Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:3154

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
11-11-2020
Datum publicatie
23-11-2020
Zaaknummer
23-001849-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling wegens opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod (hennepstekken). Beslagbeslissing. Oplegging TS 100 uren / 50 dagen. Bewijsoverweging 359a-verweer

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-001849-19

datum uitspraak: 11 november 2020

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 9 mei 2019 in de strafzaak onder parketnummer 15-042148-19 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1984,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

28 oktober 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

hij, op of omstreeks 20 februari 2019 te Ilpendam, gemeente Waterland, althans in Nederland, opzettelijk heeft vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van ongeveer 168 hennepstekken, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een enigszins andere bewezenverklaring komt dan de politierechter. Het hof overweegt daartoe dat de bij Opiumwetdelicten vaak in de tenlastelegging opgenomen passage “zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I/II” moet worden beschouwd als een louter kwalificatieve zinsnede die geen deel uitmaakt van de feitsomschrijving, zodat de bewijsvraag daarop geen betrekking heeft. De politierechter heeft deze passage dan ook ten onrechte opgenomen in de bewezenverklaring.

Bewijsoverweging

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit op de grond dat vanwege een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) bewijsuitsluiting dient te volgen van hetgeen gevonden is in de auto. Daartoe heeft de raadsman – kortgezegd – aangevoerd dat sprake is geweest van een onrechtmatige doorzoeking van de auto van de verdachte. De voorschriften ter zake van het doorzoeken van plaatsen zijn aan te merken als belangrijke strafvorderlijke voorschriften. Door de onrechtmatige doorzoeking is in aanzienlijke mate inbreuk gemaakt op een belangrijk strafvorderlijk voorschrift, als op de door dat voorschrift gewaarborgde belangen van de verdachte, welke inbreuk verwijtbaar is. Doordat niet te toetsen is op welke gronden er is doorzocht, is de verdachte tevens in zijn belangen geschaad. Daarmee is het recht van de verdachte op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM geschonden alsmede artikel 8 EVRM.

Voorts is door de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de verdachte geen wetenschap heeft gehad van de aanwezigheid van de hennepstekken in de kofferbak van de auto, hetgeen ook tot vrijspraak zou moeten leiden.

Tot slot heeft de raadsman nog een voorwaardelijk verzoek tot het horen van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] als getuige gedaan.

Het hof overweegt als volgt.

Vooropgesteld wordt dat het hof – anders dan de verdediging – geen enkel concreet aanknopingspunt ziet te veronderstellen dat hetgeen de politieambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] hebben gerelateerd in het proces-verbaal van bevindingen van 20 februari 2019 (dossierpagina’s 5-9) niet juist zou zijn. Dat de verdachte een andere lezing van het gebeuren heeft kan niet als zodanig worden aangemerkt. Nu dit proces-verbaal betrouwbaar wordt geacht, zal dit in aanmerking worden genomen bij de bewijs-beslissing.

Het hof zal derhalve bij diens beoordeling van de gevoerde verweren uitgaan van de volgende in voornoemd proces-verbaal gerelateerde feiten en omstandigheden (zakelijk weergegeven):

De verdachte reed als bestuurder van een Volkswagen Polo over de Provincialeweg N235. Met zijn wielen overschreed hij de doorgetrokken streep waardoor hij een stuk over de rijbaan reed, waar op dat moment de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] in tegemoetkomende richting reden. [verbalisant 1] en [verbalisant 2] zagen in het voorbij gaan van de auto dat deze werd bestuurd door een man van ongeveer dertig jaren oud. Na bevraging van het kenteken van de auto waarin de verdachte reed, bleek dat de auto op naam stond van een mevrouw geboren in 1947. Hierop hebben [verbalisant 1] en [verbalisant 2] hun dienstvoertuig gekeerd en zijn zij achter de verdachte aangereden. Zij gaven de verdachte een stopteken en de verdachte is gestopt. [verbalisant 1] en [verbalisant 2] zijn in de richting van de bestuurderszijde van de auto van de verdachte gelopen en zagen dat de verdachte uitstapte en druk gebarend hun richting in kwam lopen. Hij liet hierbij het bestuurdersportier open. De verdachte schreeuwde: “Jullie keerden vanwege dat onderzoek hé? De recherche heeft jullie gestuurd. Ik weet het. Dat onderzoek. Ik heb helemaal geen wapen. Bullshit!.” [verbalisant 2] deelde de verdachte mede dat hij gecontroleerd werd op grond van artikel 160 van de Wegenverkeerswet 1994 en vorderde ter inzage de afgifte van zijn rijbewijs en kentekenbewijs, waarop de verdachte zijn rijbewijs overhandigde. [verbalisant 2] heeft vervolgens de persoonsgegevens van de verdachte in het politiesysteem bevraagd. Daaruit bleek dat de verdachte meerdere antecedenten had op het gebied van het vervaardigen van softdrugs. [verbalisant 1] en [verbalisant 2] liepen vervolgens naar de auto van de verdachte. Zij roken direct een penetrante geur die zij ambtshalve herkenden als de geur van een hennepplant. Op grond van voormelde feiten en omstandigheden hebben [verbalisant 1] en [verbalisant 2] besloten over te gaan tot doorzoeking van de auto van de verdachte op grond van artikel 96b Sv.

Naar het oordeel van het hof leveren de door [verbalisant 1] en [verbalisant 2] gerelateerde feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, een verdenking op van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, Sv, zodat zij op grond van artikel 96b, eerste lid, Sv bevoegd waren de auto van de verdachte ter inbeslagneming te doorzoeken en zich daartoe de toegang tot dit vervoersmiddel te verschaffen.

Het voorgaande brengt mee dat geen sprake is van enig vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv.

Voor de – pas voor het eerst ter terechtzitting in hoger beroep naar voren gebrachte – alternatieve lezing van de verdediging, die inhoudt dat de verdachte geen enkele weet had van de zich in de kofferbak bevindende doos met hennepstekken en dat die doos wellicht toebehoorde aan zijn ‘Indonesische vriend’ die de auto een paar dagen daarvoor had geleend, biedt het dossier geen enkel solide aanknopingspunt terwijl de verdachte die lezing ook ter terechtzitting op geen enkele wijze handen en voeten heeft gegeven. Bovendien is dit scenario zeer moeilijk te verenigingen met de door de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] in hun proces-verbaal van bevindingen gerelateerde feiten en omstandigheden, waaronder begrepen de omstandigheid dat zij, toen zij naar de auto (met het geopende bestuurdersportier) liepen, direct een penetrante geur roken die zij herkenden als de geur van een hennepplant. De alternatieve lezing zijdens de verdachte wordt derhalve door het hof als onaannemelijk terzijde geschoven.

Alles afwegend en in onderlinge samenhang bezien is het hof van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte het aan hem tenlastegelegde feit heeft begaan. Het tot vrijspraak strekkende verweer wordt in alle onderdelen verworpen.

Voorwaardelijk verzoek

De raadsman heeft het (voorwaardelijk) verzoek gedaan de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] te horen als getuigen indien het hof niet tot bewijsuitsluiting overgaat.

Het hof zal niet tot bewijsuitsluiting overgaan, zodat de aan het verzoek ten grondslag gelegde voorwaarde in vervulling is gegaan. Ter terechtzitting in hoger beroep van 8 juli 2020 heeft het hof het (tijdig) bij appelschriftuur gedane verzoek om de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] – destijds getoetst aan de maatstaf van het verdedigingsbelang – afgewezen omdat, kortgezegd, de verdediging aan de punten waarover voornoemde personen zouden moeten worden bevraagd nauwelijks handen en voeten had gegeven. Op de terechtzitting van 28 oktober 2020 is opnieuw door de verdediging (voorwaardelijk) verzocht om deze verbalisanten te horen als getuigen.

Door de verdediging zijn ter terechtzitting van 28 oktober 2020 geen feiten en omstandigheden aan het verzoek ten grondslag gelegd op grond waarvan dit verzoek alsnog zou moeten worden gehonoreerd. Dat de verdachte de door de verbalisanten geschetste gang van zaken “betwist” vormt op zichzelf geen grond voor het oordeel dat het horen van deze politieambtenaren noodzakelijk is, noch dat dit redelijkerwijs in het belang van de verdediging moet worden geacht. Ook overigens kan hiervoor in hetgeen door de raadsman ter onderbouwing van zijn verzoek is aangevoerd geen aanknopingspunt worden gevonden. Het algemeen geformuleerde standpunt van de verdediging dat inhoudt “de verdediging moet de opsporing kunnen controleren” maakt dit niet anders.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij, op 20 februari 2019, in de gemeente Waterland, 168 hennepstekken opzettelijk heeft vervoerd.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 100 uren (subsidiair 50 dagen vervangende hechtenis).

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van drie weken.

De raadsman heeft verzocht om in geval van een bewezenverklaring een geheel voorwaardelijke straf op te leggen.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het vervoeren van een aanzienlijke hoeveelheid hennep(stekken). Het gebruik van dergelijke verdovende middelen kan schadelijke gevolgen meebrengen voor de gezondheid van de gebruikers. Bovendien zijn verdovende middelen – ook wanneer het softdrugs betreft – vaak direct en indirect oorzaak van andere vormen van overlast en criminaliteit.

Gelet op de ernst van het feit is slechts een taakstraf van substantiële duur passend te achten.

In de aangevoerde persoonlijke omstandigheden ziet het hof geen aanleiding om af te wijken van de in eerste aanleg opgelegde straf. Ook overigens ziet het hof geen redenen om een andere straf op te leggen dan de politierechter heeft gedaan of om een deel daarvan in voorwaardelijke vorm te gieten.

Het hof acht, alles afwegende, een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur passend en geboden.

In het voorgaande ligt besloten dat in hetgeen door de raadsman is aangevoerd, met name gelet op de ernst van het feit, geen grond kan worden gevonden om een andere, lagere, staf op te leggen dan de hieronder bedoelde, dan wel een geheel voorwaardelijke.

Beslag

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de inbeslaggenomen 168 hennepstekken dienen te worden onttrokken aan het verkeer nu het bewezenverklaarde feit met betrekking tot die hennepplanten is begaan en het ongecontroleerde bezit hiervan strijdig is met de wet en het algemeen belang.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 22c, 22d, 36b, 36c en 63 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 100 (honderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 50 (vijftig) dagen hechtenis.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- 168 hennepstekken (987102).

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.W.P. van Heusden, mr. F.M.D. Aardema en mr. R.D. van Heffen in tegenwoordigheid van mr. S. Bonset, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

11 november 2020.

mr. R.D. van Heffen is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.