Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:3196

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
25-11-2020
Datum publicatie
27-11-2020
Zaaknummer
23-002956-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aangever heeft tijdens een voetbalwedstrijd zwaar lichamelijk letsel opgelopen. De verdachte heeft de spelregels niet op dusdanige wijze geschonden dat sprake zou zijn van het opzettelijk toebrengen van pijn en letsel. Vrijspraak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-002956-19

datum uitspraak: 25 november 2020

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis

van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 30 juli 2019 in de strafzaak onder

parketnummer 13-076131-19 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1981,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

van 11 november 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het

Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte

en de raadsman naar voren hebben gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 9 februari 2019 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, (met kracht) een kopstoot in het gezicht, althans tegen/op het hoofd heeft gegeven en/of die voornoemde [benadeelde] (met een elleboog) een klap/stomp heeft gegeven in het gezicht, althans tegen/op het hoofd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 9 februari 2019 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, [benadeelde] heeft mishandeld door (met kracht) een kopstoot en/of een klap (met een elleboog) in het gezicht, althans tegen het hoofd van die [benadeelde] te geven, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken kaak (waaraan een operatie is uitgevoerd) ten gevolge heeft gehad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt

dan de politierechter.

Vrijspraak

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen. Hij heeft daartoe aangevoerd dat een aantal incidenten tussen de verdachte en de aangever tijdens de wedstrijd en voorafgaand aan de botsing plaatsvond en dat verschillende getuigen hebben verklaard over de negatieve houding die de verdachte tijdens de wedstrijd had. Ook wijst hij op de getuigenverklaring van [getuige 1] en [getuige 2] die respectievelijk verklaren dat de verdachte de aangever expres raakte en dat de verdachte met volle kracht zijn elleboog naar de aangever bracht. Concluderend rekwireert de advocaat-generaal tot bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde feit.

De verdediging heeft integrale vrijspraak bepleit. De verdediging heeft daartoe naar voren gebracht

dat niet met voldoende zekerheid valt vast te stellen wat er precies is gebeurd. Er kan niet vastgesteld

worden dat de verdachte de aangever een kopstoot of elleboog in het gezicht heeft gegeven.

De getuigenverklaringen zijn onvoldoende consistent en duidelijk, en dat is ook duidelijk geworden

in de beslissing van de tuchtcommissie.

Het hof overweegt dat vooropgesteld wordt dat de omstandigheid dat een gedraging is verricht in een sport- of spelsituatie geen zelfstandige factor is bij de beoordeling van het ten laste gelegde opzet, in die zin dat die omstandigheid tot een beoordeling aan de hand van andere maatstaven zou dienen te leiden dan indien het gaat om een gedraging die buiten zo’n situatie is verricht. Evenwel geldt dat deelnemers aan een sport zoals voetbal tot op zekere hoogte gevaarlijke gedragingen waartoe het spel uitlokt over en weer van elkaar hebben te verwachten, terwijl bij een door duidelijke spelregels afgebakende sport die spelregels mede van belang zijn voor het bepalen van de grenzen van de wederrechtelijkheid. Dat geldt echter niet voor gedragingen die losstaan van een spelsituatie waarbij een speler een andere speler letsel toebrengt, terwijl bij gedragingen die in een spelsituatie plaatsvinden, een speler de spelregels op dusdanige wijze kan schenden en zo gevaarlijk kan handelen dat van het ontbreken van wederrechtelijkheid geen sprake kan zijn.1

Het hof stelt vast dat tijdens een voetbalwedstrijd een botsing heeft plaatsgevonden tussen de verdachte en de aangever, waarbij de aangever zwaar lichamelijk letsel in de vorm van een kaakbreuk heeft opgelopen. Evenwel is naar het oordeel van het hof geen sprake van een situatie waarin kan worden vastgesteld dat de verdachte de spelregels op dusdanige wijze heeft geschonden dat kan worden vastgesteld dat hij opzettelijk letsel en pijn heeft toegebracht aan de aangever. De getuigen van het incident verklaren tegenstrijdig. Getuige [getuige 1] verklaart bij de tuchtcommissie van de KNVB dat de botsing plaats heeft gevonden naar aanleiding van een voorzet waarop door de verdachte geanticipeerd werd, terwijl ook de aangever niet goed weet wat zich precies heeft afgespeeld en kan hij het gedrag van de verdachte niet goed duiden. Daar komt nog bij dat de scheidsrechter aanvankelijk een gele kaart aan de verdachte heeft toegekend, en het lijkt er op dat pas nadat hij op de hoogte was van het letsel van de aangever hij deze kaart heeft omgezet in een rode kaart. Zijn verklaring bij de tuchtcommissie werd door de commissie beoordeeld als ‘warrig’, en is onvoldoende duidelijk om de precieze gang van zaken uit af te leiden. Het hof stelt vast dat op basis van de getuigenverklaringen niet tot voldoende zekerheid over de toedracht kan worden gekomen, zodat moet worden vrijgesproken.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De verdachte wordt niet schuldig verklaard ter zake van het tenlastegelegde handelen waardoor de gestelde schade zou zijn veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom in de vordering niet worden ontvangen.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair en subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M. Lolkema, mr. S. Clement en mr. V. Mul, in tegenwoordigheid van mr. R. Vosman, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 25 november 2020.

=========================================================================

[…]

1 HR 25-09-2018, ECLI:NL:HR:2018:1769 (https://www.navigator.nl/document/id20d653a8ac514732a5bef8fe93539649?anchor=id-3f1b8b56-4ef1-4057-a404-467624b1d453).