor eerdergenoemde woning gaan staan, waarna hij met het genoemde vuurwapen ten minste zeven kogels heeft geschoten in de richting van de woning op de begane grond. Het is op dat moment 02:47 uur. Daarbij zijn twee kogels door respectievelijk het raam van de slaapkamer en het raamkozijn van de slaapkamer aan de straatkant gegaan, waarbij waarschijnlijk de laatste kogel terecht is gekomen in de rugleuning van een bureaustoel in de slaapkamer. Een van de bewoners, de veertienjarige [benadeelde 2], zat op dat moment in deze bureaustoel te gamen op zijn spelcomputer. Nadat de schoten waren gelost voelde het slachtoffer pijn in zijn hand en trok hij een glassplinter uit zijn vinger.

Voorwaardelijk opzet

Bij de beantwoording van de vraag of de verdachte zich hiermee schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag dient het hof de vraag te beantwoorden of de verdachte het (voorwaardelijk) opzet heeft gehad om (één of meer) bewoner(s) van de woning van het leven te beroven.

Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg - zoals hier de dood - is aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het

- behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijk kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard. Er is geen grond de inhoud van het begrip “aanmerkelijke kans” afhankelijk te stellen van de aard van het gevolg. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.

Het hof overweegt dat de verdachte als ongeoefend schutter met een automatisch vuurwapen meerdere kogels in de richting van een (slaapkamer)raam van een benedenwoning heeft afgevuurd. Het was midden in de nacht en de woning was bewoond. Onder die omstandigheden bestond er naar het oordeel van het hof een naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk te achten kans dat één van de bewoners door de kogels dodelijk zou worden getroffen, mede gelet op de afstand tussen de verdachte en de woning ten tijde van het schieten en gelet op de hoogte van de inslagen (ongeveer tussen 110 cm en 170 cm). In dit geval heeft dat gevaar zich ook concreet verwezenlijkt, gelet op het feit dat één kogel is terechtgekomen in de rugleuning van de bureaustoel waarop eerdergenoemde [benadeelde 2] op dat moment zat te gamen, waardoor vitale lichaamsdelen ook daadwerkelijk hadden kunnen worden geraakt.

De verdachte heeft ter terechtzittingen in eerste aanleg en in hoger beroep onder meer verklaard dat hij van zijn opdrachtgever te horen heeft gekregen dat de bewoners van de woning - zijnde een man, diens vriendin en een kind - aanwezig zouden zijn, dat zij op de bovenverdieping zouden slapen en dat hij verder niet heeft gecontroleerd of zich op de begane grond een slaapkamer bevond. Gelet op het nachtelijke tijdstip en het feit dat er auto’s voor de deur geparkeerd stonden, diende de verdachte ervan uit te gaan dat de bewoners thuis zouden zijn. Door zich vervolgens niet te vergewissen of zich iemand op de begane grond bevond en in die richting van de woning met een automatisch vuurwapen meerdere kogels af te vuren, heeft de verdachte zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat één of meerdere bewoners dodelijk zouden worden getroffen. Naar het oordeel van het hof kunnen de geschetste gedragingen van de verdachte gelet op de aard van deze gedragingen en de omstandigheden waaronder die zijn verricht, naar haar uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer te zijn gericht op het toebrengen van dodelijk letsel aan één of meer bewoner(s) van de woning, dat het

- behoudens contra-indicaties, waarvan hier niet is gebleken - niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op dit gevolg ook heeft aanvaard. Het hof acht dan ook, evenals de rechtbank, bewezen dat de verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van één of meer bewoners van de benedenwoning aan de [adres] in Zandvoort. Derhalve verwerpt het hof het door de raadsvrouw gevoerde verweer.

Medeplegen

Het hof overweegt evenals de rechtbank dat uit de gebezigde bewijsmiddelen en de hierboven vastgestelde feiten volgt dat er sprake is geweest van een intensieve samenwerking met een duidelijke taakverdeling. De rol van de verdachte bestond uit het schieten op de woning. Daarbij werd hij ondersteund door eerdergenoemde medeverdachte, die hem als bestuurder van de auto midden in de nacht vanuit de omgeving Utrecht naar eerdergenoemde woning in Zandvoort heeft gereden. Aldaar is samen met de medeverdachte eerst nog een voorverkenning uitgevoerd door een eerste keer voor de woning te stoppen. Vlak voor de beschieting is de medeverdachte nog naar achteren gereden, waarna de verdachte kon uitstappen en na het schieten op de woning direct weer kon instappen, waarna zij beiden direct konden wegkomen. Het hof is daarom van oordeel dat van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en voornoemde medeverdachte sprake is geweest, die in de kern bestaat in een gezamenlijke uitvoering, en dat het medeplegen bewezen kan worden verklaard, zowel voor de poging tot doodslag als het voorhanden hebben van het daarbij gebruikte vuurwapen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 impliciet subsidiair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat hij:

ten aanzien van het onder 1 impliciet subsidiair tenlastegelegde:

op 26 november 2018 te Zandvoort ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf om een of meer bewoners van een benedenwoning gelegen aan de

[adres], opzettelijk van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met een ander, met een automatisch vuurwapen, merk Skorpion, meermalen heeft geschoten op die benedenwoning, in welke woning op dat moment voornoemde bewoners aanwezig waren, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde:

op 26 november 2018 te Zandvoort tezamen en in vereniging met een ander, een wapen van categorie II, onder 2 van de Wet wapens en munitie, te weten een automatisch vuurwapen, merk Skorpion, geschikt om automatisch te vuren, voorhanden heeft gehad.

Hetgeen onder 1 impliciet subsidiair en 2 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 impliciet subsidiair en 2 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 impliciet subsidiair bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van poging tot doodslag.

Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 1 impliciet subsidiair en 2 bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 impliciet subsidiair en 2 bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte na bewezenverklaring van het onder 1 impliciet subsidiair en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van een poging tot doodslag en het medeplegen van het voorhanden hebben van een automatisch vuurwapen. Hij heeft in opdracht van een ander tegen een geldelijke vergoeding meermalen met een automatisch vuurwapen op een woning geschoten. Daarbij heeft één van de bewoners, een veertienjarige jongen, letsel bekomen aan zijn hand waar hij tot op de dag van de behandeling van de strafzaak in hoger beroep pijn en last van ondervindt. Dit is een zeer ernstig feit. Door aldus te handelen hebben de verdachte en zijn mededader niet alleen de lichamelijke integriteit van voornoemde bewoner geschonden, maar ook grote vrees aangejaagd en een grove inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de overige bewoners. Slachtoffers van een dergelijk feit ondervinden naast de lichamelijke gevolgen - zo leert de ervaring - nog lange tijd nadien psychische schade. De eigen woning is een plaats waar iemand zich bij uitstek veilig zou moeten voelen. Bovendien brengt het schieten met een automatisch vuurwapen in een woonwijk in het midden van de nacht sterke gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving teweeg. Het hof rekent dit alles de verdachte zwaar aan.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 23 september 2020 is hij eerder meermalen strafrechtelijk, waaronder ter zake van geweldsdelicten, onherroepelijk veroordeeld, hetgeen in zijn nadeel weegt.

Gelet op het voorgaande kan niet worden volstaan met een andere dan een langdurige vrijheidsbenemende straf.

Het hof acht, alles afwegende, daarbij rekening houdend met het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht, de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals gebleken ter terechtzitting in hoger beroep en diens jonge leeftijd, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van gelijke duur als door de rechtbank is opgelegd en door de advocaat-generaal gevorderd, passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 7.500,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade.

De vordering is bij het vonnis waarvan beroep geheel toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 november 2018 tot aan de dag van algehele voldoening en hoofdelijke oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot volledige toewijzing van de vordering, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade tot aan de dag van algehele voldoening en (de hoofdelijke) oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte ter zake gevorderd.

De raadsvrouw heeft namens de verdachte de vordering niet betwist.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 impliciet subsidiair bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Het hof zal de omvang van de immateriële schade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 BW naar maatstaven van billijkheid schatten op € 7.500,00. Daarbij is in het bijzonder gelet op:

- de ingrijpende en beangstigende aard van het handelen van de verdachte;

- het veroorzaakte letsel en de psychische gevolgen van dat handelen voor de benadeelde partij;

- de schadevergoeding die in vergelijkbare gevallen door rechters is toegekend.

De verdachte is (hoofdelijk) tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 4.423,42 (€ 423,42 aan materiële schade en € 4.000,00 aan immateriële schade), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade.

De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 2.423,42, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 november 2018 tot aan de dag van algehele voldoening en hoofdelijke oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte. De benadeelde partij is voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering, zodat deze vordering in hoger beroep aan de orde is

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot volledige toewijzing van de vordering, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade tot aan de dag van algehele voldoening en (de hoofdelijke) oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte ter zake gevorderd.

De raadsvrouw heeft namens de verdachte verzocht conform de beslissing van de rechtbank op de vordering te beslissen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 impliciet subsidiair bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Nu de vordering tot vergoeding van materiële schade niet is betwist zal het hof deze geheel toewijzen.

Het hof zal de omvang van de immateriële schade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 BW naar maatstaven van billijkheid schatten op € 2.000,00. Daarbij is in het bijzonder gelet op:

- de ingrijpende en beangstigende aard van het handelen van de verdachte en de psychische gevolgen die dit voor de benadeelde partij heeft teweeggebracht;

- de schadevergoeding die in vergelijkbare gevallen door rechters is toegekend.

De verdachte is (hoofdelijk) tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 36f, 45, 47, 57, 63 en 287 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 impliciet primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 impliciet subsidiair en 2 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 impliciet subsidiair en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] ter zake van het onder 1 impliciet subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 7.500,00 (zevenduizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd

[benadeelde 2], ter zake van het onder 1 impliciet subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van

€ 7.500,00 (zevenduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 72 (tweeënzeventig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 26 november 2018.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het onder 1 impliciet subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 2.423,42 (tweeduizend vierhonderddrieëntwintig euro en tweeënveertig cent) bestaande uit € 423,42 (vierhonderddrieëntwintig euro en tweeënveertig cent) materiële schade en € 2.000,00 (tweeduizend euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1], ter zake van het onder 1 impliciet subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van

€ 2.423,42 (tweeduizend vierhonderddrieëntwintig euro en tweeënveertig cent) bestaande uit € 423,42 (vierhonderddrieëntwintig euro en tweeënveertig cent) materiële schade en € 2.000,00 (tweeduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 34 (vierendertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op

26 november 2018.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.H.C. van Ginhoven, mr. M.L.M. van der Voet en mr. C.J. van der Wilt, in tegenwoordigheid van mr. D. Zeiss, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 4 december 2020.

=========================================================================

[…]