Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:3151

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
17-11-2020
Datum publicatie
30-11-2020
Zaaknummer
200.270.832/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:TNORDHA:2019:29
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Klacht tegen een notaris. De notaris weigert om klagers inzage in een taxatierapport te verschaffen. Informatieplicht executeur op grond van artikel 4:148 BW. Excessief declareren? Klacht deels gegrond en proceskostenveroordeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2020-0282
JERF Actueel 2020/381
Jurisprudentie Erfrecht 2021/31
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

___________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht

zaaknummer : 200.270.832/01 NOT

nummer eerste aanleg : 19-13 en 19-14

beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 17 november 2020

inzake

1 [klager 1] ,

wonend te [woonplaats] ,

2. [klager 2] ,

wonend te [woonplaats] ,

appellanten,

tegen

[notaris] ,

notaris te [plaats] ,

geïntimeerde.

Partijen worden hierna klagers en de notaris genoemd.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Klagers hebben op 16 december 2019 een beroepschrift – met bijlagen – bij het hof ingediend tegen de beslissing van de kamer voor het notariaat in het ressort Den Haag (hierna: de kamer) van 2 december 2019 (ECLI:NL:TNORDHA:2019:29).

1.2.

De notaris heeft op 20 februari 2020 een verweerschrift – met bijlagen – bij het hof ingediend.

1.3.

Klagers hebben op 24 augustus 2020 een aanvullend stuk ingediend. De notaris heeft ter zitting ingestemd dat dit stuk deel uitmaakt van het procesdossier.

1.4.

Het hof heeft de stukken van de eerste aanleg van de kamer ontvangen.

1.5.

De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 3 september 2020. Klagers en de notaris zijn verschenen en hebben het woord gevoerd aan de hand van aan het hof overgelegde pleitnota’s.

2 Feiten

Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen de vaststelling van de feiten door de kamer geen bezwaar gemaakt, zodat ook het hof van die feiten uitgaat.

Het gaat in deze zaak om het volgende.

2.1.

Op 17 december 2017 is de vader van klagers, de heer [X] (hierna te noemen: erflater), overleden. Erflater was ten tijde van het overlijden gehuwd met mevrouw [Y] (hierna te noemen: de echtgenote).

2.2.

Bij “flex-testament’’ van 21 mei 2015, gepasseerd door de notaris, heeft erflater zijn echtgenote aangewezen tot executeur. Indien zij de functie van executeur niet kan of wil aanvaarden heeft erflater de notaris benoemd tot executeur.

2.3.

Erflater heeft de nodige keuzes gelaten aan de echtgenote in het testament (kort gezegd: alles in eigendom, alles in vruchtgebruik of een deel in eigendom en het overige in vruchtgebruik).

2.4.

Erfgenamen van erflater zijn klagers, de echtgenote en de zuster van klagers. Tussen de erfgenamen bestaat onenigheid waarbij klagers aan de ene kant staan en de echtgenote en hun zuster aan de andere kant. Erflater heeft de echtgenote benoemd tot erfgenaam voor 1/100e van zijn nalatenschap. Voor het restant van de nalatenschap heeft hij zijn drie kinderen benoemd, ieder voor een gelijk deel van 33/99e van de nalatenschap.

2.5.

Omdat voor het overlijden van erflater bewind was ingesteld over de goederen van de echtgenote (beschikking van 23 mei 2017) kwamen haar de bevoegdheden van executeur en afwikkelingsbewindvoerder niet meer toe. De notaris heeft de benoeming van executeur vervolgens aanvaard. [A] B.V. is benoemd tot bewindvoerder over de goederen van zowel erflater als van de echtgenote.

2.6.

De ouders van klagers waren gehuwd onder het maken van huwelijksvoorwaarden (buiten elke gemeenschap van goederen) blijkens de akte van 29 juli 1960. Bij akte van 15 september 2006 hebben de ouders van klagers een finaal verrekenbeding bij overlijden aan hun huwelijksvoorwaarden toegevoegd. Tevens werden bij die akte de huwelijksvoorwaarden integraal opnieuw vastgesteld. Bij akte van 8 februari 2013 is het finaal verrekenbeding bij overlijden herschreven.

2.7.

Bij beschikking van 11 december 2018 heeft de kantonrechter te Den Haag de bewindvoerder van de echtgenote gemachtigd om namens de echtgenote in het kader van de afwikkeling van de nalatenschap van erflater, aanspraak te maken op dan wel te kiezen voor de volledige eigendom van alle bestanddelen van de nalatenschap (derhalve feitelijk de erfenis te verdelen conform de wettelijke verdeling en daarmee eigenaar te worden van de gehele nalatenschap) en aanspraak te maken op het afvullegaat en dit te aanvaarden.

2.8.

De notaris heeft als executeur een voorlopige boedelbeschrijving opgesteld. Tot de nalatenschap behoren onder meer de echtelijke woning (die al voor het overlijden van erflater was verkocht maar na zijn overlijden is geleverd, inboedel, een vakantiewoning in [land] , liquide middelen en certificaten van aandelen van Tennispark [Z] B.V. (hierna te noemen: de BV). De aandelen in het kapitaal van deze BV waren door erflater en diens echtgenote ingebracht in een Stichting Administratiekantoor (hierna: de STAK). De notaris heeft conform een taxatierapport de waarde van de certificaten per sterfdatum in de boedelbeschrijving opgenomen voor een bedrag van € 95.000,-. De BV is al vanaf 1936 eigendom van de familie van klagers. Bestuurder van de BV is de heer [B] .

3 Klacht

De klacht van klagers valt uiteen in de volgende onderdelen.

A. Klagers hebben bezwaar tegen de taxatiewaarde van de certificaten van aandelen. Zij zijn van mening dat de werkelijke waarde aanzienlijk hoger ligt. De taxatiewaarde die door de notaris wordt gehanteerd is slechts 10% van de WOZ-waarde (€ 975.000,- ex BTW). Verder was er een bod uitgebracht door een andere B.V. van € 1.000.000,-. Dit bod is door de bestuurder van de BV geweigerd. Klagers hebben de notaris gevraagd om een kopie van het taxatierapport, maar de notaris weigert dit te verstrekken. Dit terwijl de executeur op grond van artikel 4:148 van het Burgerlijk Wetboek (BW), alsmede op grond van het testament verplicht is om alle gewenste inlichtingen te verstrekken.

Klagers hebben daarom gevraagd om een tweede taxatie, maar de notaris weigert dit omdat de bestuurder van de BV geen medewerking verleent.

B. Een factuur d.d. 4 september 2017 van [C] B.V. van € 8.407,99 is door de executeur direct na het overlijden van erflater voldaan. Het betrof geen advisering van erflater in privé. De notaris weigert inzage, omdat er “vertrouwelijk’’ op de factuur staat. De factuur kwam pas naar boven bij de boedelbeschrijving. De notaris stelt dat hij toestemming had van de bewindvoerder van de echtgenote om tot betaling over te gaan, maar de bewindvoerder betwist dat. De bewindvoerder heeft van de kantonrechter geen akkoord gekregen voor betaling van deze factuur. Het bedrag is nog steeds niet teruggestort.

C. Erflater heeft aan de zusters van klager een bedrag geleend van € 91.871,-. De zuster van klager dient bewijs over te leggen dat zij de schuld inmiddels heeft voldaan of dat de schuld is kwijtgescholden en een schenking is geworden. Klagers verwijten de notaris dat hij als executeur geen inzage aan de zuster heeft gevraagd.

D. De notaris heeft als executeur ongeveer € 100.000,- gedeclareerd uit de nalatenschap. Klagers hebben diverse malen verzocht om een specificatie, maar het overgrote deel van de posten wordt niet nader gespecificeerd.

4 Beoordeling

4.1.

De kamer heeft in de bestreden beslissing klachtonderdeel D. niet-ontvankelijk en de overige klachtonderdelen ongegrond verklaard.

Klachtonderdeel A

4.2.

Klagers hebben in hoger beroep aangevoerd welk belang zij hebben bij inzage in het taxatierapport. Het tennispark is een familiebedrijf dat al vanaf 1936 in eigendom is van de grootouders van klagers. Er is klagers alles aan gelegen dat het familiebedrijf niet wordt verkwanseld voor een scherts taxatiewaarde, maar voor de ware waarde wordt opgenomen in de boedelbeschrijving. Het tennispark dient voor de eerlijke waarde in de boedelbeschrijving van de executeur te worden opgenomen, zodat op eerlijke wijze verdeeld wordt. Ook ten aanzien van de erfbelastingaangifte dient van de werkelijke waarde van het tennispark te worden uitgegaan. De notaris had niet in mogen stemmen met de voorwaarde tot geheimhouding van de inhoud van het taxatierapport jegens de erfgenamen, aldus klagers.

4.3.

Het hof overweegt als volgt. Op grond van artikel 1 van hoofdstuk 2 van het testament zijn klagers erfgenamen. Er is weliswaar gekozen voor de quasi wettelijke verdeling, maar dit wijzigt de hoedanigheid en positie van erven niet. Uit artikel 2 sub b van hoofdstuk 4 van het testament volgt dat de notaris als executeur de taak heeft tot het doen van aangifte voor de erfbelasting. Artikel 4:148 BW bepaalt dat de executeur aan een erfgenaam alle door deze gewenste inlichtingen omtrent de uitoefening van zijn taak moet geven. Deze informatieplicht is tevens in het testament opgenomen in artikel 8 van hoofdstuk 4.

4.4.

Klagers hebben met de onderbouwing van hun klacht, zoals hiervoor verkort weergegeven, aannemelijk gemaakt dat zij belang hebben bij de door hen gewenste inzage van het taxatierapport. Op grond van genoemd artikel 4:148 BW en artikel 8 van hoofdstuk 4 van het testament had de notaris klagers dan ook inzage in het taxatierapport moeten geven. Hij kan zich jegens klagers er niet op beroepen dat hij een geheimhoudingsplicht ter zake het taxatierapport op zich heeft genomen. Deze afspraak doet immers afbreuk aan het informatierecht van klagers, waarvoor geen wettelijke grond bestaat.

Overigens, anders dan klagers kennelijk menen, kan de notaris niet verweten worden dat de heer [B] niet wenst mee te werken aan een tweede taxatie van het tennispark.

4.5.

Gezien het voorgaande is dit klachtonderdeel, anders dan de kamer heeft geoordeeld, gegrond.

Klachtonderdeel B

4.6.

Het hof onderschrijft de beslissing tot ongegrondverklaring van dit klachtonderdeel en de daartoe aangevoerde gronden van de kamer en neemt deze over.

Klachtonderdeel C

4.7.

Ten aanzien van dit klachtonderdeel heeft de kamer overwogen dat de notaris ter zitting in eerste aanleg heeft aangevoerd dat uit onderzoek is gebleken dat de vordering uit geldlening sinds 2007 (voor de inkomstenbelasting) niet meer bestaat. In die tijd liet erflater zijn belastingaangiften verzorgen door een belastingadviseur. Nu het een vordering van meer dan tien jaar geleden betrof hoefde de notaris niet meer onderzoek te doen, dan hij nu heeft gedaan.

4.8.

De notaris heeft in hoger beroep gerefereerd aan een e-mailbericht d.d. 19 juni 2018 van de zuster van klagers, als reactie op vragen van de op het notariskantoor werkzame dossierbehandelaar. In die e-mail van de zuster van klagers deelt zij daarover het volgende mee “nee, er staan geen leningen meer open”. Nu haar mededeling overeenkomt met wat uit de inkomstenbelastingaangiften van erflater volgt, stelt de notaris dat hij er op heeft mogen vertrouwen dat de schuld inmiddels is voldaan.

4.9.

Het hof kan zich met het oordeel van de kamer niet verenigen. Op grond van artikel 2 sub a van hoofdstuk 4 van het testament heeft de notaris onder meer tot taak om ten behoeve van de nalatenschap de vorderingen te innen. Uit hoofde van die taak had de notaris concreet navraag moeten doen bij de zus van klagers. De notaris had bij de zus betaalbewijzen of een bewijs van kwijtschelding kunnen opvragen, dan wel andere bescheiden waaruit zou blijken dat aan de vordering is voldaan. De notaris had zich dus niet neer moeten leggen bij de niet met bewijsstukken onderbouwde mail van de zuster van klager. Nu de notaris onvoldoende onderzoek heeft verricht, is daarmee ook dit klachtonderdeel gegrond.

Klachtonderdeel D

4.10.

Met betrekking tot dit klachtonderdeel is het hof van oordeel dat het, evenals de kamer, niet bevoegd is om over de hoogte van declaraties te oordelen. Hierbij heeft het hof meegewogen dat niet aannemelijk is geworden dat sprake is van excessief declareren door de notaris, gelet op de complexiteit van de boedel, de onenigheid tussen de erven en de zeer omvangrijke correspondentie op initiatief van klagers. Dit klachtonderdeel is niet-ontvankelijk. Klagers kunnen zich met hun klachten over de declaraties en hun daaruit vloeiende vermeende vorderingen tot de civiele rechter wenden.

4.11.

Indien en voor zover klagers tijdens de procedure in een eerste aanleg en hoger beroep meer en andere klachtonderdelen hebben aangevoerd dan in hun klaagschrift met bijlagen vermeld, kunnen deze niet in behandeling worden genomen. De kamer en het hof beoordelen alleen de klachtonderdelen die in het klaagschrift zijn verwoord.

Conclusie en maatregel

4.12.

De notaris heeft het informatierecht van de klagers op grond van artikel 4:148 BW en artikel 8 van hoofdstuk 4 van het testament niet in acht genomen. Hij heeft daarmee een van de kernverplichtingen voor een notaris geschonden. Voorts heeft hij ook aan zijn onderzoeksplicht niet voldaan. Aldus heeft de notaris niet de zorg betracht, zoals voorgeschreven in artikel 93 lid 1 Wet op het notarisambt (hierna: Wna). Het hof acht de maatregel van berisping dan ook passend en geboden.

Het hof tekent hierbij aan dat de door klagers blijkens hun pleitnota in hoger beroep gewenste maatregelen niet op de wet zijn gebaseerd en daarom niet opgelegd kunnen worden.

4.13.

Het hof zal ten behoeve van de leesbaarheid de bestreden beslissing vernietigen en een geheel nieuw dictum formuleren.

Proceskostenveroordeling

4.14.

In verband met de wijziging van de Wna per 1 januari 2018 heeft dit hof per die datum de Tijdelijke richtlijn kostenveroordeling notaris- en gerechtsdeurwaarders-kamer Gerechtshof Amsterdam (Staatscourant 2017, nr. 75085; hierna: de richtlijn) vastgesteld. De looptijd van deze richtlijn is verlengd tot in beginsel 1 januari 2021 (Staatscourant 2019, nr. 61782).

4.15.

Nu het hof de klacht van klagers gedeeltelijk gegrond verklaart, stelt het hof vast dat de notaris op grond van de artikelen 99 lid 5 Wna in verbinding met 107 lid 3 Wna het door klagers betaalde griffierecht in hoger beroep aan hen dient te vergoeden.

4.16.

Nu het hof de klacht gegrond verklaart en de notaris tevens een maatregel oplegt, zal het hof de notaris op grond van de artikelen 103b lid 1 in verbinding met 107 lid 3 Wna en de richtlijn veroordelen in de volgende kosten in hoger beroep:

- € 50 kosten van klagers;

- € 3.000 kosten van behandeling van de klacht door het hof.

Er zijn geen bijzondere omstandigheden gebleken die aanleiding geven tot een andere beslissing.

4.17.

De notaris dient het griffierecht en de kosten van klagers in hoger beroep binnen vier weken na deze uitspraak aan klagers te voldoen, hetgeen kan geschieden door betaling op een daartoe door klagers aan de notaris opgegeven rekeningnummer.

4.18.

De notaris dient de kosten van behandeling van de klacht in hoger beroep te voldoen aan het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak (LDCR), waarbij de in de artikelen 103b lid 3 in verbinding met 107 lid 3 Wna bepaalde termijn en de wijze waarop de kosten moeten worden voldaan door het LDCR per brief aan de notaris zullen worden meegedeeld.

5 Beslissing

Het hof:

- vernietigt de bestreden beslissing

en, opnieuw beslissende:

- verklaart klachtonderdeel D niet-ontvankelijk;

- verklaart de klachtonderdelen A en C gegrond;

- verklaart klachtonderdeel B ongegrond;

- legt de notaris de maatregel van berisping op;

- veroordeelt de notaris tot betaling aan klagers van hun kosten in hoger beroep, bestaande uit € 50 aan griffierecht en € 50 aan kosten klagers, derhalve in totaal € 100, binnen vier weken na heden;

- veroordeelt de notaris tot betaling van € 3.000 aan kosten van behandeling van de klacht in hoger beroep, te betalen aan het LDCR op de wijze en binnen de termijn als door het LDCR aan de notaris zal worden meegedeeld.

Deze beslissing is gegeven door mrs. A.D.R.M. Boumans, J.W.M. Tromp en

J.W. van Zaane en in het openbaar uitgesproken op 17 november 2020 door de rolraadsheer.