Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:3215

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
30-11-2020
Datum publicatie
01-12-2020
Zaaknummer
23-002149-18
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2018:3721, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Een 41-jarige man uit Amsterdam is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 21 jaar en 6 maanden voor doodslag, poging doodslag en een reeks diefstallen in Amsterdam. De verdachte maakte zich in maart 2016 schuldig aan doodslag. Op klaarlichte dag heeft hij een man in diens eigen fietsenwinkel onverhoeds met veel messteken om het leven gebracht en daarbij de portemonnee van het slachtoffer gestolen.

Daarnaast had de verdachte zich enkele maanden eerder schuldig gemaakt aan poging doodslag, door een bekende in diens eigen woning met een hamer op zijn hoofd te slaan. Dit had ernstig letsel tot gevolg.

Ook heeft het hof hem schuldig bevonden aan een aantal diefstallen in appartementencomplexen van onder meer onderdelen van brandkranen en een bliksemafleider, waardoor levensbedreigende risico’s ontstonden.

Het hof is van oordeel dat vanwege de aard, ernst en hoeveelheid strafbare feiten een gevangenisstraf van zeer lange duur moet worden opgelegd: in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van 22 jaar. Omdat de zaak niet binnen een redelijke termijn is afgerond legt het hof 6 maanden gevangenisstraf minder op.

De verdachte moet ook schadevergoedingen betalen van in totaal ruim 83.000 euro, aan de nabestaanden van het overleden slachtoffer en aan het slachtoffer van de poging doodslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2020-0911
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-002149-18

datum uitspraak: 30 november 2020

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 31 mei 2018 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 13‑665279-16 (hierna: zaak Moer en zaak Mathaak) en 13-701263-16 (hierna: zaak Brandkranen) tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1978,

thans gedetineerd in de P.I. [plaats 1] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 28 en 29 januari 2020, 18, 20 en 21 februari 2020 en 6, 9 en 16 november 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

De verdachte en het openbaar ministerie hebben hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman en raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlasteleggingen

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijzigingen is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

Zaak Moer:

1. primair
hij op of omstreeks 15 maart 2016 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, [slachtoffer 1] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door met zijn mededader, althans alleen, die [slachtoffer 1] na kalm beraad en rustig overleg meermalen, althans eenmaal, met een mes, in elk geval een scherp en/of puntig voorwerp, in de borst, in elk geval het bovenlichaam, te steken en/of te snijden;

1.
subsidiair, in geval het primair ten laste gelegde feit, te weten 'moord', niet tot een bewezenverklaring of strafoplegging leidt:

hij op of omstreeks 15 maart 2016 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door met zijn mededader, althans alleen, die [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal met een mes,in elk geval een scherp en/of puntig voorwerp, in de borst, in elk geval het bovenlichaam te steken en/of te snijden

welke doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten diefstal (in vereniging), en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden, gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of aan andere deelnemers aan dat feit straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

1. meer subsidiair

hij op of omstreeks 15 maart 2016 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een geldsbedrag en/of een portemonnee en/of een of meer bankpassen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) aan voormeld misdrijf de vlucht mogelijk te maken en/of het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en), dat hij, verdachte, en/of zijn mededader die [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal. met een mes, in elk geval een scherp en/of puntig voorwerp, in de borst, in elk geval het bovenlichaam heeft/hebben gestoken en/of gesneden,

welk feit de dood van die [slachtoffer 1] ten gevolge heeft gehad;

Zaak Mathaak:

2 2. primairhij op of omstreeks 19 januari 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 2] van het leven te beroven, opzettelijk die [slachtoffer 2] met een hamer, in elk geval met een hard en/of zwaar voorwerp, meermalen of eenmaal op/tegen het hoofd heeft geslagen;

2. subsidiair
hij op of omstreeks 19 januari 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, aan [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een of meer hoofdwond(en) en/of een hersenkneuzing en/of een schedelfractuur, heeft toegebracht door die [slachtoffer 2] opzettelijk met een hamer, in elk geval met een hard en/of zwaar voorwerp, meermalen of eenmaal op/tegen het hoofd te slaan;

2. meer subsidiair
hij op of omstreeks 19 januari 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, opzettelijk die [slachtoffer 2] met een hamer, in elk geval met een hard en/of zwaar voorwerp, meermalen of eenmaal op/tegen het hoofd heeft geslagen;

3. primair
hij op of omstreeks 19 januari 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, opzettelijk die [slachtoffer 2] met een hamer, in elk geval met een hard en/of zwaar voorwerp, meermalen of eenmaal op/tegen zijn armen en/of zijn rug, in elk geval zijn lichaam, heeft geslagen;

3. subsidiair
hij op of omstreeks 19 januari 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk mishandelend [slachtoffer 2] met een hamer, in elk geval met een hard en/of zwaar voorwerp, meermalen of eenmaal op/tegen zijn armen en/of zijn rug, in elk geval zijn lichaam heeft geslagen, waardoor die [slachtoffer 2] pijn heeft ondervonden en/of letsel heeft bekomen;

Zaak Brandkranen:

1.
hij op of omstreeks 9 februari 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, (meermalen) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een bliksemafleider en/of een aantal brandkranen en/of een aantal opzetstukken/afsluitdoppen, althans onderdelen van brandkranen, en/of een aantal haken en/of kettingen (van brandkranen), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorend aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte en/of zijn mededader(s),

waarbij hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot die/dat voorwerpen heeft/hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen voorwerpen onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van het afknippen of losmaken van die bliksemafleider en/of het losbreken of losdraaien van die brandkranen en/of opzetstukken/afsluitdoppen, althans onderdelen van brandkranen en/of het losmaken of losknippen van die haken en/of kettingen in elk geval door middel van braak/verbreking, te weten:

a. een bliksemafleider, geheel of ten dele toebehorend aan [aangever 1] , waarbij hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot die bliksemafleider heeft/hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen bliksemafleider onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van het afknippen of losmaken van die bliksemafleider, in elk geval door middel van braak/verbreking; (pvb. nr. 2016031105, aangifte [naam 1] ) en/of

b. 12, in elk geval een of meer opzetstukken/afsluitdoppen, althans onderdelen van brandkranen, geheel of ten dele toebehorend aan [aangever 2] , waarbij hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot die brandkranen heeft/hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen brandkranen onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van het losbreken of losdraaien van die brandkranen, in elk geval door middel van braak/verbreking; (pvb. nr. 2016031105, aangifte [naam 1] ) en/of

c. 12, in elk geval een of meer brandkranen of kraanstukken, geheel of ten dele toebehorend aan [aangever 3] , waarbij hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot die brandkranen heeft/hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen brandkranen onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van het losbreken of losdraaien van die brandkranen, in elk geval door middel van braak/verbreking; (pvb. nr. 2016031105, aangifte [naam 1] ) en/of

d. 12, in elk geval een of meer brandkranen en/of een kopventiel, geheel of ten dele toebehorend aan [aangever 4] , waarbij hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot die brandkranen en/of dat kopventiel heeft/hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen brandkranen en/of kopventiel onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van het losbreken of losdraaien van die brandkranen of dat kopventiel, in elk geval door middel van braak/verbreking (pvb. Nr. 2016031673);

2.
hij op of omstreeks 10 december 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen 68, in elk geval een aantal afsluitdoppen (van brandkranen), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de [aangever 5] in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 3] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken, en/of het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte met die [slachtoffer 3] heeft geworsteld en/of zich heeft losgerukt en/of met een schroevendraaier voor die [slachtoffer 3] is gaan staan;

3.
hij in of omstreeks de periode van 8 oktober 2015 tot en met 8 februari 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, (meermalen) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een hoeveelheid (koperen) regenpijpen en/of brandkranen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorend aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot die/dat voorwerpen heeft/hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen voorwerpen onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak/verbreking, te weten:

a. op of omstreeks 8 oktober 2015 en/of 9 oktober 2015 (telkens) een hoeveelheid (koperen) regenpijpen, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 6] , waarbij hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot die/dat regenpijpen heeft/hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen regenpijpen onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van het losbreken of loszagen, althans het forceren van die regenpijpen, in elk geval door middel van braak of verbreking; (pvb. nr. 2015224985) en/of

b. op of omstreeks 8 februari 2016 48, in elk geval een aantal brandkranen en/of een of meer delen van een blusleiding, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 7] , waarbij hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot die/dat brandkranen en/of blusleiding heeft/hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen brandkranen en/of blusleiding onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van het losdraaien van die brandkranen en/of doormiddel van het losbreken of loszagen, althans het forceren van die blusleiding, in elk geval door middel van braak of verbreking;

4. primair
hij in of omstreeks de periode van 16 november 2015 tot en met 8 februari 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, (meermalen) met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een hoeveelheid sanitair, waaronder water- en /of douchekranen en/of glijstangcombinaties en/of douchekoppen en/of afsluitdoppen (van brandkranen) en/of brandkranen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte, waarbij hij, verdachte, zich de toegang tot die/dat weg te nemen voorwerpen heeft verschaft en/of die/dat weg te nemen voorwerpen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak of verbreking, te weten:

a. op of omstreeks 16 november 2015 of 17 november 2015 ongeveer 50 stuks sanitair, waaronder water- en /of douchekranen en/of glijstangcombinaties en/of douchekoppen, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 8] , waarbij hij, verdachte, zich de toegang tot die/dat weg te nemen waterkranen, in elk geval sanitair heeft verschaft en/of die/dat weg te nemen waterkranen, in elk geval sanitair onder zijn bereik heeft gebracht door middel van het forceren van een of meer houten platen voor deuren, in elk geval door middel van braak of verbreking en/of

b. op of omstreeks 8 december 2015 19, in elk geval een aantal afsluitdoppen (van brandkranen), geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 9] , waarbij hij, verdachte, zich de toegang tot die/dat weg te nemen voorwerpen heeft verschaft en/of die/dat weg te nemen voorwerpen onder zijn bereik heeft gebracht door die afsluitdoppen los te draaien en/of de ketting waarmee die afsluitdoppen vastzitten aan de brandkraan los te knippen of te zagen, althans te forceren, in elk geval door middel van braak of verbreking; (pvb. nr. 2015274692) en/of

c. in of omstreeks de periode van 17 december tot en met 23 december 2015 (uit een gebouw aan de [plaats 2] ) 2, in elk geval een of meer brandkranen en/of 7, in elk geval een of meer afsluitdoppen (van brandkranen) en/of (uit een gebouw aan de [plaats 3] )15, in elk geval een aantal brandkranen en/of 2 afsluitdoppen (van een droogbusleiding), geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 10] , waarbij hij, verdachte, zich de toegang tot die/dat weg te nemen voorwerpen heeft verschaft en/of die/dat weg te nemen voorwerpen onder zijn bereik heeft gebracht door die brandkranen los te draaien en/of door die afsluitdoppen los te draaien en/of de ketting waarmee die afsluitdoppen vastzitten aan de brandkraan los te knippen of te zagen, althans te forceren, in elk geval door middel van braak of verbreking; (pvb. nr 2016002723) en/of

d. in of omstreeks de periode van 24 en 25 december 2015 een of meer brandkranen of afsluitdoppen (van brandkranen), geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 11] , waarbij hij, verdachte, zich de toegang tot die/dat weg te nemen voorwerpen heeft verschaft en/of die/dat weg te nemen voorwerpen onder zijn bereik heeft gebracht door die brandkranen los te draaien en/of door die afsluitdoppen los te draaien en/of de ketting waarmee die afsluitdoppen vastzitten aan de brandkraan los te knippen of te zagen, althans te forceren, in elk geval door middel van braak of verbreking; (pvb. nr. 2016001362, aangifte [naam 1] ) en/of

e. op een of meer tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode van 30 december 2015 tot en met 2 januari 2016 (in totaal) 15 brandkranen, in elk geval een aantal brandkranen, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 12] , waarbij hij, verdachte, zich de toegang tot die/dat weg te nemen voorwerpen heeft verschaft en/of die/dat weg te nemen voorwerpen onder zijn bereik heeft gebracht door die brandkranen los te draaien, in elk geval door middel van braak of verbreking; (pvb. nr. 2016002001) en/of

f. op of omstreeks 2 januari 2016 6, in elk geval een of meer brandkranen, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 10] , waarbij hij, verdachte, zich de toegang tot die/dat weg te nemen voorwerpen heeft verschaft en/of die/dat weg te nemen voorwerpen onder zijn bereik heeft gebracht door die brandkranen los te draaien, in elk geval door middel van braak of verbreking; (pvb. nr. 2016001362, aangifte [naam 1] ) en/of

g. op of omstreeks 21 januari 2016 13, in elk geval een of meer brandkranen, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 13] , waarbij hij, verdachte, zich de toegang tot die/dat weg te nemen voorwerpen heeft verschaft en/of die/dat weg te nemen voorwerpen onder zijn bereik heeft gebracht door die brandkranen los te draaien, in elk geval door middel van braak of verbreking; (pvb. nr. 2016019735) en/of

h. op of omstreeks 8 februari 2016 6, in elk geval een of meer brandkranen, geheel of ten dele toebehorende aan [aangever 14] , waarbij hij, verdachte, zich de toegang tot die/dat weg te nemen voorwerpen heeft verschaft en/of die/dat weg te nemen voorwerpen onder zijn bereik heeft gebracht door die brandkranen los te draaien, in elk geval door middel van braak of verbreking (pvb. nr. 2016032509);

4. subsidiair
hij op of omstreeks 2 januari 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland,

- 15, in elk geval een aantal brandkranen en/of

- 5, in elk geval een of meer behuizingen van brandkranen en/of

- 21, in elk geval een aantal (brand)kranen (zonder behuizing) en/of

- een deel van een brandkraan

heeft verworven, en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van de verwerving en/of het voorhanden krijgen wist dat het (een) door diefstal, in elk geval (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, onder meer omdat het hof tot een andere bewezenverklaring en andere bewijsoverwegingen komt dan de rechtbank.

Partiele nietigheid dagvaarding zaak Moer onder 1 subsidiair

De rechtbank heeft beslist dat de dagvaarding in de zaak Moer partieel nietig moet worden verklaard

wat betreft de woorden of tot strafoplegging leidt, opgenomen in hetgeen onder 1 subsidiair ten laste is gelegd.

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat uit het systeem van de wet niet volgt dat, indien een primair ten laste gelegd feit bewezen wordt verklaard maar voor dat feit geen straf wordt opgelegd, het hof om die reden het subsidiair ten laste gelegde in zijn beoordeling zal betrekken.

Het hof acht de dagvaarding voor het overige geldig.

Bewijsoverwegingen

I Zaak Moer 1

1.1

Inleiding: feiten en omstandigheden waarvan het hof uitgaat

Op dinsdag 15 maart 2016 rond 12:30 uur werd fietsenmaker [slachtoffer 1] in zijn winkel aan de [adres 1] in Amsterdam door een klant voorover liggend aangetroffen. Hij lag op de vloer in een plas bloed op zijn buik en op zijn rechterwang. De fiets van de klant hing aan de haak boven hem.

De klant is overstuur de winkel uitgelopen.2

De zoon van de fietsenmaker, [zoon slachtoffer 1] , stond op dat moment vóór de winkel te praten met [getuige 1] .3 [zoon slachtoffer 1] liep de zaak binnen en zag zijn vader achterin op de vloer liggen. [zoon slachtoffer 1] heeft [getuige 1] gevraagd het noodnummer 112 te bellen en heeft de fiets van de haak gepakt en aan de kant gegooid. Op verzoek van 112 heeft [zoon slachtoffer 1] het lichaam van [slachtoffer 1] op de rug gedraaid en is hij begonnen met reanimatie.4

Ambulancebroeders namen dit van hem over en constateerden dat [slachtoffer 1] was overleden.

De eerste verbalisant die de winkel betrad, zag de fietsenmaker op de vloer liggen, met het hoofd in de richting van de winkeldeur. Er lagen fietsgereedschappen om hem heen. Het slachtoffer droeg een horloge. De kassalade was gesloten en er was geld in de kassa aanwezig.5

De schouwarts heeft ter plaatse het lichaam bekeken en constateerde diverse steek- en snijverwondingen in de hals- en borstkas/hartregio. Opvallend is het vrijwel ontbreken van enig afweerletsel.6

In het sectierapport van 23 maart 2016 van de arts en patholoog prof. dr. B. Kubat zijn de letsels beschreven. Alleen al op de romp zijn 11 streepvormige, scherprandige huidperforaties aangetroffen. De patholoog heeft deze aangemerkt als steekletsels en geconcludeerd dat de lengte van de steekkanalen varieert van enkele centimeters tot 11 cm in de borst. Ook in de flank zijn steekkanalen aangetroffen van 5 tot 9 centimeter lang. De patholoog verklaart het overlijden van [slachtoffer 1] als volgt: een aantal met name genoemde steekletsels heeft geleid tot weefselschade, in het kader van verbloeding en/of verstikking en/of belemmering van de hartfunctie.7

Uit getuigenverklaringen kan worden afgeleid dat die dag, op 15 maart 2016, tussen 12:12 uur en 12:31 uur de (mes)steken aan [slachtoffer 1] moeten zijn toegebracht.

De verdediging en het openbaar ministerie gaan beiden ook van dit tijdsbestek uit.

Getuigen rondom de plaats delict hebben verklaringen afgelegd over hun waarnemingen in dit tijdsbestek. Niemand heeft verklaard het steken te hebben gezien.

In het televisie programma Opsporing Verzocht is verscheidene keren aandacht besteed aan de kwestie: op 22 en 29 maart 2016 en op 26 april 2016. Hieruit zijn geen duidelijke en bruikbare aanwijzingen gekomen voor het opsporen van de dader.

In de fietsenwinkel is biologisch materiaal veiliggesteld ten behoeve van DNA-onderzoek, dit onderzoek is verricht en heeft geresulteerd in een aantal deskundigenrapporten.

Op 15 maart 2016 is om 16:50 uur een 500 euro biljet contant gestort op de bankrekening van de broer van de verdachte genaamd [broer verdachte] .8

In 2019 is op initiatief van het openbaar ministerie de in verband met deze zaak uitgeloofde beloning toegekend en betaald aan de getuigen [getuige 2] (3.000 euro) en [getuige 3] (7.000 euro).9

1.2.

Standpunten advocaat-generaal en verdediging

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd dat de primair ten laste gelegde moord niet kan worden bewezen, maar de subsidiair ten laste gelegde gekwalificeerde doodslag wel, te weten dat de verdachte degene is geweest die op 15 maart 2016 [slachtoffer 1] in zijn fietsenwinkel in Amsterdam heeft bestolen en van het leven heeft beroofd om het geld te verkrijgen en zijn straffeloosheid te verzekeren.

De advocaat-generaal acht de verklaringen van de getuigen [getuige 3] en [getuige 4] betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs en leidt uit de deskundigenrapportages af dat het op de plaats delict aangetroffen DNA afkomstig is van de verdachte. Ten slotte heeft hij aangevoerd dat er geen begin van aannemelijkheid van het door de verdediging geschetste alternatieve scenario is en dat het aangetroffen DNA-materiaal delict gerelateerd is en dus van de dader afkomstig.

De verdediging heeft integrale vrijspraak van dit feit bepleit omdat er volgens haar onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is. De verdediging heeft betoogd dat de verklaringen van de getuigen [getuige 3] en [getuige 4] als onbetrouwbaar moeten worden aangemerkt en daarom niet bruikbaar zijn voor het bewijs. Daarnaast heeft zij opgeworpen dat het op de plaats delict aangetroffen DNA-materiaal niet kan leiden tot de conclusie dat de verdachte het slachtoffer heeft doodgestoken, nu de aangetroffen sporen niet delict gerelateerd zijn en de aanwezigheid van deze sporen verklaarbaar is. Hierbij baseert de verdediging zich op haar alternatieve scenario -kort gezegd- inhoudende dat de verdachte eerder meermalen in de fietsenwinkel van [slachtoffer 1] is geweest, waarbij hij [slachtoffer 1] diverse keren de hand heeft geschud en dat aldus niet uit te sluiten valt dat na deze bezoeken van de verdachte zijn DNA-materiaal in de winkel is achtergebleven en door secundaire overdracht en/of contaminatie is terechtgekomen op het lichaam en de kleding van het slachtoffer.

Subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat het medeplegen van moord niet kan worden bewezen.

De verdediging heeft ten aanzien van de bewijsvraag een aantal uitdrukkelijk onderbouwde standpunten ingenomen, waarop het hof gemotiveerd zal responderen.

Samengevat gaat het om de volgende standpunten:

  • -

    De getuigenverklaringen van [getuige 3] en [getuige 4] zijn onbetrouwbaar en onbruikbaar voor het bewijs, bezien in het licht dat de verdachte stellig ontkent dat hij het slachtoffer heeft gedood en andere ontlastende omstandigheden, zoals de verklaringen van de getuigen rond de plaats delict en de daaraan te ontlenen alternatieve scenario’s, alsmede de uitkomsten van het DNA-onderzoek.

  • -

    Dat de broer van de verdachte op de dag van de dood van het slachtoffer een biljet van 500 euro op zijn bankrekening heeft gestort, dient niet voor het bewijs te worden gebezigd.

  • -

    Uit het DNA-onderzoek blijkt niet dat de verdachte het slachtoffer heeft doodgestoken.

Het hof zal

de uitdrukkelijk onderbouwde standpunten met betrekking tot de getuigenverklaringen van [getuige 3] en het 500 euro biljet hierna in de paragrafen 1.3, 1.4 en 1.5 bespreken.

Daarna komen in hoofdstuk 2 de alternatieve scenario’s naar aanleiding van de verklaringen van de getuigen op en rondom de plaats delict aan de orde; het DNA-onderzoek wordt in hoofdstuk 3 besproken en tenslotte geeft het hof zijn conclusies weer in hoofdstuk 4.

1.3.

Standpunten advocaat-generaal en verdediging met betrekking tot de bruikbaarheid voor het bewijs van de verklaringen van [getuige 3]

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd dat de verklaringen van de getuige [getuige 3] , met name de verklaringen die hij kort na 15 maart 2016 heeft afgelegd, op 10 mei 2016 en 7 juni 2016, bruikbaar zijn voor het bewijs. Hij heeft daartoe -samengevat- het navolgende aangevoerd.

De getuige [getuige 3] heeft in grote lijnen en op cruciale punten een consistente en betrouwbare verklaring afgelegd, waarbij hij informatie heeft verstrekt die de media daarvoor niet hadden gedeeld. De verklaring van [getuige 3] vindt bovendien voldoende ondersteuning in andere bewijsmiddelen.

[getuige 3] heeft de navolgende feiten en omstandigheden genoemd, die hij niet heeft kunnen verzinnen, maar die hij alleen van de dader heeft kunnen vernemen: de zogenaamde daderwetenschap.

a. Volgens [getuige 3] heeft de verdachte tegen hem gezegd dat hij de fietsenmaker heeft neergestoken en beroofd. Later heeft onderzoek uitgewezen dat DNA van de verdachte op de kleding en het lichaam van het slachtoffer is aangetroffen. Hoe kon [getuige 3] weten dat [verdachte] de dader was, als hij het niet van hem had gehoord?

De weduwe van [slachtoffer 1] heeft verklaard dat [slachtoffer 1] een biljet van 500 euro in een apart vakje voor kleingeld in zijn portemonnee bewaarde. Daarnaast zat er nog meer geld in zijn portemonnee. In Opsporing Verzocht is meegedeeld dat een bedrag van 500 euro van de fietsenmaker was weggenomen. [getuige 3] heeft verklaard dat het om een groter bedrag ging: om 1250 euro. Een biljet zat in een apart vakje en verder waren het briefjes van 100 en 50 euro.

[getuige 3] heeft van de verdachte vernomen dat hij niet bij de kassa was geweest, dat komt overeen met het feit dat de kassa ongeopend is aangetroffen en er nog een paar honderd euro in aanwezig was.

[getuige 3] heeft verklaard dat de verdachte het weggenomen geld aan zijn broer [broer verdachte] heeft gegeven. [broer verdachte] heeft [getuige 3] verteld dat hij 500 euro aan een dealer heeft gegeven.

Bovendien is gebleken dat op 15 maart 2016 om 16:50 uur, kort nadat [broer verdachte] was thuisgekomen, een biljet van 500 euro contant is gestort op de bankrekening van [broer verdachte] . Op 15 maart 2016 is om 20:40 uur 300 euro van de bankrekening van [broer verdachte] opgenomen, zo is het biljet van 500 euro klein gemaakt.

[getuige 3] heeft verder verklaard dat die avond drugs zijn gebruikt, die zijn aangeschaft van de rest van het weggenomen geld. [broer verdachte] erkent dat die avond drugs zijn gebruikt.

[getuige 3] heeft eigener beweging verklaard dat de verdachte eerder in 2016 iemand met een hamer had mishandeld. Deze zaak noch de link met de verdachte was tot dat moment bekend bij de politie.

De advocaat-generaal heeft zich verzet tegen de stelling van de verdediging die luidt dat [getuige 3] belastende verklaringen heeft afgelegd met als motief dat een beloning was uitgeloofd van 10.000 euro. [getuige 3] is namelijk niet actief op zoek gegaan naar de beloning, hij heeft in zijn verklaringen op 10 mei 2016 en 7 juni 2016 daarover met geen enkel woord gerept. Dat hij uiteindelijk 7.000 euro heeft gekregen, was op initiatief van het openbaar ministerie.

Aanvankelijk wilde [getuige 3] geen verklaring afleggen uit angst voor de verdachte, aldus de advocaat-generaal.

Tenslotte heeft de advocaat-generaal erop gewezen dat [getuige 3] ’ ex-vriendin [getuige 2] heeft verklaard dat [getuige 3] compulsive kon liegen, maar daarbij heeft opgemerkt dat dit volgens haar altijd te maken had met drugsgebruik. [getuige 5] , voor wie [getuige 3] klussen deed, heeft eveneens verklaard dat [getuige 3] kon liegen toen hij weer drugs gebruikte. Dit doet geen afbreuk aan de betrouwbaarheid van de getuigenverklaring van [getuige 3] . De advocaat-generaal heeft opgemerkt dat hij [getuige 3] tijdens de verhoren ter terechtzitting heeft leren kennen als een kwetsbare man met een kwetsbaar geheugen, die moeite had gebeurtenissen op een bepaalde dag of tijdstip te plaatsen. Daarom is de advocaat-generaal uitgegaan van de verklaringen die kort na 15 maart 2016 zijn afgelegd: de verklaring op 1 mei 2016 van [getuige 2] en de verklaringen van [getuige 3] op 10 mei en 7 juni 2016.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft geconcludeerd dat de getuigenverklaringen van [getuige 3] onvoldoende betrouwbaar moeten worden geacht en dat deze daarom moeten worden uitgesloten van het bewijs. Hiertoe is samengevat het navolgende aangevoerd.

A.1. De verklaringen van [getuige 3] betreffen de-auditu verklaringen met [verdachte] als enige bron.

A.2. De verdachte ontkent ten stelligste dat hij tegenover [getuige 3] zou hebben bekend de fietsenmaker te hebben gestoken en bestolen.

B. [getuige 3] had een motief om niet naar waarheid te verklaren: om zijn eigen betrokkenheid te verhullen en/of de beloning op te strijken. Wellicht laat het geheugen [getuige 3] in de steek door zijn drugsgebruik en heeft hij een verhaal gemaakt waarin hij zelf is gaan geloven.

C (1 t/m 6). De verklaringen van [getuige 3] zijn onvoldoende betrouwbaar, gelet op de navolgende omstandigheden, in combinatie met zijn ernstige verslaving en zijn ernstige financiële situatie in 2016:

C1. Het geheugen en IQ van [getuige 3]

De verdediging heeft betoogd dat algemeen bekend is dat drugsgebruik het geheugen aantast en de vraag gesteld of de verklaringen van [getuige 3] uit 2016, toen hij al harddrugs gebruiker was, voldoende betrouwbaar zijn, mede gelet op het volgende.

[getuige 3] heeft meermalen erkend dat hij niet zeker wist (dan wel niet meer wist) of de verdachte op 15 maart 2016 bij hem was geweest. Hij heeft die datum gekoppeld aan de informatie die hij uit Opsporing Verzocht had vernomen. Dat de verdachte op die datum bij [getuige 3] is geweest staat dus geenszins vast.

Zijn geheugen laat hem bijvoorbeeld in de steek:

  • -

    als besproken wordt of hij met [getuige 2] heeft gepraat over de uitgeloofde beloning;

  • -

    over de vraag of hij drugs heeft gebruikt op 15 maart 2016;

  • -

    over het uitlenen van zijn scooter aan [verdachte] .

C2. De verklaringen van [getuige 3] bevatten geen daderinformatie

a. De verdediging heeft bepleit dat uit de verklaringen van de weduwe [weduwe slachtoffer 1] niet met de vereiste zekerheid kan worden afgeleid dat op 15 maart 2016 een bankbiljet van 500 euro in de portemonnee van haar man aanwezig was. [getuige 3] heeft verklaard dat er 1250 euro in de portemonnee zat maar dit wordt door geen enkel bewijsmiddel ondersteund.

b. Dat de buitgemaakte portemonnee en het gebruikte mes in een put zijn gegooid, vindt evenmin steun in het dossier.

c. De bewering van [getuige 3] dat de verdachte geld aan [broer verdachte] heeft gegeven, en dat [broer verdachte] hiervan 500 euro aan een dealer heeft gegeven, vindt ook nergens steun. De rechtbank ging ervan uit dat op 15 maart 2016 500 euro op de bankrekening van [broer verdachte] is gestort. Niet is vast te stellen dat het om hetzelfde bankbiljet gaat.

d. In Opsporing Verzocht is vermeld dat uit de kassa geen geld was weggenomen. Als [getuige 3] daarover verklaart is dat dus geen daderinformatie.

C3. Geen steun in overige onderzoeksbevindingen met betrekking tot de navolgende onderwerpen:

a. Dat de verdachte tijdens het steekincident op 15 maart 2016 een blauwe jas droeg waarop bloed zat, vindt geen steun in het DNA-onderzoek, nu op die jas geen DNA van het slachtoffer is aangetroffen.

b. Op de stoel in het huis van [getuige 3] , waarop de verdachte op 15 maart 2016 met bebloede kleding zou hebben gezeten, is geen bloed aangetroffen.

c. Het 500 eurobiljet dat door [broer verdachte] zou zijn gestort, is objectief niet te linken aan de portemonnee van [slachtoffer 1] .

d. Uit het gegeven dat de telefoon van [getuige 3] op 15 maart 2016 om 17:00 uur een zendmast aanstraalde bij het Osdorpplein en om 20:06 uur bij de Hoofdweg in Amsterdam volgt dat [getuige 3] op die tijdstippen niet thuis was, terwijl hij heeft verklaard dat hij toen wel thuis was.

e. Op de gestolen fiets die op de zolder van het slachtoffer is aangetroffen is geen DNA van de verdachte aangetroffen.

C4. De verklaringen van [getuige 3] zijn niet consistent.

De verklaringen bevatten volgens de verdediging innerlijke tegenstrijdigheden over een aantal onderwerpen en [getuige 3] heeft op diverse momenten geheel verschillend verklaard. De verdediging heeft in de pleitnota de volgende onderwerpen genoemd: de kleding die de verdachte op 15 maart 2016 droeg; de wetenschap over een uitgeloofde beloning; het bloed dat bij de verdachte te zien was; het tijdstip waarop de verdachte bij [getuige 3] aan de deur stond; of de verdachte op een stoel of op de bank zat, alsmede de tijdspanne dat de verdachte die dag is weggeweest voordat hij terugkeerde in de woning van [getuige 3] .

C5. De verklaringen van [getuige 3] zijn op essentiële onderdelen tegenstijdig met de betrouwbaar te achten verklaringen van [getuige 2] en [getuige 5] .

De verdediging concludeert (ook) hieruit dat [getuige 3] herhaaldelijk niet naar waarheid heeft verklaard en zich beter heeft voorgedaan dan hij is. Op grond van de verklaringen van [getuige 2] in 2019 en 2020 kan niet uitgesloten worden dat [getuige 3] zelf betrokken is geweest bij de dood van de fietsenmaker.

C6. [getuige 3] heeft gewerkt op 15 maart 2016.

Het dossier bevat volgens de verdediging aanwijzingen dat [getuige 3] die dag gewerkt heeft en dus niet thuis geweest kan zijn, zodat het hof dit niet kan uitsluiten.

Zo heeft [getuige 2] verklaard dat [getuige 3] elke dag in de bouw werkte gedurende vijf dagen per week en dat hij drugs nam zodra hij om 17:00 uur thuis kwam. Het bedrijf van zijn baas heette volgens haar [naam 1] of [naam 1] , wat later het bedrijf van [getuige 5] bleek te zijn. In 2020 heeft [getuige 2] bovendien nog verklaard dat [getuige 3] begin 2016 werkte bij het bedrijf van [getuige 5] , van maandag tot en met vrijdag en soms op zaterdag. Hij belde haar elke avond om vijf of zes uur en vertelde dan hoe zijn werk was gegaan. Zij verklaarde verder: Ik kan me niet herinneren wanneer hij wel of niet werkte, maar meestal werkte hij wel. Ik herinner me goed dat [getuige 3] mij heeft gebeld op 15 maart 2016, omdat dit de verjaardag van mijn vader is. Hij komt om 5 uur thuis en dan belt hij mij.

Werkgever [getuige 5] is eveneens als getuige bij het hof gehoord. Hij wist dat hij met [getuige 3] aan een badkamer in de Spaarndammerbuurt heeft gewerkt. Hij wist niet precies wanneer dat was, maar heeft een kopie van de offerte van 13 maart 2016 overgelegd waaruit blijkt dat een aanneemprijs was afgesproken en een bankafschrift waaruit lijkt te volgen dat op 25 maart 2016 een voorschot aan materiaalkosten is betaald. Hieruit volgt dat niet valt uit te sluiten dat [getuige 3] daar op 15 maart 2016 heeft gewerkt.

Voorwaardelijk verzoek I

Indien het hof de conclusies van de verdediging niet volgt ter zake van het laatst aangesneden onderwerp heeft zij verzocht de behandeling van de zaak aan te houden om [getuige 5] hierover nader als getuige te horen.

1.4.

Standpunten met betrekking tot de bruikbaarheid voor het bewijs van de storting van een 500 eurobiljet op de bankrekening van [broer verdachte] op 15 maart 2016.

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft opgemerkt dat hetgeen [getuige 3] heeft verklaard over de mededelingen van de verdachte met betrekking tot het in de portemonnee van [slachtoffer 1] aangetroffen geld overeenkomt met de verklaringen die de weduwe van [slachtoffer 1] daarover heeft afgelegd. Dit is bovendien aan te merken als daderinformatie en draagt bij aan het bewijs.

Standpunt verdediging

De verdediging meent dat de storting op 15 maart 2016 van het bankbiljet van 500 euro op de rekening van [broer verdachte] niet als bewijs kan worden gebezigd.

Primair stelt zij zich op het standpunt dat niet kan worden vastgesteld dat op genoemde datum [slachtoffer 1] werkelijk een bedrag van 1250 euro, waarvan in elk geval een biljet van 500 euro, in zijn portemonnee had. De verklaring van [getuige 3] hierover kan dus evenmin als daderinformatie worden aangemerkt.

Subsidiair, voor het geval het hof ervan uitgaat dat in elk geval een biljet van 500 euro uit de portemonnee van [slachtoffer 1] is weggenomen, stelt de verdediging dat uit de verklaring van [getuige 3] helemaal niet volgt dat dit biljet op de bankrekening van [broer verdachte] is gestort. Er is bovendien geen enkel bewijs dat het hier om hetzelfde bankbiljet gaat. Het is mogelijk dat het 500 euro biljet van het slachtoffer hetzelfde biljet is dat, gelet op de verklaring van de getuige [getuige 6] , in de week van 15 tot 20 maart 2016 is aangeboden bij een fietsengroothandel door een medewerker van fietsenwinkel [naam 1] .

Voorwaardelijk verzoek II

Indien het hof de storting van het bankbiljet op genoemde bankrekening als daderinformatie van de getuige [getuige 3] ziet en als bewijs zal bezigen, verzoekt de verdediging voorwaardelijk de zaak aan te houden:

a. voor DNA-onderzoek aan het 500 euro biljet dat bij de fietsengroothandel is ingeleverd naar sporen van het slachtoffer, de verdachte en/of anderen;

b. om de schoonzoon van de getuige [getuige 6] als getuige te horen, die een opgevouwen 500 eurobiljet heeft ontvangen van een medewerker van fietsenwinkel [naam 1] aan de [adres 2] ;

c. om te onderzoeken of het mogelijk is de medewerker van [naam 1] te traceren, die met het biljet heeft betaald en deze te vragen naar de herkomst van het biljet.

1.5.

Overwegingen en oordeel van het hof

1.5.1.

De verklaringen van de getuige [getuige 3]

Inleiding

De getuige [getuige 3] woonde in 2016 aan het [adres 3] in Amsterdam, naast de woning met nummer [huisnummer] , waar de verdachte [verdachte]10 en diens oudere broer [broer verdachte] met hun moeder woonden. [getuige 3] ging regelmatig om met de verdachte en ook, zij het in mindere mate, met [broer verdachte] . De verdachte kwam regelmatig in de woning van [getuige 3] .

[getuige 3] is op 5 mei 2016 aangehouden in verband met een hennepkwekerij in zijn woning.

Die dag heeft zijn ex-vriendin [getuige 2] zich op het politiebureau gemeld vanwege haar zorgen over [getuige 3] , die toen vastzat. Zij deelde mee dat [getuige 3] haar op 1 mei 2016 had verteld dat hij meer wist over de dood van de fietsenmaker; de buurman had hem hierover verteld.11 Volgens [getuige 2] was [getuige 3] heel bang voor de broers [achternaam verdachte] .

[getuige 3] was bereid hierover bij de politie te verklaren als hij bescherming zou krijgen. Toen [getuige 3] werd verzocht mee te werken aan een verhoor, maakte hij volgens de verbalisanten een zeer angstige en emotionele indruk.12

Na het opstellen van een dreigingsanalyse is besloten tot voorlopige bescherming van [getuige 3] en zijn aan hem tijdelijk een onbekende verblijfplaats en leefgeld aangeboden.13

[getuige 3] is verscheidene keren als getuige gehoord: op 10 mei 2016; 7 juni 201614; 24 oktober 2016 en 16 februari 2018 ten overstaan van de rechter-commissaris15; 3 april 201916 en tenslotte ter terechtzitting van het hof op 28 en 29 januari 2020.17

1.5.2.Vrije selectie en bewijswaardering

Het hof bespreekt de standpunten van de verdediging hieronder, zij het in een andere volgorde en in onderlinge samenhang. Eerst worden enkele overwegingen gewijd aan de vrije selectie en waardering van het bewijsmateriaal door de rechter.

Vooropgesteld wordt dat het aan de rechter is voorbehouden om binnen de door de wet getrokken grenzen van het beschikbare bewijsmateriaal datgene tot het bewijs te bezigen wat de rechter uit het oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt. De rechter kan terzijde stellen wat voor het bewijs van geen waarde wordt geacht. In het algemeen behoeft deze beslissing inzake die selectie en waardering geen motivering, behoudens bijzondere gevallen.

Indien de verdediging of het openbaar ministerie ter zake van de bewijsvoering een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt heeft ingenomen en de rechter andersluidend beslist, dient de motivering hiervan in het vonnis of arrest te worden opgenomen op grond van het bepaalde in artikel 359 tweede lid, tweede volzin van het Wetboek van Strafvordering (hierna Sv).

Het hof zal hieraan in het navolgende gehoor geven, met inachtneming van het uitgangspunt dat de motiveringsplicht niet zover gaat dat bij niet-aanvaarding van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt op ieder detail van de argumentatie behoeft te worden ingegaan.

1.5.3.

Bespreking van de verweren

Ad C6. Was [getuige 3] thuis op 15 maart 2016?

Het hof deelt niet de conclusie van de verdediging dat het dossier aanleiding geeft te veronderstellen dat [getuige 3] niet thuis was op genoemde datum.

[getuige 3] heeft als getuige verklaard dat hij die dag thuis was en niet heeft gewerkt.18

De citaten van [getuige 2] die de verdediging in de pleitnota aanhaalt, bevatten veel algemeenheden en veronderstellingen van deze getuige en maken bovendien deel uit van omvangrijkere en volledigere verklaringen en zijn in dit verband niet in de juiste context geplaatst.

Overigens volgt uit de aangehaalde citaten maximaal dat [getuige 2] ervan uit ging dat [getuige 3] begin 2016 (bij [getuige 5] ) werkte, wat een weinig specifieke raming is; dat hij rond 17:00 uur haar altijd belde als hij thuis kwam van zijn werk en dat hij haar op 15 maart 2016 rond 17:00 uur heeft gebeld.

Dat laatste staat wel vast op grond van bevindingen met betrekking tot telefoonverkeer van [getuige 3] , maar dat wil op zichzelf niet zeggen dat hij die dag had gewerkt. [getuige 2] heeft dat ook niet verklaard. Uit de citaten van [getuige 2] volgt dus niet dat [getuige 3] die dag (bij [getuige 5] ) heeft gewerkt.

Dat de telefoon van [getuige 3] om 17:00 uur een zendmast aanstraalde bij het Osdorpplein (en om 20:06 uur bij de Hoofdweg in Amsterdam) leidt niet zonder meer tot de gevolgtrekking van de verdediging, dat [getuige 3] op die tijdstippen dus niet thuis was, nog daargelaten dat de verdediging de relevantie van laatstgenoemd tijdstip voor deze zaak niet heeft toegelicht.

Algemeen bekend mag tenslotte worden verondersteld dat het aanstralen van een bepaalde zendmast door een telefoonnummer op een moment inhoudt dat dit telefoonnummer op dat moment is gebruikt in het gebied dat toen werd bestreken door die zendmast en dat op grond daarvan geen nauwkeurige locatie is te duiden.

De getuige [getuige 5] is ter terechtzitting van het hof als getuige gehoord. Hij heeft het hof in zijn verklaring geen enkel aanknopingspunt gegeven voor de stelling dat [getuige 3] op genoemde datum bij of voor hem heeft gewerkt aan het project [adres 4] in Amsterdam. Hoewel de getuige reeds in eerste aanleg door de toenmalige raadsman van de verdachte is benaderd met betrekking tot de vraag naar eventuele werkzaamheden van [getuige 3] op (onder meer) 15 maart 2016 en dus lange tijd wist om welke datum het ging, kon [getuige 5] zich ter zitting in hoger beroep geen feiten of omstandigheden herinneren waardoor hij wist dat [getuige 3] toen voor hem heeft gewerkt. Uit de door [getuige 5] overgelegde bescheiden, bezien in het licht van zijn getuigenverklaring, volgt evenmin dat [getuige 3] mogelijk op 15 maart 2016 aan genoemd project heeft gewerkt.

ad C5. Het hof verwerpt hiermee tevens de conclusie van de verdediging dat [getuige 5] hierover anders heeft verklaard dan [getuige 3] .

Het hof wijst het voorwaardelijk verzoek I tot het opnieuw horen van [getuige 5] af, nu de noodzaak daartoe niet is gebleken.

De getuige heeft het hof meegedeeld dat hij alles heeft gezegd wat hij hierover nog wist en het geringe aantal stukken dat hierop eventueel betrekking heeft, al heeft overgelegd.

Nu [getuige 5] hierover in aanwezigheid van de verdediging uitvoerig ter terechtzitting van 29 januari 2020 is bevraagd, ziet hof geen enkele aanleiding uit te gaan van het tegendeel.

Ad C1. Het IQ en geheugen van [getuige 3]

In het algemeen gaat de stelling dat het geheugen van een harddrugsgebruiker zodanig is aangetast dat hij geen betrouwbare verklaring kan afleggen niet op. [getuige 3] geeft verklaard dat hij harddrugs gebruikte, was afgekickt en ook terugvallen heeft gehad. Hij is daar transparant over geweest. [getuige 3] heeft ter terechtzitting bij het hof verklaard, dat zijn geheugen hem op detailniveau meermalen in de steek laat en dat hij niet sterk is in het onthouden van namen, data en tijdstippen.

Hij is als getuige ter terechtzitting van het hof op 28 en 29 januari 2020 uitvoerig geconfronteerd met de omstandigheid dat hij de details van verscheidene onderwerpen in een aantal verklaringen niet gelijkluidend heeft benoemd. [getuige 3] heeft daarop verklaard dat hij daarover inderdaad niet zeker was, maar wel over de kern: dat de verdachte [verdachte] die dag bebloed bij hem kwam en heeft verteld dat hij kort daarvoor de fietsenmaker meermalen met een mes had gestoken en geld van hem had weggenomen.

Het hof constateert dat [getuige 3] in geen van zijn getuigenverklaringen anders heeft verklaard over de kern van het gebeuren. Dat het op 15 maart 2016 was, heeft hij afgeleid uit mededelingen in een uitzending van Opsporing Verzocht en dat hij op dat punt niet heeft geput uit zijn eigen geheugen staat niet in de weg aan zijn betrouwbaarheid.

[getuige 3] heeft verklaard dat hij ooit bij De Waag een IQ-test heeft ondergaan en dat het resultaat daarvan 6 of 7 was (op een schaal van 10). Dit is op zichzelf, noch in combinatie met zijn drugsgebruik voldoende om te concluderen dat zijn verklaringen daardoor onbetrouwbaar zouden zijn.

Dat de verklaringen van [getuige 3] niet geheel overeenstemmen met die van [getuige 2] , zal hierna worden besproken.

Ad C5. De verklaringen van [getuige 3] zijn tegenstrijdig aan die van [getuige 2]

heeft veel verklaard over hoe het in haar beleving was gesteld met haar ex-vriend [getuige 3] , zijn drugsgebruik en de aantrekkelijkheid voor hem van de uitgeloofde beloning om drugs te kunnen kopen.19 Zij heeft naar het oordeel van het hof deze elementen op uiterst subjectieve wijze aan elkaar gekoppeld en daaraan haar eigen conclusies verbonden. Haar zorgen, gedachten, gevoelens en belevingen over [getuige 3] zijn een eigen leven gaan leiden en voeren de boventoon in haar verklaringen. Zij heeft al haar twijfels tegenover de politie geuit in ongestructureerde verhoren, waarbij de politie heeft verzuimd haar op een adequate wijze te verhoren.

Zo had bij [getuige 2] in 2019 het idee postgevat dat de verkeerde broer [achternaam verdachte] al die tijd al vastzat. Uiteindelijk zijn aan haar foto’s getoond waarna zij erkende dat zij toch terecht van meet af aan had begrepen dat [verdachte] de buurman was waarover [getuige 3] had verklaard.

Ter zitting van het hof en in haar verklaring op 26 februari 2019 heeft [getuige 2] ervan gewag gemaakt dat zij zich uitvoerig heeft beziggehouden met deze zaak en wat zij ervan in de media heeft vernomen. Toen zij in januari 2019 in de woning van [getuige 3] kwam en zag dat er een gestolen fiets stond, nam zij aan dat [getuige 3] opnieuw drugs was gaan gebruiken en is er ruzie ontstaan. Zij zou toen tegen hem hebben gezegd: Niets klopt van deze zaak. Jij was erbij. [getuige 3] zou toen volgens haar geantwoord hebben: Ja, ik was erbij en ik ben er nog voor betaald ook. Zij heeft daaraan in haar verklaring toegevoegd20 dat zij niet wist of hij het meende, of gewoon zo boos was dat hij hiermee uitflipte, waarmee haar stelling dat hij zijn eigen betrokkenheid bij de dood van de fietsenmaker tegenover haar heeft erkend meteen op losse schroeven kwam te staan.

[getuige 3] heeft ter zitting van het hof de lezing van [getuige 2] over de gebeurtenissen in januari 2019 betwist en overigens biedt het dossier geen steun voor de stelling dat [getuige 3] dit toen zo heeft gezegd. In haar verhoor van 26 februari 2019 heeft [getuige 2] eveneens vermeld dat zij in die periode in de veronderstelling was dat de verkeerde broer vastzat en dacht dat die jongen de schuld voor beiden had genomen.

Uit het dossier blijkt dat [broer verdachte] nooit als verdachte in deze zaak is aangemerkt en tevens dat de verdachte geen schuld voor dit feit op zich heeft genomen, noch voor hemzelf en een mededader. [getuige 2] is dus bij de door haar genoemde confrontatie van [getuige 3] in januari 2019 uitgegaan van bij haar levende onjuiste veronderstellingen.

Dit alles leidt het hof tot de slotsom dat de verklaringen van [getuige 2] over haar veronderstellingen, gevoelens, gedachten en conclusies met betrekking tot [getuige 3] niet zijn aan te merken als waarnemingen van een getuige, zoals in de wet bedoeld.

Het hof zal de inhoud van haar verklaringen om deze reden niet bezigen voor het bewijs.

Tot slot wordt opgemerkt dat [getuige 2] en [getuige 5] hebben verklaard dat zij [getuige 3] hebben ervaren als iemand die kon liegen, waaruit de verdediging heeft geconcludeerd dat [getuige 3] dus een leugenaar is en dat ook daarom zijn verklaring onbetrouwbaar is. Het hof begrijpt uit de gehele context van de verklaringen van genoemde getuigen dat zij het liegen door [getuige 3] koppelden aan zijn verslaving, zodat de algemene conclusie van de verdediging op dit punt moet worden verworpen.

Ad B. Mogelijke motieven van [getuige 3] om belastend over de verdachte te verklaren

Eigen betrokkenheid van [getuige 3] bij het delict?

De verklaringen van de getuige [getuige 4]

De getuige [getuige 4] , die als medegedetineerde gedurende enige tijd een cel met de verdachte heeft gedeeld, heeft verklaard dat de verdachte hem destijds heeft verteld dat hij samen met [getuige 3] de fietsenmaker heeft gedood en bestolen.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd dat de verklaringen van [getuige 4] voor het bewijs kunnen worden gebezigd en gaat ervan uit dat de verdachte tegenover [getuige 4] heeft erkend dat hij de fietsenmaker heeft gedood en daarbij bewust en ten onrechte [getuige 3] als mededader ten tonele heeft gebracht.

De verdediging heeft de getuigenverklaringen van [getuige 4]21 integraal betwist, alsmede de bruikbaarheid ervan voor het bewijs. De verdediging heeft een voorwaardelijk verzoek gedaan om [getuige 4] als getuige te horen, als het hof de verklaringen van [getuige 4] voor het bewijs gebruikt (Voorwaardelijk verzoek III).

Het hof overweegt dat de verklaring van [getuige 4] omtrent de betrokkenheid van [getuige 3] niet wordt ondersteund door ander bewijsmateriaal. In het bijzonder is van [getuige 3] geen DNA aangetroffen op de plaats delict. Het hof kiest er bij de selectie van de bewijsmiddelen voor de verklaringen van [getuige 4] niet te bezigen voor het bewijs en gaat er dus ook niet van uit dat op grond hiervan geconcludeerd zou kunnen worden dat [getuige 3] bij het steekincident en de beroving betrokken is geweest.

Beoordeling voorwaardelijk verzoek III

Nu de voorwaarde voor de beoordeling van het derde voorwaardelijk verzoek van de verdediging niet is vervuld, behoeft dit verzoek geen bespreking.

Uit het voorgaande volgt dat niet als vaststaand feit kan worden aangenomen dat [getuige 3]

jegens [getuige 2] heeft erkend dat hij betrokken is geweest bij de beroving en het doden van fietsenmaker [slachtoffer 1] . [getuige 3] heeft zijn betrokkenheid daarbij stellig en consequent betwist. In de overige stukken in het dossier is evenmin een concrete aanwijzing te vinden dat [getuige 3] betrokken was bij het incident.

Beloning

De verdediging voert als ander mogelijk motief voor de belastende verklaringen van [getuige 3] aan dat hij als harddrugsgebruiker, kampend met grote schulden, uit was op de uitgeloofde beloning.

[getuige 3] heeft evenwel niet om de beloning gevraagd. Niet is gebleken dat hij zelf het initiatief heeft genomen om de politie in te lichten over hetgeen de verdachte hem op 15 maart 2016 had verteld, ook niet anoniem. [getuige 2] heeft als eerste tegenover de politie gewag gemaakt van de mededelingen van [getuige 3] aan haar op 1 mei 2016 dat zijn buurman op 15 maart 2016 heeft verteld dat hij de fietsenmaker had gestoken en bestolen. De politie heeft bovendien gerelateerd, dat [getuige 3] grote angst had voor de broers [achternaam verdachte] . Zo verklaarde [getuige 3] dat zij zijn leven domineerden. Het hof acht aannemelijk dat dit een reden kan zijn voor zijn aanvankelijke stilzwijgen. De uitzending van Opsporing Verzocht van 26 april 2016, waarin de beloning is genoemd, was voor hem kennelijk geen aanleiding om zelf met zijn informatie naar de politie te stappen.

[getuige 3] heeft overigens wel als zijn beweegreden genoemd dat hij mededogen had met de fietsenmaker en diens familieleden, zeker nadat hij had vernomen dat [slachtoffer 1] was overleden als gevolg van de toegebrachte messteken. Het hof heeft geen redenen hieraan te twijfelen.

Dit leidt het hof tot de slotsom dat op grond van de inhoud van het dossier niet valt af te leiden dat [getuige 3] (in strijd met de waarheid) belastend over de verdachte heeft verklaard om de beloning te ontvangen.

Ad A2. De verdachte ontkent

De verdediging heeft op dit onderdeel aangevoerd dat de verdachte steeds uitdrukkelijk heeft ontkend dat hij het feit heeft gepleegd en dus ook dat hij dit tegenover [getuige 3] wél heeft bekend. Zelfs tijdens de opgenomen tapgesprekken met zijn broer, toen hij zichzelf onbespied waande, heeft hij verteld onschuldig te zijn.

Het hof stelt vast dat de omstandigheid dat een verdachte consequent ontkent een strafbaar feit te hebben gepleegd en/of geen bekentenis heeft afgelegd tegenover een getuige, op zichzelf niets zegt over zijn eventuele daadwerkelijke betrokkenheid bij dat feit. Een verdachte heeft immers het recht zich te beroepen op zijn zwijgrecht, hij hoeft zichzelf niet te belasten en heeft er evident groot belang bij geen bekentenis af te leggen. Niet valt in te zien waarom de verdachte een dergelijk belang jegens anderen, waaronder zijn familieleden, zou laten varen nu ook de verklaring van (één van) hen zou kunnen bijdragen aan zijn veroordeling.

Ad A1. De verklaringen van [getuige 3] zijn de-auditu, met [verdachte] als enige bron (Ad C 2 t/m 4.) en ze zijn niet consistent; bevatten geen daderinformatie en vinden geen steun in overige onderzoeksbevindingen en zijn dus niet valide.

a. Inconsistentie

[getuige 3] is uitvoerig geconfronteerd met de omstandigheid dat hij de details van verscheidene onderwerpen in een aantal verklaringen niet gelijkluidend heeft benoemd en heeft daarop verklaard dat hij daarover inderdaad niet zeker (meer) was, maar wel zeker was over de kern van zijn eerste verklaring: dat de verdachte die dag bebloed bij hem kwam en heeft verteld dat hij kort daarvoor de fietsenmaker meermalen met een mes had gestoken en geld van hem had weggenomen. Het hof constateert dat [getuige 3] in geen van zijn daarop gevolgde getuigenverklaringen anders heeft verklaard over de kern van het gebeuren.

Het hof heeft bij de selectie van de bewijsmiddelen de keuze gemaakt uitsluitend de eerste getuigenverklaring van [getuige 3] als bewijsmiddel op te nemen, mede omdat deze verklaring kort na 15 maart 2016 is afgelegd en als heet van de naald is te beschouwen, waarbij het hof aannemelijk acht dat hierin de herinneringen van [getuige 3] aan die dag het meest adequaat door hem zijn weergegeven.

b. De inhoud van de verklaring van [getuige 3] bij de politie op 10 mei 2016, waarin het hof de verdachte zal aanduiden als [achternaam verdachte] luidt -samengevat- als volgt.

Op 15 maart 2016 kwam de jongste buurman ( [verdachte] ) ’s middags aan de deur.

Het was in elk geval na 12:00 uur, maar [getuige 3] weet het tijdstip niet meer precies.

[getuige 3] had zijn buurjongens die ochtend niet gezien en hij had die dag niet gewerkt.

[getuige 3] beschrijft [achternaam verdachte] als een man met een lengte van 1.80 meter en donker haar. Hij had een grote bos haar, dat hij in de gevangenis had laten doen. Op de bewuste dag droeg [achternaam verdachte] het haar aan de zijkanten opgeschoren en op zijn hoofd in een staart naar achteren en hij droeg een grijze muts.

[achternaam verdachte] droeg een blauwe bouwjas die hij van [getuige 3] had geleend. [getuige 3] heeft [achternaam verdachte] twee weken voorafgaand aan het verhoor nog in die jas zien lopen. Het was een jas met allemaal vakken.

Op de bewuste dag heeft [getuige 3] gezien dat er bloed zat op de rechterhand van [achternaam verdachte] en op de voorzijde van de bouwjas: op buikhoogte en aan de rechterkant. [getuige 3] heeft niet gelet op de broek die [achternaam verdachte] droeg en wist niet zeker welke schoenen hij droeg.

[getuige 3] verklaarde dat [achternaam verdachte] helemaal over zijn toeren was toen hij de woning binnenkwam.

Hij stond “overspannen en getrild” voor de deur en was helemaal van slag. [getuige 3] zag dat [achternaam verdachte] onder het bloed zat en hoorde hem zeggen dat hij iemand had neergestoken.

[achternaam verdachte] is tot bedaren gekomen en nadat hij over de gebeurtenis had verteld, is hij naar zijn huis gegaan en heeft zich omgekleed.

[achternaam verdachte] zat in de woonkamer in de bruine stoel, terwijl [getuige 3] op de bank zat.

[achternaam verdachte] zei dat hij een fiets wilde verkopen en naar die winkel had gebracht. De fietsenmaker had eerder een fiets van hem aangenomen en daar 50 euro voor betaald, maar die fiets stond geregistreerd en de fietsenmaker wilde het geld terug hebben. [achternaam verdachte] wilde de fiets terug hebben en zou later het geld komen brengen. Toen heeft hij hem overvallen, hij heeft zijn portemonnee afgepakt en is weggegaan.

[achternaam verdachte] heeft onder meer aan [getuige 3] verteld, dat hij de fietsenmaker meermalen met een mes had gestoken, ook een keer heel diep.

Op de route naar huis heeft hij de portemonnee en ook het mes in een put gegooid.

[getuige 3] had op Opsporing Verzocht gehoord dat er 500 euro was gestolen, maar dat klopte volgens hem niet: er was 1250 euro gestolen, want [achternaam verdachte] heeft tegen [getuige 3] gezegd dat hij 1250 euro had. Hij had 500 euro en in een ander vakje van de portemonnee zag hij nog meer geld, in totaal was het 1250 euro.

[getuige 3] heeft verder nog verklaard dat hij samen met [achternaam verdachte] een keer naar de fietsenmaker is gegaan en dat [achternaam verdachte] toen een gestolen fiets heeft aangeboden. [getuige 3] heeft de fietsenwinkel

(hof: op tv) herkend omdat hij er was geweest.

[broer verdachte] was die dag volgens [getuige 3] in [plaats 4] , of daar in de buurt. Toen [broer verdachte] thuiskwam, heeft hij geld van [achternaam verdachte] gehad en een dealertje betaald. [getuige 3] heeft verklaard dat ze tot half vijf, vijf uur hebben gewacht totdat [broer verdachte] thuiskwam. [broer verdachte] heeft [getuige 3] verteld dat hij een dealer tegenkwam en hem toen 500 euro heeft gegeven.

[getuige 3] heeft in het verhoor nog opgemerkt dat [achternaam verdachte] eerder een bouwvakker met een hamer had aangevallen.

Daderinformatie: het op [slachtoffer 1] buitgemaakte geld

Uit de stukken in het dossier en hetgeen ter terechtzitting is besproken leidt het hof af dat de getuige [getuige 3] informatie van de verdachte heeft gekregen over het buitgemaakte geld.

[getuige 3] heeft immers op 10 mei 2016 verklaard dat de verdachte hem heeft gezegd dat in de buitgemaakte portemonnee een biljet van 500 euro in een ander vakje dan het overige briefgeld zat. In Opsporing Verzocht is enkel aandacht besteed aan het feit dat een portemonnee met een biljet van 500 euro was weggenomen en dat de kassalade niet was leeggehaald. Dat het 500 euro biljet in een apart vakje werd bewaard, was niet bekend gemaakt bij Opsporing Verzocht, zodat de getuige [getuige 3] dit slechts van de dader kan hebben gehoord.

Dat, zoals [getuige 3] heeft verklaard, een biljet van 500 euro en nog meer geld uit de portemonnee is weggenomen, acht het hof ook aannemelijk op grond van de verklaringen van de weduwe van [slachtoffer 1] en de dochters [achternaam slachtoffer 1] , die voor het bewijs worden gebruikt. De weduwe [weduwe slachtoffer 1] heeft samengevat verklaard dat haar man een biljet van 500 euro in een apart vakje voor kleingeld in zijn portemonnee bewaarde en dat er doorgaans nog meer geld in zijn portemonnee aanwezig was.

De verdediging heeft uitvoerig toegelicht waarom zij uit de verklaringen van [weduwe slachtoffer 1] niet eensluidend kan concluderen dat [slachtoffer 1] altijd een biljet van 500 euro in zijn portemonnee had en dat evenmin als vaststaand kan worden aangenomen dat [slachtoffer 1] ten tijde van het incident (nog) een biljet van 500 euro in zijn portemonnee droeg. De verdediging dicht de weduwe [achternaam slachtoffer 1] daarover twijfels toe, door een minutieuze grammaticale/taalkundige uitleg van haar verklaringen. Het hof concludeert evenwel dat de verklaringen van [weduwe slachtoffer 1] , in onderling verband en samenhang bezien, als rode draad behelzen dat haar man altijd een bankbiljet van 500 euro in zijn portemonnee had voor eventuele grotere aankopen.

Het hof geeft aan de verdediging toe dat op grond van die verklaring op zichzelf de mogelijkheid niet uit te sluiten valt dat [slachtoffer 1] het biljet van 500 euro vóór zijn overlijden al had uitgegeven.

Het hof neemt evenwel de navolgende feiten en omstandigheden in aanmerking, die in onderling verband en samenhang bezien, de conclusie rechtvaardigen dat op 15 maart 2016 uit de portemonnee van het slachtoffer wel degelijk een 500 euro biljet is ontvreemd.

[weduwe slachtoffer 1] heeft verklaard dat haar man altijd een portemonnee in de achterzak van zijn broek droeg.22 Een dochter van het slachtoffer heeft bevestigd dat hij altijd een portemonnee droeg. De familie was niet in het bezit van zijn portemonnee en op de plaats delict is de portemonnee van [slachtoffer 1] niet aangetroffen.23

Het dossier bevat geen enkele aanwijzing dat [slachtoffer 1] op 15 maart 2016 geen portemonnee in zijn achterzak droeg of dat hij het 500 euro biljet had uitgegeven. Daarnaast is het navolgende van belang.

[broer verdachte] heeft, net als [getuige 3] , verklaard dat hij op 15 maart 2016 buitenshuis aan het werk was.24 [getuige 3] heeft verklaard dat ze (de verdachte en [getuige 3] ) tot half vijf, vijf uur in zijn huis hebben gewacht totdat [broer verdachte] thuiskwam en dat [broer verdachte] toen geld van de verdachte heeft ontvangen. [broer verdachte] heeft verklaard dat hij die dag om 16:30 uur in de woning van [getuige 3] was. Gebleken is dat die dag om 16:50 uur, dus kort nadat [broer verdachte] in de woning van [getuige 3] was aangekomen, een biljet van 500 euro contant is gestort op diens bankrekening.

Gezien deze tijdstippen en de plaats van de storting, het Osdorpplein in Amsterdam, die volgens de algemeen toegankelijke informatie op het internet op de site van Google maps25 op een afstand van 5 km verwijderd is van het [adres 5] en met een auto bereikbaar in 9 minuten, kan ook hierin een bevestiging van de lezing van de getuige [getuige 3] worden gevonden dat de verdachte geld aan diens broer heeft overhandigd.

Dat [broer verdachte] op die datum de beschikking had over een auto, waarover [getuige 3] en hij beiden hebben verklaard dat deze op naam van [getuige 3] stond geregistreerd, is niet betwist.

Uit het historisch overzicht van de bankrekening van [broer verdachte] over een geruime periode blijkt bovendien dat een storting van een contant bedrag van dergelijke omvang ongebruikelijk was.26 De stelling dat [broer verdachte] dit specifieke bedrag met zwart werk heeft verdiend, vindt geen steun in het dossier. [broer verdachte] zelf heeft dit niet verklaard, zijn werkgever betaalde hem niet zwart uit en concrete informatie over zwart betaald werk komt niet voor in het dossier.27

Dat [broer verdachte] mogelijk aan [getuige 3] in strijd met de waarheid heeft verteld dat hij met het buitgemaakte 500 euro biljet dealers bij een pompstation heeft betaald, doet aan het voorgaande niet af.

Het hof komt op grond van het voorgaande tot de slotsom, anders dan de verdediging heeft bepleit, dat voor het bewijs kan worden gebezigd dat op de dag van de dood van de fietsenmaker een bankbiljet van 500 euro op de bankrekening van [broer verdachte] is gestort.

Het hof gaat er op grond van het voren overwogene tevens vanuit dat een groter bedrag dan 500 euro uit de portemonnee van het slachtoffer is weggenomen. Dat het hof niet kan vaststellen welk bedrag precies is weggenomen, doet daaraan niet af.

Voorwaardelijk verzoek II

Nu het hof de verklaring over de buit van de beroving als daderinformatie van de getuige [getuige 3] beschouwt en voor het bewijs zal gebruiken, moet worden beslist op het voorwaardelijk verzoek van de verdediging op dit onderdeel.

a. De advocaat-generaal heeft meegedeeld dat het 500 euro biljet met SIN-nummer AAJV0972NL reeds is teruggegeven aan fietsenwinkel [naam 1] , zodat het verzochte DNA-onderzoek niet kan plaatsvinden.

Reeds vanwege deze feitelijke onmogelijkheid wijst het hof dit verzoek af. De noodzaak van het onderzoek is niet gebleken, gelet op de onderbouwing van het verzoek.

b. en c. Dat het opgevouwen 500 eurobiljet, dat [getuige 6] heeft ontvangen van een medewerker van de zaak [naam 1] aan de [adres 2] , mogelijk enige relatie heeft met het bedrag dat van fietsenmaker [slachtoffer 1] is weggenomen, is een algemene stelling, waarvoor geen concrete steun te vinden is in het dossier. Het hof acht dan ook geen noodzaak aanwezig voor enige door het hof te nemen beslissing op de voet van de artikelen 348 en 350 Sv om [getuige 6] en de beoogde medewerker van die winkel als getuigen te horen en wijst deze verzoeken daarom eveneens af.

1.5.4.

Tussenconclusies hof

Op grond van het voorgaande concludeert het hof dat de verklaring van [getuige 3] , die het hof voor het bewijs gebruikt, wel degelijk daderinformatie bevat die hij van de verdachte heeft vernomen. De verklaring van [getuige 3] vindt bovendien op diverse onderdelen steun in andere onderzoeksbevindingen. Het hof oordeelt op grond van al het voren overwogene dat de getuigenverklaring van [getuige 3] voldoende betrouwbaar is om voor het bewijs te worden gebezigd.

Dit leidt ertoe dat de verweren van de verdediging ter zake van de onbetrouwbaarheid van de verklaring(en) van [getuige 3] en de onbruikbaarheid daarvan voor het bewijs dienen te worden afgewezen.

2.Contra-indicaties en alternatieve scenario’s

2.1.

Standpunten verdediging en advocaat-generaal

De verdediging heeft betoogd dat het dossier contra-indicaties bevat voor de betrokkenheid van de verdachte bij het ten laste gelegde. In dit verband is gewezen op het feit dat de verdachte, ook in afgeluisterde telefoongesprekken met zijn broer waarin hij zich onbespied waande, elke betrokkenheid bij het feit heeft ontkend. Uit diverse onderzoeken is geen bewijs voor zijn betrokkenheid naar voren gekomen. De verdachte is ook niet zichtbaar op camerabeelden van de omgeving van de plaats delict. Ten slotte bevat het dossier aanwijzingen voor de betrokkenheid van een ander en/of anderen dan de verdachte. Deze alternatieve scenario’s zijn ten onrechte niet nader onderzocht, aldus de verdediging.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot verwerping van deze verweren.

2.2.

Overwegingen en oordeel hof

Dat de verdachte elke betrokkenheid bij het feit ontkent, ook in gesprekken met zijn broer, levert niet reeds een contra-indicatie voor zijn betrokkenheid bij het ten laste gelegde op, zoals hiervoor (onder A2) reeds is toegelicht.

Het hof is van oordeel dat het enkele feit dat een aantal door de politie verrichte onderzoeken geen (aanvullend) bewijs voor de betrokkenheid van de verdachte bij het feit hebben opgeleverd, geen afbreuk doet aan het jegens de verdachte bestaande bewijs, zoals onder meer blijkend uit het hierna te bespreken DNA-onderzoek.

De door de verdediging bedoelde onderzoeken,28 waaronder het onderzoek in putten en kolken in de omgeving van de plaats delict naar het bij het feit gebruikte wapen en de portemonnee van het slachtoffer en het onderzoek naar zendmastgegevens rondom de plaats delict, hebben ook geen met een bewezenverklaring strijdige resultaten opgeleverd. Bovendien is goed verklaarbaar dat veel onderzoek geen voor de verdachte belastende resultaten heeft opgeleverd, nu er bijna twee maanden waren verstreken tussen de datum waarop het slachtoffer was overleden en het moment dat de verklaring van [getuige 3] bekend werd en hiernaar onderzoek kon worden gedaan.

Daarbij overweegt het hof nog met betrekking tot het door de verdediging ingenomen standpunt dat de verdachte niet zichtbaar is op camerabeelden van de omgeving van de plaats delict, dat niet is gebleken dat deze beelden het gehele gebied rondom de fietsenwinkel van het slachtoffer bestreken, meer in het bijzonder niet de toegang tot de winkel zelf. Dat de verdachte niet op de beelden zou zijn waargenomen, sluit zijn betrokkenheid mitsdien geenszins uit.

Ten aanzien van de stelling van de verdediging dat er aanwijzingen bestaan voor de betrokkenheid van één of meer andere dader(s) wordt het volgende overwogen.

Als uitgangspunt heeft te gelden dat in geval een verdachte het hem ten laste gelegde bestrijdt met een alternatieve lezing van de gebeurtenissen, die niet met een bewezenverklaring zou stroken, de rechter, indien deze tot een bewezenverklaring komt, die alternatieve gang van zaken zal moeten weerleggen. Dat kan geschieden door opneming van bewijsmiddelen of vermelding, al dan niet in een nadere bewijsoverweging, van aan wettige bewijsmiddelen te ontlenen feiten en omstandigheden die de alternatieve lezing van de verdachte uitsluiten. Een dergelijke weerlegging is niet steeds vereist. In voorkomende gevallen zal de rechter ter weerlegging kunnen oordelen dat de gestelde alternatieve toedracht niet aannemelijk is geworden dan wel dat de lezing van de verdachte als ongeloofwaardig terzijde moet worden gesteld. Ten slotte kunnen zich gevallen voordoen waarin de lezing van de verdachte zo onwaarschijnlijk is, dat deze geen uitdrukkelijke weerlegging behoeft.29

Met de verdediging is het hof van oordeel dat het dossier aanwijzingen bevat dat enkele andere personen dan de verdachte met het slachtoffer [slachtoffer 1] in contact hebben gestaan kort voor, alsmede kort na diens gewelddadige dood. Dit brengt echter niet mee dat hieruit reeds enige betrokkenheid van deze personen bij de dood van het slachtoffer kan worden afgeleid. Dit geldt temeer, nu [slachtoffer 1] eigenaar was van een fietsenwinkel, waar het bezoek van clientèle gebruikelijk is.

Ten aanzien van de door de verdediging in dit verband aangehaalde verklaringen van getuigen overweegt het hof als volgt.

De getuige [getuige 7] , die op 15 maart 2016 rond 12:35 uur langs de winkel van het slachtoffer fietste, heeft verklaard dat zij een man met donker krullend haar, een normaal postuur en een normale lengte, gekleed in een fel gekleurde oranje/gele jas, voorin de winkel hevige bewegingen zag maken.30

Het hof acht aannemelijk, gelet ook op het tijdstip, dat de verklaring van deze getuige betrekking heeft op de zoon van [slachtoffer 1] , die volgens het proces-verbaal van de verbalisanten ter plaatse een rode jas droeg en hevig in paniek hard aan het overleden lichaam van zijn vader heeft getrokken en geduwd.31

De getuige [getuige 8] , die naar eigen schatting op 15 maart 2016 rond 12:20/12:25 uur langs de fietsenwinkel fietste, heeft niet meer verklaard dan dat zij een man kort achter een andere man zag lopen, van welke laatste man zij vanwege het feit dat hij een blauwe overall droeg, dacht dat het de eigenaar van de fietsenwinkel was. De man die achter de eigenaar liep, was een halve kop kleiner dan de eigenaar (die blijkens het dossier 1.69 meter lang was), had een smal postuur en een flinke bos haar met een soort slag erin dat als het ware naar links ietsjes uitstak. Hij was gekleed in een midden-bruin gekleurd kort leren jack. Anders dan de verdediging stelt, heeft de getuige niet gezien dat de beide mannen de winkel zijn in gegaan.32 Enige (nadere) aanwijzing voor betrokkenheid van de beschreven persoon bij het feit ontbreekt.

De getuige [getuige 9] fietste op 15 maart 2016 rond 12:23 uur langs de fietsenwinkel.33 In zijn eerste, op 16 maart 2016 afgelegde verklaring bij de politie heeft hij verklaard dat hij een man met een slank postuur, ongeveer 1.80 meter lang, tussen de 25 en 30 jaar oud en gekleed in een beige driekwart jas en met een beige muts de winkel uit zag komen lopen. Het hof constateert dat dit signalement overeenkomt met het door de getuige [getuige 3] gegeven signalement van de verdachte op 15 maart 2016. In zijn verklaring op 21 maart 201634 heeft de getuige [getuige 9] voornoemd signalement bevestigd wat betreft leeftijd en kleding en heeft hij daaraan onder meer toegevoegd dat de man een ovaal gelaat en een buitenlands (bijvoorbeeld Marokkaans of Turks) uiterlijk had. In zijn verklaring op 19 april 201635 heeft de getuige naar het eerder door hem gegeven signalement gewezen en dit ten dele herhaald. Dat de getuige bijna een jaar later, in zijn verklaring bij de rechter-commissaris op 19 april 2017, waarin hij vooraf te kennen had gegeven dat zijn herinnering hem in de steek liet, zich een aantal zaken niet meer kon herinneren, maakt die eerdere, kort na het feit afgelegde verklaringen niet onbetrouwbaar. De getuige heeft in zijn verklaring bij de rechter-commissaris de lengte van de dader in afwijking van zijn eerdere verklaring geschat op ‘iets van zijn eigen lengte’, welke lengte door de raadsman werd geschat op 1.65 meter.

Dat leidt in het licht van het voorgaande en gelet op de overige bewijsmiddelen niet reeds tot het oordeel dat de verdachte, die 1.80 meter lang is, als dader dient te worden uitgesloten, temeer nu het slechts een (subjectieve) schatting van de getuige betreft. Het hof gaat uit van het signalement zoals het door de getuige [getuige 9] kort na de gebeurtenis van de man is gegeven.

De getuige [getuige 9] heeft een man omschreven waarvan niet is gebleken of het al dan niet de dader is en waarvan het signalement de verdachte geenszins uitsluit. De verklaring van de getuige [getuige 9] is dus, anders dan de raadslieden hebben betoogd, niet ontlastend voor de verdachte.

Wat betreft de vermeende betrokkenheid van de getuige [getuige 10] , die tegelijkertijd met de getuige [getuige 8] het slachtoffer levenloos in de winkel heeft aangetroffen, overweegt het hof dat het DNA-profiel van deze getuige in het DNA-onderzoek is betrokken en er geen aanwijzingen zijn gevonden voor aanwezigheid van zijn DNA ter plaatse.

Wat betreft de overige door de verdediging aangehaalde getuigenverklaringen overweegt het hof dat deze feitelijk niets meer behelzen dan de suggestie dat de in die verklaringen bedoelde personen mogelijk betrokken zouden kunnen zijn geweest bij de dood van het slachtoffer.

Zo zijn op een tijdstip enige tijd vóór (tijdsspanne van 11:15 tot 11:50 uur) dan wel enige tijd na het misdrijf (tijdsspanne van 13:15 tot 13:30 uur) twee zich vreemd gedragende jongens in de omgeving (onderscheidenlijk op straat en in een koffiehuis) gesignaleerd volgens de getuigen [getuige 13]36, [getuige 14]37, [getuige 15]38 en [getuige 16]39, is acht dagen na het feit een verwarde persoon, die in zijn woning aan de [adres 6] te Amsterdam met messen liep te zwaaien, in die woning aangehouden en kent een fietsenwinkelier in de buurt een man die volgens hem alcoholist is en wel eens met gestolen fietsen bij hem langs is geweest; de laatste keer dat hij deze persoon heeft gezien was in januari 2016 (getuige [getuige 12] )40.

Het hof acht geenszins aannemelijk dat de door deze getuigen genoemde personen enige betrokkenheid hebben gehad bij de dood van het slachtoffer en is van oordeel dat voornoemde suggesties onvoldoende concrete aanknopingspunten bevatten die tot nader onderzoek door de politie noopten.

Dit leidt het hof tot de slotsom dat geen sprake is van daadwerkelijke alternatieve scenario’s

die niet stroken met een bewezenverklaring, zoals beschreven in het hiervoor geformuleerde uitgangspunt, zodat het hof deze verweren verwerpt.

3 DNA-onderzoek

3.1.

DNA-onderzoek op bronniveau

In een DNA-onderzoek op bronniveau wordt onderzocht of het biologisch materiaal dat in sporen is aangetroffen afkomstig kan zijn van de verdachte. Het resultaat daarvan wordt uitgedrukt in de mate van waarschijnlijkheid dat een willekeurig (niet aan de verdachte verwant) persoon beschikt over het DNA-profiel dat overeenkomt met het profiel van de sporen.

Het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) heeft op bronniveau onderzoek gedaan naar DNA-sporen die zijn aangetroffen op een nagelriem aan de linkerhand van het slachtoffer [slachtoffer 1] alsmede op zijn pet, zijn broek en zijn stofjas. Bij dit onderzoek is het in de bemonsteringen aangetroffen DNA vergeleken met DNA-profielen van het slachtoffer, zijn echtgenote [weduwe slachtoffer 1] en zijn zoon [zoon slachtoffer 1] , de verdachte, de broer van de verdachte [broer verdachte] (ook aangeduid als onbekende man B), [getuige 3] , [getuige 10] , [getuige 1] en onbekende man A (handvat fiets). De resultaten van dit onderzoek zijn onder meer neergelegd in de rapporten van 27 september 2016, 9 december 2016 en 25 augustus 2017.

Uit deze rapporten blijkt dat in de bemonsteringen van een nagelriem aan de linkerhand van het slachtoffer, zijn pet, zijn broek en zijn stofjas de volgende DNA-mengprofielen zijn aangetroffen:

  • -

    Linkerhand nagelriem slachtoffer (AAIL3196NL#02): een DNA-mengprofiel van minimaal vier personen waaronder slachtoffer [slachtoffer 1] en [verdachte] , en waarbij [zoon slachtoffer 1] en [broer verdachte] niet kunnen worden uitgesloten.

  • -

    Pet (AAIL3191NL#02): een DNA-mengprofiel van minimaal vier personen met het DNA-hoofdprofiel van slachtoffer [slachtoffer 1] en DNA-nevenkenmerken van minimaal drie personen waaronder [verdachte] , en waarbij [zoon slachtoffer 1] , [weduwe slachtoffer 1] en [broer verdachte] niet kunnen worden uitgesloten.

  • -

    Broek slachtoffer (AAIY0362NL#01): een DNA-mengprofiel van minimaal vijf personen met het DNA-hoofdprofiel van slachtoffer [slachtoffer 1] en zwak aanwezige DNA-nevenkenmerken van minimaal vier personen waaronder [zoon slachtoffer 1] , [verdachte] en [weduwe slachtoffer 1] en waarbij [broer verdachte] niet kan worden uitgesloten.

  • -

    Jas slachtoffer (AAIY0360NL#38): een DNA-mengprofiel van minimaal vier personen waaronder slachtoffer [slachtoffer 1] en [verdachte] , en waarbij [zoon slachtoffer 1] , [weduwe slachtoffer 1] en [broer verdachte] niet kunnen worden uitgesloten.

  • -

    Jas slachtoffer (AAIY0360NL#47): een DNA-mengprofiel van minimaal vier personen waaronder slachtoffer [slachtoffer 1] en [verdachte] , en waarbij [zoon slachtoffer 1] en [weduwe slachtoffer 1] niet kunnen worden uitgesloten.

In al deze bemonsteringen is DNA aangetroffen dat overeenkomt met het DNA-profiel van het slachtoffer. Het DNA-profiel van de verdachte matcht met de DNA-mengprofielen in de bemonsteringen van de nagelriem (AAIL3196NL#02), de pet (AAIL3191NL#02), de broek (AAIY0362NL#01) en de stofjas (AAIY0360NL#38). Dat betekent dat alle DNA-kenmerken van het DNA-profiel van de verdachte zijn gedetecteerd in deze verkregen DNA-mengprofielen.

In geen van de onderzochte bemonsteringen is een aanwijzing verkregen voor de aanwezigheid van het DNA van [getuige 3] . Er zijn geen aanwijzingen voor de aanwezigheid van het DNA van onbekende man A anders dan op het handvat van de fiets. In het vergelijkend DNA-onderzoek aan het lichaam en de kleding van het slachtoffer zijn verder geen aanwijzingen gevonden voor de aanwezigheid van DNA van andere in het onderzoek betrokken personen.

3.2.

Bewijskracht volgens de deskundige Van Gorp

Vervolgens is onderzoek gedaan naar de mogelijke bewijswaarde c.q. bewijskracht van de DNA-match. De bewijskracht wordt uitgedrukt in een getal dat aangeeft hoeveel waarschijnlijker het resultaat van het vergelijkend DNA-onderzoek is wanneer het spoor DNA bevat van een persoon, dan wanneer het spoor geen DNA van die persoon bevat.

De deskundige van het NFI, A.G.M. van Gorp, heeft op 25 augustus 2017 aanvullend gerapporteerd over de bewijskracht van de bevindingen met betrekking tot voornoemde bemonsteringen.

Van Gorp heeft hierover samengevat als volgt gerapporteerd:

Nagelriem linkerhand:

De bevindingen van het DNA-onderzoek zijn ongeveer 190 miljoen keer waarschijnlijker indien de bemonstering van de nagelriem van de linkerhand van het slachtoffer DNA bevat van de verdachte (naast dat van het slachtoffer, zijn zoon en één willekeurige onbekende persoon), dan wanneer de bemonstering DNA bevat van het slachtoffer, zijn zoon en twee willekeurige onbekende personen.

Als de zoon niet wordt meegenomen als donor van een deel van het DNA, zijn de bevindingen 15 miljoen keer waarschijnlijker.

Pet:

De bevindingen ten aanzien van de pet zijn ongeveer 3,7 miljoen keer waarschijnlijker indien de bemonstering van de pet DNA bevat van de verdachte (naast dat van het slachtoffer, zijn vrouw en één willekeurige onbekende persoon), dan wanneer de bemonstering DNA bevat van het slachtoffer, zijn vrouw en twee willekeurige andere personen. Als de vrouw van het slachtoffer niet wordt meegenomen als donor van een deel van het DNA in deze bemonstering, zijn de bevindingen 5 miljoen keer waarschijnlijker.

Broek:

Voor de bevindingen ten aanzien van de broek geldt dat die ongeveer 10 miljoen keer waarschijnlijker zijn als de bemonstering DNA bevat van het slachtoffer, zijn vrouw, de verdachte en twee willekeurige onbekende personen, dan wanneer de bemonstering DNA bevat van het slachtoffer, zijn vrouw en drie willekeurige onbekende personen. Als de vrouw van het slachtoffer niet wordt meegenomen als donor van een deel van het DNA in deze bemonstering, zijn de bevindingen 2 miljoen keer waarschijnlijker.

Jas:

De bevindingen zijn ongeveer 560 miljoen keer waarschijnlijker onder de hypothese 1 dat de bemonstering DNA bevat van het slachtoffer, zijn vrouw, de verdachte en 1 willekeurige andere persoon dan onder de hypothese 2 dat de bemonstering DNA bevat van het slachtoffer, zijn vrouw en twee willekeurige andere personen (AAIY0360NL#38). Wanneer ervan wordt uitgegaan dat de vrouw van het slachtoffer geen bijdrage heeft geleverd aan het DNA-mengprofiel, zijn de bevindingen 470 miljoen keer waarschijnlijker wanneer hypothese 1 waar is, dan wanneer hypothese 2 waar is.

Voor bemonstering AAIY0360NL#47 bedragen die getallen onderscheidenlijk meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker en ongeveer 590 miljoen keer waarschijnlijker.

3.2.1.Vergelijkend DNA-onderzoek van de verdachte t.o.v. zijn broer

Deskundige N. van der Geest van het NFI heeft in zijn email van 6 december 2017, in aanvulling op het rapport van 25 augustus 2017, nog de volgende samenvattende conclusies vermeld over de verhouding van de bewijskracht van de resultaten van het vergelijkend DNA-onderzoek van de verdachte ten opzichte van zijn broer [broer verdachte] .

Pet (AAIL319NL#02):

De bewijskracht van de resultaten van het vergelijkend DNA onderzoek is ten minste 3,7 miljoen keer groter ten aanzien van de verdachte dan ten aanzien van zijn broer, ongeacht of de vrouw van het slachtoffer, [weduwe slachtoffer 1] , DNA heeft bijgedragen aan de bemonstering.

Broek (AAIY0362NL#01):

De verhouding van de bewijskracht van de resultaten van het vergelijkend DNA-onderzoek van de verdachte ten aanzien van zijn broer is in dit geval niet te geven omdat de bewijskracht ten aanzien van de broer van de verdachte niet betrouwbaar is te berekenen.

Jas

(AAIY0360NL#38): de bewijskracht van de resultaten van het vergelijkend DNA-onderzoek is tenminste 200.000 keer groter ten aanzien van de verdachte dan ten aanzien van zijn broer, ongeacht of de vrouw van het slachtoffer DNA heeft bijgedragen aan de bemonstering.

(AAIY0360NL#47): de bewijskracht van de resultaten van het vergelijkend DNA-onderzoek is tenminste 590 miljoen keer groter ten aanzien van de verdachte dan ten aanzien van een willekeurige onbekende persoon, ongeacht of de vrouw van het slachtoffer heeft bijgedragen aan de bemonstering.

3.2.2.

Broer [broer verdachte] als dader uitgesloten

Het hof sluit, net als de rechtbank, de broer van de verdachte [broer verdachte] uit als donor van het aangetroffen DNA. Allereerst is de overeenkomst tussen de DNA-kenmerken die in de DNA-mengprofielen zijn gevonden en die overeenkomen met het DNA-profiel van [broer verdachte] verklaarbaar; de verdachte en hij zijn immers broers, die gemiddeld twee derde van hun DNA-kenmerken gemeen hebben. Voorts heeft geen van de procesdeelnemers betwist dat [broer verdachte] die dag rondom en ten tijde van het tijdstip van overlijden van het slachtoffer aan het werk was in [plaats 5] , zodat hij reeds om die reden niet als mogelijke dader kan worden aangemerkt.

3.3.

Conclusie hof DNA-materiaal op bronniveau

Het hof gaat er op grond van de NFI-rapporten in onderling verband en samenhang bezien vanuit dat het DNA-profiel van de verdachte matcht met de DNA-mengprofielen die zijn aangetroffen bij het slachtoffer op de nagelriem van zijn linkerhand, zijn pet, zijn broek en zijn stofjas.

3.4.

Standpunt verdediging op grond van de verklaring van de verdachte

De verdachte heeft verklaard dat hij eind januari 2016 en in de eerste week van maart 2016, ongeveer tien dagen voorafgaand aan het overlijden van het slachtoffer, in de fietsenwinkel van het slachtoffer is geweest en bij die gelegenheden het slachtoffer heeft gesproken en een hand heeft gegeven en dat het mogelijk is dat hij op die momenten speeksel, huidschilfers, haren of zweet in de fietsenwinkel heeft achtergelaten. De verdediging heeft in dit verband betoogd dat het op het lichaam en de kleding van het slachtoffer aangetroffen DNA van de verdachte niet het bewijs oplevert dat de verdachte degene is geweest die het slachtoffer heeft gedood; de aangetroffen DNA-sporen van de verdachte zijn geen delict gerelateerde sporen. De verdachte kan zijn DNA in de fietsenwinkel hebben achtergelaten op de momenten dat hij daar is geweest waarna zijn DNA door contaminatie (het slachtoffer is door de zoon omgedraaid en ambulancepersoneel en [getuige 1] hebben het slachtoffer aangeraakt) dan wel secundaire overdracht (via objecten in de fietsenwinkel en de vloer van de fietsenwinkel) (verder) kan zijn verspreid. De verdediging is er daarbij van uit gegaan dat de kleding van het slachtoffer recentelijk niet was gewassen en de winkelvloer was gestofzuigd hetgeen kan hebben geleid tot contaminatie en verspreiding van sporen.

3.5.

Bespreking van het verweer

3.5.1.

DNA-onderzoek op activiteitenniveau

In een DNA-onderzoek op activiteitenniveau wordt onderzocht of het aangetroffen DNA-materiaal kan worden aangemerkt als daderspoor, dat wil zeggen dat op grond van de omstandigheden van het geval wordt beoordeeld of er een relatie kan zijn tussen het delict en het spoor en/of door welke activiteiten het spoor kan zijn ontstaan. De conclusie van een dergelijk onderzoek wordt aan de hand van elkaar uitsluitende hypothesen op grond van een aantal aannamen uitgedrukt in een waarschijnlijkheidsoordeel.

Het NFI heeft onderzoek gedaan naar deze mogelijkheden. Daartoe zijn de bevindingen van het DNA-onderzoek op bronniveau geëvalueerd op activiteitenniveau onder hypothesen 1 en 2 en aannamesets A en B, waarbij als contextinformatie is meegenomen dat de verdachte ongeveer tien dagen voorafgaand aan het aantreffen van het slachtoffer in de fietsenwinkel is geweest. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport van L.H.J. Aarts, deskundige bij het NFI, van 1 december 2017.

De echtgenote van het slachtoffer [weduwe slachtoffer 1] heeft verklaard dat haar man zijn handen meermalen per dag met zeep waste, als zijn handen erg vies waren deed hij dit met ontvettende zeep, hij rechtshandig was en met rechts de hand schudde, hij alleen vrienden en goede kennissen een hand gaf, zijn handen vaak vies waren en hij dan de buitenzijde van zijn hand als een vuist aanbood. Zij heeft voorts verklaard dat haar man de op 15 maart 2016 gedragen broek de vrijdag voor zijn dood schoon moet hebben aangetrokken, en zijn werkjas één keer in de drie, vier, vijf weken werd gewassen. Zoon [zoon slachtoffer 1] heeft verklaard dat de vloer van de fietsenwinkel na elke werkdag werd gestofzuigd.

Dit onderzoek is uitgevoerd onder de volgende hypothesen en aannamen:

Hypothese 1: de verdachte heeft het slachtoffer op 15 maart 2016 gestoken en heeft zijn portemonnee

uit zijn broekzak gepakt.

Hypothese 2: een onbekende persoon heeft het slachtoffer op 15 maart 2016 gestoken en heeft zijn

portemonnee uit zijn broekzak gepakt. De verdachte heeft niets met het delict te maken.

Aanname A:

  • -

    de verdachte heeft bij zijn bezoek begin maart 2016 niet de hand van het slachtoffer geschud.

  • -

    het slachtoffer waste zijn handen dagelijks voor het bidden en na toiletbezoek met gewone zeep en indien nodig met speciale ontvettende zeep als hij zeer vieze handen had door zijn werk.

  • -

    er kan niet worden aangenomen dat het slachtoffer zijn handen aan zijn kleren droogde.

  • -

    er kan worden aangenomen dat de broek van het slachtoffer is gewassen na het contact tussen de verdachte en het slachtoffer.

Aanname B:

  • -

    de verdachte heeft bij zijn bezoek begin maart 2016 wel de hand van het slachtoffer geschud.

  • -

    het slachtoffer waste zijn handen één tot twee keer per dag, uitsluitend met gewone zeep.

  • -

    er kan worden aangenomen dat het slachtoffer zijn handen aan zijn kleren droogde.

  • -

    er kan niet worden aangenomen dat de broek van het slachtoffer is gewassen na het contact tussen de verdachte en het slachtoffer.

Naast deze aannamesets zijn de volgende aannamen gedaan:

  • -

    het slachtoffer is op de tussenliggende (werk)dagen na het bezoek van de verdachte begin maart 2016 werkzaam geweest in zijn winkel. Hierbij zijn verscheidene mensen waaronder zijn zoon en klanten in de winkel geweest.

  • -

    bij het werk in de winkel heeft het slachtoffer zijn werkjas gedragen. Deze werkjas is niet gewassen volgend op het laatste bezoek van de verdachte (het hof begrijpt: begin maart 2016) aan de winkel.

  • -

    het slachtoffer heeft in de periode na het eerdere bezoek (het hof begrijpt: begin maart 2016) van de verdachte geen fysiek contact gehad met de verdachte of met voorwerpen van de verdachte.

  • -

    de vloer waarop het slachtoffer is aangetroffen werd aan het einde van elke werkdag gestofzuigd.

  • -

    de portemonnee is door de belager van het slachtoffer weggepakt uit de rechterachterzak van de broek van het slachtoffer.

Deskundige Aarts heeft geconcludeerd dat onder beide aannamen de bevindingen van het onderzoek naar biologische sporen en DNA veel waarschijnlijker zijn als de verdachte degene is die het slachtoffer heeft gestoken en zijn portemonnee heeft weggenomen dan wanneer dit door een onbekende persoon is gedaan en de verdachte niets met het delict te maken heeft.

3.5.2.

Verspreiding of verlies van celmateriaal

Ten aanzien van verplaatsing of verlies van celmateriaal heeft Aarts41 het volgende gerapporteerd.

Het slachtoffer is omgedraaid naar de rug, medische handelingen zijn verricht, het slachtoffer is uitgekleed en de kleding is verpakt. Niet kan worden uitgesloten dat er op één of enkele locaties op het lichaam en/of de kleding van het slachtoffer celmateriaal is aangetroffen dat daar oorspronkelijk niet aanwezig was. Bij een dergelijke verplaatsing van celmateriaal wordt in het algemeen een beperkt deel van het oorspronkelijk aanwezige celmateriaal overgedragen en blijft op de oorspronkelijke locatie het grootste deel van het celmateriaal achter. Celmateriaal dat van de verdachte afkomstig kan zijn is aangetroffen op de nagelriem van de linkerhand, de pet, de buitenzijde van de broek en aan de binnenzijde van de werkjas van het slachtoffer. Gezien deze verspreiding en de relatief beperkte hoeveelheid celmateriaal van de verdachte op de verschillende locaties, wordt de kans dat dit sporenbeeld is ontstaan door middel van verspreiding van sporen bij handelingen na overlijden van het slachtoffer op de plaats delict, de verpakking of bij het onderzoek naar biologische sporen beoordeeld als zeer klein.

3.5.3.

Kans op contaminatie

Aarts heeft ter zitting in eerste aanleg op 7 december 2017 op de vraag hoe groot de kans is op contaminatie toegelicht dat de vloer van de winkel dagelijks werd gestofzuigd. Aarts acht de kans zeer klein dat dusdanig grote hoeveelheden speeksel of zweet zijn achtergelaten en dat die op het lichaam van het slachtoffer terecht zijn gekomen. Hoe meer DNA wordt achtergelaten, hoe groter de kans is op verspreiding ervan, maar het is niet aannemelijk dat er nog zo’n hoeveelheid aanwezig is dat je dat (het hof begrijpt: na tien dagen) op vier of vijf verschillende plekken kunt aantreffen, aldus Aarts.

3.6.

Conclusie hof DNA-onderzoek op activiteitenniveau

Het hof leidt af uit het onderzoek van het NFI van 1 december 2017 en de toelichting van Aarts op 7 december 2017 op de zitting in eerste aanleg, dat niet aannemelijk is dat DNA van de verdachte via contaminatie of secundaire overdracht op de nagelriem en diverse plekken op de kleding van het slachtoffer is terecht gekomen. Hetgeen de verdediging heeft aangevoerd met betrekking tot verspreiding en contaminatie van sporen door handelingen aan het slachtoffer en zijn kleding na overlijden en het stofzuigen van de winkelvloer, voor zover dit al valt aan te merken als het geven van een alternatief scenario waarop gemotiveerd dient te worden gerespondeerd, vindt zijn weerlegging in voornoemd rapport en de toelichting van Aarts.

3 Eindconclusie bewijsoverwegingen hof in de zaak Moer

Het hof vat op grond van al het voren overwogene samen dat de uitdrukkelijk onderbouwde standpunten van de verdediging en haar voorwaardelijke verzoeken zijn verworpen.

Het hof acht moord, zoals onder feit 1 primair ten laste gelegd, niet wettig en overtuigend bewezen en zal de verdachte hiervan vrijspreken, overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal en het pleidooi van de verdediging.

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat het de verdachte is geweest die op 15 maart 2016 in Amsterdam fietsenmaker [slachtoffer 1] met een groot aantal messteken om het leven heeft gebracht en diens portemonnee met een hoeveelheid geld heeft weggenomen.

Het hof baseert zich hierbij op (de nog nader uit te werken) bewijsmiddelen; de hiervoor genoemde verklaring van de getuige [getuige 3] ; de bevindingen met betrekking tot het aangetroffen DNA, alsmede het feit dat op de dag van de doodslag een contante storting van een bankbiljet van 500 euro op de bankrekening van de broer van de verdachte heeft plaatsgevonden, alles in onderling verband en samenhang bezien.

Het onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde wordt derhalve bewezen geacht, waarbij het hof de verdachte partieel zal vrijspreken van het onderdeel medeplegen.

II. ZAAK MATHAAK

1. Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van de onder 2 primair ten laste gelegde doodslag en de onder 3 subsidiair ten laste gelegde mishandeling.

De verdachte heeft meermalen met een hamer op het hoofd van aangever [slachtoffer 2] geslagen met ernstig letsel ten gevolge: een schedelfractuur en bloeding in het hoofd. Gelet op de kwetsbaarheid van de schedel en de hersenen is de aanmerkelijke kans aanwezig geweest dat door de klappen met de hamer ernstig letsel kon optreden, zelfs de dood ten gevolge hebbende. Dat aanmerkelijke risico heeft de verdachte bewust aanvaard.

Daarnaast is tegen de armen en de rug van [slachtoffer 2] geslagen, die hierdoor pijn heeft geleden en verwondingen heeft opgelopen.

2. Standpunt verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit van beide feiten, omdat met onvoldoende zekerheid kan worden vastgesteld dat het de verdachte is geweest die [slachtoffer 2] heeft geslagen. In dit verband is aangevoerd dat de verdachte zelf heeft ontkend [slachtoffer 2] met een hamer te hebben geslagen. De door [slachtoffer 2] meteen na het incident op 19 januari 2016 tegen verbalisanten genoemde naam van de dader betreft ook niet [voornaam verdachte] , maar “ [naam 2] ”, terwijl in het 112-transcript wordt gesproken over “ [naam 3] ” als mogelijke dader. [slachtoffer 2] heeft de naam van de verdachte pas genoemd nadat hij in mei 2016 door de politie is benaderd, die hem direct heeft verteld dat zijn zaak overeenkomsten vertoonde met de zaak van de fietsenmaker en die ook de naam van de verdachte heeft genoemd. [slachtoffer 2] heeft bovendien over een aantal zaken niet naar waarheid verklaard, heeft wisselend verklaard over het signalement van de dader en heeft geen antwoord willen geven op de vraag naar de aanleiding van de vechtpartij. De verdediging heeft verzocht de verklaringen van [slachtoffer 2] uit te sluiten van het bewijs, subsidiair hiermee behoedzaam om te gaan.

Eenzelfde verzoek heeft zij gedaan ten aanzien van de verklaringen van de getuigen [getuige 17] , [getuige 3] en [getuige 4] , In dat verband is betoogd dat [getuige 17] pas op 9 juni 2016 als getuige is gehoord en het aannemelijk is dat [slachtoffer 2] en [getuige 17] over de inhoud van [slachtoffer 2] verklaring hebben gesproken, nu zij elkaar dagelijks spraken. De getuige [getuige 3] heeft (ook) inconsistent verklaard over de zaak Mathaak, onder meer over hoe vaak en wanneer [getuige 3] [slachtoffer 2] heeft gezien en over het geld dat de verdachte van [slachtoffer 2] zou hebben weggenomen. De verklaring van [getuige 4] is hoogstwaarschijnlijk afkomstig uit het procesdossier van de verdachte, dat in zijn cel lag, en dient om die reden als onbetrouwbaar te worden uitgesloten van het bewijs.

De verdediging heeft voorts betoogd dat niet kan worden vastgesteld –subsidiair- dat met een hamer op het hoofd is geslagen, -en meer subsidiair- met welke hamer en met welke kracht is geslagen, zodat ook om die reden vrijspraak voor de poging tot doodslag moet volgen.

Uiterst subsidiair dient de verdachte van de poging tot zware mishandeling te worden vrijgesproken, nu niet is komen vast te staan dat hij de dader is geweest.

Ook moet de verdachte worden vrijgesproken van de onder feit 3 primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling, omdat het slaan met een hamer op armen en rug geen poging tot zware mishandeling oplevert, aldus de verdediging.

3. Oordeel van het hof

Op 19 januari 2016 is de politie naar aanleiding van een melding naar de [adres 7] in Amsterdam gegaan, waar een man met een hamer op zijn hoofd zou zijn geslagen. Op de kruising van de [plaats 3] met de [straatnaam 1] heeft de politie in een voertuig op de bijrijdersplaats aangever [slachtoffer 2] met een bebloed hoofd aangetroffen. [slachtoffer 2] verklaarde op dat moment dat een vriend, die schilder is en die hij bij een klus heeft leren kennen, hem met een hamer op het hoofd heeft geslagen. De getuige [getuige 17] , bestuurder van de auto waarin [slachtoffer 2] op dat moment zat, heeft verklaard dat [slachtoffer 2] tegen de vrouw van [getuige 17] heeft verteld dat een Turkse jongen hem met een hamer op het hoofd heeft geslagen. Tegen [getuige 17] zelf heeft [slachtoffer 2] op dat moment verteld dat hij met die jongen in de bouw had gewerkt.42 In zijn aangifte ter zake van poging doodslag/mishandeling tegen [voornaam verdachte] op 19 mei 2016 heeft [slachtoffer 2] verklaard dat hij bouwvakker is en dat hij [voornaam verdachte] , die schilder is, op die manier heeft leren kennen. Het hof is op grond van het voren overwogene van oordeel dat, anders dan de verdediging kennelijk wil doen voorkomen, de verdachte niet vanuit het niets eerst in de aangifte als dader is genoemd, maar reeds vlak na het incident als dader in beeld was. Dat de politie ter plaatse, direct na het incident, kennelijk in de chaos van dat moment en uit de mond van een gewond slachtoffer de naam ‘ [naam 2] ’ als dader van het feit heeft vernomen en dat ook in de 112-melding de naam ‘ [naam 3] ’ is vermeld, doet daaraan niet af.

De aangifte van [slachtoffer 2] houdt in dat de verdachte hem plotseling van achteren meermalen met een hamer op zijn hoofd heeft geslagen. Na de tweede klap heeft [slachtoffer 2] geprobeerd de klappen af te weren en is daarbij geraakt op zijn armen. Ook is hij op zijn rug geraakt. Dat [slachtoffer 2] hard met een hamer op onder meer zijn hoofd is geslagen43, wordt ondersteund door de letselverklaring, waaruit blijkt dat hij ernstig letsel heeft opgelopen, namelijk een hersenkneuzing met schedelfractuur, subarachnoïdale bloeding en pneumocephalie (lucht in het hoofd). [slachtoffer 2] verklaring dat de verdachte de dader was, wordt ondersteund door de verklaring van [getuige 17] , die kort na de aanval bij [slachtoffer 2] was, en door de verklaring van [getuige 3] . [getuige 3] heeft verklaard dat de verdachte hem eerder had verteld dat hij een bouwvakker had overvallen die hij met een hamer had geslagen.

Het hof acht de verklaringen van [slachtoffer 2] , [getuige 17] en [getuige 3] , met betrekking tot het slaan met de hamer en de betrokkenheid van de verdachte betrouwbaar. De getuigen hebben hierover consistent verklaard en hun verklaringen vinden over en weer steun. Dat [slachtoffer 2] en [getuige 3] over enkele details op verschillende momenten anders hebben verklaard, maakt hun verklaringen over de betrokkenheid van de verdachte niet minder betrouwbaar.

De gedragingen van de verdachte, het met een hamer toebrengen van diverse klappen op het hoofd (een zeer kwetsbaar lichaamsdeel) van het slachtoffer, kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer op de dood van het slachtoffer gericht, dat het niet anders kan zijn geweest dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op dat gevolg op de koop toe heeft genomen en daarmee bewust heeft aanvaard. Door de hamerslagen heeft het slachtoffer (onder meer) ernstig schedel- en hersenletsel opgelopen. Het hof acht de onder 2 primair ten laste gelegde poging tot doodslag dan ook bewezen.

Door het op de armen en rug slaan met de hamer, waarbij de aangever op diverse plekken gewond is geraakt, is ook de onder 3 subsidiair ten laste gelegde mishandeling bewezen.

Het hof is, overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal en het pleidooi van de verdediging, van oordeel dat de onder 3 primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling niet kan worden bewezen.

III Zaak Brandkranen

1. Standpunt advocaat-generaal

Het openbaar ministerie heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van de onder 1a, 1b, 1c, 2, 3a, 4a, 4f, 4g en 4h ten laste gelegde feiten en tot vrijspraak van de feiten ten laste gelegd onder 1d, 3b, 4b, 4c, 4d en 4e.

2. Standpunt verdediging

De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van het hof ten aanzien van de onder 1a, 1b en 1c ten laste gelegde feiten. Ten aanzien van de overige feiten is vrijspraak bepleit.

3. Oordeel hof

Het hof overweegt als volgt:

3.1

Vrijspraken feiten 1d, 2, 3b, 4b, 4c, 4d en 4e

Het hof is van oordeel dat de verdachte, overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal en het pleidooi van de verdediging, dient te worden vrijgesproken van hetgeen hem onder de feiten 1d, 3b, 4b, 4c, 4d en 4e ten laste is gelegd. Het hof acht op grond van de stukken in het dossier niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte deze feiten heeft begaan.

De verdachte dient tevens te worden vrijgesproken van hetgeen hem onder feit 2 ten laste is gelegd. Anders dan de advocaat-generaal acht het hof niet wettig en overtuigend bewezen dat het de verdachte is geweest die op 10 december 2015 in een flatgebouw aan de [straatnaam 2] te Amsterdam messing afsluitdoppen van brandkranen heeft weggenomen. Het hof overweegt in dit verband dat de aangever [slachtoffer 3] heeft verklaard dat de dader, van wie hij het volgende signalement heeft gegeven: zwart krullend haar onder een zwarte muts uitstekend, stevig postuur en gekleed in een zwarte wollen jas, is vertrokken op een scootmobiel met een verzekeringsplaatje waarop de lettercombinatie [lettercombinatie] stond. Op 14 december 2015, derhalve vier dagen na de diefstal, heeft de aangever de politie bericht dat hij de dader zag rijden op een scootmobiel met op het verzekeringsplaatje de combinatie [kenteken] . De politie, die daarop in de omgeving is gaan zoeken naar de dader, heeft hem niet aangetroffen. Het hof acht het feit dat de verdachte in het door de aangever gegeven vrij algemene signalement past en wel eens gebruik maakt van de schootmobiel van zijn moeder met de cijfer/lettercombinatie op voornoemd verzekeringsplaatje onvoldoende voor een bewezenverklaring. Het zich in het dossier bevindende weegoverzicht van [bedrijf 1] leidt niet tot een ander oordeel, nu daaruit, zoals de advocaat-generaal ter terechtzitting in hoger beroep desgevraagd heeft toegelicht, niet blijkt dat de verdachte op 10 en 11 december 2015 messing bij dit bedrijf heeft aangeboden, doch enkel dat op deze data door de verdachte aangeboden messing is gewogen.

3.2

Bewijsoverwegingen bewezenverklaarde feiten 3a, 4a, 4f, 4g en 4h

Het hof acht bewezen dat de verdachte de onder feit 3a ten laste gelegde diefstal van koperen regenpijpen op 9 oktober 2015 van woningen aan de [straatnaam 3] te Amsterdam heeft begaan. De verdachte past in het door de aangever [aangever 15] namens de Vereniging van Eigenaren [aangever 6] opgegeven signalement van de dader (slank postuur, getinte huidskleur, donker krullend half lang haar en tussen de 1.70 en 1.80 meter lang), het door de dader aan de aangever verstrekte telefoonnummer 06-16833504 betreft het nummer van de verdachte en de verdachte is blijkens zijn eigen verklaring bij de politie van 10 februari 2016 rond het tijdstip van het feit ter plaatse geweest. Daarbij was hij volgens eigen zeggen gekleed in een witte schildersbroek, hetgeen overeenkomt met dat aspect uit de verklaring van de getuige [getuige 18] . Dat het volgens de verdediging niet logisch zou zijn als een dader zijn eigen telefoonnummer zou verstrekken, leidt niet tot een ander oordeel.

Ook de onder feit 4a ten laste gelegde diefstal van sanitair uit in aanbouw zijnde woningen op 17 november 2015 aan de [straatnaam 4] te Amsterdam acht het hof bewezen. Het hof baseert zich daarbij op de aangifte van [aangever 16] namens bouwbedrijf [aangever 8] en de gedetailleerde verklaring van de broer van de verdachte, [broer verdachte] , omtrent de betrokkenheid van de verdachte bij deze diefstal. Het enkele feit dat [broer verdachte] zelf aangifte wegens diefstal heeft gedaan tegen de verdachte en hij de verdachte blijkens deze aangifte ook op die diefstal heeft aangesproken en/of nadien die aangifte zou hebben ingetrokken, maakt zijn verklaring niet onbetrouwbaar, zodat het hof deze verklaring bij de bewijsbeslissing betrekt.

Het hof acht voorts de onder feit 4f ten laste gelegde diefstal van brandkranen op 2 januari 2016 uit een appartementencomplex aan de [straatnaam 5] te Amsterdam bewezen. [aangever 17] heeft namens [aangever 10] aangifte gedaan van bedoelde diefstal. Het door de melder op 2 januari 2016 omstreeks 18:47 uur opgegeven signalement van de dader (licht getint, gekleed in een groene jas, spijkerbroek en beige muts, in het bezit van een zwarte koffer), welke dader op dat moment bezig was met het losdraaien van kranen in het gebouw, past bij de verdachte, die nog geen 20 minuten later, omstreeks 19:05 uur, in zijn woning aan het [adres 5] te Amsterdam gekleed in een groene jas, beige muts en spijkerbroek is aangetroffen. Dit gegeven, in combinatie met het feit dat op dat moment in de woning van de verdachte brandkranen en een zwarte leren tas met handvat met daarin een waterpomptang, breekijzer en twee grote steeksleutels zijn aangetroffen, brengt het hof tot een bewezenverklaring. De enkele stelling van de verdediging, dat de in de woning van de verdachte aangetroffen brandkranen afkomstig zouden (kunnen) zijn van een andere diefstal of van personen uit Polen en Bulgarije is op geen enkele wijze onderbouwd en behoeft dus geen bespreking.

Onder feit 4g wordt de verdachte verweten dat hij op 21 januari 2016 brandkranen uit een pand aan de [straatnaam 6] te Amsterdam heeft gestolen. Het hof acht ook dit feit wettig en overtuigend bewezen. Volgens de aangever [aangever 18] is namens [aangever 13] die dag om 10:09 uur de melding ontvangen dat die ochtend in het noodtrappenhuis brandkranen zijn ontvreemd. Op camerabeelden van de toegangshal van het complex is een persoon zichtbaar, die door het raam van de toegangsdeur naar binnen kijkt. Deze persoon, die volgens de aangever later op de begane grond aan het rommelen was, is door verbalisant [verbalisant] herkend als de verdachte. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat hij zichzelf herkent op de camerabeelden als de persoon die door de toegangsdeur naar binnen kijkt. In zijn verklaring bij de politie heeft de verdachte ontkend in de bewuste flat te zijn geweest; wel heeft hij verklaard dat hij aan de overkant de vader van een voetbalvriendje van zijn zoon heeft gesproken. Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de verdachte verklaard geen flauw idee te hebben wat hij die dag daar deed en ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat hij daar was omdat de vader van een voetbalvriendje van zijn zoon daar woonde. Nadere gegevens van die vader of dat voetbalvriendje heeft de verdachte niet verstrekt, zodat deze wisselende, niet concrete of verifieerbare verklaring als ongeloofwaardig terzijde wordt geschoven.

Het hof acht ten slotte tevens de onder feit 4h ten laste gelegde diefstal van zes brandkranen op 8 februari 2016 in een flatgebouw aan de [straatnaam 7] te Amsterdam bewezen. Blijkens de aangifte van [aangever 19] namens [aangever 14] zijn die dag tussen 08:30 uur en 10:30 uur zes messing brandkranen ontvreemd. Uit de door de aangever bekeken camerabeelden, waarvan zich stills in het dossier bevinden, volgt dat een persoon, die volgens de aangever niet in het flatgebouw woont, tussen 10:00 uur en 10:15 uur in het gebouw is geweest. Deze persoon is het flatgebouw binnengekomen met een tas die bewoog alsof er niets in zat en is vertrokken met een tas die bewoog alsof er wel iets in zat. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij de persoon is die te zien is op de zich in het dossier bevindende stills van de camerabeelden. De verdachte heeft geen verklaring gegeven voor zijn aanwezigheid ter plaatse op het moment van de diefstal. Gelet op het voorgaande acht het hof bewezen dat het de verdachte is geweest die deze diefstal heeft gepleegd.

Uit het hiervoor overwogene vloeit voort dat de verdachte zich aldus in een tijdsbestek van vijf maanden vele malen schuldig heeft gemaakt aan het op klaarlichte dag ontvreemden van metalen voorwerpen zoals een bliksemafleider, onderdelen van (brand)kranen en regenpijpen uit wooncomplexen in Amsterdam (Nieuw) West. Het hof is van oordeel dat de redengevende feiten en omstandigheden met betrekking tot deze afzonderlijke zaken voor ieder van die zaken afzonderlijk voldoende wettig en overtuigend bewijs opleveren. In onderlinge samenhang bezien versterken die feiten en omstandigheden bovendien het bewijs in elk van die zaken en in zoverre zijn deze over en weer redengevend.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak Moer onder 1 subsidiair,

de zaak Mathaak 2 primair en 3 subsidiair en in de zaak Brandkranen onder 1 (a, b en c), 3 (a) en 4 (a, f, g, h) primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

Zaak Moer:

1. subsidiair
hij op 15 maart 2016 te Amsterdam [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door [slachtoffer 1] meermalen met een mes in de borst en het bovenlichaam te steken, welke doodslag werd vergezeld van enig strafbaar feit, te weten diefstal, en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit gemakkelijk te maken;


Zaak Mathaak:

2.
primair
hij op 19 januari 2016 te Amsterdam ter uitvoering van het voorgenomen misdrijf om opzettelijk

[slachtoffer 2] van het leven te beroven, opzettelijk [slachtoffer 2] met een hamer meermalen op/tegen het hoofd heeft geslagen;

3.
subsidiair
hij op 19 januari 2016 te Amsterdam opzettelijk mishandelend [slachtoffer 2] met een hamer meermalen tegen zijn armen en zijn rug heeft geslagen, waardoor [slachtoffer 2] pijn heeft ondervonden en letsel heeft bekomen.

Zaak Brandkranen:

1.
hij op 9 februari 2016 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een bliksemafleider en onderdelen van brandkranen, toebehorend aan anderen dan aan hem en zijn mededader, te weten:

a. een bliksemafleider, toebehorend aan de [aangever 1] , waarbij hij en zijn mededader die weg te nemen bliksemafleider onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak/verbreking, te weten door het afknippen van die bliksemafleider,

en

b. 12 opzetstukken van brandkranen, toebehorend aan de [aangever 2] ,

en

c. 12 kraanstukken, toebehorend aan de [aangever 3] .


3.
a. hij op 9 oktober 2015 te Amsterdam, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen koperen regenpijpen toebehorend aan [aangever 6] ;

4.
Primair:
hij in de periode van 16 november 2015 tot en met 8 februari 2016 te Amsterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid sanitair, waaronder water- en douchekranen, glijstangcombinaties, een douchekop en brandkranen, toebehorende aan anderen dan aan hem, te weten:

a. op 17 november 2015 ongeveer 50 stuks sanitair, waaronder water- en douchekranen, glijstangcombinaties en een douchekop, toebehorende aan [aangever 8] , waarbij hij dat sanitair door middel van braak of verbreking onder zijn bereik heeft gebracht door middel van het forceren van houten platen voor deuren,

en

f. op 2 januari 2016 6 brandkranen, toebehorende aan [aangever 10] ,

en

g. op 21 januari 2016 13 brandkranen, toebehorende aan de [aangever 13] ,

en

h. op 8 februari 2016 6 brandkranen, toebehorende aan de [aangever 14] .

Hetgeen in de zaak Moer onder 1 subsidiair, in de zaak Mathaak onder 2 primair en 3 subsidiair en in de zaak Brandkranen onder 1, 3 en 4 primair meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen.

De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het in de zaak Moer onder 1 subsidiair, de zaak Mathaak 2 primair en 3 subsidiair en in de zaak Brandkranen onder 1 (a, b, c), 3 (a) en 4 (a, f, g en h) primair bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het in de zaak Moer onder 1 subsidiair bewezenverklaarde levert op:

doodslag, vergezeld van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit gemakkelijk te maken.

Het in de zaak Mathaak onder 2 primair bewezenverklaarde levert op:

poging tot doodslag.

Het in de zaak Mathaak onder 3 subsidiair bewezenverklaarde levert op:

mishandeling.

Het in de zaak Brandkranen onder 1 bewezenverklaarde levert op:

1a: diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.

1 b en c: diefstal door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd.

Het in de zaak Brandkranen onder 3 (a) bewezenverklaarde levert op:

diefstal.

Het in de zaak Brandkranen onder 4 primair bewezenverklaarde levert op:

4a: diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.

4 f, g en h: diefstal, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het in de zaak Moer onder 1 subsidiair, in de zaak Mathaak 2 primair en 3 subsidiair en in de zaak Brandkranen onder 1 (a, b en c), 3 (a) en 4 (a, f, g en h) primair bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg in de zaak Moer onder 1 subsidiair, de zaak Mathaak onder 2 primair, 3 subsidiair en in de zaak Brandkranen onder 1 (a, b en c), onder 3 (a) en onder 4 (a, f, g, en h) primair bewezenverklaarde veroordeeld tot 20 jaar gevangenisstraf.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het in de zaak Moer onder 1 subsidiair, de zaak Mathaak onder 2 primair, 3 subsidiair en in de zaak Brandkranen onder 1 (a, b en c), onder 2, onder 3 (a) en onder 4 (a, f, g, en h) tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot 25 jaar gevangenisstraf.

De verdediging heeft verzocht bij de strafoplegging betreffende het onder feit 1 in de zaak Moer tenlastegelegde aansluiting te zoeken bij de in de pleitnota aangehaalde uitspraken. Daarnaast is bepleit bij de strafoplegging rekening te houden met de schending van de redelijke termijn door een strafkorting van 15% toe te passen.

Overwegingen van het hof

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Daarbij is in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Zaak Moer

De verdachte heeft het slachtoffer op klaarlichte dag in diens eigen fietsenwinkel op zeer brute wijze van het leven beroofd door hem een groot aantal messteken toe te brengen, waarbij hij het slachtoffer heeft bestolen van diens portemonnee. Door zo te handelen heeft hij zich schuldig gemaakt aan één van de ergst denkbare misdaden. Het hof rekent de verdachte dit feit bijzonder zwaar aan.

Met zijn daad heeft de verdachte ontzetting en diep verdriet teweeggebracht in het gezin van het slachtoffer. Diens weduwe, dochters en zoon missen hun man en vader meer dan zij kunnen zeggen. Zij hebben tijdens de zittingen bij de rechtbank en bij het hof uiting gegeven aan hun verdriet en onmacht door te proberen onder woorden te brengen wat de wrede en onverhoedse dood van hun man en vader en het dagelijks gemis van hem voor hen betekent. Uit hun ter terechtzitting van het hof voorgelezen verklaringen blijkt dat zij het verdriet nu -jaren later- nog elke dag voelen en dat het schrijnend is dat vele vragen onbeantwoord blijven.

Uit het dossier is bovendien gebleken dat bij getuigen en omwonenden veel beroering teweeg is gebracht door de wijze waarop het slachtoffer om het leven is gebracht en daarnaast dat dit feit maatschappelijke onrust en gevoelens van onveiligheid met zich mee brengt.

Zaak Mathaak

Enkele maanden vóór deze gekwalificeerde doodslag heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag, door dat slachtoffer in diens eigen woning geheel onverwachts meermalen met een hamer op het hoofd te slaan. De verdachte kende dit slachtoffer en kwam al enige tijd bij hem over de vloer. Dat het slachtoffer de aanval heeft overleefd is een gelukkige omstandigheid die geenszins aan de verdachte te danken is. Blijkens de toelichting die het slachtoffer als benadeelde partij heeft gegeven neemt zijn fysieke en psychische herstel veel tijd en energie in beslag. Tijdens de zitting in hoger beroep is naar voren gebracht dat het slachtoffer, na een geruime periode van bijna vijf jaar na de aanval, opnieuw klachten zoals slapeloosheid en nervositeit ervaart en recentelijk opnieuw therapie heeft gevolgd.

Zaak Brandkranen

Tenslotte heeft de verdachte in een aantal appartementencomplexen diefstallen gepleegd.

Het afknippen van een bliksemafleider kan levensgevaarlijke gevolgen hebben en het verwijderen van onderdelen van brandkranen kan in geval van brand levensbedreigend zijn. Het bluswerk wordt hierdoor ernstig vertraagd met alle risico’s van dien voor de vele bewoners van de (hoge) appartementsgebouwen en voor de brandweerlieden.

De verdachte heeft enkele van deze feiten bekend, maar hij heeft er geen blijk van gegeven stil te staan bij de gevolgen van dergelijk handelen; voor hem telt kennelijk slechts de winst die hij kan maken door het gestolen materiaal door te verkopen aan anderen. Het hof rekent hem deze feiten zwaar aan in verband met zijn houding gezien de geschetste risico’s.

De verdachte is blijkens een uittreksel uit de Justitiële Documentatie eerder ter zake van strafbare feiten, waaronder gewelds- en vermogensdelicten, onherroepelijk veroordeeld. Het hof weegt het justitiële verleden van de verdachte in diens nadeel mee.

Het hof is van oordeel dat, gezien de aard, ernst van de feiten en de hoeveelheid feiten niet kan worden volstaan met een andere straf dan een gevangenisstraf van zeer lange duur.

De door de verdediging genoemde straffen die rechters hebben opgelegd in het kader van –in haar visie– vergelijkbare zaken leveren naar het oordeel van het hof te dezen geen passende en geboden gevangenisstraf op. Het hof acht de zaken waar de verdediging naar heeft verwezen in dit verband namelijk op zichzelf al niet vergelijkbaar met de gekwalificeerde doodslag en te minder in combinatie met de bewezen poging tot doodslag en diefstallen.

Het hof acht voor deze feiten een gevangenisstraf van 22 jaar in beginsel passend en geboden.

Het hof stelt voorop dat in artikel 6, eerste lid, EVRM het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Die termijn vangt aan op het moment dat jegens de verdachte een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem een strafvervolging zal worden ingesteld, zoals een inverzekeringstelling.

Als uitgangspunt heeft in deze zaak, waarin de verdachte in voorlopige hechtenis verkeert, te gelden dat in eerste aanleg de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen 16 maanden nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de verdachte en zijn raadslieden op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. In hoger beroep geldt als uitgangspunt dat de zaak moet zijn afgerond met een eindarrest binnen 16 maanden nadat hoger beroep is ingesteld, zodat de zaak in totaal in beginsel niet langer dan 32 maanden hoort te duren.

De redelijke termijn is met de inverzekeringstelling van de verdachte in de zaak Moer op 12 mei 2016 aangevangen. De rechtbank heeft op 31 mei 2018 vonnis gewezen en de verdachte is op 14 juni 2018 tegen dit vonnis in beroep gekomen. In hoger beroep wordt thans op 30 november 2020 arrest gewezen. De totale periode beslaat mitsdien ruim 54 maanden.

Een deel van deze overschrijding is verklaarbaar door de complexiteit van de zaak. In eerste aanleg zijn veel getuigen en deskundigen gehoord. Bovendien kwam in een laat stadium [getuige 4] als nieuwe getuige naar voren, waardoor de zaak vertraging opliep. Ook in hoger beroep zijn getuigen gehoord, waaronder beschermde getuigen, zodat het verhoor in een extra beveiligde zittingszaal moest plaatsvinden. In hoger beroep moest de inhoudelijke behandeling bovendien in een laat stadium worden aangehouden vanwege plotselinge medische klachten van de verdachte.

De fikse overschrijding van de redelijke termijn kan echter niet volledig worden verklaard door genoemde omstandigheden. Daarom is sprake van een schending van de redelijke termijn. Het hof zal gelet op die schending aan de verdachte in plaats van een gevangenisstraf van 22 jaar een gevangenisstraf opleggen van 21 jaar en 6 maanden.

Beslag

In het onderzoek in de zaken Moer en Mathaak is een groot aantal goederen in beslag genomen.

Het hof acht het van belang dat al deze goederen beschikbaar blijven voor eventueel nader (forensisch) onderzoek tot de uitspraak in deze zaak onherroepelijk zal zijn geworden en beveelt daarom ten aanzien van deze goederen bewaring ten behoeve van de rechthebbende.

Ook in de zaak Brandkranen zijn goederen in beslag genomen en niet teruggegeven. Het in die zaak bewezenverklaarde is begaan met behulp van acht stukken in beslag genomen gereedschap. Dat gereedschap behoort de verdachte toe en zal worden verbeurd verklaard.

Daarnaast zijn kranen in beslag genomen. Hiervan wordt teruggave gelast aan de eigenaren, te weten [aangever 20] en [aangever 12] .

Benadeelde partijen

ZAAK MOER

In de strafzaak Moer hebben [weduwe slachtoffer 1] , [dochter 1 van slachtoffer 1] , [dochter 2 van slachtoffer 1] , [dochter 3 van slachtoffer 1] en [zoon slachtoffer 1] zich in eerste aanleg gevoegd met vorderingen tot schadevergoeding.

[dochter 3 van slachtoffer 1] heeft haar vordering, die zag op vergoeding van affectieschade, in hoger beroep niet gehandhaafd, waardoor thans geen vordering meer voorligt.

[weduwe slachtoffer 1] , [dochter 1 van slachtoffer 1] , [dochter 2 van slachtoffer 1] en [zoon slachtoffer 1] hebben hun vorderingen in hoger beroep gehandhaafd, met uitzondering van het deel van de vordering betreffende de vergoeding van affectieschade. De vordering van [dochter 2 van slachtoffer 1] ziet enkel nog op shockschade, de vorderingen van [weduwe slachtoffer 1] , [dochter 1 van slachtoffer 1] en [zoon slachtoffer 1] ook op materiële schade.

Immateriële schade

Shockschade ( [weduwe slachtoffer 1] , [dochter 1 van slachtoffer 1] , [dochter 2 van slachtoffer 1] en [zoon slachtoffer 1] )

De benadeelde partijen [weduwe slachtoffer 1] , [dochter 1 van slachtoffer 1] en [dochter 2 van slachtoffer 1] hebben ieder in eerste aanleg een bedrag van € 15.000,00 ter zake van shockschade gevorderd en de benadeelde partij [zoon slachtoffer 1] (na wijziging ter terechtzitting) een bedrag van € 50.000,00.

De rechtbank heeft de vorderingen van [weduwe slachtoffer 1] , [dochter 1 van slachtoffer 1] en [dochter 2 van slachtoffer 1] ten aanzien van de shockschade niet-ontvankelijk verklaard en de vordering van [zoon slachtoffer 1] tot een bedrag van € 25.000,00 toegewezen.

In hoger beroep hebben de benadeelde partijen zich opnieuw gevoegd voor het bedrag van hun oorspronkelijke vorderingen, steeds te vermeerderen met de wettelijke rente.

Standpunten van procespartijen shockschade

De vorderingen zijn ten aanzien van de shockschade door de advocaten van de benadeelde partijen in hoger beroep nader toegelicht.

De advocaat van [weduwe slachtoffer 1] , [dochter 1 van slachtoffer 1] en [dochter 2 van slachtoffer 1] heeft in dit verband zakelijk weergegeven het volgende aangevoerd:

Tussen cliënten en het slachtoffer was sprake van een nauwe affectieve relatie en diens overlijden heeft een hevige emotionele schok teweeggebracht. [weduwe slachtoffer 1] en [dochter 1 van slachtoffer 1] zijn kort na het feit op de plaats delict geweest. Kort daarop hoorden zij van hun zoon en broer [zoon slachtoffer 1] dat hij zijn vader had aangetroffen in een plas bloed en dat het slachtoffer met messteken om het leven was gebracht. Dit werd vervolgens nogmaals verteld door de recherche. Enkele dagen daarna hebben zij het lichaam van het slachtoffer gezien nadat dat was vrijgegeven waarbij zij zijn geconfronteerd met het letsel dat het slachtoffer als gevolg van de messteken had opgelopen. Ook door de zittingen, het dossier en de media zijn zij doorlopend geconfronteerd met wat er is gebeurd.

Bij [weduwe slachtoffer 1] is sprake van een depressieve stoornis waarbij tevens sprake is van gecompliceerde rouw hetgeen een in de DSM V geclassificeerde categorie is. Zij is aangemeld bij een psycholoog.

[dochter 1 van slachtoffer 1] is gediagnosticeerd met een Post Traumatische Stress Stoornis (PTSS) en een rouwstoornis.

[dochter 2 van slachtoffer 1] is door een GZ-psycholoog gediagnosticeerd met een depressieve stoornis.

Ten aanzien van het confrontatievereiste en de hoogte van de schadevergoeding wordt gewezen op uitspraken in vergelijkbare zaken waarbij het confrontatievereiste zo moet worden uitgelegd dat het gaat om een directe confrontatie met de gevolgen van het misdrijf, hetgeen zich in het geval van cliënten heeft voorgedaan, aldus de advocaat.

De advocaat van [zoon slachtoffer 1] heeft ten aanzien van de shockschade zakelijk weergegeven het volgende aangevoerd:

[zoon slachtoffer 1] heeft zijn vader aangetroffen en lijdt sindsdien aan PTSS, hetgeen een in de psychiatrie erkend ziektebeeld is. Deze klachten zijn ontstaan vanwege en na het aantreffen en overlijden van het slachtoffer. Dat alleen is al voldoende voor het ontstaan van psychische schade. Sinds april 2017 is

[zoon slachtoffer 1] in behandeling bij een psycholoog. De behandeling is in 2019 bevroren omdat zowel [zoon slachtoffer 1] als de psycholoog merkten dat er geen vooruitgang kwam in het acceptatie- en verwerkingsproces. Dat de stoornis PTSS nog immer voortduurt valt niet in twijfel te trekken. De wijze waarop [zoon slachtoffer 1] zijn vader heeft aangetroffen en tevergeefs heeft geprobeerd hem te redden en de momenten erna, rechtvaardigen de vergoeding van het volledige verzochte bedrag, aldus de advocaat.

De advocaat-generaal heeft gevorderd de vorderingen van [weduwe slachtoffer 1] , [dochter 1 van slachtoffer 1] en [dochter 2 van slachtoffer 1] op dit onderdeel niet-ontvankelijk te verklaren en de vordering van [zoon slachtoffer 1] toe te wijzen tot een bedrag van

€ 25.000,00.

De verdediging heeft primair verzocht dit onderdeel van de vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren vanwege de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft zij betoogd dat de vorderingen van [weduwe slachtoffer 1] , [dochter 1 van slachtoffer 1] en [dochter 2 van slachtoffer 1] op dit punt niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard omdat niet is voldaan aan het confrontatievereiste. Deze benadeelde partijen hebben het misdrijf of het ontzielde lichaam van het slachtoffer niet direct waargenomen en zij hebben alle informatie uit andere bron vernomen. Zij zijn aldus niet rechtstreeks op het moment dat het misdrijf plaatsvond of onmiddellijk erna geconfronteerd met het misdrijf of de ernstige gevolgen daarvan zoals bedoeld in het Taxibus-arrest, aldus de verdediging. Ten aanzien van [zoon slachtoffer 1] heeft de verdediging naar voren gebracht dat hij weliswaar direct met de gevolgen van het misdrijf geconfronteerd is en dat aannemelijk lijkt dat hij lijdt aan een in de psychiatrie erkend ziektebeeld, maar dat de precieze oorzaak van dat ziektebeeld niet duidelijk is, nu uit de verklaringen van de psychologen [psycholoog 1] en [psycholoog 2] niet expliciet blijkt dat het ziektebeeld uit de shock voortvloeit. De klachten kunnen ook verband houden met affectieschade, die hier niet toewijsbaar is. Ook om deze reden dient de vordering van [zoon slachtoffer 1] niet-ontvankelijk te worden verklaard. Subsidiair heeft de verdediging gesteld dat de vergoeding van shockschade van [zoon slachtoffer 1] moet worden vastgesteld op een bedrag tussen de € 5.000,00 en € 15.000,00.

Oordeel hof shockschade

Uit rechtspraak van de civiele kamer van de Hoge Raad -het zogeheten Taxibus-arrest van 22 februari 200244 en het zogeheten Vilt-arrest van 9 oktober 200945- volgt dat voor een zeer beperkte kring van personen onder zeer bijzondere omstandigheden de mogelijkheid tot het verkrijgen van een vergoeding van shockschade bestaat. De grondslag daarvoor is gelegen in artikel 6:106, eerste lid sub b, van het Burgerlijk Wetboek (BW) dat ziet op ‘aantasting in de persoon’. Bij toepassing van deze bepaling van het BW, ook in zaken als de onderhavige waarbij het slachtoffer door een geweldsmisdrijf om het leven is gekomen, heeft de Hoge Raad steeds vastgehouden aan een zeer strikte uitleg van de geldende criteria.

Nu geen van de benadeelde partijen ter plaatse aanwezig was op het moment dat het misdrijf plaatsvond en geen sprake is geweest van (onverhoedse) waarneming van het misdrijf zelf, komen die criteria er in deze zaak op neer dat bij de desbetreffende benadeelde partij door de hevige emotionele schok door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen van het misdrijf geestelijk letsel is ontstaan. Bij die confrontatie gaat het blijkens voormelde jurisprudentie van de Hoge Raad om de waarneming van het lichaam en de verwondingen van het slachtoffer meteen na het misdrijf (het confrontatievereiste) waarbij de Hoge Raad geen ruimte lijkt te bieden de eis van de rechtstreekse confrontatie af te zwakken in verband met de aard en de ernst van de normschending.

Bij het geestelijk letsel moet in het algemeen sprake zijn van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. De hoogte van de geleden shockschade dient te worden vastgesteld naar billijkheid, met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt, de aard en de ernst van het letsel (waaronder de duur en de intensiteit daarvan), de verwachting ten aanzien van het herstel en de leeftijd van de benadeelde partij. Tenslotte dient de rechter bij de begroting van de schade te letten op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.

[weduwe slachtoffer 1] , [dochter 1 van slachtoffer 1] en [dochter 2 van slachtoffer 1]

Het hof overweegt met betrekking tot dit deel van hun vorderingen het navolgende. Uit de thans voorliggende stukken kan volgen dat [weduwe slachtoffer 1] en [dochter 1 van slachtoffer 1] direct na het overlijden van het slachtoffer naar de fietsenwinkel zijn gegaan. De plaats delict was afgezet maar zij konden wel in de winkel naar binnen kijken. Zij zijn door [zoon slachtoffer 1] en de politie diezelfde dag op de hoogte gesteld van de omstandigheden waaronder het slachtoffer in de fietsenwinkel was aangetroffen. Enkele dagen later, nadat het lichaam van het slachtoffer was vrij gegeven, hebben zij afscheid genomen waarbij zij een deel van de hem toegebrachte verwondingen hebben gezien. Door de uitgebreide media-aandacht en de rechtszittingen zijn [weduwe slachtoffer 1] , [dochter 1 van slachtoffer 1] en [dochter 2 van slachtoffer 1] doorlopend geconfronteerd met de details en de omstandigheden waaronder het slachtoffer om het leven is gebracht. Ook hebben zij uitgebreid inzage gehad in het dossier.

Het hof onderkent zonder meer dat de nabestaanden door de gewelddadige dood van hun echtgenoot en vader diep zijn getroffen. Maar gelet op hetgeen thans ter onderbouwing van de vorderingen is aangevoerd, is bij [weduwe slachtoffer 1] , [dochter 1 van slachtoffer 1] en [dochter 2 van slachtoffer 1] geen sprake geweest van waarneming van het lichaam en de verwondingen van het slachtoffer meteen na het misdrijf. Ook de omstandigheid dat de benadeelde partijen door [zoon slachtoffer 1] , de politie, de media, de rechtszittingen en het dossier geconfronteerd zijn met de omstandigheden en de details omtrent de dood van het slachtoffer, kan niet worden aangemerkt als de ernstige gevolgen van het misdrijf waarmee de benadeelden direct zijn geconfronteerd zoals bedoeld in de rechtspraak van de Hoge Raad.

Het voorgaande brengt mee dat de vorderingen van [weduwe slachtoffer 1] , [dochter 1 van slachtoffer 1] en [dochter 2 van slachtoffer 1] voor wat betreft de shockschade niet voor vergoeding in aanmerking komen. Bij deze stand van zaken kan in het midden blijven of bij deze benadeelde partijen sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld.

Het hof wil de mogelijkheid van een gang naar de civiele rechter niet afsluiten voor de benadeelde partijen en zal hen daarom in deze vorderingen strekkende tot vergoeding van shockschade niet-ontvankelijk verklaren.

[zoon slachtoffer 1]

Het hof overweegt als volgt. [zoon slachtoffer 1] heeft het lichaam en de verwondingen van zijn vader meteen na het misdrijf waargenomen. Hij heeft het slachtoffer dodelijk verwond en met zichtbare steekverwondingen, liggend in een plas bloed, aangetroffen op de vloer in de fietsenwinkel, heeft alarm geslagen en heeft tevergeefs geprobeerd hem te reanimeren. [zoon slachtoffer 1] is gediagnosticeerd met een in de psychiatrie erkend ziektebeeld, te weten PTSS. Het hof acht voldoende aannemelijk geworden dat deze confrontatie van [zoon slachtoffer 1] met zijn vader hem hevig heeft geschokt en shockschade heeft veroorzaakt. Het bij hem geconstateerde psychiatrische ziektebeeld moet geacht worden daardoor veroorzaakt te zijn.

Mede gelet op de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt, de aard en de ernst van het geestelijk letsel van [zoon slachtoffer 1] , waarvan de duur en de intensiteit daarvan blijkens de (onbetwiste) stelling als langdurig moet worden aangemerkt, zal het hof de omvang van deze shockschade, alle omstandigheden in aanmerking genomen, naar billijkheid begroten op € 25.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Het hof heeft bij de begroting meegewogen dat het een opzettelijke daad van de verdachte betreft en dat de confrontatie voor [zoon slachtoffer 1] zeer schokkend is geweest. Tenslotte is meegewogen dat in Nederland door rechters bij het toekennen van vergoedingen voor immateriële schade in het algemeen terughoudendheid wordt betracht.

Voor het overige is het hof van oordeel dat de behandeling van de vordering tot shockschade een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij [zoon slachtoffer 1] daarom in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de civiele rechter worden aangebracht.

Materiële schade

De vordering van [weduwe slachtoffer 1]

heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering van € 49.281,02 ter zake van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De gevorderde schadevergoeding ziet op:

  1. gederfd levensonderhoud € 43.994,00

  2. kosten berekening schade [bedrijf 2] € 1.576,97

  3. reiskosten eerste aanleg € 121,30

  4. toekomstige reiskosten hoger beroep € 75,00

  5. kosten lijkbezorging (vliegtickets Turkije [weduwe slachtoffer 1] en dochters) € 1.000,00

  6. gedenkteken graf Turkije € 1.389,01

  7. niet vergoede kosten therapie en medicatie € 1.124,74

€ 49.281,02

De rechtbank heeft de vordering toegewezen tot een bedrag van € 49.084,72, dus zonder de ‘toekomstige reiskosten hoger beroep’ onder d. Voor dat deel is de vordering niet-ontvankelijk verklaard. De post ‘reiskosten eerste aanleg’ onder c is vergoed als proceskosten.

[weduwe slachtoffer 1] heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd. In hoger beroep heeft de advocaat toegelicht dat voor het hoger beroep geen reiskosten zijn gemaakt, maar dat geen afstand van de vordering wordt gedaan in verband met mogelijke cassatie, een eventuele terugwijzing van de zaak en opnieuw een behandeling in hoger beroep.

De advocaat heeft verzocht alle gevorderde reiskosten primair als materiële schade en subsidiair als proceskosten toe te wijzen.

Zij heeft opgemerkt dat de gevorderde schadevergoeding onder b € 1.879,47 bedraagt en niet het door de rechtbank gehanteerde bedrag van € 1.576,97. De rechtbank heeft hier verzuimd acht te slaan op de aanvullende kosten ten bedrage van € 302,50 ter zake van de berekening van de schade door [bedrijf 2] Dit bedrag is weliswaar niet opgenomen in het (oorspronkelijke) schriftelijk verzoek tot schadevergoeding, maar de betreffende factuur van [bedrijf 2] van 26 maart 2018 is bij brief van de advocaat van 3 april 2018 bij de rechtbank ingediend, aldus de advocaat van de benadeelde partij.

Standpunten van procespartijen

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering met inachtneming van het bedrag van € 1.879,47 ter zake de kosten berekening schade [bedrijf 2] onder b en met uitzondering van de gevorderde toekomstige reiskosten voor het hoger beroep onder d. In zoverre dient volgens hem de vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard.

De verdediging heeft de vordering voor wat betreft de posten onder a en d betwist.

Wat betreft de onder a genoemde post heeft de verdediging, kort gezegd, naar voren gebracht dat de onderneming van het slachtoffer een inkomen onder bijstandsniveau opleverde. De benadeelde partij zal mitsdien geen schade lijden indien zij een bijstandsuitkering aanvraagt en ontvangt, in welk verband is gesteld dat sprake is van een schadebeperkingsplicht, onder verwijzing naar de artikelen 6:96 en 6:101 BW. Verder heeft de verdediging de vraag opgeworpen of het ‘jaarinkomen zonder overlijden’ juist is berekend, nu de eerste 2,5 maanden van 2016 niet in de berekening zijn meegenomen en de onderneming van het slachtoffer in die maanden verlies heeft geleden. Voor wat betreft de post onder d heeft de verdediging erop gewezen dat de benadeelde partij voor het hoger beroep geen reiskosten heeft gemaakt. Ten aanzien van de overige posten heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.

Oordeel hof

Het hof overweegt als volgt.

Op grond van artikel 51f, tweede lid Sv juncto artikel 6:108 BW kan [weduwe slachtoffer 1] als nabestaande vergoeding van schade vorderen ten gevolge van het derven van levensonderhoud door het overlijden van haar echtgenoot en voor de kosten van lijkbezorging.46 Ook de kosten die verband houden met het verkrijgen van voldoening van deze schade zijn in beginsel voor toewijzing vatbaar. Uit het ingebrachte rapport van [bedrijf 2] met bijlagen van 24 augustus 2017 (deel 1) en de door [bedrijf 2] opgestelde Personenschadeberekening van 24 augustus 2017 (deel 2) blijkt voldoende dat de kosten van het levensonderhoud neerkomen op het gevorderde bedrag en dat het ‘jaarinkomen zonder overlijden’ juist is berekend. De ‘begindatum berekening’ van 15 maart 2016 hangt samen met de datum van overlijden van het slachtoffer en is aldus aan te merken als het moment waarop de schade is ontstaan. Blijkens het rapport is de winst uit onderneming berekend aan de hand van de jaarstukken over 2013 tot en met 2015 en is het overlijdensjaar 2016, gelet op de korte periode, buiten beschouwing gelaten. Dit komt het hof redelijk voor. De vordering kan derhalve op dit onderdeel volledig worden toegewezen.

Het hof gaat voorbij aan het verweer van de verdediging dat de benadeelde partij in plaats van schadevergoeding wegens gederfd levensonderhoud een bijstandsuitkering kan aanvragen waarmee zij zelfs een hoger inkomen zou ontvangen dan voorheen. Nu de verdachte strafrechtelijk verantwoordelijk wordt gehouden voor het onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde, is daarmee zijn civielrechtelijke aansprakelijkheid voor schade uit hoofde van onrechtmatige daad gegeven. Uitgangspunt bij schadevergoeding is herstel in de rechtmatige toestand. De benadeelde partij dient zoveel mogelijk te worden teruggebracht in de positie waarin zij zonder het strafbare feit zou hebben verkeerd. Daarbij staat het de benadeelde partij vrij de verdachte aansprakelijk te stellen. Nu de verdachte tot vergoeding van die schade is gehouden, valt niet in te zien waarom van de benadeelde partij gevergd zou kunnen worden dat zij een bijstandsuitkering aanvraagt. Dat de benadeelde partij -indien en voor zover haar een bijstandsuitkering zou worden toegekend- mogelijk financieel beter af zou zijn, doet aan het voorgaande niet af. Door het aanvragen van een bijstandsuitkering wordt niet de schade beperkt, maar wordt de door de verdachte veroorzaakte schade op de Staat afgewenteld. De schade is evenwel (geheel) door de verdachte veroorzaakt en derhalve dient hij die schade te vergoeden. Het verweer wordt dan ook verworpen.

De kosten voor het opstellen van het rekenrapport ten bedrage van € 1.879,47 acht het hof redelijk en deze worden eveneens toegewezen.

De onder e en f genoemde kosten lijkbezorging en kosten gedenksteen graf Turkije en de onder g genoemde niet vergoede kosten therapie en medicatie zijn toereikend onderbouwd en komen het hof redelijk voor. De kosten komen voor vergoeding in aanmerking zodat de vordering op deze punten wordt toegewezen.

De reiskosten eerste aanleg onder c zien op reiskosten voor het bijwonen van de zittingen bij de rechtbank. Het hof constateert dat dat proceskosten betreft en geen rechtstreekse schade. Gelet op het bepaalde in artikel 238, eerste en tweede lid van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) bezien in samenhang met artikel 239 Rv zijn deze kosten niet toewijsbaar, aangezien de benadeelde partij op de zittingen is bijgestaan door een gemachtigde.

Ook vergoeding van de onder d genoemde reiskosten wordt afgewezen. Daargelaten dat ook in hoger beroep de benadeelde partij op de zittingen is bijgestaan door een gemachtigde, zijn blijkens de toelichting van de advocaat in hoger beroep geen reiskosten gemaakt.

Kortom : de vordering van [weduwe slachtoffer 1] ter zake van materiële schade wordt op de volgende onderdelen toegewezen:

gederfd levensonderhoud € 43.994,00

kosten berekening schade [bedrijf 2] € 1.879,47

kosten lijkbezorging (vliegtickets Turkije [weduwe slachtoffer 1] en dochters) € 1.000,00

gedenkteken graf Turkije € 1.389,01

niet vergoede kosten therapie en medicatie € 1.124,74

Het toegewezen bedrag is in totaal € 49.387,22

De vordering van [dochter 1 van slachtoffer 1]

heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering van € 990,02 ter zake van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De gevorderde schadevergoeding ziet op:

  1. reiskosten eerste aanleg € 121,80

  2. toekomstige reiskosten hoger beroep € 75,00

  3. communicatie SHN, recherche, advocaat € 25,00

  4. niet vergoede medische kosten GGZ € 768,22

€ 990,02

De rechtbank heeft de vordering toegewezen tot een bedrag van € 793,22, dus zonder de ‘toekomstige reiskosten hoger beroep’ onder b. Voor dat deel is de vordering niet-ontvankelijk verklaard.

De gevorderde ‘reiskosten eerste aanleg’ onder a zijn vergoed als proceskosten.

[dochter 1 van slachtoffer 1] heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd. In hoger beroep heeft de advocaat verzocht alle gevorderde reiskosten primair als materiële schade en subsidiair als proceskosten toe te wijzen. Met betrekking tot de onder b gevorderde reiskosten heeft de advocaat zich op het standpunt gesteld dat, mocht het hof deze kosten als proceskosten beschouwen, verhoging daarvan mogelijk is, in welk geval wordt verzocht in plaats van € 75,00 toe te wijzen een bedrag van € 127,77, bestaande uit € 25,27 aan reiskosten en € 102,50 aan parkeerkosten. Ter terechtzitting in hoger beroep van 9 november 2020 heeft de advocaat deze post opnieuw gecorrigeerd, waarbij in plaats van een bedrag van € 25,27 aan reiskosten een bedrag van € 22,46 is gevorderd, en zodoende de vordering onder b is aangepast tot het bedrag van € 124,96.

Standpunten procespartijen

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd dat de vordering met betrekking tot de kosten onder a, b, c en d kan worden toegewezen tot het bedrag van € 990,02, waarbij hij heeft opgemerkt dat de kosten onder b in hoger beroep niet kunnen worden verhoogd.

De verdediging heeft de vordering niet betwist, met uitzondering van de verhoging van de reiskosten en de parkeerkosten in hoger beroep onder b. In dat verband heeft de verdediging verzocht deze post toe te wijzen tot het eerder gevorderde bedrag van € 75,00 en heeft naar voren gebracht dat voor wat betreft de gevorderde parkeerkosten een kwitantie ontbreekt.

Oordeel hof

Het hof overweegt als volgt.

De post ‘reiskosten eerste aanleg’ onder a en de post ‘toekomstige reis-en parkeerkosten hoger beroep’ onder b zien op reis- en parkeerkosten voor onderscheidenlijk het bijwonen van de zittingen bij de rechtbank, bezoek advocaat, bezoek SHN, begeleiden moeder en het hof.

Het hof constateert dat dit proceskosten zijn en geen rechtstreekse schade. Gelet op het bepaalde in artikel 238, eerste en tweede lid Rv bezien in samenhang met artikel 239 Rv zijn deze kosten niet toewijsbaar, aangezien de benadeelde partij op de zittingen in eerste aanleg en in hoger beroep is bijgestaan door een gemachtigde.

Bij deze stand van zaken kan een oordeel over de hoogte van de gevorderde bedragen onder b achterwege blijven.

De (hoogte van de) gevorderde kosten onder c en d zijn van de zijde van de verdachte niet betwist. Het hof acht deze bedragen redelijk en wijst de vordering van de benadeelde partij op deze punten toe.

Kortom : de vordering van [dochter 1 van slachtoffer 1] ter zake van materiële schade wordt op de volgende onderdelen toegewezen:

communicatie SHN, recherche, advocaat € 25,00

niet vergoede medische kosten GGZ € 768,22

Het toegewezen bedrag is in totaal € 793,22

De vordering van [zoon slachtoffer 1]

heeft zich in het strafproces gevoegd met een vordering van € 27.911,00 ter zake van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De gevorderde schadevergoeding ziet op:

  1. advocaatkosten eerste aanleg € 12.947,00

  2. advocaatkosten hoger beroep € 10.000,00

  3. eigen risico psycholoog 2017 en 2018 € 790,00

  4. kosten behandelingen psycholoog in Turkije € 4.120,00

  5. parkeerkosten drie zittingsdagen € 54,00

€ 27.911,00

De rechtbank heeft de vordering toegewezen tot het bedrag van € 4.910,00 bestaande uit de onder c en d gevorderde kosten. De kosten onder a en e zijn tot een bedrag van € 5.175,00 toegewezen als proceskosten. Voor het overige is de vordering niet-ontvankelijk verklaard.

[zoon slachtoffer 1] heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd met dien verstande dat hij zijn vordering heeft verminderd met de advocaatkosten in hoger beroep onder b en de vordering onder d heeft verlaagd tot een bedrag van € 3.640,00. De advocaat heeft naar voren gebracht dat de rechtbank bij het vaststellen van de schade geen acht heeft geslagen op haar toelichting ter terechtzitting van 17 april 2018, inhoudende dat de kosten eigen risico psycholoog onder c € 1.185,00 bedragen en de parkeerkosten onder e zien op twaalf zittingsdagen van € 18,00 per zittingsdag, dus in totaal € 216,00.

Standpunten procespartijen

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de kosten onder c worden toegewezen tot een bedrag van € 790,00; de kosten onder d tot een bedrag van € 3.640,00; de kosten onder e als proceskosten tot het bedrag van € 54,00 voor vergoeding in aanmerking komen en de kosten onder a worden berekend aan de hand van het liquidatietarief in civiele rechtszaken.

De verdediging heeft naar voren gebracht dat de parkeerkosten onder e voor het bedrag van € 54,00 kunnen worden toegewezen en dat zij zich kan verenigen met het oordeel van de rechtbank betreffende de ‘advocaatkosten eerste aanleg’ onder a. Voor wat betreft de kosten onder c en d heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.

Oordeel hof

Het hof is van oordeel dat de gevorderde kosten onder a voor het bedrag van € 5.121,00 als proceskosten kunnen worden toegewezen en de kosten onder c voor het bedrag van € 1.185,00 en onder d voor het bedrag van € 3.640,00 ter zake van materiële schade kunnen worden toegewezen, nu dit is aan te merken als rechtstreekse schade, deze posten voldoende zijn onderbouwd en de verdediging deze niet heeft betwist. Voor wat betreft de gevorderde parkeerkosten onder e stelt het hof vast dat deze kostenpost ziet op parkeerkosten die zijn gemaakt in verband met het bijwonen van de zittingen in eerste aanleg. Het hof constateert dat dit proceskosten zijn en geen rechtstreekse schade. Gelet op het bepaalde in artikel 238, eerste en tweede lid Rv bezien in samenhang met artikel 239 Rv zijn deze kosten niet toewijsbaar, aangezien de benadeelde partij op de zittingen in eerste aanleg is bijgestaan door een gemachtigde. Gezien hetgeen hiervoor is overwogen kan een oordeel over de hoogte van het gevorderde bedrag onder e achterwege blijven.

Kortom : de vordering van [zoon slachtoffer 1] ter zake van materiële schade wordt op de volgende onderdelen toegewezen:

eigen risico psycholoog 2017 en 2018 € 1.185,00

kosten behandelingen psycholoog in Turkije € 3.640,00

Het toegewezen bedrag aan materiële schade is in totaal € 4.825,00

Wettelijke rente

De schadevergoeding wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

Schadevergoedingsmaatregel

Het hof zal de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze, om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, en bepalen dat de door de verdachte te betalen bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente.

ZAAK MATHAAK

[slachtoffer 2] heeft zich in het strafproces gevoegd met een vordering van € 3.791,50 bestaande uit € 971,50 aan materiële schade en € 2.820 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De gevorderde schadevergoeding ter zake van materiële schade ziet op:

  1. aangepaste kleding € 50,00

  2. eigen risico 2016 en 2017 € 770,00

  3. taxikosten ziekenhuis € 73,00

  4. beddengoed € 22,50

  5. daggeldvergoeding voor twee dagen ziekenhuis € 56,00

€ 971,50

De rechtbank heeft de vordering tot vergoeding van materiële en immateriële schade geheel toegewezen.

[slachtoffer 2] heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

Standpunten procespartijen

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering.

De verdediging heeft zich voor wat betreft de gevorderde materiële schadevergoeding gerefereerd aan het oordeel van het hof. Ten aanzien van de gevorderde immateriële schadevergoeding heeft de verdediging verzocht deze te matigen tot een bedrag van € 2.000,00.

Oordeel hof

Vast is komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiële en immateriële schade heeft geleden.

De (hoogte van de) gevorderde materiële schadevergoeding is van de zijde van de verdachte niet betwist. Het hof zal de vordering toewijzen tot het bedrag van € 971,50.

Het hof zal de omvang van de immateriële schade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 BW naar maatstaven van billijkheid schatten op € 2820,00 waarbij in het bijzonder is gelet op de volgende omstandigheden:

  • -

    de benadeelde partij heeft als gevolg van het handelen van de verdachte fysiek letsel opgelopen, bestaande uit een hersenkneuzing, een bloeding rond de hersenen en een schedelfractuur;

  • -

    de benadeelde partij ondervindt tot op de dag van vandaag door het incident psychische klachten en kampt nog steeds met terugvallen;

  • -

    de schadevergoeding die rechters in Nederland in vergelijkbare gevallen toekennen.

De verdachte is tot vergoeding van de schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen, welk bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente.

Het hof zal de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze, om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, en bepalen dat de door de verdachte te betalen bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente.

Kortom: de vordering van [slachtoffer 2] ter zake van materiële schade wordt geheel toegewezen en bedraagt € 971,50 en diens vordering ter zake van immateriële schade wordt geheel toegewezen en bedraagt

€ 2820,00.

ZAAK BRANDKRANEN

De vordering van [aangever 5]

De benadeelde partij heeft zich ter zake van feit 2 in eerste aanleg gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. De rechtbank heeft de verdachte van dit feit vrijgesproken en om die reden de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering. Omdat de verdachte ook in hoger beroep niet schuldig wordt verklaard ter zake van het in de zaak Brandkranen onder feit 2 ten laste gelegde handelen waardoor de gestelde schade zou zijn veroorzaakt, kan de benadeelde partij in de vordering niet worden ontvangen.

De vordering van [aangever 2]

heeft zich ter zake van feit 1b in eerste aanleg op 22 april 2016 gevoegd in het strafproces met een vordering tot schadevergoeding. In het dossier bevindt zich een brief van de [verzekeringsmaatschappij] van 25 augustus 2016, waaruit volgt dat deze verzekeringsmaatschappij de schade aan [aangever 2] heeft vergoed. Voorts bevindt zich in het dossier een e-mailbericht van de officier van justitie van 4 december 2017 aan de rechtbank en de toenmalige raadsman van de verdachte waaruit kan worden afgeleid dat de benadeelde partij aan een medewerker van het ressortsparket kenbaar heeft gemaakt dat de schade door de verzekeringsmaatschappij is vergoed.

Het hof begrijpt uit de hiervoor weergegeven gang van zaken dat de vordering als ingetrokken moet worden beschouwd en er mitsdien geen vordering ter beoordeling aan het hof voorligt.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 33, 33a, 45, 57, 63, 287, 288, 300, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezenverklaarde.

Voorlopige hechtenis

De verdediging heeft ter terechtzitting verzocht de verdachte onmiddellijk in vrijheid stellen (het hof begrijpt: verzocht om opheffing van de voorlopige hechtenis vanwege de bepleite vrijspraak voor de ten laste gelegde doodslag). Het hof overweegt dat de verdachte wegens bijzonder ernstige feiten, waaronder een gekwalificeerde doodslag, wordt veroordeeld tot een jarenlange gevangenisstraf en wijst dit verzoek mitsdien af.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart de dagvaarding van het in de zaak Moer onder 1 subsidiair tenlastegelegde partieel nietig, voor zover het de woorden of strafoplegging betreft.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het in de zaak Moer onder 1 primair en Mathaak onder 3 primair en in de zaak Brandkranen onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak Moer onder 1 subsidiair, in de zaak Mathaak onder 2 primair en 3 subsidiair en in de zaak Brandkranen onder 1, 3 en 4 primair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in de zaak Moer onder 1 subsidiair, in de zaak Mathaak onder 2 primair en 3 subsidiair en in de zaak Brandkranen onder 1, 3 en 4 primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 21 (eenentwintig) jaren en 6 (zes) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

3. een sleutel (5112952)

4. een klauwhamer (5134907)

5. een beitel (5134908)

6. een dop/steeksleutel (5134910)

7. een waterpomptang (5134911)

8. een gele betonschaar (5134912)

9. een geel/zwarte kniptang (5134919) en

10. een kruiskopschroevendraaier (5134920).

Gelast de teruggave aan [aangever 20] van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten: 2016031105 2 6.00 STK Bouwmateriaal losse kranen 5122928.

Gelast de teruggave aan [aangever 12] van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: een kraan (5112915).

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

1. een jas (5185781)

2. een Albert Heijntas (5193207)

3. een bruine dolk (5185821)

4. een jas, Hummel Sport (5159935)

5. een jas, Agu regenjack (5159937)

6. een muts, fleece, (5159938)

7. een muts/capuchon (5159940)

8. een mes (Gemüsemesser) (5159965)

9. een mes (5159970)

10. een mes (5159982)

11. een sleutel (loper), (5185795)

12. een zaktelefoon (Samsung) (5159972)

13. een mes (5154918)

17. een oranje vest (5197442)

18. een zwart fietszadel (5186349)

19. een hamer (5208808)

20. een bankhamer (5208812)

21. een bankhamer (5208824)

22. een mes, Solingen, met bruin houten heft, lengte lemmet 20 cm (5165075)

23. een mes in een zwart foedraal (5165068).

een blauwe stofjas van slachtoffer (5156105)

een petje van slachtoffer (5154701)

een blauwe spijkerbroek + trainingsbroek (5156111)

een bruinwit gestreepte trui van slachtoffer (5156110)

een blauwe boxershort van slachtoffer (5156124)

een zwart shirt van slachtoffer (5156122)

een wit hemd (5156112)

schoenen/sokken slachtoffer (5154705)

een tapijttegel (5162511)

een jas (5185926)

een grijze zomerjas Replay (5185887)

een donkergrijze/blauwe jas G-star (5185808)

een licht grijze winterjas (5185885)

een grijze muts G-star (5185845)

een werkjas blauw (5185718)

witte sneakers met opdruk ‘the original trademark’(5185842)

Vordering van de benadeelde partij [zoon slachtoffer 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [zoon slachtoffer 1] ter zake van het in de zaak Moer met parketnummer 13-665279-16 onder 1 subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 29.825,00 (negenentwintigduizend achthonderdvijfentwintig euro) bestaande uit € 4.825,00 (vierduizend achthonderdvijfentwintig euro) materiële schade en € 25.000,00 (vijfentwintigduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 5.121,00 (vijfduizend honderdeenentwintig euro).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de nabestaande, genaamd [zoon slachtoffer 1] , ter zake van het in de zaak Moer met parketnummer 13-665279-16 onder 1 subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 29.825,00 (negenentwintigduizend achthonderdvijfentwintig euro) bestaande uit € 4.825,00 (vierduizend achthonderdvijfentwintig euro) materiële schade en € 25.000,00 (vijfentwintigduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 120 (honderdtwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van de nabestaande niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 15 maart 2016.

Vordering van de benadeelde partij [dochter 2 van slachtoffer 1]

Verklaart de benadeelde partij [dochter 2 van slachtoffer 1] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Vordering van de benadeelde partij [weduwe slachtoffer 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [weduwe slachtoffer 1] ter zake van het in de zaak Moer met parketnummer 13-665279-16 onder 1 subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 49.387,22 (negenenveertigduizend driehonderdzevenentachtig euro en tweeëntwintig cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de nabestaande, genaamd

[weduwe slachtoffer 1] , ter zake van het in de zaak Moer met parketnummer 13-665279-16 onder 1 subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 49.387,22 (negenenveertigduizend driehonderdzevenentachtig euro en tweeëntwintig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 183 (honderddrieëntachtig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van de nabestaande niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 15 maart 2016.

Vordering van de benadeelde partij [dochter 1 van slachtoffer 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [dochter 1 van slachtoffer 1] ter zake van het in de zaak Moer met parketnummer 13-665279-16 onder 1 subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van

€ 793,22 (zevenhonderddrieënnegentig euro en tweeëntwintig cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de nabestaande, genaamd

[dochter 1 van slachtoffer 1] , ter zake van het in de zaak Moer met parketnummer 13-665279-16 onder 1 subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 793,22 (zevenhonderddrieënnegentig euro en tweeëntwintig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 15 (vijftien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van de nabestaande niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 15 maart 2016.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ter zake van het in de zaak Mathaak met parketnummer 13-665279-16 onder 2 primair en 3 subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 3.791,50 (drieduizend zevenhonderdeenennegentig euro en vijftig cent) bestaande uit € 971,50 (negenhonderdeenenzeventig euro en vijftig cent) materiële schade en € 2.820,00 (tweeduizend achthonderdtwintig euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd

[slachtoffer 2] , ter zake van het in de zaak Mathaak met parketnummer 13-665279-16 onder 2 primair, 3 subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 3.791,50 (drieduizend zevenhonderd-eenennegentig euro en vijftig cent) bestaande uit € 971,50 (negenhonderdeenenzeventig euro en vijftig cent) materiële schade en € 2.820,00 (tweeduizend achthonderdtwintig euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 47 (zevenenveertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 19 januari 2016.

Vordering van de benadeelde partij [aangever 5]

Verklaart de benadeelde partij [aangever 5] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Wijst af het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis van de verdachte.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. W.M.C. Tilleman, mr. A.E. Kleene-Krom en mr. M. Senden, in tegenwoordigheid van mr. A.N. Biersteker, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 30 november 2020.

1 Zie bijlage 1: Index betreffende de onderwerpen van de bewijsoverwegingen

2 Getuige [getuige 20] A01 12 en B01 1, 5

3 Getuige [getuige 1] B03 1

4 Getuige [zoon slachtoffer 1] B02 1 e.v.

5 Verbalisant A02 8; C01 39; C01 51; C01 89; C01 68.

6 Verslag schouwarts C03 3-5

7 Sectierapport C02 7 e.v., met name p. 10, 12 en 20

8 A05 185

9 Proces-verbaal van CI officier van justitie mr. B. Wind van 4 april 2019

10 De verdachte wordt verder ook [achternaam verdachte] genoemd; als het om zijn broer gaat zal het hof vermelden [voornaam broer verdachte] of [broer verdachte]

11 Proces-verbaal van bevindingen A02 pag. 131 ev

12 Proces-verbaal van bevindingen A02 pag. 117 ev

13 Proces-verbaal CI officier van justitie mr. B Wind van 17 januari 2017 A02 pag. 133 ev

14 Proces-verbaal van getuigenverhoor B19 pag. 11 ev

15 Proces-verbaal van de rechter-commissaris in strafzaken bij de rechtbank Amsterdam

16 Proces-verbaal opgemaakt op 3 april 2019 van de verbalisanten [verbalisanten] , met pvb-nummer 2016058172, niet doorgenummerd

17 Proces-verbaal terechtzitting 28 en 29 januari 2020

18 Proces-verbaal met de verklaring van [getuige 3] bij de politie op 10 mei 2016

19 Processen-verbaal van getuigenverhoor van [getuige 2] : van de politie op 5 mei 2016, B 046, van de rechter-commissaris in strafzaken bij de rechtbank Amsterdam op 24 oktober 2016; nader verhoor [getuige 2] door de politie op 26 februari 2019 en 1 april 2019, van de terechtzitting van het hof op 29 januari 2020

20 Proces-verbaal van getuigenverhoor [getuige 2] op 26 februari 2019

21 Proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige 4] B 47 en van verhoor bij de rechter-commissaris in strafzaken van de rechtbank Amsterdam op 12 januari 2018

22 Proces-verbaal van verhoor van de getuige [weduwe slachtoffer 1] A02 43 en proces-verbaal van getuigenverhoor van [weduwe slachtoffer 1] bij de rechter-commissaris in strafzaken van de rechtbank Amsterdam van 15 november 2016

23 Proces-verbaal verklaring verbalisant met de verklaring van [dochter 1 van slachtoffer 1] A02 45

24 Proces-verbaal van verhoor van de getuige [broer verdachte] op 13 mei 2016 B 21 pag 10

25 Zie bijlage 2: foto van google maps route [adres 5] - Osdorpplein met de auto 9 minuten (5 km), met de fiets 17 minuten.

26 Proces-verbaal van financieel onderzoek, onder meer A05 179 en A05 185, 195-197

27 Proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige 21] B45 1-3

28 Betreffend: onderzoek putten en kolken, slibonderzoek, afvalcontainers PD, onderzoek kledingstukken v, doorzoeking woning v, doorzoeking woning en bank [getuige 3] , getuigenonderzoek, camerabeelden en zendmastgegevens.

29 ECLI:NL:HR:2010:BK3359

30 Proces-verbaal van verhoor bij de politie van de getuige [getuige 7] B07 3 en p. A02 10

31 Proces-verbaal van bevindingen A02 8

32 Proces-verbaal van verhoor bij de politie van de getuige [getuige 8] B08 2-4

33 Proces-verbaal van verhoor bij de politie van de getuige [getuige 9] B09 2-6

34 Proces-verbaal van verhoor bij de politie van de getuige [getuige 9] B09 5

35 A02 48

36 Getuige [getuige 13] B29 1r

37 Getuige [getuige 14] B30 1-2

38 Getuige [getuige 15] B28 1-2

39 Getuige [getuige 16] B28 1-2

40 Getuige [getuige 12] B13 1

41 op pagina 9 van voornoemd rapport

42 Mathaak dossier A03 14-15.

43 Mathaak, dossier Aangifte [slachtoffer 2] A02 2

44 ECLI:NL:HR:2002:AD5356

45 ECLI:NL:HR:2009: BI 8583

46 ECLI:NL:HR:2019:793