Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:3012

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
12-11-2020
Datum publicatie
13-11-2020
Zaaknummer
23-001411-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Jeugdstrafrecht: diefstal in vereniging op 16 oktober 2019 te Purmerend en afpersing in vereniging op 17 november 2019 te Purmerend.

Bevestiging vonnis m.u.v. straf en met dien verstande dat bewijsmiddelen worden aangevuld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-001411-20

datum uitspraak: 12 november 2020

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland (locatie Haarlem) van 25 juni 2020 in de strafzaak onder parketnummer 15-285264-19 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2002,

adres: [adres 1].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 29 oktober 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is door de rechtbank vrijgesproken van hetgeen aan haar onder 1, 2, 5 primair en 5 subsidiair is ten laste gelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissingen tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissingen geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraken.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en zal dit derhalve bevestigen, behalve ten aanzien van de opgelegde jeugddetentie en de daarbij horende bijzondere voorwaarden – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat het hof de door de rechtbank ten aanzien van feit 3 gebezigde bewijsmiddelen aanvult en verbetert zoals hierna weergegeven.

Aanvulling op de bewijsmiddelen

Waar in bewijsmiddel 5, zoals opgenomen op pagina 22 van het proces-verbaal van de terechtzitting van de meervoudige kamer van 25 juni 2020, in de aanhef “dossierpagina 106” staat vermeld, dient te worden gelezen “dossierpagina 271”.

Ten aanzien van feit 3 voegt het hof de volgende bewijsmiddelen toe:

6. Een proces-verbaal buurtonderzoek met nummer PL1100-2019200410-4, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] [doorgenummerde pagina’s 90-91].

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisanten:

Op donderdag 17 oktober 2019 omstreeks 10:00 uur bevonden wij, verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2], ons in uniform gekleed en met een buurtonderzoek belast op de openbare weg [adres 2] te Purmerend. Wij deden een buurtonderzoek naar aanleiding van een diefstal/straatroof, welke op 16 oktober 2019 tussen 17:30 uur en 18:30 uur gepleegd is. In verband met mogelijke camerabeelden zijn wij bij de onderstaande adressen langs gegaan.

[…]

[adres 2] te Purmerend: Wij zagen een camera op de gevel hangen. Wij hebben de bewoonster gesproken. Wij hoorden dat zij ons vertelde dat de camera alleen aan gaat wanneer er beweging in de tuin is. Wij hebben een usb-stick aan de man van het slachtoffer (het hof begrijpt: [slachtoffer]) gegeven en deze is al in het bezit van de recherche. Wij hebben niet meer beelden dan er al in jullie bezit zijn.

7. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1100-2019200410-6, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 3] [doorgenummerde pagina’s 92-93].

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisanten (of een van hen):

Op donderdag 17 oktober 2019, omstreeks 14:45 uur, waren wij, verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 3], met het uitkijken van camerabeelden van een diefstal/straatroof, welke op woensdag 16 oktober 2019 tussen 17:00 en 18:00 uur, op de [adres 2] kruising [adres 3] te Purmerend gepleegd is, belast.

[…]

Ik, verbalisant [verbalisant 3], heb de getuige (het hof begrijpt: [slachtoffer]) telefonisch gesproken. Ik vroeg de getuige of hij de usb-stick met daarop de beelden bij de politie had ingeleverd. Ik hoorde hem hierop het volgende antwoorden: “ja, die heb ik ingeleverd. Het is mijn usb. Op de beelden zie je links bovenin eerst de twee verdachten en als je het filmpje afspeelt dan zie je mij enkele seconden later in beeld komen.”

Wij, verbalisanten, hebben het volgende waargenomen:

Wij zagen de tekst: 16-10-2019 te 17:41:55 in beeld staan bij het starten van het afspelen.

[…]

Wij zagen door de tweede uitsparing in de schutting vanaf de linkerkant geteld twee helmen in beeld. Wij zagen dat ze uit de richting van de [adres 3] te Purmerend kwamen en gaande in de richting van de [adres 4] te Purmerend bewogen. Wij zagen dat de vermoedelijke bestuurder een wit kleurige helm droeg. Wij zagen dat de vermoedelijke passagier donkerkleurige bovenstuk kleding droeg. Wij zagen dat er door de eerste uitsparing van de schutting vanaf links gezien een windscherm van de vermoedelijke scooter in beeld kwam. Wij zagen de twee personen het beeld aan de linker zijde verlaten.

16-10-2019 te 17:41:59

Wij zagen rechts in beeld een man in beeld, welke overeenkomt met de verklaring van de getuige. Wij zagen de man in dezelfde richting fietsen als de twee vermoedelijke verdachten.

Getuige: [slachtoffer], geboren op [geboortedag 2] 1961 te [geboorteplaats 2]

8. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1100-2019216963-10, in de wettelijke vorm opgemaakt door opsporingsambtenaar [verbalisant 4] [doorgenummerde pagina’s 72-74].

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:

Op dinsdag 12 oktober 2019 omstreeks 13.20 uur bevond ik mij, verbalisant [verbalisant 4], in uniform gekleed en belast met een algemene surveillance in Leegwaterpark te Purmerend.

[…]

Op bovengenoemd tijdstip zag ik een bromfiets komen aanrijden..

[…]

Ik zag dat de bromfiets van het merk Peugot, type Vivacity was en voorzien is van het kenteken [kenteken]. Nadat ik uit mijn dienstvoertuig stapte herkende ik direct de twee personen welke op de brommer zaten. Ik kerkende de bestuurder als zijnde:

[verdachte], geboren op [geboortedag 1] 2002 te [geboorteplaats 1] en wonende op de [adres 1].

De persoon welke achterop zat herkende ik als zijnde:

[medeverdachte], geboren [geboortedag 3] 2004 te [geboorteplaats 3] zonder vaste woon- of verblijfplaats.

Ik zag dat [verdachte] een helm droeg. Deze helm bestaat uit verschillende grijze tinten.

[…]

Foto.

Bromfiets voorzien van het kenteken [kenteken]. Bestuurder [verdachte] en passagier [medeverdachte].

[…]

Nadat ik beide personen had gesproken en gecontroleerd heb ik een foto van hen op de rugzijde gemaakt middels mijn diensttelefoon. Ik heb deze foto bijgevoegd aan het dossier.

[…]

9. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 29 oktober 2020.

Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Het klopt dat ik degene ben op de foto op pagina 74 van het proces-verbaal in het dossier.

De in hoger beroep gevoerde verweren vinden hun weerlegging in de bewijsmotivering en nadere bewijsoverwegingen van de rechtbank onder paragraaf 3.3.3 in het vonnis, in de bewijsmiddelen die als bijlage zijn gehecht aan het vonnis welke het hof overneemt en in de bij dit arrest ter aanvulling opgenomen bewijsmiddelen.

Oplegging van straffen

De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 3 en 4 bewezenverklaarde veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 90 dagen, waarvan 47 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van voorarrest overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht. Ook heeft de rechtbank de volgende bijzondere voorwaarden aan de verdachte opgelegd:

- het volgen van EMDR-therapie;

- meewerken aan begeleiding van de Hoofdtrainer;

- het vinden en behouden van structurele dagbesteding;

- een contactverbod met de medeverdachte [medeverdachte].

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 3 en 4 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 40 dagen met aftrek van voorarrest en een voorwaardelijke werkstraf voor de duur van 60 uren, met een proeftijd van twee jaren. Ook vordert de advocaat-generaal dat de volgende bijzondere voorwaarden aan de verdachte worden opgelegd:

- meewerken aan begeleiding van de Hoofdtrainer;

- het vinden en behouden van structurele dagbesteding;

- een contactverbod met de medeverdachte [medeverdachte].

De door de rechtbank opgelegde bijzondere voorwaarde tot het volgen van EMDR-therapie is niet door de advocaat-generaal gevorderd, omdat de verdachte haar EMDR-therapie inmiddels volledig heeft afgerond.

De raadsvrouw heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van de strafmaat of strafmodaliteit.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 20 oktober 2020 is de verdachte niet eerder strafrechtelijk veroordeeld voor een soortgelijk feit.

Met de rechtbank heeft het hof in aanmerking genomen dat de verdachte zich in één maand tijd schuldig heeft gemaakt aan twee ernstige strafbare feiten, te weten het medeplegen van afpersing en het medeplegen van diefstal.

De verdachte heeft op 16 oktober 2019 samen met de medeverdachte een tas gestolen uit de fietstas van een voor het stoplicht wachtende fietser. Ook het hof meent dat daarbij voor de verdachte persoonlijk gewin voorop heeft gestaan en dat de verdachte op geen enkel moment heeft stilgestaan bij de gevolgen van haar gedrag en handelen voor het slachtoffer. Het plegen van een dergelijk strafbaar feit brengt bij de slachtoffers gevoelens van onveiligheid en onrust teweeg, evenals gevoelens van onveiligheid en onrust in de gehele samenleving.

Op 17 november 2019 heeft de verdachte samen met de medeverdachten € 50,00 van een oude bekende van haar afgeperst. Verdachte heeft met haar medeverdachten afgesproken dat ze het slachtoffer onder druk zouden zetten. Op het moment dat het slachtoffer door een van de medeverdachten met een mes werd bedreigd, heeft de verdachte het slachtoffer via de telefoon onder druk gezet door in te stemmen met de eisen van de medeverdachten en te zeggen dat het slachtoffer € 50,00 moest geven. De verdachte heeft het gevoel van veiligheid op straat in het algemeen en in het bijzonder ten aanzien van het slachtoffer aangetast.

Met de rechtbank rekent het hof het de verdachte aan dat zij geen verantwoordelijkheid voor haar handelen heeft genomen door geen openheid van zaken te geven, ook niet ten aanzien van de beweegredenen tot het begaan van deze ernstige feiten en evenmin berouw of spijt heeft betuigd.

Blijkens het Pro Justitia psychologisch rapport van 28 april 2020 is geadviseerd om de verdachte een taakstraf in de vorm van een werkstraf op te leggen met daarbij, binnen een voorwaardelijk strafdeel, de bijzondere voorwaarden zoals opgelegd door de rechtbank.

De Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) heeft in het actualisatierapport van 12 oktober 2020 te kennen gegeven dat het aan de rechtbank uitgebrachte advies in het rapport van 11 juni 2020 wordt gehandhaafd. Dit houdt in dat de Raad adviseert om de verdachte een voorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf op te leggen, met bijzondere voorwaarden, te weten:

- het accepteren van begeleiding van de Jeugdbescherming Regio Amsterdam;

- zich houden aan de aanwijzingen van de Jeugdreclassering;

- een structurele dagbesteding in de vorm van werk en/of school;

- begeleiding van de Hoofdtrainer blijven accepteren;

- een contactverbod met de medeverdachten;

De Raad heeft het actualisatierapport ter terechtzitting van 29 oktober 2020 nader toegelicht en heeft haar advies om een voorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf op te leggen, met daarbij voornoemde bijzondere voorwaarden, gehandhaafd. Omdat de verdachte haar EMDR-therapie inmiddels volledig heeft afgerond, adviseert de Raad om deze bijzondere voorwaarde niet meer aan de verdachte op te leggen.

De Jeugdbescherming Regio Amsterdam (hierna: JBRA) heeft zich ter terechtzitting van 29 oktober 2020 achter het advies van de Raad geschaard.

Bij het bepalen van de straf heeft het hof aansluiting gezocht bij de LOVS-oriëntatiepunten en bij de voornoemde adviezen van de Raad en de JBRA en het advies uit het Pro Justitia rapport. Gezien deze adviezen ziet het hof redenen om het voorwaardelijke deel van de jeugddetentie, zoals opgelegd door de rechtbank, te wijzigen in een voorwaardelijke werkstraf. Het hof is echter van oordeel dat, gezien de ernst van de feiten, een vrijheidsbenemende straf in de vorm van een onvoorwaardelijke jeugddetentie naast de voorwaardelijke werkstraf passend is. De duur hiervan zal het voorarrest echter niet overstijgen. De EMDR-therapie heeft de verdachte inmiddels volledig afgerond, waardoor het hof geen redenen ziet om de verdachte deze voorwaarde opnieuw op te leggen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 311, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1, 2, 5 primair en 5 subsidiair tenlastegelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 43 (drieënveertig) dagen.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, in de vorm van een werkstraf voor de duur van 40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 20 (twintig) dagen jeugddetentie.

Bepaalt dat de werkstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn/haar identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte gedurende de proeftijd zal (blijven) meewerken aan begeleiding door de Hoofdtrainer, zolang de jeugdreclassering dat in overleg met de trainer noodzakelijk acht;

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich gedurende de proeftijd zal inspannen voor het vinden en behouden van een structurele dagbesteding;

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal (laten) opnemen, zoeken of hebben met de medeverdachte [medeverdachte].

Geeft opdracht aan Jeugdbescherming Regio Amsterdam tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.J.A. Duker, mr. A.M. Kengen en mr. M.K. Durdu-Agema, in tegenwoordigheid van mr. E.C. Damo, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 12 november 2020.

Mr. M.K. Durdu-Agema is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

[…]