Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:3066

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
06-11-2020
Datum publicatie
17-11-2020
Zaaknummer
23-000348-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontnemingsvordering ex art. 36e Sr (handel in harddrugs).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-000348-20

datum uitspraak: 6 november 2020

TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsvrouw)

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 30 januari 2020 op de vordering van het openbaar ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de ontnemingszaak met nummer 15-871851-16 tegen de betrokkene

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1990,

adres: [adres].

Procesgang

Het openbaar ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat tot een bedrag van € 21.750,00.

De betrokkene is bij vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 18 april 2017 veroordeeld ter zake van, kort gezegd:

  • -

    het medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod (feit 1),

  • -

    het medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod (feit 2),

  • -

    het medeplegen van het treffen van voorbereidingshandelingen tot het plegen van een feit als bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, meermalen gepleegd (feit 3), en

  • -

    schuldheling, meermalen gepleegd (feit 4).

Voorts heeft de rechtbank Noord-Holland bij vonnis van 30 januari 2020 de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 15.925,00 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen beide vonnissen.

De betrokkene is bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 17 juli 2018 veroordeeld ter zake van – kort gezegd – de hiervoor genoemde, door de rechtbank bewezen geachte, strafbare feiten, met dien verstande dat het onder 4 bewezenverklaarde door het hof is gekwalificeerd als opzetheling (in plaats van schuldheling).

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 23 oktober 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 24.550,00 ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat bij de berekening van de omzet dient te worden uitgegaan van vijf transacties per dag à € 35,00 gedurende een periode van 26 weken met een reguliere werkweek van vijf dagen, hetgeen neerkomt op een totale omzet van € 22.750,00. Voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel dient de aankoopprijs van de verhandelde verdovende middelen op de omzet in mindering te worden gebracht, waarbij verzocht is de aankoopprijs te bepalen op de helft van de omzet, zijnde een bedrag van

€ 11.375,00. Daarnaast heeft de raadsvrouwe betoogd dat ook de waarde (aankoopprijs) van de aangetroffen en in beslaggenomen verdovende middelen, zijnde een bedrag van € 6.850,00, op de omzet in mindering dient te worden gebracht, omdat betrokkene deze drugs opzettelijk aanwezig heeft gehad binnen de periode ter zake waarvan hij voor de handel in harddrugs is veroordeeld. De resterende opbrengst – € 4.525,00 – dient in de optiek van de verdediging pondspondsgewijs te worden verdeeld, aangezien de medeverdachte [medeverdachte] in de strafzaak als volwaardig medepleger is aangemerkt en er, bij gebrek aan aanwijzingen voor het tegendeel, van uit mag worden gegaan dat de opbrengst gelijkelijk over hen tweeën werd verdeeld. Het wederrechtelijk verkregen voordeel van betrokkene dient derhalve te worden geschat op een totaalbedrag van € 2.262,50.

Oordeel van het hof

Er zijn voldoende aanwijzingen dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen door middel van of uit baten van het in de onderliggende strafzaak onder 1 bewezenverklaarde strafbare feit.


Vatstelling opbrengst

Het hof gaat bij de berekening van de omzet die is gegenereerd met dat strafbare feit uit van een ontnemingsperiode van 26 april 2016 tot en met 28 oktober 2016, waarin door twee personen, te weten: de betrokkene en diens mededader [medeverdachte], handel werd gedreven in verdovende middelen. Voorts wordt uitgegaan – bij twee handelaren – van een gemiddeld aantal van vijf klanten per dag, een gemiddeld betaald bedrag van € 35,00 per klant en een werkweek van zeven dagen. Het hof volgt de raadsvrouw niet in haar betoog dat een reguliere werkweek van vijf dagen dient te worden gehanteerd, reeds omdat bij de berekening wordt uitgegaan van twee handelaren (die elkaar, indien nodig, kunnen afwisselen) en er geen aanknopingspunten zijn waaruit zou kunnen worden afgeleid dat de verdachten in het weekend, dan wel op twee van de zeven dagen in de week, geen harddrugs verkochten.

Gelet op het voorgaande wordt de omzet als volgt berekend:

Dagomzet (5 klanten x € 35,00) € 175,00

Weekomzet (7 x dagomzet) € 1.225,00

Halfjaaromzet (26 x weekomzet) € 31.850,00


Kostenberekening

De in mindering te brengen kosten voor de genoemde ontnemingsperiode van zes maanden zullen worden geschat op een totaalbedrag van € 13.700,00, bestaande uit twee maal de aankoopwaarde van de handelsvoorraad voor een periode van drie maanden conform het ontnemingsrapport van 8 maart 2019 à € 6.850,00.

Het hof zal de aankoopwaarde van de aangetroffen en inbeslaggenomen verdovende middelen, anders dan door de raadsvrouw is verzocht, niet op de omzet in mindering brengen. Het betreft hier geen kosten die in rechtstreeks verband staan tot het wederrechtelijk verkregen voordeel dat is behaald met de handel in verdovende middelen in de periode van 26 april 2016 tot en met 28 oktober 2016.


Wederrechtelijk verkregen voordeel

Gelet op het voorgaande wordt het netto wederrechtelijk voordeel geschat op: € 31.850,00 - € 13.700,00 = € 18.150,00.

De betrokkene en zijn mededader [medeverdachte] zijn veroordeeld voor het medeplegen van de handel in verdovende middelen in de periode van 26 april 2016 tot en met 28 oktober 2016. Aangenomen mag worden dat beiden daaruit voordeel hebben behaald. Er is geen indicatie voor een andere verdeling van de opbrengst, zodat wordt uitgegaan van pondspondsgewijze verdeling (vgl. HR 7 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:878).

Het wederrechtelijk verkregen voordeel van de veroordeelde wordt derhalve geschat op € 18.150,00 : 2 personen = € 9.075,00.

Verplichting tot betaling aan de Staat

Aan de betrokkene dient, ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel, de verplichting te worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 9.075,00.

Toepasselijk wettelijk voorschrift

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 9.075,00 (negenduizend vijfenzeventig euro).

Legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 9.075,00 (negenduizend vijfenzeventig euro).

Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 181 dagen.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.L. Bruinsma, mr. P.C. Römer en mr. S.M.M. Bordenga, in tegenwoordigheid van

mr. C. Roseboom, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 6 november 2020.

Mrs. J.L. Bruinsma en C. Roseboom zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

[…]