Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:3188

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
24-11-2020
Datum publicatie
27-11-2020
Zaaknummer
23-004052-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vrijspraak en veroordeling wegens openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen. Noodweer verworpen. Benadeelde partij (uitgebreid). Overschrijding redelijke termijn. Oplegging TS 80 uren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-004052-17

datum uitspraak: 24 november 2020

TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 3 november 2017 in de gevoegde strafzaken onder de parket-nummers 15-124472-15 (zaak A) en 15-037266-16 (zaak B) tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1994,

adres: [adres 1].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

10 november 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging is aan de verdachte tenlastegelegd dat:

Zaak A:
hij, op of omstreeks 13 december 2014, in de gemeente Hoorn, met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, namelijk voor sportcafe [sportcafé], gelegen aan de [plek] en/of voor sportschool [sportschool], gelegen aan de [adres 2], in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon genaamd [benadeelde 1],

immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s)

- ( meermalen) met een fles althans met enig voorwerp op het hoofd van die [benadeelde 1] geslagen,

- ( meermalen) tegen het gezicht, althans tegen het lichaam van die [benadeelde 1] geslagen en/of gestompt en/of geduwd,

- ( meermalen) met een biljartkeu althans een stok op/tegen het hoofd en/of lichaam van die [benadeelde 1] geslagen,

- met een mes althans met enig scherp voorwerp in de rug, althans in het lichaam van die [benadeelde 1] gestoken

Zaak B:

primair:

hij op of omstreeks 6 december 2015 te Hoorn, met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, de Grote Havensteeg en/of de Rode Steen (een uitgaansgebied), in elk geval op of aan de openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft/hebben gepleegd tegen [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3] en/of [benadeelde 4] en/of [benadeelde 5] en/of een of meer (onbekend gebleven) perso(o)n(en)

immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of (een of meer) van zijn mededader(s),

- ( meermalen) tegen/aan het lichaam van die [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3] en/of [benadeelde 4] en/of [benadeelde 5] en/of een of meer (onbekend gebleven) perso(o)n(en) geduwd en/of getrokken en/of

- ( meermalen) (met kracht) tegen het gezicht en/of het lichaam van die [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3] en/of [benadeelde 4] en/of [benadeelde 5] en/of een of meer (onbekend gebleven) perso(o)n(en) geslagen en/of gestompt en/of geschopt en/of geduwd

subsidiair:

dat hij zich op of omstreeks 6 december 2015 te Hoorn, niet heeft gehouden aan het verbod, op een openbare plaats, de Rode Steen (een uitgaansgebied), op een moment dat een of meer horecagelegenheden uitgingen/gingen sluiten in elk geval op een moment dat zich meerdere personen in/op die straat/die openbare plaats bevonden deel te nemen aan een samenscholing en/of onnodig op te dringen en/of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Vrijspraak van het onder zaak B ten laste gelegde

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair (onder zaak B) ten laste gelegde en heeft daartoe – kort gezegd – aangevoerd dat op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting vast staat dat de verdachte steeds in vereniging met [medeverdachte] betrokken is geweest bij verschillende vechtpartijen in en rond de Grote Havensteeg. Het geweld richtte zich daarbij steeds tegen (leden van) de familie [familie]. De door de verdachte gepleegde handelingen zijn – nu deze samenhangen met handelingen van [medeverdachte] – te kwalificeren als openlijk geweld.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof stelt voorop dat van het "in vereniging" plegen van geweld sprake is, indien de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard behoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die "in vereniging" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde intellectuele en/of materiële bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.

Uit het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting volgt dat in de Grote Havensteeg in Hoorn op verschillende moment vechtpartijen hebben plaatsgevonden en dat ten tijde van die vechtpartijen ook de verdachte zich in die steeg bevond. Niet is echter komen vast te staan dat door de verdachte geweld is gebruikt. Evenmin is gebleken dat hij op andere wijze een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de in de tenlastelegging genoemde personen zodat het primair ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte zal worden vrijgesproken.

Naar het oordeel van het hof is evenmin wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte subsidiair is ten laste gelegd, zodat de verdachte ook hiervan moet worden vrijgesproken.

Bewijsoverweging ten aanzien van het onder zaak A ten laste gelegde

De raadsman heeft vrijspraak bepleit en daartoe – kort gezegd – het volgende aangevoerd. Hetgeen de aangever [benadeelde 1] en de getuige [getuige 1] hebben verklaard kan niet als betrouwbaar worden aangemerkt. De verdachte heeft enkel een glas op de grond gegooid. De reden hiervoor was dat hij zag dat [getuige 1] in het bezit was van een mes. Daarmee heeft de verdachte geen significante bijdrage geleverd aan het incident.

Het hof stelt voorop dat het dossier geen solide aanknopingspunten bevat voor de conclusie dat de verklaringen van de aangever en [getuige 1] niet betrouwbaar zijn. De verklaringen komen in de kern overeen, zijn consistent en vinden bevestiging in de overige bewijsmiddelen. Nu deze verklaringen betrouwbaar worden geacht, zullen zij in aanmerking worden genomen bij de bewijsbeslissing.

De verdachte was ‘s nachts op 13 december 2014 met anderen – in ieder geval met zijn broer

[medeverdachte] en een negroïde jongen die in het dossier is aangeduid met de naam “[naam]” – aanwezig bij sportcafé ‘[sportcafé]’ in Hoorn. Diezelfde nacht zijn de aangever en [getuige 1] naar een in de buurt van ‘[sportcafé]’ gelegen pinautomaat gereden. Om redenen die niet eenduidig uit het procesdossier blijken, is vervolgens een woordenwisseling ontstaan tussen de (vrienden)groep van de verdachte en zijn broer [medeverdachte] enerzijds en de aangever en [getuige 1] anderzijds. Deze woordenwisseling is uitge-mond in een vechtpartij, waarbij de aangever – onder andere – is geduwd, met een fles op zijn hoofd is geslagen en met een keu tegen zijn lichaam is geslagen. Vast staat dat de verdachte in ieder geval een glas kapot heeft geslagen tegen een brugleuning en dit vervolgens in de richting van de aangever en [getuige 1] heeft gegooid. De aangever heeft diverse verwondingen opgelopen.

Het hof acht bewezen dat de verdachte door zijn handelen heeft deelgenomen aan openlijke geweld-pleging, gericht tegen de aangever. Door zijn handelen heeft de verdachte welbewust de confrontatie opgezocht en de geweld plegende groep getalsmatig versterkt. Hij heeft daardoor niet alleen bijgedragen aan de sfeer van ontremming waarin anderen gemakkelijker konden overgaan tot het plegen van geweld, maar ook een significante bijdrage geleverd door een kapot glas in de richting van de aangever en [getuige 1] te gooien.

Gelet op het vorenoverwogene acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte openlijk geweld heeft gepleegd jegens de aangever. Het tot vrijspraak strekkende verweer van de raadsman wordt daarom verworpen.

Met de advocaat-generaal en de raadsman acht het hof niet bewezen dat de verdachte of zijn mededaders de aangever hebben gestoken. Het hof zal de verdachte dan ook vrijspreken van dit onderdeel van de tenlastelegging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in zaak A tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:


hij op 13 december 2014 in de gemeente Hoorn met anderen, op de openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon genaamd [benadeelde 1], immers hebben hij en zijn mededaders

- meermalen met een fles op het hoofd van die [benadeelde 1] geslagen,

- tegen het lichaam van [benadeelde 1] geslagen en geduwd,

- met een biljartkeu tegen het lichaam van [benadeelde 1] geslagen.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

De verdachte heeft ten overstaan van de politie en op de terechtzitting in eerste aanleg een alternatief scenario gepresenteerd. Hij zou – ter verdediging – het glas naar [getuige 1] hebben gegooid op het moment dat [getuige 1] op hem af kwam met een mes. De raadsman heeft, zich baserende op de verklaringen van de verdachte, ter terechtzitting in hoger beroep gesteld dat de verdachte een geslaagd beroep op noodweer toekomt. Hij heeft daartoe de verklaring van de getuige [getuige 2] aangehaald waaruit zou blijken dat [getuige 1] degene is geweest die ruzie heeft gezocht en is begonnen met slaan.

Het beroep op deze strafuitsluitingsgrond faalt, omdat het is gebaseerd op een lezing die het hof niet aannemelijk acht. Daartoe is allereerst redengevend dat de lezing van de verdachte in tegenspraak is met de geloofwaardig bevonden verklaringen van de aangever en [getuige 1]. Uit de verklaringen van de aangever blijkt dat mededader [medeverdachte] als eerste een klap gaf en dat ook overigens het handelen van de zijde van de groep van de verdachte als aanvallend is aan te merken. Daarbij komt dat het dossier geen solide aanknopingspunt biedt voor de stelling van de verdachte dat [getuige 1] een mes bij zich had en daarmee gedreigd heeft waardoor de verdachte zich moest verdedigen.

Nu ook overigens geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten, is het bewezenverklaarde strafbaar.

Het bewezenverklaarde levert op:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder zaak A en B (primair) bewezen-verklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 160 uren, subsidiair 80 dagen vervangende hechtenis met aftrek van voorarrest.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder zaak A en B (primair) ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen vervangende hechtenis.

De raadsman heeft in het kader van de strafmaat – onder andere – aangevoerd dat rekening moet worden gehouden met de beperkte rol die de verdachte heeft vervuld in de openlijke geweldpleging en met de omstandigheden dat de verdachte ten aanzien van dit feit als first offender moet worden aangemerkt, zijn leven inmiddels op de rit heeft en met de schending van de redelijke termijn.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen een persoon. Daarbij is het slachtoffer – onder andere – met een fles op zijn hoofd en met een keu tegen zijn lichaam geslagen. Een feit als het onderhavige maakt ernstig inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en daarbij versterkt dergelijk geweld, gepleegd op de openbare weg, de reeds in de samenleving aanwezige gevoelens van angst en onveiligheid. Het is bovendien een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van dergelijk geweld, of personen die hebben gezien dat dergelijk geweld werd uitgeoefend, hiervan nog lang psychische klachten kunnen ondervinden.

Het hof heeft bij de strafoplegging aansluiting gezocht bij het relevante oriëntatiepunt van het LOVS, waarin voor openlijke geweldpleging, lichamelijk letsel ten gevolge hebbend een taakstraf voor de duur van 150 uren wordt genoemd. Het hof ziet in hetgeen door de verdediging ter terechtzitting in het kader van de strafmaat is aangevoerd – met name ten aanzien van het in vergelijking met de mededaders beperktere aandeel van de verdachte in de openlijke geweldpleging – aanleiding om ten gunste van de verdachte van dit oriëntatiepunt af te wijken, in die zin dat het hof een taakstraf voor de duur van 110 uren tot uitgangspunt zal nemen.

Met betrekking tot het beroep op overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM overweegt het hof het volgende. De rechtbank heeft op 3 november 2017 vonnis gewezen. Namens de verdachte is op 15 november 2017 hoger beroep ingesteld. Het hof doet heden uitspraak, derhalve drie jaar en negen dagen na instellen van het hoger beroep. De redelijke termijn is dus overschreden met één jaar en negen dagen. Hierin ziet het hof reden de eerder genoemde taakstraf met dertig uren te verminderen.

Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf van 80 uren passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft zich ter zake van het onder zaak A tenlastegelegde in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding, groot € 2.005,86, te vermeerderen met de wettelijke rente. Deze bestaat uit een bedrag van € 1.005,86 ter compensatie van materiële schade (bestaande uit: € 485,80 beschadigde goederen, € 267,36 eigen risico, € 56,00 ziekenhuisdaggeldvergoeding, € 16,00 reiskosten, € 101,70 abonnement sportschool en € 79,00 autosleutels) en een bedrag van € 1.000 ter compensatie van immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep volledig toegewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd dat de vordering (hoofdelijk) moet worden toegewezen en dat ter zake daarvan een schadevergoedingsmaatregel dient te worden opgelegd, met uitzondering van de kostenposten ‘abonnement sportschool’ en ‘autosleutels’. In zoverre moet de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering.

Het standpunt van de verdediging is dat de benadeelde niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering omdat sprake is van een onevenredige belasting van het strafgeding, vanwege een tweetal argumenten. Er is sprake van eigen schuld van de benadeelde partij en het is onduidelijk wanneer de schade is veroorzaakt.

Het hof overweegt als volgt.

Zoals uit het voorgaande blijkt, staat naar het oordeel van het hof vast dat de verdachte openlijk geweld heeft gepleegd jegens de aangever op de wijze als omschreven. Daarmee heeft de verdachte jegens de benadeelde partij onrechtmatig gehandeld en is hij aansprakelijk voor de schade die daarvan rechtstreeks het gevolg is. Het hof is daarbij van oordeel dat de mededader van de verdachte [medeverdachte] degene is geweest die het gewelddadig gedrag heeft geïnitieerd, zodat geen sprake is van eigen schuld aan de zijde van de benadeelde partij.

Materiële schade

Uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiële schade heeft geleden ter hoogte van € 841,85. Dit bedrag is als volgt opgebouwd:

  1. Beschadigde goederen € 388,64

  2. Eigen risico € 267,36

  3. Ziekenhuis daggeldvergoeding € 56,00

  4. Abonnement sportschool € 50,85

  5. Autosleutels € 79,00

Ad a. beschadigde goederen

De benadeelde partij heeft een bedrag van € 485,80 gevorderd ter zake van beschadigde goederen (kleding). Uit het dossier blijkt dat de kleding van de benadeelde partij (onherstelbaar) is beschadigd, zodat voldoende is komen vast te staan dat de benadeelde partij op dat punt schade heeft geleden. De benadeelde partij heeft diverse screenshots overgelegd van soortgelijke kledingstukken waaruit de nieuwprijs blijkt. Nu geen aankoopbon of rekeningafschrift is overgelegd, is niet vast komen te staan dat de kleding (zeer) kort daarvoor was aangeschaft. Het hof waardeert de schade betreffende deze goederen op 80% van het gevorderde bedrag, te weten € 388,64. Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in de vordering niet worden ontvangen.

Ad b. en c. (medische kosten)

Uit de bijlagen achter het schadeopgaveformulier blijkt dat deze opgevoerde kosten noodzakelijk zijn gemaakt als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van de verdachte (en zijn mededaders). Daarmee heeft de benadeelde partij voldoende aangetoond dat de kosten het gevolg zijn van het handelen van de verdachte. Het hof wijst daarom een bedrag van € 267,36 toe voor het eigen risico van 2015 en

€ 56,00 voor de ziekenhuis daggeldvergoeding.

Ad d. (abonnement sportschool)

De benadeelde partij heeft een bedrag van € 101,70 gevorderd voor zes maanden sportschoolcontributie. Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden, en wel tot een bedrag van € 50,85 betreffende drie maanden contributie. Ten aanzien van het overige deel van de vordering kan het hof, gelet op het beroep op de schadebeperkingsplicht van de benadeelde partij, op basis van de beschikbare informatie niet met voldoende mate van zekerheid vaststellen dat de verdachte deze kosten moet dragen. Het levert in deze fase van de procedure een onevenredige belasting van het strafgeding op om de benadeelde partij in de gelegenheid te stellen daaromtrent nader bewijs over te leggen. Daarom zal de benadeelde partij in zoverre in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.

Ad e. (autosleutels)

Uit het dossier blijkt dat de benadeelde partij zijn sleutels is kwijtgeraakt als gevolg van de openlijke geweldpleging. Het hof is daarom van oordeel dat deze schade rechtstreeks het gevolg is van het bewezen verklaarde handelen van de verdachte (en zijn mededaders). Het hof wijst daarom een bedrag van € 79,00 toe.

De opgevoerde reiskosten zijn niet aan te merken als schade die rechtstreeks is geleden door het strafbare feit zoals bedoeld in art. 51f, eerste lid, Sv, maar dienen onder proceskosten in de zin van artikel 532 Sv te worden geschaard. Voor zover deze kosten zijn opgevoerd als materiële schade wordt de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk verklaard. Het hof begrijpt de vordering aldus dat de benadeelde partij de kosten (ook) heeft willen opvoeren als proceskosten en de toewijzing zal dienovereenkomstig plaatsvinden.

Immateriële schade

Tevens is vast komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het handelen van de verdachte rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. Uit het onderzoek ter terechtzitting – meer in het bijzonder uit de bij de vordering tot schadevergoeding gevoegde bijlagen – is gebleken dat de benadeelde partij fysiek letsel heeft bekomen in de vorm van verschillende hoofdwonden en blauwe plekken op het hoofd, snijwonden in de linkerhand die gehecht moesten worden en een kneuzing van de rechterpink. Hieruit kan naar het oordeel van het hof gevoeglijk worden afgeleid dat de benadeelde partij fysiek letsel bij het incident heeft opgelopen.

Het hof zal de omvang van de immateriële schade op de voet van artikel 6:106 BW naar billijkheid schatten op € 600,00, te vermeerderen met de wettelijke rente. Daarbij is in het bijzonder gelet op de ernst van de aantasting van de persoonlijke integriteit van benadeelde partij, de aard van het lichamelijke letsel en de schadevergoeding die in vergelijkbare gevallen wordt toegekend. Voor het overige gaat het ter vergoeding van immateriële schade gevorderde de grenzen van de billijkheid te buiten, zodat dat deel van de vordering zal worden afgewezen.

De verdachte is tot vergoeding van de hierboven weergegeven schade ter hoogte van (in totaal)

€ 1.441,85 gehouden zodat de vordering tot dat bedrag hoofdelijk zal worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente. Om te bevorderen dat die schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 22c, 22d, 36f, 63 en 141 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het in zaak B (parketnummer 15-037266-16) primair en subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in zaak A (parketnummer

15-124472-15) tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in zaak A (parketnummer 15-124472-15) bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 80 (tachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het in zaak A (parketnummer 15-124472-15) bewezenverklaarde tot het bedrag van € 1.441,85 (duizend vierhonderdeenenveertig euro en vijfentachtig cent), bestaande uit € 841,85 (achthonderd eenenveertig euro en vijfentachtig cent) aan materiële schade en € 600,00 (zeshonderd euro) aan immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededaders hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdata tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op 16,00 (zestien euro).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd

[benadeelde 1], ter zake van het in zaak A (parketnummer 15-124472-15) bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.441,85 (duizend vierhonderdeenenveertig euro en vijfentachtig cent), bestaande uit

€ 841,85 (achthonderdeenenveertig euro en vijfentachtig cent) aan materiële schade en € 600,00 (zeshonderd euro) aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdata tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 24 (vierentwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededaders aan een van beide betalings-verplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdata van de wettelijke rente voor de materiële schade op

- 13 december 2014 over een bedrag van € 523,64 ter zake van beschadigde goederen, ziekenhuis daggeldvergoeding en autosleutel

- 16 februari 2015 over een bedrag van € 267,36 ter zake van eigen risico

- 19 maart 2015 over een bedrag van € 50,85 ter zake van abonnement sportschool

en van de immateriële schade op 13 december 2014.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. H.M.J. Quaedvlieg, mr. D. Radder en mr. M.L.M. van der Voet, in tegenwoordigheid van

mr. S. Bonset, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

24 november 2020.

mr. H.M.J. Quaedvlieg is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.