Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:3231

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
23-11-2020
Datum publicatie
03-12-2020
Zaaknummer
23-002791-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Diefstallen telefoons. Gedeeltelijke voorwaardelijke gevangenisstraf, gelet op ISD-oplegging in een andere zaak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-002791-19

datum uitspraak: 23 november 2020

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 18 juli 2019 in de strafzaak onder parketnummer 13-113839-19 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1978,

adres: [adres],

thans uit anderen hoofde gedetineerd in Penitentiaire Inrichting Zaanstad te Westzaan.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

9 november 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv), naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is door politierechter in de rechtbank Amsterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 3 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, Sv staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep, voor zover in hoger beroep inhoudelijk aan de orde, en zal dit derhalve bevestigen, behalve ten aanzien van de kwalificatie van het bewezenverklaarde, de opgelegde gevangenisstraf en (in verband met hetgeen is overwogen in HR 26 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:914) de opgelegde schadevergoedingsmaatregelen – in zoverre wordt het vonnis vernietigd.

Oplegging van straf

De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 en 2 bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 100 dagen, waarvan 57 dagen voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest en een proeftijd van 2 jaren. Daarbij zijn algemene en bijzondere voorwaarden gesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte voor de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten veroordeelt tot dezelfde straf als de eerste rechter heeft uitgesproken, met dien verstande dat daarbij geen bijzondere voorwaarden behoeven te worden gesteld.

De raadsvrouw heeft het hof verzocht om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, omdat aan de verdachte bij onherroepelijk geworden vonnis van 25 september 2020 de maatregel plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD) voor de duur van twee jaren is opgelegd, en hij na ommekomst van het ISD-traject met een ‘schone lei’ wil beginnen.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich in een café onderscheidenlijk een kantine van een sporthal op gewiekste wijze schuldig gemaakt aan diefstallen van mobiele telefoons. Diefstal is een misdrijf dat in het algemeen naast financiële schade ook hinder en overlast voor de gedupeerde veroorzaakt. Door aldus te handelen heeft de verdachte er blijk van gegeven geen respect te hebben voor de eigendomsrechten van een ander. Daarbij komt dat de ontvreemding van een mobiele telefoon groot ongemak met zich brengt voor de gedupeerde eigenaar en gepaard kan gaan met het verlies van allerlei persoonlijke gegevens en afbeeldingen.

Blijkens een uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 3 november 2020 is de verdachte vele malen eerder ter zake van diefstallen onherroepelijk veroordeeld, hetgeen sterk in zijn nadeel weegt. Het hof heeft gelet op de straffen die in soortgelijke gevallen aan (verstokte) recidivisten plegen te worden opgelegd. De deels voorwaardelijke straf die de politierechter heeft uitgesproken loopt daarmee in de pas. Deze straf neemt het hof tot uitgangspunt.

In het voorstel van de raadsvrouw gaat het hof niet mee, omdat dat voorbij zou gaan aan de ernst van de bewezen feiten en de recidive van de verdachte. Verder geldt dat de verdachte het in onvoorwaardelijke vorm op te leggen gedeelte van de straf reeds in voorarrest heeft uitgezeten – en het ISD-traject in zoverre dus niet in het gedrang komt – en het hof de verdachte met het voorwaardelijk strafdeel wil inprenten dat hij zich na ommekomst van dat traject verre moet houden van het plegen van strafbare feiten. Wel wordt in het ISD-traject aanleiding gezien om aan het voorwaardelijk strafdeel, anders dan de politierechter heeft gedaan, geen bijzondere voorwaarden te koppelen.

Het hof acht, alles afwegende, een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Oplegging van maatregel

Om te bevorderen dat de door de verdachte aan [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] rechtstreeks toegebrachte schade door hem wordt vergoed, zal het hof ter zake van die schade ten behoeve van beiden een maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen, telkens te vermeerderen met de wettelijke rente.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 57, 63, en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 3 tenlastegelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover in hoger beroep inhoudelijk aan de orde, ten aanzien van de kwalificatie van het bewezenverklaarde, de opgelegde gevangenisstraf en de opgelegde schadevergoedingsmaatregelen.

Kwalificeert het onder 1 en 2 bewezenverklaarde telkens als diefstal.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 100 (honderd) dagen.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 57 (zevenenvijftig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1], ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 902,98 (negenhonderdtwee euro en achtennegentig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 mei 2019 tot aan de dag der voldoening. Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 18 (achttien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op. Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2], ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 80,00 (tachtig euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 april 2019 tot aan de dag der voldoening. Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. H.A. van Eijk, mr. J.J.I. de Jong en mr. J.H.C. van Ginhoven, in tegenwoordigheid van mr. S. den Hartog, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 23 november 2020.

mr. H.A. van Eijk en mr. J.H.C. van Ginhoven zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

[…]