Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:3103

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
17-11-2020
Datum publicatie
12-02-2021
Zaaknummer
200.245.994/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aansprakelijkheidsrecht. Verzekeringsrecht. Zorgplicht assurantietussenpersoon. Bij het verladen valt een grote kist van de lepels van een vorkheftruck. De zich daarin bevindende printer wordt beschadigd en ook het pand waartegen de kist aanvalt. De verhuurder van de heftruck met chauffeur wordt aansprakelijk gehouden voor de schade. Onder de aansprakelijkheidsverzekering voor bedrijven (AVB) van de verhuurder is dekking voor de schade aan het pand, maar niet voor de printer vanwege de in de AVB opgenomen opzichtclausule. De assurantietussenpersoon wordt aansprakelijk gesteld voor het ontbreken van dekking voor de schade aan de printer. In hoger beroep slaagt het verweer van de assurantietussenpersoon dat zij niet ervan op de hoogte was dat de verhuurder zaken van derden vervoerde, zodat de assurantietussenpersoon ook niet kan worden verweten dat in verband daarmee geen verzekering is geadviseerd of afgesloten.

De verhuurder is gefailleerd en de vordering is door de curator overgedragen aan appellante. De in hoger beroep verdedigde grondslag van de vordering op de assurantietussenpersoon verdraagt zich niet met ‘object van koop’ zoals dat is omschreven in deze koopovereenkomst tussen appellante en de curator. Naast het ontbreken van een zorgplichtschending van de assurantietussenpersoon staat deze omstandigheid aan toewijzing van de vorderingen in de weg.

Zie ECLI:NL:GHAMS:2018:3544.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTHR 2021, afl. 2, p. 85
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer: 200.245.994/01

zaak-/rolnummer rechtbank Noord-Holland: C/15/260490 / HA ZA 17-432

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 17 november 2020

inzake

[X] B.V. als rechtsopvolgster van Handelsonderneming [Y] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats ] ,

appellante,

advocaat: mr. E.J.W.M. van Niekerk te Rotterdam,

tegen:

[Z] ASSURANTIËN B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats ] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. M.F. Benningen te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [X] en [Z] genoemd.

Bij dagvaarding van 17 juli 2018 is Handelsonderneming [Y] B.V., gevestigd te [plaats] (hierna: [Y] ), in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Haarlem, van 18 april 2018, onder het hierboven genoemde zaak-/rolnummer gewezen tussen haar als eiseres en [Z] als gedaagde.

Het hof heeft een comparitie na aanbrengen gelast die op 6 december 2018 heeft plaatsgevonden. Van de zitting is proces-verbaal opgemaakt.

Bij vonnis van 5 februari 2019 is [Y] in staat van faillissement verklaard, met benoeming van mr. E.W.M. Verkooijen tot curator.

[X] heeft zich gesteld als rechtsopvolgster van [Y] . Zij heeft een koopovereenkomst, tevens vaststellingsovereenkomst overgelegd, ondertekend op 31 maart 2019 en 3 april 2019, waaruit volgt dat de curator de vorderingen die [Y] bij dagvaarding van 12 juni 2017 in deze procedure heeft ingesteld, heeft verkocht en geleverd aan [X] .

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;

- memorie van antwoord, met producties.

Partijen hebben de zaak ter zitting van 26 oktober 2020 doen bepleiten door hun hiervoor genoemde advocaten, ieder aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. Door [X] zijn nog producties in het geding gebracht (genummerd 9 en 10).

Ten slotte is arrest gevraagd.

[X] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en – uitvoerbaar bij voorraad – alsnog haar vorderingen zal toewijzen, met beslissing over de proceskosten, met nakosten en rente.

[Z] heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met – uitvoerbaar bij voorraad – beslissing over de proceskosten, met nakosten en rente.

Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

2 Feiten

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.9 feiten opgesomd die tussen partijen vaststaan. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil, zodat het hof daarvan als vaststaand zal uitgaan. Het gaat in deze zaak samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, om het volgende.

2.1.

[Y] voerde een onderneming die zich onder meer bezig hield met de verhuur van vorkheftrucks met en zonder chauffeur.

2.2.

Op 8 oktober 2003 heeft [Y] via haar toenmalige assurantietussenpersoon ING Bank een Aansprakelijkheidsverzekering voor Bedrijven en Beroepen (hierna: AVB) afgesloten bij Aegon. Op de verzekering zijn van toepassing de Voorwaarden Aansprakelijkheidsverzekering voor bedrijven en beroepen nr. 1198. Verzekerd is de aansprakelijkheid van [Y] als verzekeringnemer in de hoedanigheid van eigenaar/exploitant van een handelsonderneming in vorkheftrucks, inclusief reparatie en verhuur.

2.3.

In de verzekeringsvoorwaarden is, voor zover van belang, een uitsluiting opgenomen voor schade veroorzaakt met of door een motorrijtuig. Deze uitsluiting bevat een insluiting voor aansprakelijkheid voor schade toegebracht met of door zaken, die zich bevinden op, vallen of gevallen zijn van, geladen worden op of gelost worden van een motorrijtuig, aanhangwagen of vaartuig anders dan aan het vervoermiddel zelf.

2.4.

De verzekeringsvoorwaarden bevatten verder een opzichtclausule. Daarmee is uitgesloten de aansprakelijkheid voor schade aan zaken die het gevolg is van enig handelen of nalaten gedurende de tijd, dat de verzekerde of iemand namens hem die zaken vervoert, huurt, gebruikt, bewerkt, behandelt, repareert of om andere reden onder zich heeft.

2.5.

Met ingang van 18 oktober 2006 is [Z] de assurantietussenpersoon van [Y] geworden. De AVB behoort tot de portefeuille van [Z] .

2.6.

Op 16 december 2010 is [Y] de opdracht gegeven om met een vorkheftruck met chauffeur een kist te lossen met daarin een printer van 5.000 kg. Bij het lossen is de kist van de vorkheftrucklepels en tegen het bedrijfspand van Beheersmaatschappij Guni Groep B.V. (hierna: Guni Groep) aan gevallen. De printer behoorde toe aan Guni Groep. Zowel het pand als de printer zijn beschadigd.

2.7.

Op 24 december 2010 heeft [Y] de schade gemeld bij [Z] . Bij brief van 14 januari 2011 heeft [Z] aan [Y] laten weten dat de AVB geen dekking biedt. Bij brief van 31 maart 2011 heeft Aegon aan [Y] meegedeeld dat de schade aan de gevel van het pand van Guni Groep wel verzekerd is onder de AVB, maar de schade aan de printer niet. Daarbij heeft Aegon gewezen op de opzichtclausule en toegelicht dat [Y] de lading in bewerking of behandeling had en dat om die reden dekking voor de schade aan de lading ontbreekt.

2.8.

Guni Groep heeft op 7 februari 2011 [Y] en daarnaast [A] , als de bestuurder van de vorkheftruck, gedagvaard voor de rechtbank Amsterdam op grond van wanprestatie dan wel onrechtmatige daad en schadevergoeding gevorderd.

2.9.

In een tussenvonnis van 16 november 2011 heeft de rechtbank Amsterdam overwogen dat [A] verwijtbaar onzorgvuldig en daarmee onrechtmatig heeft gehandeld bij het uitladen van de kist met daarin de printer. Verder is geoordeeld dat de vordering van Guni Groep op grond van een toerekenbare tekortkoming tegen [Y] niet toewijsbaar is, omdat niet Guni Groep, maar een medewerker van Vlaggendrukkerij [B] & Zoon B.V., een aan Guni Groep gelieerde rechtspersoon, de opdracht aan [Y] had gegeven. Bij tussenvonnis van 11 februari 2015 is onder meer geoordeeld dat het beroep van [A] op eigen schuld van Guni Groep niet opgaat. Dit tussenvonnis is op dit punt door dit hof bij arrest van 24 oktober 2017 (ECLI:NL:GHAMS:2017:4322) bekrachtigd. Bij eindvonnis van 4 juli 2018 heeft de rechtbank Amsterdam de vorderingen van Guni Groep tegen [Y] afgewezen en [A] veroordeeld tot schadevergoeding voor een bedrag van € 139.993,55 in hoofdsom, vermeerderd met rente en kosten.

2.10.

Guni Groep heeft het eindvonnis tegen [A] ten uitvoer gelegd. In een afzonderlijke procedure bij de rechtbank Amsterdam is bij vonnis van 12 september 2018 geoordeeld dat de echtgenote van [A] hoofdelijk tegenover Guni Groep voor deze schuld is verbonden. [A] en zijn echtgenote hebben de vordering van Guni Groep voldaan.

2.11.

[A] en zijn echtgenote hebben beiden hoger beroep ingesteld tegen de respectievelijke vonnissen waarbij zij tot schadevergoeding jegens Guni Groep zijn veroordeeld. De beide zaken staan thans bij dit hof op de rol voor een gezamenlijke mondelinge behandeling.

2.12.

Volgens [Y] bleek na het schadevoorval dat zij niet goed verzekerd was. [Y] heeft [Z] aansprakelijk gesteld voor alle schade die [Y] als gevolg daarvan lijdt en nog zal lijden. [Y] heeft daaraan ten grondslag gelegd dat [Z] niet de zorg heeft betracht die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend tussenpersoon verwacht mag worden.

3 Beoordeling

Aard en omvang van de door [X] gekochte vorderingen

3.1.

Uitgangspunt voor de beoordeling is dat [X] rechtsopvolgster is van [Y] . Zij heeft van de curator in het faillissement van [Y] de vorderingen gekocht zoals die in deze procedure namens [Y] bij de inleidende dagvaarding van 12 juni 2017 tegen [Z] zijn ingesteld.

3.2.

[Z] voert onder meer aan dat de vorderingen van [X] moeten worden afgewezen, omdat [Y] geen schade heeft geleden als gevolg van het ontbreken van dekking. De vorderingen zoals die bij de inleidende dagvaarding door [Y] zijn ingesteld, zien op een gestelde zorgplichtschending van [Z] , daaruit bestaande dat [Y] geen vergoeding of dekking heeft gekregen in verband met de vordering tot schadevergoeding van Guni Groep op [Y] . [Y] is echter nooit veroordeeld tot betaling van schadevergoeding aan Guni Groep. Haar vordering tegen [Y] is door de rechtbank afgewezen, omdat Guni Groep geen overeenkomst had gesloten met [Y] . [Y] heeft dus geen schade geleden. Daarmee kan [X] als rechtsopvolgster van [Y] op haar beurt ook geen schadevergoeding van [Z] vorderen, aldus [Z] .

3.3.

Naar aanleiding van dit verweer wordt het volgende overwogen. In de koopovereenkomst die [X] met de curator heeft gesloten is het ‘object van koop’ omschreven. Dat zijn de vorderingen die namens [Y] bij dagvaarding van 12 juni 2017 tegen [Z] zijn ingesteld. Uit de inleidende dagvaarding en de daarbij overgelegde inleidende dagvaarding van Guni Groep volgt dat Guni Groep een verklaring voor recht heeft gevorderd dat [Y] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van een verbintenis jegens Guni Groep als gevolg waarvan zij schade heeft geleden en nog lijdt. [Y] verwijt op haar beurt [Z] haar zorgplicht als assurantietussenpersoon te hebben geschonden doordat [Y] geen dekking heeft voor deze door Guni Groep gevorderde schade en voor de kosten van het verweer tegen de vordering van Guni Groep.

3.4.

De vordering van Guni Groep op grond van een toerekenbare tekortkoming van [Y] is door de rechtbank Amsterdam afgewezen, omdat het bestaan van een overeenkomst tussen Guni Groep en [Y] niet kon worden vastgesteld. [X] heeft in de processtukken niet gesteld dat Guni Groep tegen het eindvonnis hoger beroep heeft ingesteld en dat deze zaak thans nog aanhangig is in hoger beroep. Voor zover daarvan veronderstellenderwijs wordt uitgegaan, kon [X] ter zitting niet de vraag van het hof beantwoorden of dit hoger beroep ooit nog zal worden voortgezet. Onbekend is of Guni Groep deze vordering ter verificatie in het faillissement van [Y] heeft ingediend. Evenmin weet [X] wat de grondslag van de vordering van Guni Groep op [Y] in hoger beroep zal zijn, als dat geding ooit zal worden voortgezet. Daarmee is vooralsnog niet aannemelijk geworden dat [Y] in verband met de door Guni Groep ingestelde vorderingen schade heeft geleden of zal lijden.

3.5.

Hoe dit ook zij, bij pleidooi is namens [X] het standpunt ingenomen dat de schade van [Y] daarin is gelegen dat [A] en zijn echtgenote op grond van de vonnissen van de rechtbank Amsterdam de schade van Guni Groep hebben vergoed. Zij hebben vervolgens [Y] aansprakelijk gesteld voor de schade die zij hebben geleden en nog zullen lijden. Deze (regres)vordering van [A] en zijn echtgenote is ter verificatie in het faillissement van [Y] ingediend. Hierdoor bevindt zich volgens [X] een schuld in de boedel en tevens een daarmee corresponderende vordering op [Z] . Dat recht is door de curator bij koopovereenkomst van 31 maart 2019 aan [X] verkocht. Aldus steeds [X] . [Z] heeft dit bestreden.

3.6.

Naar het oordeel van het hof kunnen de vorderingen van [X] niet op basis van de door haar verdedigde grondslag worden toegewezen. De curator heeft aan [X] de vorderingen verkocht die namens [Y] bij dagvaarding van 12 juni 2017 tegen [Z] zijn ingesteld. Dit zijn vorderingen van [Y] die verband houden met een door Guni Groep tegen [Y] ingestelde vordering tot schadevergoeding op grond van een tekortkoming in de nakoming van een overeenkomst. In de inleidende dagvaarding wordt niet gesproken over een (regres)vordering van [A] en zijn echtgenote op [Y] in verband waarmee [Z] aansprakelijk wordt gehouden en daarmee evenmin over de grondslag daarvan. Die regresvordering bestond op dat moment ook nog niet, volgens de eigen stellingen van [X] . In de koopovereenkomst van 31 maart 2019 komt een vordering van [A] en zijn echtgenote evenmin aan de orde.
Niet beslissend is dat de vordering van [A] en zijn echtgenote uiteindelijk verband houdt met in beginsel dezelfde schade van Guni Groep als gevolg van het incident met de heftruck. Ook als ervan uit wordt gegaan dat [A] en zijn echtgenote [Y] op enig moment aansprakelijk hebben gesteld voor hun schade, blijkt uit niets dat [Y] (of de curator namens de faillissementsboedel) in verband met die vordering [Z] aansprakelijk houdt of [Z] op enig moment daarvoor aansprakelijk heeft gesteld en/of dat de curator die vordering van [Y] op [Z] aan [X] heeft verkocht en geleverd, noch daargelaten wat precies de grondslag van die vordering is. De verdedigde grondslag van de vorderingen verdraagt zich aldus niet met het ‘object’ van de koopovereenkomst van 31 maart 2019 en de omstandigheden waaronder deze koopovereenkomst tot stand is gekomen. Dit betekent dat de vorderingen van [X] moeten worden afgewezen.

Zorgplicht van [Z]

3.7.

Het hof ziet, ondanks het voorgaande, aanleiding ook het inhoudelijke geschil tussen partijen te behandelen, omdat dat de kern is van hetgeen partijen verdeeld houdt. Het gaat om de vraag of [Z] jegens [Y] is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen als assurantietussenpersoon.

3.8.

De rechtbank heeft de vorderingen van [Y] , kort gezegd, om twee redenen afgewezen. In de eerste plaats heeft de rechtbank vastgesteld dat de bestuurder van [Y] ervan op de hoogte was dat ‘opzicht’ niet valt onder de dekking van de AVB. De stelling van [Y] , dat [Z] haar erop had moeten wijzen dat het opzichtrisico niet was verzekerd, moet daarom volgens de rechtbank worden verworpen.
In de tweede plaats kon volgens de rechtbank op basis van de stellingen van [Y] niet worden vastgesteld dat het opzichtrisico door [Y] eenvoudig had kunnen worden bijverzekerd. Om die reden kan volgens de rechtbank niet worden aangenomen dat [Z] zich niet als een goed opdrachtnemer heeft gedragen.

3.9.

Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [X] met vijf grieven op.

3.10.

[X] heeft in hoger beroep nader uiteengezet waarom volgens haar de bestuurder van [Y] niet van de opzichtclausule op de hoogte was en waarom de aan de verhuur van heftrucks met chauffeur verbonden risico’s door [Y] verzekerd konden worden. Ter onderbouwing van dit laatste heeft zij onder meer verklaringen overgelegd van verzekeringsmakelaars.

3.11.

In hoger beroep bestrijdt [Z] op zichzelf genomen niet (meer) dat het mogelijk was voor de genoemde verhuurrisico’s van [Y] een verzekering af te sluiten. [Z] voert in hoger beroep echter als nieuw verweer aan dat zij niet ervan op de hoogte was dat [Y] zaken van derden vervoerde, zodat haar ook niet kan worden verweten dat in verband daarmee geen verzekering was geadviseerd of afgesloten. Volgens [Z] heeft [Y] verteld dat zij een groothandel had in heftrucks en ook heftrucks verhuurde. Over de verhuur van heftrucks met chauffeur is echter nooit gesproken. Ter onderbouwing van dit verweer heeft [Z] een verklaring overgelegd van [C] , relatiebeheerder bij [Z] , waaruit dit volgt. Verder heeft [Z] van deze stelling bewijs aangeboden.

3.12.

Ter gelegenheid van het pleidooi heeft [X] op haar beurt een verklaring overgelegd van [D] , destijds de gesprekspartner van [C] . Hij verklaart dat hij zich niet meer kan herinneren of hij [C] expliciet heeft verteld dat [Y] ook heftrucks met chauffeur verhuurde. Volgens hem moet [C] dit wel hebben geweten, omdat dit blijkt uit de folder van [Y] en uit de lijst met verhuurtarieven. Tevens wordt met verwijzing naar de verklaring van [E] bepleit dat [C] dit op grond van de regelmatige bezoeken aan het bedrijf geweten moet hebben.
Tijdens het pleidooi is verder door [X] aangevoerd dat [Z] als redelijk handelend en redelijk bekwaam assurantietussenpersoon was gehouden navraag te doen naar de volledige bedrijfsactiviteiten van [Y] en dat er geen aanleiding is te vermoeden dat [Z] niet is geïnformeerd over de verhuur van heftrucks met chauffeur. [Z] diende volgens [X] de inventarisatie van de activiteiten van [Y] schriftelijk vast te leggen en deze ter verificatie aan [Y] toe te zenden. Dat is niet gebeurd. Onder verwijzing naar het arrest HR 8 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW1720 betoogt [X] verder dat, als [Z] niet van de verhuur met chauffeur op de hoogte was, dat risico en de gevolgen daarvan voor rekening van [Z] moeten komen.

3.13.

Bij pleidooi heeft [Z] de verklaringen weersproken waaruit volgt dat zij bekend kon zijn met de verhuur met chauffeur door [Y] . De folder en lijst met verhuurtarieven heeft [Z] nog nooit gezien en door [D] wordt ook niet gesteld dat dit wel zo was. Het ligt volgens [Z] ook niet voor de hand dat zij met de genoemde risico’s van [Y] bekend was. Zij verdient immers haar geld met het adviseren van haar relaties om (aanvullende) verzekeringen af te sluiten.

3.14.

Als uitgangspunt voor de beoordeling geldt dat een assurantietussenpersoon tegenover zijn opdrachtgever de zorg dient te betrachten die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot mag worden verwacht. Het is zijn taak te waken voor de belangen van zijn opdrachtgever. De assurantietussenpersoon dient zijn opdrachtgever tijdig opmerkzaam te maken op de gevolgen die hem bekend geworden feiten voor de opdrachtgever kunnen hebben. Daarbij gaat het om feiten en omstandigheden die aan de assurantietussenpersoon bekend zijn of die hem redelijkerwijs bekend behoorden te zijn. Daarvan uitgaande mag van een assurantietussenpersoon worden verwacht dat hij bij het aangaan van de relatie actief onderzoek doet naar de aard en omvang van de bedrijfsactiviteiten van zijn opdrachtgever en deze voldoende vaak en voldoende indringend moet waarschuwen voor de gevolgen van bepaalde risico’s. Ook dient hij voldoende actief behulpzaam te zijn bij het verkrijgen van passende verzekeringen, als daartoe aanleiding is. Hoe ver het genoemde onderzoek moet gaan, hoe frequent en indringend waarschuwingen moeten zijn en welke hulp voldoende is om de zorgplicht van de assurantietussenpersoon nagekomen te achten, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval.

3.15.

De vorderingen van [X] zijn gebaseerd op de stelling dat [Z] haar zorgplicht jegens [Y] heeft geschonden. Op grond van de hoofdregel van bewijslastverdeling (artikel 150 Rv) geldt dat in beginsel op [X] de bewijslast rust van de feitelijke grondslag van die gestelde tekortkoming, als deze gemotiveerd is betwist.

3.16.

Op grond van hetgeen partijen over en weer hebben aangevoerd kan worden vastgesteld dat [Z] (in de persoon van [C] ) voorafgaand of bij het aangaan van de opdrachtrelatie heeft gesproken met [D] over de bedrijfsvoering van [Y] en dat de lopende verzekeringen zijn geïnventariseerd en beoordeeld. Toen of op een later moment is haar niet verteld dat de verhuur van heftrucks met chauffeur tot de bedrijfsuitoefening behoorde. Verder heeft [Z] bij de Kamer van Koophandel de hoedanigheid van [Y] opgevraagd en daaruit viel niet af te leiden dat [Y] zich bezighield met de verhuur van heftrucks met chauffeur. Uit de folder en verhuurtarievenlijst bleek dit wel, maar [X] stelt niet (gemotiveerd) dat deze stukken namens [Y] aan [Z] zijn verstrekt.

3.17.

Hiervoor is vermeld dat het tot de taak van een assurantietussenpersoon behoort dat hij zijn opdrachtgever tijdig opmerkzaam maakt op de gevolgen die hem bekend geworden feiten voor de opdrachtgever kunnen hebben. Die situatie deed zich niet voor. Er moet van worden uitgegaan dat [Z] van de verhuur van heftrucks met chauffeur niet op de hoogte was, zodat zij naar aanleiding daarvan [Y] niet kon waarschuwen voor de gevolgen daarvan. [Z] kan in verband met deze, voor haar onbekende risico’s ook niet worden verweten dat geen verzekering of aanvullende dekking is geadviseerd of tot stand gebracht.

3.18.

Anders dan [X] kennelijk betoogt, is er in dit geval geen reden om uit te gaan van een schending door [Z] van een op haar rustende verzwaarde stelplicht om daar ten nadele van [Z] een sanctie aan te verbinden. [Z] heeft voldoende concreet duidelijk gemaakt, mede aan de hand van de verklaring van [C] , hoe zij heeft voldaan aan haar zorgplicht, welke verzekeringen en risico’s zij met [Y] heeft besproken en wat zij heeft geadviseerd. Zij was niet gehouden haar inventarisatie schriftelijk vast te leggen en aan [Y] ter verificatie voor te leggen. Doordat [X] niet (gemotiveerd) stelt dat [Z] is ingelicht over de verhuur van heftrucks met chauffeur en niet is gebleken dat aan [Z] stukken zijn verstrekt waaruit dit viel af te leiden, falen haar stellingen. Op grond van de gestelde omstandigheden kan evenmin worden aangenomen dat [Z] met het genoemde risico redelijkerwijs bekend had behoren te zijn. De omstandigheid dat [C] regelmatig bij [Y] op bezoek kwam, biedt verder onvoldoende basis voor een vertrouwen van [Y] dat [Z] op de hoogte was van het feit dat regelmatig heftrucks met chauffeur werden verhuurd. Ook in zoverre falen de stellingen van [X] .

3.19.

Bij gebreke van een schending van de zorgplicht door [Z] kunnen de vorderingen van [X] niet worden toegewezen. De overige verweren van [Z] hoeven bij deze stand van zaken niet te worden besproken.

3.20.

Doordat het nieuwe verweer dat [Z] voor het eerst in hoger beroep heeft aangevoerd slaagt, hoeven de grieven van [X] verder niet behandeld te worden. Uitgaande van het slagen van het verweer van [Z] op het punt van de zorgplicht kunnen deze grieven niet tot leiden tot vernietiging van het bestreden vonnis.

3.21.

De slotsom is dat het hoger beroep geen succes heeft. Het vonnis waarvan beroep, waarbij de vorderingen van [Y] als rechtsvoorgangster van [X] zijn afgewezen, dient te worden bekrachtigd.

3.22.

De bewijsaanbiedingen van [X] hebben geen betrekking op voldoende concrete stellingen die, indien bewezen, tot andere beslissingen in deze zaak dienen te leiden. De bewijsaanbiedingen worden daarom als niet ter zake dienend gepasseerd.

3.23.

[X] zal als in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding in hoger beroep.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [X] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [Z] begroot op € 1.978,00 aan verschotten en € 5.877,00 voor salaris advocaat en op € 157,00 voor nasalaris, te vermeerderen met € 82,00 voor nasalaris en met de kosten van het betekeningsexploot, ingeval niet binnen veertien dagen is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordeling(en) en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden, en te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten, indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest dan wel het verschuldigd worden van de nakosten aan de proceskostenveroordeling is voldaan;

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.F. Aalders, J.W. Hoekzema en M. Bijkerk en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 17 november 2020.