Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:3230

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
23-11-2020
Datum publicatie
03-12-2020
Zaaknummer
23-003284-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Diefstallen supermarkt en restaurant en lokaalvredebreuk Albert Heijn. Voorwaardelijke gevangenisstraf, gelet op ISD-oplegging in een andere zaak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-003284-19

datum uitspraak: 23 november 2020

TEGENSPRAAK (raadsvrouw gemachtigd)

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 21 augustus 2019 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 13-072128-19 (zaak A), 13-074945-19 (zaak B), 13-089671-19 zaak (C) en 13-097934-19 (zaak D) tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1978,

adres: [adres],

thans uit anderen hoofde gedetineerd in Penitentiaire Inrichting Zaanstad te Westzaan.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 9 november 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de kwalificatie van het in de zaken A, C en D bewezen verklaarde, alsmede de opgelegde gevangenisstraf – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat het hof de bewijsvoering vervangt door de bewijsvoering die (in de gevallen waarin de wet dat vereist) zal worden neergelegd in de aanvulling op dit verkort arrest.

Oplegging van straf

De politierechter heeft de verdachte voor de in eerste aanleg bewezenverklaarde feiten veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie weken, waarvan één week voorwaardelijk met aftrek van voorarrest en met een proeftijd van 1 jaar. Daarbij zijn algemene en bijzondere voorwaarden gesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor alle tenlastegelegde feiten zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie weken met aftrek van voorarrest en een proeftijd van 2 jaren, zonder dat daarbij bijzondere voorwaarden worden gesteld.

De raadsvrouw heeft het hof verzocht om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich in twee winkels onderscheidenlijk een restaurant schuldig gemaakt aan drie diefstallen. Diefstal is een misdrijf dat in het algemeen naast financiële schade ook hinder en overlast voor de gedupeerde veroorzaakt. Door aldus te handelen heeft de verdachte er blijk van gegeven geen respect te hebben voor de eigendomsrechten van een ander. Voorts heeft de verdachte zich in een filiaal van [winkel] schuldig gemaakt aan lokaalvredebreuk door een jegens hem uitgevaardigd winkelverbod te negeren. Daardoor heeft hij overlast veroorzaakt en laten zien lak te hebben aan de zeggenschap die de supermarktketen over de eigen winkels heeft.

Blijkens een uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 3 november 2020 is de verdachte vele malen eerder ter zake van (winkel)diefstallen en lokaalvredebreuk onherroepelijk veroordeeld, hetgeen sterk in zijn nadeel weegt. Normaliter zou oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van enige omvang dan ook zeer in de rede hebben gelegen.

Gebleken is echter dat aan de verdachte, na het begaan van de onderhavige feiten, bij onherroepelijk geworden vonnis van 25 september 2020 de maatregel plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD) voor de duur van twee jaren is opgelegd. Het hof acht het op dit moment niet gewenst dat het ISD-traject wordt doorkruist door een straf die vrijheidsbeneming met zich brengt. Om die reden zal het hof in de onderhavige zaak volstaan met het opleggen van een voorwaardelijke gevangenisstraf. Hiermee wil het hof de verdachte tevens inprenten dat hij zich na ommekomst van dat traject verre moet houden van het plegen van strafbare feiten.

Aan de ernst en het aantal van de bewezen geachte feiten zou, in het licht van de recidive van de verdachte, al te zeer voorbij worden gegaan wanneer het voorstel van de raadsvrouw zou worden gevolgd. De wens van de verdachte om na afloop van het ISD-traject met een ‘schone lei’ te kunnen beginnen legt in dat verband onvoldoende gewicht in de schaal.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57, 63, 138 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de kwalificatie van het in de zaken A, C, en D bewezenverklaarde en de opgelegde gevangenisstraf en doet in zoverre opnieuw recht.

Kwalificeert het in de zaken A, C en D bewezenverklaarde telkens als diefstal.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) weken.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. H.A. van Eijk, mr. J.J.I. de Jong en mr. J.H.C. van Ginhoven, in tegenwoordigheid van mr. S. den Hartog, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 23 november 2020.

mr. H.A. van Eijk en mr. J.H.C. van Ginhoven zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

[…]