Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:3246

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
24-11-2020
Datum publicatie
04-12-2020
Zaaknummer
200.276.603/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Incident ex artikel 224 Rv tot zekerheidsstelling voor proceskosten. Tussenarrest. Uitzondering van artikel 224 lid 2 aanhef en onder a Rv: is artikel 17 van het Haags Rechtsvorderingsverdrag 1954 van toepassing? Uitlating bij akte over nationaliteit van in Turkije woonachtige appellant.

Zie ECLI:NL:GHAMS:2021:845.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

arrest

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.276.603/01

zaak-/rolnummers rechtbank Amsterdam : C/13/640516 / HA ZA 17-1367 en

C/13/661001 / HA ZA 19-116

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 24 november 2020

inzake

[appellant] ,

wonend te [woonplaats] (Turkije),

appellant in de hoofdzaak,

verweerder in het incident,

advocaat: mr. M. Dorgelo te Amsterdam,

tegen:

1 ABN AMRO SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te Zwolle,

advocaat: mr. W.A.M. Rupert te Rotterdam,

2. ABN AMRO BANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

advocaat: mr. J.W. Achterberg te Amsterdam,

geïntimeerden in de hoofdzaak,

eiseressen in het incident.

Partijen worden hierna [appellant] , AAS en ABN Amro genoemd.

1 Het geding in hoger beroep

[appellant] is bij dagvaarding van 4 december 2019 in hoger beroep gekomen van - naar het hof begrijpt - het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 4 september 2019 dat is gewezen tussen [appellant] als eiser en, in de zaak met zaak-/rolnummer C/13/640516 / HA ZA 17-1367, (onder andere) ABN Amro als gedaagde, en, in de zaak met zaak-/rol- nummer C/13/661001 / HA ZA 19-116, AAS als gedaagde.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven van [appellant] ;

- memorie van antwoord, tevens houdende incidentele vordering tot zekerheidsstelling ex artikel 224 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), met producties, van ABN Amro;

- incidentele memorie strekkende tot zekerheidsstelling ex artikel 224 Rv, met producties, van AAS;

- memorie van antwoord in het incident van [appellant] .

Vervolgens is arrest in het incident gevraagd.

ABN Amro heeft incidenteel gevorderd dat het hof [appellant] zal bevelen zekerheid te stellen voor de proceskosten tot betaling waarvan hij in de onderhavige procedure veroordeeld zou kunnen worden door het stellen van een onherroepelijke afroepgarantie van een gerenommeerde Nederlandse bank op de gebruikelijke garantievoorwaarden, met veroordeling van [appellant] in de kosten van dit incident, uitvoerbaar bij voorraad.

AAS heeft incidenteel gevorderd dat het hof [appellant] zal bevelen zekerheid te stellen voor de proceskosten tot betaling waarvan hij in de onderhavige procedure in hoger beroep veroordeeld zou kunnen worden, met veroordeling van [appellant] in de kosten van dit incident, uitvoerbaar bij voorraad.

[appellant] heeft geconcludeerd dat het hof de incidentele vorderingen zal afwijzen, met

- uitvoerbaar bij voorraad - veroordeling van ABN Amro en AAS in de kosten van het incident, te vermeerderen met de wettelijke rente.

2 Beoordeling

in het incident

2.1.

ABN Amro en ASS hebben ieder op de voet van artikel 224 Rv zekerheidsstelling voor de proceskosten verzocht. Op grond van artikel 224 lid 1 Rv dient degene die, zonder woonplaats of gewone verblijfplaats in Nederland, bij een Nederlandse rechter een vordering instelt, op vordering van de wederpartij zekerheid te stellen voor de proceskosten tot betaling waarvan hij in die procedure veroordeeld zou kunnen worden, tenzij een van de in artikel 224 lid 2 Rv genoemde uitzonderingen van toepassing is. Deze bepaling is op grond van artikel 353 lid 1 Rv in hoger beroep van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat - zo volgt uit het tweede lid van dat artikel - in hoger beroep van de oorspronkelijk gedaagde geen zekerheid kan worden gevorderd, ook niet als deze in hoger beroep (principaal of incidenteel) appellant is.

2.2.

[appellant] woont in [plaats] (Turkije) en was in eerste aanleg eisende partij. Dit betekent dat hij ingevolge het bepaalde in artikel 224 lid 1 Rv in beginsel verplicht is tot het stellen van zekerheid voor de proceskosten. In deze zaak doet zich echter mogelijk de uitzondering voor van artikel 224 lid 2 aanhef en onder a Rv dat geen verplichting tot het stellen van zekerheid bestaat, indien dit voortvloeit uit een verdrag of EG-verordening.

2.3.

Zowel Turkije als Nederland is partij bij het - door het hof ambtshalve toe te passen - Verdrag betreffende de burgerlijke rechtsvordering van 1 maart 1954 (Haags Rechtsvorderingsverdrag 1954, Trb. 1954, 40: hierna: het Verdrag). Artikel 17 lid 1 van het Verdrag luidt:

“Geen zekerheidstelling of dépôt, onder welke benaming ook, kan op grond hetzij van hun hoedanigheid van vreemdelingen, hetzij van gemis van domicilie of verblijfplaats in het land, worden opgelegd aan de onderdanen van een der verdragsluitende Staten, die in een dier Staten hun domicilie hebben, wanneer zij als eiseres of tussenkomende partij voor de rechtbanken van een andere dier Staten optreden.”

2.4.

Uit dit artikel vloeit voort dat [appellant] vrijgesteld zal zijn van het stellen van zekerheid voor proceskosten in Nederland in het geval dat hij de Nederlandse en/of Turkse nationaliteit heeft. Behalve dat [appellant] domicilie heeft in Turkije, is hij dan immers ook onderdaan van Nederland en/of Turkije in de zin van het Verdrag. Het hof zal de zaak naar de rol verwijzen opdat [appellant] zich bij akte – gestaafd met een paspoort of ander identiteitsbewijs – uitlaat over de vraag of hij de Nederlandse en/of Turkse nationaliteit heeft. Vervolgens zullen ABN AMRO en ASS daarop mogen reageren.

3 Beslissing

Het hof:

in het incident:

verwijst de zaak naar de rol van 8 december 2020 voor het nemen van een akte door [appellant] , als hiervoor onder 2.4 vermeld, waarna ABN AMRO en ASS daarop bij akte zullen mogen reageren;

houdt iedere verdere beslissing aan;

in de hoofdzaak:

houdt iedere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.C.W. Rang, R.J.M. Smit en J.W. Hoekzema en is door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 24 november 2020.