Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:3210

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
27-11-2020
Datum publicatie
30-11-2020
Zaaknummer
23-002373-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

mishandeling, zwaar lichamelijk letsel ten gevolge hebbend; benadeelde partij

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-002373-19

datum uitspraak: 27 november 2020

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 11 juni 2019 in de strafzaak onder parketnummer 13-169110-16 tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1993,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

13 november 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

1. hij op of omstreeks 13 augustus 2016 te Amsterdam [benadeelde] heeft mishandeld door deze een vuistslag te geven, athans te slaan, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken oogkas en kaak ten gevolge heeft gehad;

2. hij op of omstreeks 15 augustus 2016 te Amsterdam munitie van categorie III, te weten 15 (knal)patronen kaliber 9mm, voorhanden heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal om proceseconomische redenen worden vernietigd.

De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De raadsman heeft bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging moet worden verklaard. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de feiten in deze zaak niet goed meer zijn vast te stellen wegens gebrek aan voortvarendheid van het openbaar ministerie om voortgang te maken met de procedure, het onevenredig lang heeft geduurd voordat getuigen (door de rechter-commissaris) zijn gehoord en het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden, en dat de redelijke termijn ten tijde van de terechtzitting in eerste aanleg ruimschoots was verstreken, waardoor de verdachte in zijn belangen is geschaad en geen sprake meer is van een eerlijk proces dat aan de beginselen van een behoorlijke procesorde voldoet.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de (verdere) vervolging van de verdachte.

Het hof stelt voorop dat overschrijding van de redelijke termijn van berechting niet leidt tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Daarnaast leent de beslissing om tot vervolging over te gaan of de vervolging voort te zetten zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing, in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde.

Van zodanig uitzonderlijke omstandigheden is in deze zaak niet gebleken. Het hof is van oordeel dat er geen sprake van is dat door het tijdsverloop de feiten onvoldoende kunnen worden vastgesteld, terwijl het enkele tijdsverloop niet tot de conclusie kan leiden dat geen redelijk handelend lid van het openbaar ministerie heeft kunnen oordelen dat met de (voortzetting van de) vervolging van de verdachte niet enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kon zijn. Het recht op een eerlijk proces is niet geschonden. Het hof verwerpt daarom dit verweer.

Het hof zal het tijdsverloop wel meewegen bij de beslissing over de strafoplegging.

Bewijsoverweging

De raadsman heeft aangevoerd dat de verdachte van het ten laste gelegde moet worden vrijgesproken omdat hij geen opzet had op het toebrengen van enig letsel. De (arm)beweging was een ‘reflexbeweging om een aanranding van achter af te wenden’ en kan ook gezien worden als noodweer.

Het hof verwerpt dit verweer en verwijst daartoe naar de te bezigen bewijsmiddelen. Het hof acht voorts niet aannemelijk geworden dat sprake is geweest van een wederrechtelijke aanranding van de verdachte waartegen hij zich diende te verdedigen, of waarvan hij kon menen dat hij zich daartegen diende te verdedigen. Naar het oordeel van het hof was het juist de verdachte die de agressor was.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1. hij op 13 augustus 2016 te Amsterdam [benadeelde] heeft mishandeld door deze een vuistslag te geven, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken oogkas en kaak, ten gevolge heeft gehad;

2. hij op 15 augustus 2016 te Amsterdam munitie van categorie III, te weten 15 knalpatronen, kaliber 9mm, voorhanden heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:

mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft.

Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Strafbaarheid van de verdachte


Voor wat betreft het door de verdediging gevoerde noodweerverweer wordt verwezen naar de overweging onder de bewezenverklaring.

Ook overigens is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen

De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 en 2 bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken, voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, en een taakstraf voor de duur van honderd uren, subsidiair vijftig dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken, voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, en een taakstraf voor de duur van tachtig uren, subsidiair veertig dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft de aangever, zijn toenmalige schoonvader, mishandeld. De verdachte heeft hem na een (verhitte) woordenwisseling in het gezicht geslagen, als gevolg waarvan de aangever fors letsel heeft opgelopen. De verdachte heeft hiermee op grove wijze inbreuk gemaakt op diens lichamelijke integriteit. De aangever heeft nog lange tijd zowel fysiek als psychisch last gehad van dit incident. Daarnaast was de verdachte in het bezit van knalpatronen. Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 3 november 2020 is hij bovendien eerder onherroepelijk veroordeeld, onder andere voor overtredingen van de Wet wapens en munitie.

Gelet op de ernst van deze feiten en de justitiële geschiedenis van de verdachte is in beginsel enkel een (deels onvoorwaardelijke) gevangenisstraf op zijn plaats, en wel voor de duur van acht weken. Omdat in eerste aanleg de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, tweede lid, EVRM, ruim is overschreden, zal het hof volstaan met oplegging van een taakstraf voor de duur van tachtig uren en een voorwaardelijke gevangenisstaf voor de duur van twee weken, met een proeftijd voor de duur van twee jaren.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt in totaal € 23.320,41, te weten € 3.320,41 voor geleden materiële schade en € 20.000,- voor immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 3.391,66, waarvan een bedrag van € 3.000,- ziet op de immateriële schade. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

Daarnaast heeft de benadeelde partij een bedrag van € 2.485,34 gevorderd als vergoeding voor de gemaakte kosten voor rechtsbijstand. Dit onderdeel van de vordering is door de rechtbank toegewezen tot een bedrag van € 960,-, het equivalent van twee punten volgens het zogenoemde liquidatietarief.

De advocaat-generaal heeft gevorderd de beslissingen van de rechtbank over te nemen.

De raadsman heeft de vordering betwist en verzocht de benadeelde partij daarin niet ontvankelijk te verklaren.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde handelen van de verdachte zowel materiële als immateriële schade heeft geleden. De materiële schade betreft de kosten van de pyjama (€ 50,-), telefoonkosten (€ 20,-), een deel van de reiskosten (13 en 14 augustus 2016; € 21,66) en inkomstenderving voor de duur van twee maanden (€ 175,- per maand). Het hof begroot deze schade op een bedrag van € 441,66.

Het hof zal de omvang van de immateriële schade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 BW naar maatstaven van billijkheid schatten op € 2.000,00. Daarbij is in het bijzonder gelet op de ernst van het letsel, de psychische gevolgen van dat handelen voor de benadeelde partij en de schadevergoeding die in vergelijkbare gevallen door rechters is toegekend.

De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen.

Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

Daarnaast komen de proceskosten voor vergoeding in aanmerking. Evenals de rechtbank sluit het hof aan bij het in civiele zaken gehanteerde liquidatietarief voor kantongerechten, en wel naar de maatstaf van twee punten voor het indienen en toelichten van de vordering in eerste aanleg en één punt voor de behandeling in hoger beroep. Bij een bedrag van € 480,- per punt, komt het hof tot een vergoeding van in totaal € 1.440,-.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57, 63 en 300 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen-verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 80 (tachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 2.441,66 (tweeduizend driehonderdeenennegentig euro en zesenzestig cent), bestaande uit € 441,66 (driehonderdeenennegentig euro en zesenzestig cent) aan materiële schade en € 2.000,00 (tweeduizend euro) aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij in eerste aanleg en in hoger beroep gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 1.440,00 (duizend vierhonderdveertig euro).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd

[benadeelde], ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 2.391,66 (tweeduizend driehonderdeenennegentig euro en zesenzestig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 33 (drieëndertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de schade op 13 augustus 2016.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. H.M.J. Quaedvlieg, mr. J.H.C. van Ginhoven en mr. M.L.M. van der Voet, in tegenwoordig-heid van, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 27 november 2020.

Mr. Van der Voet is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.