Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:3150

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
17-11-2020
Datum publicatie
23-11-2020
Zaaknummer
23-000508-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vonnis wordt bevestigd behalve t.a.v. strafoplegging. Verdachte heeft slachtoffer gedurende werkzaamheden als tramchauffeur mishandeld en beledigd en buitensporig agressief gereageerd. Hof oordeelt tot zwaardere straf: geldboete en taakstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-000508-19

datum uitspraak: 17 november 2020

TEGENSPRAAK (gemachtigde raadsman)

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 30 januari 2019 in de strafzaak onder parketnummer 13-207301-18 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1989,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

3 november 2020.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de opgelegde straf, waaronder begrepen de schadevergoedingsmaatregel. In zoverre zal het vonnis worden vernietigd.

Oplegging van straffen

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 60 uren, waarvan 20 uren voorwaardelijk en een geldboete ter hoogte van € 250,-.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straffen als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft het slachtoffer, tevens benadeelde partij, gedurende zijn werkzaamheden als tramchauffeur mishandeld door hem bij zijn keel te grijpen en daarin te knijpen. Hij heeft op buitensporig agressieve wijze op het incident gereageerd en heeft het slachtoffer tevens beledigd. Deze uitingen zijn naar het slachtoffer (zeer) grievend geweest, te meer daar ze in het openbaar plaatsvonden, specifiek gericht waren tegen de aangever en tijdens zijn werkzaamheden plaatsvonden. Het slachtoffer heeft verklaard dat hij zijn werkzaamheden als tramchauffeur heeft neergelegd omdat hij nooit meer zo een incident als het onderhavige wil meemaken. Dit getuigt van de impact die het delict heeft gehad op de aangever.

Daarbij komt bij dat de mishandeling en belediging hebben plaatsgevonden op een druk verkeerspunt in Amsterdam. Ook voor de reizigers in de tram en overige omstanders moet het gedrag van de verdachte een gevoel van onrust en onveiligheid teweeg hebben gebracht.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 22 oktober 2020 is hij eerder voor soortgelijke feiten onherroepelijk veroordeeld.

Dit alles maakt dat het hof de verdachte een zwaardere straf zal opleggen dan de rechtbank heeft gedaan en door de advocaat-generaal is gevorderd.

Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf en geldboete van na te melden duur dan wel hoogte passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 23, 24, 24c, 36f, 57, 63, 266 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezenverklaarde.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot het door de rechtbank toegewezen bedrag. De overgelegde verklaring van de behandelend psycholoog ondersteunt genoegzaam dat de verdachte geestelijk letsel heeft opgelopen door het delict. Het verweer dat de vordering onvoldoende is onderbouwd en dat de verdachte daarin niet-ontvankelijk moet worden verklaard, wordt verworpen.

Schadevergoedingsmaatregel

Met het oog op de inwerkingtreding van de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen (wet USB) per 1 januari 2020 – waarbij de regeling van de vervangende hechtenis is vervangen door de regeling van de gijzeling – kan het hof zich niet verenigen met de beslissing omtrent de schadevergoedingsmaatregel, echter uitsluitend voor zover de politierechter hechtenis heeft verbonden aan de oplegging van deze maatregel. Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 250,00 (tweehonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 5 (vijf) dagen hechtenis.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 100 (honderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 50 (vijftig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat een gedeelte van de taakstraf, groot 50 (vijftig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 25 (vijfentwintig) dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde], ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 722,00 (zevenhonderdtweeëntwintig euro) als vergoeding voor immateriële schade.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 14 (veertien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van de betalingsverplichtingen (uit hoofde van de vordering van de benadeelde partij en uit hoofde van de schadevergoedingsmaatregel) heeft voldaan, de andere vervalt.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. E. van Die, mr. P.C. Römer en mr. D. Greven, in tegenwoordigheid van mr. B.K.M. Pouw, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 17 november 2020.

mr. Greven is buiten staat het arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

[…]