Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:3090

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
17-11-2020
Datum publicatie
21-12-2020
Zaaknummer
200.281.082/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

Bekrachtiging machtiging uithuisplaatsing. Afwijzing verzoek moeder om nader onderzoek.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 810a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Zaaknummer: 200.281.082/01

Zaaknummer rechtbank: C/15/299070 / JU RK 20-220

Beschikking van de meervoudige kamer van 17 november 2020 inzake

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. M. Verkijk te Haarlem,

en

de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,

gevestigd te Amsterdam,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de GI.

Als belanghebbenden zijn mede aangemerkt:

- de minderjarige [kind A] (verder te noemen: [kind A] );

- de minderjarige [kind B] (verder te noemen: [kind B] );

- [(stief)vader] (verder te noemen: de (stief)vader).

Als informanten zijn aangemerkt:

- de Stichting SIG (verder te noemen: SIG);

- [pleegmoeder] en [pleegvader] (verder te noemen: de pleegouders van [kind A] ).

In zijn adviserende taak is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

gevestigd te Den Haag, locatie Haarlem,

verder te noemen: de raad.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de verkorte beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem (hierna: de kinderrechter), van 24 juni 2020, hersteld bij beschikking van 25 juni 2020 en waarvan de schriftelijke uitwerking is vastgesteld en ondertekend op 3 juli 2020, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De moeder is op 24 juli 2020 in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking van 24 juni 2020.

2.2

De GI heeft op 18 augustus 2020 een verweerschrift ingediend.

2.3

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- een e-mailbericht van de GI van 1 september 2020 met bijlagen, ingekomen op dezelfde datum;

- een brief van de pleegouders van [kind A] , ingekomen per e-mailbericht op 3 september 2020.

2.4

De mondelinge behandeling heeft op 4 september 2020 plaatsgevonden. Verschenen zijn:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- de GI, vertegenwoordigd door de gezinsmanager en de gebiedsmanager;

- SIG, vertegenwoordigd door mevrouw I. Ruiter-Tesselaar;

- de raad, vertegenwoordigd door mevrouw V.A.S. Regout.

De pleegouders van [kind A] zijn, met bericht van afmelding, niet verschenen. De (stief)vader is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, zonder nadere berichtgeving, evenmin verschenen.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft de GI nog een brief van William Schrikker Gezinsvormen van 3 september 2020 overgelegd.

3 De feiten

3.1

Uit de inmiddels verbroken relatie van de moeder en de (stief)vader is geboren:

- [kind B] , [in] 2017 te [geboorteplaats 1] .

De (stief)vader heeft [kind B] erkend.

Uit een eerdere relatie van de moeder en [X] , woonachtig in Turkije, is geboren:

- [kind A] , [in] 2008 te [geboorteplaats 2] .

De moeder oefent alleen het gezag uit over [kind A] en [kind B] (hierna samen ook: de kinderen).

3.2

Bij beschikking van 19 november 2010 is [kind A] onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van een jaar. De ondertoezichtstelling is nadien enkele keren verlengd en beëindigd per 14 september 2015.

3.3

Bij beschikking van 19 april 2019 zijn de kinderen onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van een jaar. De ondertoezichtstelling is nadien verlengd (bij beschikking van 7 april 2020) tot 19 april 2021.

3.4

Bij (tussen)beschikking van 21 februari 2020 is de beslissing op het verzoek van de GI om de kinderen uit huis te plaatsen, aangehouden. Bij (tussen)beschikking van 7 april 2020 is de beslissing op het verzoek tot uithuisplaatsing van de kinderen wederom aangehouden, met het verzoek aan de GI om de kinderrechter uiterlijk één week voorafgaand aan de nader te bepalen zittingsdatum in juni 2020 schriftelijk te informeren over de stand van zaken en de verder gewenste procesgang.

3.5

[kind A] verblijft in een netwerkpleeggezin. Celino verblijft in gezinshuis ‘ [het gezinshuis] ’.

4. De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking is – op verzoek van de GI – een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [kind A] in een voorziening voor pleegzorg en van [kind B] in een voorziening voor pleegzorg/gezinshuis, tot uiterlijk 19 april 2021.

Daarnaast is afgewezen het verzoek van de moeder tot aanhouding en het gelasten van een onderzoek naar haar opvoedvaardigheden.

4.2

De moeder verzoekt primair, met vernietiging van de bestreden beschikking, te bepalen dat de kinderen per datum van de door het hof te wijzen beschikking door de GI zullen worden teruggeplaatst bij de moeder.

Subsidiair verzoekt de moeder een onderzoek te gelasten naar haar opvoedcapaciteiten, uit te voeren door het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie (NIFP), gevestigd te Amsterdam, en te bepalen dat de zaak zal worden aangehouden tot een door het hof nader te bepalen datum, gelegen na de ontvangst van de rapportage van het NIFP.

4.3

De GI verzoekt het door de moeder ingestelde beroep niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Ingevolge artikel 1:265b, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

5.2

De moeder betoogt dat de rechtbank de kinderen ten onrechte uit huis heeft geplaatst en stelt daartoe onder meer het volgende. Hoewel de problemen nog niet allemaal zijn opgelost, zijn deze wel aanzienlijk verminderd. Zo gooit [kind B] niet meer met spullen en is hij zindelijk. De school van [kind A] ziet dat haar opstandige gedrag sterk is afgenomen en dat zij goed te corrigeren is. Ook heeft de moeder de relatie met de (stief)vader beëindigd, waardoor er rust is ontstaan. Vanaf dat moment heeft de GI de overige moeilijkheden die er waren in de ogen van de vrouw sterk uitvergroot om zo toch tot de gewenste uithuisplaatsing te komen. De benodigde hulp werd wel toegezegd, maar niet daadwerkelijk gegeven, zodat de vrouw feitelijk niet aan de overige problemen kon werken. Tijdens de zitting bij de kinderrechter had de GI toegezegd dat de uithuisplaatsing niet direct en in alle rust zou plaatsvinden, maar anderhalve dag na de bestreden beschikking zijn de kinderen zonder overleg of voorbereiding uit huis geplaatst en zijn de contacten tussen de kinderen en de moeder beperkt tot enkele uren per drie weken. Deze handelswijze van de GI heeft een grote impact gehad op de moeder en de kinderen. De moeder is altijd coöperatief geweest en heeft eerder laten zien dat zij over opvoedvaardigheden beschikt. Omdat zij zich niet voelt gezien en zich wenst te kunnen verweren tegen de onjuiste conclusies van de hulpverlening, is onafhankelijk onderzoek noodzakelijk, aldus de moeder.

5.3

De GI is van mening dat de kinderen terecht uit huis zijn geplaatst en voert daartoe onder andere het volgende aan. De moeder heeft de grenzen van haar leerbaarheid bereikt. De intensieve hulp levert haar stress op, maar verminderen of stopzetten is geen optie. De hulp van SIG richt zich op praktische pedagogische zaken, maar de adviezen beklijven niet bij de moeder of zij is het er niet mee eens. SIG ziet geen structurele rust en duidelijkheid in de thuissituatie ontstaan. [kind A] is temperamentvol en heeft duidelijke grenzen, regels en sturing nodig. [kind A] zegt niet meer bij de moeder te willen wonen en het fijn te hebben in het pleeggezin. Vanwege haar forse gedragsproblemen is zij aangemeld bij het Kinder- & Jeugd Traumacentrum (KJTC) voor diagnostiek en traumabehandeling. [kind B] is opstandig en zelfbepalend, maar wel goed te sturen. De GI heeft een uithuisplaatsing proberen te voorkomen, intensievere hulpverlening ingeschakeld wanneer nodig en altijd nauw samengewerkt met SIG en de moeder. SIG concludeert echter dat het de moeder niet lukt om de kinderen een voldoende veilige thuissituatie te bieden. Gelet op de langdurige en intensieve hulpverlening, het onderzoek van SIG, de mening van [kind A] en de observaties van alle betrokkenen, is verder onderzoek naar de opvoedcapaciteiten van de moeder niet nodig en zal dit onnodig belastend zijn voor de moeder en de kinderen, aldus de GI.

Ter zitting in hoger beroep heeft de GI medegedeeld recent nog een aanvraag te hebben gedaan voor een perspectiefonderzoek voor [kind B] . Dit is afgewezen omdat al gedegen onderzoek is gedaan naar de opvoedvaardigheden van de moeder en het ethisch onjuist zou zijn om de moeder hoop te geven, terwijl al duidelijk is dat het perspectief niet meer bij haar ligt.

5.4

SIG heeft ter zitting in hoger beroep medegedeeld sinds 2011 betrokken te zijn bij het gezin en alles eraan te hebben gedaan om een uithuisplaatsing te voorkomen. Hoewel de moeder veel van haar kinderen houdt en het beste voor hen wil, ziet SIG dat de situatie achteruit is gegaan en dat de opvoedersrol niet bij de moeder zou moeten liggen. Op dit moment zijn twee begeleiders vanuit SIG betrokken. De ene begeleider richt zich op [kind A] , die enerzijds haar verhaal graag kwijt wil maar anderzijds ook boos is en SIG niet meer wil zien. [kind A] is vrij om aan te geven wat ze van SIG en van haar moeder wil. De andere begeleider richt zich op de moeder en op wat op dat moment speelt bij haar. Gelet op de liefde van de moeder voor haar kinderen is SIG van mening dat er zeker aandacht moet zijn voor het contact tussen hen.

5.5

De pleegouders van [kind A] hebben in een brief aan het hof medegedeeld dat het naar omstandigheden goed gaat met [kind A] . De structuur en regelmaat van het pleeggezin en school doen haar goed en ze lijkt weer wat meer plezier te hebben in het leven. Wel maken de pleegouders zich nog zorgen over de sombere periodes van [kind A] en haar gebrek aan sociale vaardigheden, met name haar grove en ongepaste taalgebruik, waardoor zij geregeld in conflict met anderen komt. Tot slot vinden de pleegouders het belangrijk dat [kind A] een goede band heeft met haar moeder en stimuleren zij haar hierin.

5.6

De raad heeft het hof ter zitting in hoger beroep geadviseerd de bestreden beschikking te bekrachtigen. Tijdens het raadsonderzoek vertoonden de kinderen forse gedragsproblemen. [kind A] is onderzocht door kinder- en jeugdpsychologische praktijk De Turf, waar is gebleken dat deze gedragsproblemen reactief zijn op de thuissituatie en zijn ontstaan als gevolg van de onveilige en onrustige opvoedsituatie. Hulpverlening heeft niet tot verbetering geleid, waarna SIG al voor de uithuisplaatsing nog intensiever betrokken is geraakt. Van SIG heeft de moeder praktische handreikingen gekregen om beter aan te sluiten bij de kinderen en om hen rust, structuur en duidelijkheid te bieden, maar uit de verslagen van SIG is gebleken dat het de moeder niet lukt om de adviezen toe te passen. Hoewel de moeder de kinderen veel liefde geeft, hebben zij in hun opvoedsituatie meer nodig dan de moeder hen kan bieden. De gronden voor de uithuisplaatsing waren en zijn (nog steeds) aanwezig. De opvoedvaardigheden van de moeder zijn al uitgebreid onderzocht door SIG, die heel intensief betrokken is bij het gezin. Nader onderzoek door het NIFP, dat bovendien veel minder uitgebreid zal zijn dan het onderzoek van SIG, is dus niet nodig. De raad neemt hierbij in aanmerking dat de GI recent zelf nog een aanvullend perspectiefonderzoek heeft aangevraagd, maar dat deze aanvraag is afgewezen omdat het perspectief al voldoende duidelijk is geworden door eerdere onderzoeken.

5.7

Het hof overweegt als volgt.

Uit de stukken in het dossier, waaronder rapportages van SIG over het eerste half jaar van 2020, en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is gebleken dat de relatie van de moeder en de (stief)vader zich heeft gekenmerkt door spanningen. Na zorgelijke signalen vanuit de school van [kind A] is medio 2017 het Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG) ingeschakeld. Vanwege de aanhoudende onstabiele opvoedsituatie is begin 2018 opnieuw hulpverlening vanuit SIG opgestart, nadat deze eerder al van 2011 tot 2016 betrokken was geweest bij het gezin. Medio 2018 is [kind A] aangemeld bij kinder- en jeugdpsychologische praktijk De Turf in verband met haar gedragsproblemen en stemmingswisselingen, waar is gezien dat deze problemen verband hielden met de complexe thuissituatie. Om [kind A] rust en structuur te geven en de moeder te ontlasten, is [kind A] vanaf april 2019 doordeweeks naar de pleegouders gegaan (de ouders van haar beste vriendin). Op 19 april 2019 zijn de kinderen onder toezicht gesteld van de GI vanwege de langdurige spanningen tussen de moeder en de (stief)vader, overmatig middelengebruik van de (stief)vader, gedrags- en stemmingsproblemen bij [kind A] (waaronder depressieve klachten en suïcidale gedachten) en gedragsproblemen bij [kind B] (in de vorm van slaan, schoppen en met spullen gooien). Uit het verslag van SIG van januari 2020 valt af te leiden dat er ondanks de hulpverlening van drie keer per week nog steeds zorgen waren over de stabiliteit en de opvoedvaardigheden van de moeder, de kwetsbaarheid van [kind A] en het opstandige gedrag van beide kinderen. Hierna is de hulpverlening van SIG uitgebreid naar vier keer per week. Vervolgens is in maart 2020 gebleken dat intensivering van de hulpverlening belastend was voor de moeder en dat zij de adviezen niet zelfstandig kon toepassen. In juni 2020 heeft SIG geconcludeerd dat de zorgen over het gezin alleen maar toenamen, dat de hulpverlening niet het gewenste resultaat had en dat het de moeder niet lukte om de kinderen een veilige thuissituatie te bieden. Eind juni 2020 zijn de kinderen uit huis geplaatst. Ten aanzien van [kind A] , die sindsdien verblijft in het netwerkpleeggezin waar zij eerder al doordeweeks verbleef, is gebleken dat het thans goed gaat op school, dat zij (vooralsnog) niet terug naar huis wil en af en toe nog last heeft van stemmingswisselingen. Ten aanzien van [kind B] , die sindsdien in een gezinshuis verblijft, is gebleken dat hij zich goed ontwikkelt in het gezinshuis. Hij laat nog zelfbepalend gedrag zien, maar is hierin wel goed te corrigeren. Tot slot is ter zitting in hoger beroep gebleken dat de relatie tussen de moeder en de (stief)vader inmiddels is beëindigd, maar dat zij nog wel hulp en troost bij hem heeft gezocht.

5.8

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen ten tijde van de bestreden beschikking noodzakelijk was en thans (nog steeds) noodzakelijk is in het belang van hun verzorging en opvoeding. Er waren ten tijde van de bestreden beschikking ernstige zorgen omtrent de kinderen als gevolg van hun gedragsproblemen en de opvoedvaardigheden van de moeder. Hoewel het inmiddels wat beter gaat met de kinderen, acht het hof deze verbeteringen voornamelijk het gevolg van de stabiliteit in het pleeggezin en het gezinshuis. Gebleken is dat de gedragsproblemen van de kinderen reactief zijn en zijn ontstaan als gevolg van de onveiligheid en instabiliteit in de thuissituatie. De moeder houdt veel van de kinderen, maar kan hen niet de rust en structuur bieden die zij nodig hebben. Uit de rapporten van SIG en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is duidelijk gebleken dat SIG, de GI en de raad van mening zijn dat het opvoedperspectief van de kinderen niet bij de moeder ligt. Het hof is aldus van oordeel dat de gronden voor de uithuisplaatsing van de kinderen ten tijde van de bestreden beschikking aanwezig waren en ook thans nog aanwezig zijn. Het hof zal de bestreden beschikking derhalve bekrachtigen. Dit alles doet niets af aan de omstandigheid dat alle betrokkenen zien dat de moeder een liefdevolle moeder voor de kinderen is en dat het belangrijk is dat er contact tussen haar en de kinderen blijft.

5.9

Ten aanzien van het subsidiaire verzoek van de moeder een nader onderzoek in de vorm van een NIFP onderzoek te gelasten, dat het hof begrijpt als een verzoek op grond van artikel 810a lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, overweegt het hof dat een dergelijk verzoek toewijsbaar is in het geval het onderzoek mede tot beslissing van de zaak kan leiden en het belang van het kind zich hiertegen niet verzet. Uit hetgeen hiervoor is overwogen blijkt dat al geruime tijd hulpverlening bij het gezin is betrokken en dat de opvoedvaardigheden van de moeder langdurig en intensief zijn onderzocht, en dat de conclusie is dat de moeder ondanks alle geboden hulpverlening niet in staat is om de kinderen een veilige thuissituatie te bieden. Onder deze omstandigheden kan nader onderzoek dus niet meer mede tot een beslissing van de zaak leiden. Daarnaast zijn de kinderen gebaat bij rust en stabiliteit. Het is dan ook tevens niet in hun belang om nogmaals te worden belast met een onderzoek, dat opnieuw onrust met zich mee zal brengen. Het hof zal het subsidiaire verzoek van de moeder derhalve eveneens afwijzen.

5.10

Dit alles leidt tot de volgende beslissing.

6 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.R. Sturhoofd, mr. J.M.C. Louwinger-Rijk en mr. M.E. Burger, in tegenwoordigheid van mr. J. van den Wildenberg als griffier, en is op 17 november 2020 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.