Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:3181

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
22-12-2020
Datum publicatie
23-12-2020
Zaaknummer
200.274.754/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Incasso. Handelstransactie.

Geen situatie als bedoeld in artikel 6:80 lid 1 onder b BW. Uit de enkele omstandigheid dat de schuldenaar de automatisch geïncasseerde bedragen heeft gestorneerd met de mededeling dat hij het met de incasso niet eens was, mocht schuldeiser niet afleiden dat de schuldenaar in de nakoming van zijn verbintenis zou tekortschieten.

Artikel 6:80 lid 1 onder b BW brengt weliswaar mee – in het geval een dergelijke mededeling wel zou zijn gedaan - dat reeds vóór het tijdstip van opeisbaarheid de gevolgen van niet-nakoming kunnen worden ingeroepen, zoals de bevoegdheid om te ontbinden, op te schorten of schadevergoeding te vorderen, maar dit brengt niet mee dat de vordering vanaf het moment van die mededeling opeisbaar wordt.

Buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd. Artikel 6:96 lid 4 BW (zoals per 16 maart 2013) in werking getreden is van regelend recht. In elk geval

€ 40,- verschuldigd. Partijen zijn daarvan bij algemene voorwaarden van afgeweken in de zin dat de vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten 15% van de hoofdsom bedraagt. Schuldeiser hoeft niet aan te tonen in welke mate en tot welke omvang hij incassokosten heeft gemaakt. Geen feiten en omstandigheden gesteld die aanleiding geven tot matiging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.274.754/01

zaak-/rolnummer rechtbank Noord-Holland : 7614944\CV EXPL 19-3434

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 22 december 2020

inzake

PCI NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Lijnden,

appellante,

advocaat: mr. A.E.M. Bierens te Veghel,

tegen

EUROPEAN CAR TRADE COMPANY B.V.,

gevestigd te Zwaanshoek,

geïntimeerde,

niet verschenen.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna PCI en ECTC genoemd.

PCI is bij dagvaarding van 10 december 2019 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem (hierna: de kantonrechter), van 18 september 2019, onder bovenvermeld zaak-/rolnummer gewezen tussen PCI als eiseres en ECTC als gedaagde.

Tegen de niet verschenen ECTC is verstek verleend.

PCI heeft daarna een memorie van grieven met producties ingediend.

Ten slotte is arrest gevraagd.

PCI heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en - uitvoerbaar bij voorraad - alsnog haar vorderingen volledig zal toewijzen, met veroordeling van ECTC in de kosten van het geding in beide instanties met nakosten.

PCI heeft bewijs aangeboden van haar stellingen.

2 Feiten

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.7 de feiten vastgesteld die hij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, komen de feiten neer op het volgende.

2.1

PCI en ECTC zijn in 2018 een overeenkomst aangegaan met betrekking tot het leveren van software en het onderhoud daarvan.

2.2

Artikel 6.3 van de overeenkomst luidt als volgt:

“(…) Facturering van het maandbedrag vindt per 12 maanden plaats. Betaling geschiedt per automatische incasso. (...) [ECTC] verstrekt een doorlopende SEPA-machtiging door de SEPA-gegevens in te vullen en te ondertekenen.

2.3

Artikel 6 van de op de overeenkomst toepasselijke algemene voorwaarden luidt – voor zover van belang – als volgt:

6.1 Facturen worden door Klant [ECTC, hof] betaald volgens de op de factuur vermelde betalingscondities. Bij gebreke van een specifieke regeling zal Klant binnen 30 dagen na factuurdatum betalen.

(…)

6.3

De overeengekomen betalingstermijnen gelden als fatale termijnen. Klant is in verzuim door het enkel verstrijken van de betalingstermijn; een sommatie en/of ingebrekestelling is hiertoe niet vereist. Bij verzuim van tijdige betaling van het factuurbedrag of een deel daarvan is Klant vanaf de vervaldatum tot aan de dag van de algehele voldoening aan [PCI] een onmiddellijk opeisbare rente verschuldigd van 1,5% van het factuurbedrag voor iedere maand of elk gedeelte van een maand waarmee de vervaldag wordt overschreden. Indien door ten gevolge van het niet nakomen van de betalingscondities tot incasso van het verschuldigde bedrag moet worden overgegaan, zijn zowel de gerechtelijke als buitengerechtelijke incassokosten geheel voor rekening van Klant. Behoudens wanneer Klant is aan te merken als een consument of kleine ondernemer, worden de buitengerechtelijke incassokosten vastgesteld op 15% van het verschuldigde bedrag met een minimum van € 250,-.

6.4

De door Klant gedane betalingen strekken steeds eerst ter aflossing van alle verschuldigde rente en kosten en vervolgens van opeisbare facturen die het langste open staan. (…)

2.4

PCI heeft aan ECTC de volgende facturen verstuurd:

1804166, gedateerd 19 oktober 2018 € 8.712,00

18038155, gedateerd 15 november 2018 € 119,15

18038156, gedateerd 15 november 2018 € 3.624,05

1804919, gedateerd 10 december 2018 € 5.760,81

De automatische incasso van het bedrag van € 8.712,00 is op 2 november 2018 gestorneerd wegens onvoldoende saldo. Vervolgens is het bedrag na afschrijving op 19 november 2018 door ECTC gestorneerd met als opgegeven reden: oneens met incasso. De bedragen van € 119,15 en € 3.624,05 zijn na afschrijving op 23 november 2018 eveneens door ECTC gestorneerd met als opgegeven reden: oneens met incasso.

2.5

Op 26 november en op 7 december 2018 hebben partijen telefonisch contact gehad over de facturen.

2.6

Bij e-mailbericht van 11 december 2018 heeft PCI gesommeerd tot betaling van de vier genoemde facturen.

2.7

De advocaat van PCI heeft bij brief van 14 december 2018 gesommeerd tot betaling van de facturen vóór 18 december 2018, vermeerderd met incassokosten, rente en dossierkosten.

2.8

Bij brief van 18 december 2018 heeft de advocaat van PCI opnieuw gesommeerd tot betaling.

2.9

Op 20 december 2018 heeft ECTC een bedrag van € 12.445,20 voldaan.

2.10

Bij brief van 20 december 2018 heeft de advocaat van PCI nogmaals gesommeerd tot betaling, vergezeld van een schikkingsvoorstel. Daarna is tussen 21 december 2018 en 4 januari 2019 nog door de advocaat van PCI met ECTC gecorrespondeerd over de sommaties.

2.11

Op 10 januari 2019 heeft ECTC een bedrag van € 5.760,81 voldaan.

3 Beoordeling

3.1

PCI heeft in deze procedure - kort weergegeven - gevorderd dat ECTC wordt veroordeeld tot betaling van het resterende deel van de hoofdsom en de contractuele rente , waarbij de door ECTC verrichte betalingen eerst worden aangemerkt als betaling van de (buitengerechtelijke) kosten en verschenen rente.

De kantonrechter heeft bij de bestreden beslissing vastgesteld dat de door PCI gehanteerde algemene voorwaarden van toepassing zijn op de tussen partijen gesloten overeenkomst en dat ingevolge die voorwaarden een betaaltermijn geldt van 30 dagen na factuurdatum. De kantonrechter heeft op grond daarvan vastgesteld dat de factuur van 19 oktober 2018 ruimschoots opeisbaar was bij het uit handen geven van de vorderingen ter incasso, maar dat de facturen van 15 november 2018 eerst op 16 december 2018 opeisbaar werden en de factuur van 10 december 2018 op 10 januari 2019 opeisbaar werd. Als gevolg daarvan zijn de buitenrechtelijke incassokosten slechts berekend over de factuur van 19 oktober 2018. Deze vordering is vervolgens getoetst aan het rapport Voorwerk II, maar met toepassing van de wettelijke tarieven die geacht worden redelijk te zijn. Omdat de werkzaamheden niet meer hebben omvat dan een enkele aanmaning, is de vordering afgewezen. De contractuele rente vanaf de 31e dag na de factuurdatum tot aan de dag van betaling is toegewezen. De kantonrechter heeft de proceskosten gecompenseerd.

3.2

Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt PCI met haar grieven op.

Grief 1 is gericht tegen de overweging van de kantonrechter onder 5.2 van het bestreden vonnis. Ter toelichting daarop heeft PCI aangevoerd dat ECTC de automatische incasso van de facturen 19 oktober en 15 november 2018 heeft gestorneerd omdat zij het oneens was met de incasso. Daaruit mocht PCI afleiden dat ECTC haar betalingsverplichting niet zou nakomen, zodat op de data van stornering de vorderingen opeisbaar zijn geworden. ECTC is volgens PCI vanaf dat moment in verzuim en zij is daarmee de incassokosten over die factuurdata verschuldigd.

Met grief 2 wordt betoogd dat na de vervaldata van de facturen van 19 oktober en 15 november 2018 buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht, zodat de incassokosten over het bedrag van deze facturen (in totaal € 12.455,20) berekend hadden moeten worden. Ten onrechte is getoetst aan Voorwerk II. Gelet op de omvang van de incassowerkzaamheden en het gebruik in de branche hadden de kosten conform de overeenkomst toegewezen moeten worden. Voor matiging is geen aanleiding, aldus PCI.

Grief 3 strekt tot veroordeling van ECTC in de proceskosten, in plaats van de kostencompensatie die de kantonrechter heeft uitgesproken.

3.3

Bij memorie van grieven, ingediend op 14 april 2020, concludeert PCI tot vernietiging van het bestreden vonnis en toewijzing van een bedrag van € 2.780,22, vermeerderd met de contractuele rente van 18% per jaar, subsidiair de wettelijke (handels)rente over dat bedrag, vanaf 10 april 2020 tot aan de dag van voldoening, met veroordeling van ECTC in de proceskosten in beide instanties, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Het hof is niet gebleken dat PCI de memorie van grieven aan ECTC heeft betekend, zodat met inachtneming van artikel 130 lid 3 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), recht zal worden gedaan op het in de dagvaarding hoger beroep vermelde petitum voor zover dat afwijkt van het in de memorie van grieven vermelde petitum.

Grief 1

3.4

Het hof stelt vast dat geen grief is gericht tegen de overweging van de kantonrechter dat partijen een betalingstermijn van 30 dagen zijn overeengekomen, en dat de factuurbedragen daarmee opeisbaar waren telkens vanaf de 31e dag na de factuurdatum. Met grief 1 betoogt PCI evenwel dat de facturen van 15 november 2018 reeds voor die vervaldatum opeisbaar zijn geworden als gevolg van de stornering door ECTC met de mededeling ‘oneens met incasso’. Deze mededeling kwalificeert volgens PCI als een mededeling, bedoeld in artikel 6:80 lid 1 onder b van het Burgerlijk Wetboek (BW).

3.5

Deze grief faalt. Uit de enkele omstandigheid dat ECTC de automatisch geïncasseerde bedragen op 19 respectievelijk 23 november 2018 heeft gestorneerd met de mededeling dat zij het met de incasso niet eens was, mocht PCI niet afleiden dat ECTC in de nakoming van haar verbintenis zou tekortschieten. Er zijn immers diverse andere redenen denkbaar waarom een schuldenaar het niet eens is met de incasso van een betaling, bijvoorbeeld omdat er een beroep op verrekening of opschorting wordt gedaan. Deze stornering, vergezeld van de bedoelde mededeling, kan dan ook op zichzelf niet worden beschouwd als een mededeling als bedoeld in artikel 6:80 lid 1 onder b BW.

Overigens overweegt het hof dat artikel 6:80 lid 1 onder b BW weliswaar meebrengt – in het geval een dergelijke mededeling wel zou zijn gedaan - dat reeds vóór het tijdstip van opeisbaarheid de gevolgen van niet-nakoming kunnen worden ingeroepen, zoals de bevoegdheid om te ontbinden, op te schorten of schadevergoeding te vorderen, maar dit brengt niet mee dat de vordering vanaf het moment van die mededeling opeisbaar wordt. Ook om die reden faalt de grief.

Grief 2

3.6

Ter toelichting op grief 2 stelt PCI dat na de vervaldata van de facturen van 19 oktober en 15 november 2018 buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht. Zij verwijst daartoe naar een reeks incassohandelingen, waaronder telefonische verzoeken tot betaling, schriftelijke aanmaningen en schikkingsvoorstellen, welke werkzaamheden deels na de vervaldatum van de facturen van 15 november 2018 hebben plaatsgevonden. Deze werkzaamheden rechtvaardigen de verschuldigdheid van incassokosten conform artikel 6.3 van de algemene voorwaarden. Voor matiging van het bedrag is geen plaats, aldus PCI.

Voorts betoogt PCI dat ingevolge artikel 6:44 BW verrichte betalingen eerst moeten worden aangemerkt als voldoening van de verschuldigde incassokosten en vervallen rente, waardoor er nog een bedrag aan hoofdsom resteert, waarover tevens de contractuele rente verschuldigd is.

3.7

Vast staat dat ECTC ter zake van de facturen van 19 oktober en 15 november 2018 pas een betaling heeft verricht op 20 december 2018. Uitgaande van opeisbaarheid van de vorderingen vanaf de 31e dag na de vervaldatum, staat vast dat deze betaling heeft plaatsgevonden ná de vervaldatum van deze facturen.

3.8

Art. 6:96 lid 4 BW, zoals per 16 maart 2013 in werking getreden, bepaalt dat in geval van handelstransacties incassokosten zijn verschuldigd zonder dat eerst een aanmaning hoeft te worden verstuurd. De incassokosten (die tenminste € 40 bedragen) zijn verschuldigd zodra de wettelijke of overeengekomen uiterste dag van betaling is verstreken. Een schuldeiser hoeft daarbij niet aan te tonen in welke mate en tot welke omvang hij incassokosten heeft gemaakt. Van dit vierde lid kan niet ten nadele van de schuldeiser worden afgeweken. Dit betekent dat wel meer dan € 40 aan incassokosten kan worden overeengekomen en/of in rekening kan worden gebracht, maar niet minder. Ingevolge lid 5 van dit artikel is het bepaalde in artikel 241 eerste volzin Rv niet van toepassing, hetgeen betekent dat de werkzaamheden en daaruit voortvloeiende kosten niet ‘van kleur verschieten’ bij het instellen van een gerechtelijke procedure.

De normering van incassokosten zoals uitgewerkt in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is voor overeenkomsten tussen niet-consumenten van regelend recht.

In het onderhavige geval zijn partijen in de algemene voorwaarden overeengekomen dat de vergoeding voor buitengerechtelijke werkzaamheden 15% van de hoofdsom bedraagt, indien door niet-nakomen van de betalingscondities tot incasso moet worden overgegaan.

3.9

Met PCI is het hof van oordeel dat de te late voldoening van de drie facturen meebrengt dat buitengerechtelijke incassokosten zijn verschuldigd. Weliswaar staat vast dat PCI reeds op 14 december 2018 de vordering ter incasso uit handen heeft gegeven, terwijl op dat moment wel de factuur van 19 oktober maar nog niet de facturen van 15 november 2018 opeisbaar waren geworden, maar PCI heeft tevens gesteld dat ook na 16 december 2018 incassowerkzaamheden zijn verricht. Zij verwijst daartoe naar de incassobrieven die hierboven onder de vaststaande feiten zijn vermeld. Het hof concludeert op grond daarvan dat na de vervaldatum van de facturen van zowel 19 oktober als die van 15 november 2018 incassowerkzaamheden zijn verricht, zodat op grond van de algemene voorwaarden incassokosten van 15% van die factuurbedragen verschuldigd zijn geworden.

3.10

Het staat de rechter vrij om, ook bij handelstransacties, een bedongen incassobedrag ambtshalve te matigen, waarbij als uitgangspunt heeft te gelden dat de bedongen kosten redelijk moeten zijn jegens de schuldenaar. In het onderhavige geval zijn evenwel geen feiten of omstandigheden gesteld of gebleken die aanleiding geven tot een dergelijke matiging.

3.11

De te late betaling betekent tevens dat de contractuele rente is verschuldigd vanaf de vervaldata van de facturen van 19 oktober en 15 november 2018 tot aan betaling op 20 december 2018.

3.12

Op grond van artikel 6:44 BW dienen betalingen eerst in mindering te strekken op kosten, vervolgens op verschenen rente en ten slotte op de verschuldigde hoofdsom. Dit brengt mee dat op het op 20 december 2018 betaalde bedrag van € 12.445,20 eerst in mindering strekte op de op dat moment verschuldigde incassokosten van 15% van de opeisbare facturen (zie hiervoor onder 3.9). Vervolgens strekte die betaling in mindering op de tot op 20 december 2018 verschenen contractuele rente, en ten slotte in mindering op de openstaande factuurbedragen. Voor zover daarna nog een restant aan niet betaalde factuurbedragen resteerde, is daarover de contractuele rente verschuldigd tot aan de voldoening.

3.13

Op 10 januari 2019 is een bedrag van 5.760,81 voldaan. Weliswaar heeft ECTC terecht betoogd dat betaling van de factuur 10 december 2018 eerst opeisbaar was vanaf de 31e dag na de factuurdatum, maar in lijn met hetgeen hiervoor is overwogen strekte ook deze betaling eerst ter voldoening van de tot op 10 januari 2019 verschenen contractuele rente. Voor zover daarna nog een restant aan niet betaalde factuurbedragen resteerde, is daarover de contractuele rente verschuldigd tot aan de voldoening.

3.14

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat grief 2 slaagt en dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat alleen over het op 19 oktober 2018 gefactureerde bedrag incassokosten zijn verschuldigd en dat slechts over de periode van de vervaldata van de facturen tot 20 december 2018 rente is verschuldigd. Immers, nadat de betaalde bedragen eerst worden aangemerkt als voldoening van incassokosten en verschenen rente, resteert nog een deel van de verschuldigde factuurbedragen, waarover nog rente is verschuldigd.

3.15

De voorgaande overwegingen leiden ertoe dat ECTC nog een gedeelte van de factuurbedragen en rente is verschuldigd dat als volgt dient te worden berekend.

Het op 20 december 2018 betaalde bedrag van € 12.445,20 dient allereerst te worden aangemerkt als voldoening van incassokosten van € 1.306,80 (15% van € 8.712,00), en vervolgens als voldoening van de contractuele rente die tot op 20 december 2018 was verschenen vanaf 19 november 2018 over het bedrag van € 8.712,00 en vanaf 16 december 2018 over het bedrag van € 3.743,20 (€ 119,15+ € 3.624,05). Het daarna van die betaling nog resterende bedrag strekt in mindering op de openstaande factuurbedragen, waarna nog een deel van die factuurbedragen als onbetaald resteert.

Het op 10 januari 2019 betaalde bedrag van € 5.760,81 dient allereerst te worden aangemerkt als voldoening van de verschenen contractuele rente over het hierboven bedoelde resterende deel van de factuurbedragen welke was verschenen vanaf 20 december 2018 tot op 10 januari 2019 en als voldoening van incassokosten van € 561,48 (15 % van € 3.743,20). Het daarna van die betaling nog resterende bedrag strekt in mindering op de openstaande factuurbedragen, waarna nog een deel van die factuurbedragen als onbetaald resteert.

Over laatst bedoeld gedeelte van de factuurbedragen is ECTC tevens de contractuele rente verschuldigd vanaf 10 januari 2019 tot aan de dag der voldoening.

3.16

Nu uit het door PCI geformuleerde petitum niet kan worden afgeleid vanaf welke datum de reeds verschenen rente is berekend, en daaruit eveneens lijkt te volgen dat rente over rente wordt gevorderd terwijl niet is gesteld dat partijen zijn overeengekomen dat rente op rente wordt gerekend, zal het hof het dictum zelf formuleren in overeenstemming met bovenstaande overwegingen. Omwille van de leesbaarheid zal het dictum van het bestreden vonnis geheel worden vernietigd en opnieuw worden geformuleerd.

Grief 3

3.17

Met de derde grief klaagt PCI dat de kantonrechter de proceskosten heeft gecompenseerd. Deze grief slaagt, gelet op het hiervoor overwogene.

3.18

De slotsom luidt dat grief 1 faalt, en de overige grieven slagen. Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd. ECTC zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding in beide instanties.

4 Beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en opnieuw rechtdoende:

veroordeelt ECTC tot voldoening van het resterende deel van de verschuldigde factuurbedragen, vermeerderd met de contractuele rente van 1,5% per maand, berekend met inachtneming van het overwogene in rechtsoverweging 3.15 van dit arrest;

veroordeelt ECTC in de kosten van het geding in beide instanties, in eerste aanleg aan de zijde van PCI begroot op € 567,83 aan verschotten en € 210 voor salaris, te vermeerderen met de wettelijke rente indien niet binnen veertien dagen na dit arrest aan deze kostenveroordeling is voldaan,

en in hoger beroep tot op heden aan de zijde van PCI begroot op € 841,83 aan verschotten en € 759 voor salaris, te vermeerderen met de wettelijke rente indien niet binnen veertien dagen na dit arrest aan deze kostenveroordeling is voldaan, en op € 157,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 82,- en met de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt;

verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.F Aalders, A.L.M. Keirse en H. Struik en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 22 december 2020.