Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:3010

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
12-11-2020
Datum publicatie
18-11-2020
Zaaknummer
19/00642
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak Geheimhoudingskamer. Het (primaire) beroep van de inspecteur op geheimhouding van de door de inspecteur onleesbaar gemaakte tekstgedeelten van het Memo slaagt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 18-11-2020
V-N Vandaag 2020/2838
FutD 2020-3468
V-N 2020/60.29.7
NTFR 2020/3538
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

TUSSENUITSPRAAK

Vijftiende Enkelvoudige Belastingkamer
geheimhoudingskamer

In de zaak die bij het Hof is geregistreerd onder het nummer 19/00642 in het hoger beroep van

[X] , belanghebbende,

gemachtigde: mr. M. van Leeuwen,

tegen de uitspraak van 8 maart 2019 in de zaak met kenmerk HAA 18/1482 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

1 Loop van het geding

1.1.

Voor de loop van het geding in eerste aanleg wordt verwezen naar de hiervoor vermelde uitspraak van de rechtbank.

1.2.

Naast het van belanghebbende ontvangen hoger beroepschrift van 18 april 2019 en het van de inspecteur ontvangen verweerschrift, vermeldt het Hof voor wat betreft de loop van het geding in hoger beroep de navolgende stukken die voor de door de geheimhoudingskamer te nemen beslissing van belang zijn.

1.3.

Bij het op 10 juni 2019 gedateerde verweerschrift heeft de inspecteur als bijlage 29 een geanonimiseerd ‘Memo, Project Duitse informatie (USB)’ met dertien bijlagen (hierna tezamen: het Memo) overgelegd en dienaangaande een (gemotiveerd) beroep gedaan op beperkte kennisname van het Memo als bedoeld in artikel 8:29 van de Awb.

1.4.

De inspecteur heeft op 22 juni 2020 een niet-geanonimiseerde versie van het Memo en op 17 september 2020 een namenlijst (waarin de in de niet-geanonimiseerde versie van het Memo genoemde Nederlandse belastingambtenaren zijn gekoppeld aan NN-nummers) aan het Hof gezonden. Belanghebbende heeft bij schrijvens van 24 juni 2020 en 10 juli 2020 gereageerd op het beroep op artikel 8:29 Awb van de inspecteur. Een afschrift van deze brieven is verzonden aan de inspecteur.

1.5.

Bij brief van 17 september 2020 heeft de inspecteur het Memo nogmaals toegezonden (met daarin nieuwe aanduidingen; letters -A, B en C- die corresponderen met zijn toelichting omtrent de verzochte geheimhouding en aanduidingen van de in het Memo genoemde personen via NN-nummers). Een kopie van deze geanonimiseerde stukken is aan de wederpartij verzonden.

1.6.

Op 6 oktober 2020 heeft het onderzoek ter zitting door de geheimhoudingskamer plaatsgevonden. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met de tussenuitspraak is meegezonden.

2 Beoordeling van het verzoek

2.1.

De Vierde Meervoudige Belastingkamer heeft de onderhavige zaak verwezen met de opdracht dat de Vijftiende Enkelvoudige Belastingkamer zich eerst uitlaat over de vraag of het is gerechtvaardigd dat de rechter die de hoofdzaak behandelt van het Memo (met toepassing van artikel 8:29 Awb) beperkt kennis neemt.
2.2. De inspecteur voert bij brief van 17 september 2020 voor wat betreft de in het Memo anonimiseren gegevens (zoals gezegd de letters A, B en C corresponderen met geanonimiseerde delen van het Memo) het volgende aan:

A. Het belang van privacy van individuele of groepen ambtenaren

Om redenen van privacy zijn persoonsnamen en andere persoonlijke (identiteits-)gegevens, alsmede directe telefoonnummers en e-mailadressen van belastingambtenaren niet prijsgegeven. Afweging van het belang van de privacy van deze personen tegenover het belang van belanghebbende deze gegevens openbaar te maken heeft er toe geleid het eerstgenoemde belang te laten prevaleren. De persoonlijke (identiteits-)gegevens van genoemde ambtenaren worden derhalve niet aan belanghebbende vertrekt.

Ik verwijs verder naar de tussenuitspraak van Hof Amsterdam 19 april 2006 ECLI:NL:GHAMS:2006:AW2127. Dezelfde lijn wordt gevolgd in de diverse andere geheimhoudingstussenuitspraken in het kader van de diverse projecten ten aanzien van vermogen in het buitenland. Ook in het kader van de Wob wordt het geheimhouden van nemen van ambtenaren gerechtvaardigd geacht.

De Nederlandse ambtenaren zijn wel individualiseerbaar doordat ik iedere ambtenaar een uniek nummer heb toegekend. Op deze wijze wordt voldoende tegemoetgekomen aan het eventuele belang van de belanghebbende om een individuele ambtenaar te kunnen horen.

Zoals reeds vermeld heb ik de lijst met namen en corresponderende NN-nummers separaat naar u toegezonden. NB Op deze lijst komen ook NN-nummers en namen voor die niet in de stukken van de onderhavige procedure voorkomen. Deze namen komen voor in andere stukken bij andere projecten; om binnen de diverse projecten een zekere mate van eenheid voor de motivering van art 8:29 Awb te bereiken gebruik ik deze meer uitgebreide lijst.

Voor de bij uitwisseling betrokken buitenlandse ambtenaren heb ik uitsluitend volstaan met het vermelden van de letter A. Ik merk op dat in sommige gevallen de namen van buitenlandse ambtenaren door het CLO bij het doorzenden al waren weggehaald. Dit is de reden dat in sommige ongeschoonde stukken deze namen ook ontbreken.

B. Het belang van privacy van derden

Op diverse plaatsen staan persoonsgegevens van derden.

Het gaat hier vooral om de projectstukken waarin brieven van ABS aan diverse belastingplichtigen over fiscaal compliant gedrag/opheffen van bankrekeningen etc zijn opgenomen. Deze brieven dienen als voorbeeld/illustratie van de corresspondentie/relatie tussen UBS en haar rekeninghouders. Zij zijn afkomstig van diverse behandelaars. Sommige van de behandelaars hadden in brieven voor toezending aan de projectleiding al (deels) geannimiseerd (i.v.m. art. 67 AWR); daarom zijn deze ook in de ongeschoonde stukken geanonimiseerd.

In het algemeen kan worden gesteld dat de privacy van derden dient te worden gewaarborgd. Dit volgt onder meer uit de geheimhoudingsplicht op grond van artikel 67 AWE. In de genoemde stukken zijn vele gegevens van derden, zoals namen, (e-mail)adressen, telefoon- en faxnummers, BurgerServiceNummers, rekeningnummers, saldo-informatie, namen van adviseurs en namen van bankmedewerkers vermeld. Het belang van deze derden hun gegevens niet openbaar te maken weegt in het onderhavige geval zeer zwaar. Openbaarmaking van deze gegevens van derden zou er toe kunnen leiden dat derden door belanghebbende, gemachtigde of andere belanghebbenden of gemachtigden in dit project zouden kunnen worden benaderd, bijvoorbeeld met het doel vragen te stellen omtrent hun belastingheffing of hun rekeninghouderschap bij een buitenlandse bank, hetgeen een ernstige inbreuk zou inhouden op hun persoonlijke levenssfeer. Afweging van het belang van de privacy van derden tegenover het ontbrekende of uiterst minieme belang van belanghebbende bij het openbaar maken van deze gegevens heeft er dan ook toe geleid het eerstgenoemde belang als zeer zwaarwegend te laten prevaleren. Ik wijs er op, dat de inhoud van de stukken van belang zijn, niet aan welke persoon zij toevallig gericht zijn. van deze inhoud – met uitzondering van de persoonsgegevens – kan belanghebbende onbelemmerd kennisnemen. De gegevens van derden kunnen derhalve niet aan belanghebbende verstrekt worden.

Het belang van privacy van derden is o.a. volgens de tussenuitspraak van Hof Amsterdam van 19 april 2006 ECLI.NL.GHAMS:2006:AW2127 een zwaarwichtige reden om gegevens niet vrij te geven. Ook de overige geheimhoudinguitspraken in het kader van de diverse projecten ten aanzien van vermogen in het buitenland geven aan dat de privacy van derden c.q. andere rekeninghouders moet worden beschermd (zie voor een spreken voorbeeld bijv. ook r.o. 1.10 RB Haarlem van 23 februari 2009 ECLI:NL:RBHAA:2009:BH3794). Ook in het kader van de Wob is de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer een reden voor het geheimhouden/niet openbaar maken.

C. Het belang van de Belastingdienst bij een effectieve controle en controle- en/of behandelstrategie (C1), waaronder begrepen een effectieve en efficiënte interne werkwijze (C2) en het voorkomen van calculerend en/of anticiperend gedrag van belastingplichtigen.

Op diverse plaatsen staan overwegingen van controlestrategische aard, die niet alleen het onderhavige projectraken, maar ook andere projecten uit het programma ‘verhuld vermogen’. Daarbij wordt ook aandacht besteed aan mogelijk nieuw te starten projecten. Indien belastingplichtigen daar van op de hoogte raken, zouden zij daarop kunnen anticiperen en daarmee controle door de Belastingdienst frustreren en de nakoming van hun fiscale verplichtingen ontlopen.

Voorts gaat het om passages waarin aanwijzingen worden gegeven over de wijze van klantbehandeling, voorschriften en tips over de toe te passen tactiek en methodiek om aangiften en verklaringen van belastingplichtigen te toetsen. Deze strategieën en werkwijzen zijn in beginsel toepasbaar op alle buitenlandsvermogen-projecten, terwijl voorts voor de hand liggend is te achten dat zij ook daadwerkelijk worden gebruikt in andere, al dan niet vergelijkbare projecten en/of individuele gevallen.

In het kader van de werkwijze bij de internationale uitwisseling zijn ook de gegevens van (digitale) postbussen en de wijze waarop c.q. waarna bestanden kunnen worden geraadpleegd geschoond. Dit betreft de (wijze van de) vertrouwelijke informatie-uitwisseling tussen Staten onderling.

Op diverse stukken komt ook een afdruk voor van de locatie waar de bestanden zijn opgeslagen; soms is de locatie ook herleidbaar naar een individuele ambtenaar. Deze gegevens hebben geen belang voor de concrete behandeling, maar geven wel inzicht in de werkprocessen binnen de belastingdienst.

In het kader van de belangenafweging ex artikel 8:29 Awb zal het belang van belanghebbende bij de kennisneming van de informatie over de methoden, systematiek en/of werkwijzen van de Belastingdienst moeten worden gesteld tegenover het belang dat de Belastingdienst heeft bij het niet verder prijsgeven van deze informatie. Het is van belang om calculerend gedrag te voorkomen.

Het risico van frustratie van (de uitvoering en handhaving van) de belastingwet bestaat doordat belastingplichtigen op grond van deze informatie zouden kunnen anticiperen op de controlestrategieën en werkwijzen van de Belastingdienst. Het algemene publieke belang van een – ook op het terrein van het toezicht en de controle – adequaat functionerende Belastingdienst is van een groter gewicht dan het individuele belang van belanghebbende.

In casu weegt naar mijn mening het belang van de inspecteur bij geheimhouding zwaarder dan een eventueel belang dat aan de zijde van belanghebbende kan worden onderkend ter zake van de kennisneming van de inhoud van de betreffende stukken.

Aanvullende opmerkingen

001. Plan van aanpak

Bladzijde 9

In deze passage zijn de keuze voor de diverse in te zetten middelen beschreven en het daarbij behorende werkproces. Daarbij is aangegeven voor welke categorie een bepaalde strategie de meest aangewezen is.

Belanghebbende heeft er geen belang bij om alle diverse strategieën te kennen of de daarbij behorende keuzes voor de diverse groepen belastingplichtigen. De in zijn zaak gevolgde werkwijze is volledig openbaar en door hem te toetsen. Hij heeft er evenmin belang bij om te weten hoeveel belastingplichtigen in de diverse groepen zijn onderscheiden.

Ik merk op dat de vergelijking die gemachtigde in zijn brief van 10 juli 2020 trekt met de openbaarheid van de bijzondere opsporingsbevoegdheden die in het Wetboek van Strafvordering zijn vastgelegd mank gaat. Ook de bevoegdheden van de inspecteur zijn vastgelegd in de wet. Hoe de inspecteur in een concreet geval nog binnen een bepaald project zijn optreden binnen de bevoegdheden vorm geeft, is een gevolg van afwegingen en te kiezen of te onderzoeken strategieën.

In het concrete geval moet de Inspecteur – net als de door belanghebbende genoemde Officier van Justitie – laten zien wat er gebeurd is. Om de rechtmatigheid en juistheid van zijn handelen te kunnen toetsen heeft belanghebbende echter geen inzage of kennis nodig van strategieën of werkwijzen die ten aanzien van hem niet ingezet zijn, maar bij andere belastingplichtigen nog wel hun nut kunnen hebben.

Bladzijde 10

Het gaat hier om de behandeling van in het buitenland woonachtige belastingplichtigen. Belanghebbende valt niet in deze doelgroep. Zijn belang bij kennisname daarvan is dan ook niet aanwezig. Ik verwijs verder naar het al bij bladzijde 9 opgemerkte.

Bladzijde 12-14

Betreft de werkwijze het te volgen script bij het bellen van belastingplichtigen.

Aangezien belanghebbende niet gebeld is, maar een vragenbrief heeft gehad heeft deze werkwijze geen enkel belang voor de onderhavige procedure. Ik verwijs ook naar het bij bladzijde 9 opgemerkte.”

2.3.

Algemeen juridisch kader

2.3.1.

De geheimhoudingskamer stelt voorop dat de inspecteur op grond van artikel 8:42, eerste lid, van de Awb is gehouden de op de zaak betrekking hebbende stukken aan het Hof te zenden. Artikel 8:42, eerste lid, van de Awb strekt ertoe dat de gegevens die van belang zijn voor de beoordeling van het in beroep bestreden besluit van de inspecteur aan de rechter - en de wederpartij - beschikbaar worden gesteld.

2.3.2.

De omstandigheid dat een stuk behoort tot de op de zaak betrekking hebbende stukken, brengt in beginsel met zich dat dit stuk in zijn geheel en ongeschoond dient te worden overgelegd. Het bepaalde in artikel 8:29 van de Awb biedt evenwel aan partijen, als daarvoor gewichtige redenen zijn, de mogelijkheid het overleggen van stukken te weigeren (geheimhouding) of het hof mee te delen dat uitsluitend de kamer van het hof, die in de hoofdzaak zal beslissen, kennis zal mogen nemen van deze stukken (beperkte kennisneming). Ook biedt het bepaalde in artikel 8:29 van de Awb aan partijen, als daarvoor gewichtige redenen zijn, de mogelijkheid stukken niet volledig (maar met onleesbaar gemaakte delen) aan de andere partij en aan de kamer van het Hof, die in de hoofdzaak zal beslissen, te overleggen.

2.3.3.

Het verschil tussen het honoreren van een verzoek om geheimhouding en het honoreren van een verzoek om beperking van kennisneming is als volgt:

a. Geheimhouding: de (delen van de) stukken mogen door de inspecteur worden onthouden aan de rechter die in de hoofdzaak beslist en aan de wederpartij. Zowel de rechter die in de hoofdzaak beslist als de wederpartij nemen geen kennis van deze (delen van) stukken en deze blijven bij de beslissing van de hoofdzaak geheel buiten beschouwing. Dit betekent dat de weigering als bedoeld in artikel 8:29, eerste lid, van de Awb door de inspecteur om (delen van de) stukken aan zowel de rechter die in de hoofdzaak beslist als de wederpartij over te leggen, is gerechtvaardigd.

b. Beperking kennisneming: de (delen van de) stukken komen wel ter beschikking van de rechter die in de hoofdzaak beslist, maar de wederpartij kan geen kennis nemen van deze (delen van) stukken (beperkte kennisneming).

2.3.4.

In art. 8:29, vijfde lid, van de Awb is bepaald, dat variant b alleen is toegestaan met toestemming van de betreffende belanghebbende.

Toetsing

2.4.

Tussen partijen is niet in geschil dat het Memo een op de zaak betrekking hebbend stuk is. Voorts heeft de inspecteur, desgevraagd, ter zitting van het Hof bevestigd dat hij primair verzoekt om geheimhouding en subsidiair om beperkte kennisneming. Uit het schrijven van belanghebbende van 24 juni 2020 volgt dat belanghebbende geen toestemming voor beperkte kennisneming wil verlenen. Aldus vat de geheimhoudingskamer, mede uit het oogpunt van een doelmatige procesgang, het verzoek van de inspecteur op als een verzoek om toepassing van variant a (geheimhouding).

2.5.

Beslissend bij de vraag of de inspecteur zich terecht op deze geheimhouding beroept is niet of op de zaak betrekking hebbende stukken of onleesbaar gemaakte delen daarvan en/of bekendmaking van de identiteit van personen, voor de verdediging van belanghebbendes standpunt noodzakelijk of essentieel zijn en ook niet of kennisneming door belanghebbende voor de verdediging van zijn standpunt van belang zou kunnen zijn. Slechts indien de door de inspecteur voor geheimhouding aangevoerde redenen aanzienlijk zwaarder wegen dan het belang van belanghebbende bij onbeperkte kennisneming van (delen van) de op de zaak betrekking hebbende stukken - dat houdt in: het belang van belanghebbende bij kennisneming van alle op de zaak betrekking hebbende stukken in ongeschoonde vorm - is sprake van gewichtige redenen die geheimhouding rechtvaardigen.

2.6.

De geheimhoudingskamer wijst er nog op dat indien de belangenafweging ertoe leidt dat bepaalde gegevens voor belanghebbende geheim dienen te blijven, hieruit voortvloeiende problemen voor belanghebbende in de door de belastingrechter (in de hoofdzaak) toegepaste procedure moeten worden gecompenseerd. Dit kan bijvoorbeeld en onder omstandigheden tot uitdrukking komen in de bewijslastverdeling.

2.7.

Met betrekking tot het beroep van de inspecteur op geheimhouding van de onder 2.2. genoemde, door de inspecteur onleesbaar gemaakte, tekstgedeelten van het Memo overweegt de geheimhoudingskamer als volgt.

2.8.

De geheimhoudingskamer is van oordeel dat de in categorie A beschreven informatie in de door de inspecteur onleesbaar gemaakte tekstgedeelten voor de beslissing van de hoofdzaak niet direct van belang zijn: het betreft hier kortgezegd persoonsnamen en andere persoonlijke (identiteits-)gegevens, alsmede directe telefoonnummers en e-mailadressen van belastingambtenaren. Hetzelfde heeft te gelden voor categorie B; de persoonsgegevens van derden. Gelet op het ontbreken van een direct belang van deze door de inspecteur onleesbaar gemaakte voor de beslissing van de hoofdzaak, alsmede op de uit de Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Rand van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming), PB L 119/1,4 mei 2016, voortvloeiende verregaande bescherming van persoonsgegevens van natuurlijke personen, is de geheimhoudingskamer van oordeel dat het belang van de bescherming van de persoonsgegevens aanzienlijk zwaarder weegt dan het belang dat belanghebbende heeft bij onbeperkte kennisneming van alle op de zaak betrekking hebbende stukken in ongeschoonde vorm.

Derhalve heeft de inspecteur het overleggen van deze onleesbaar gemaakte tekstgedeelten van het Memo (inclusief de namenlijst) kunnen weigeren. Daar komt nog bij dat de in Memo genoemde Nederlandse belastingambtenaren op een zodanig individualiseerbare wijze zijn geanonimiseerd (met de aanduiding “NN” gevolgd door een cijfer) dat zij op zich met deze anonieme aanduiding als “te horen personen” kunnen worden aangewezen.

2.9.

Het Hof acht ook geheimhouding van de onder categorie C (inclusief de aanvullende opmerkingen over het Plan van aanpak) genoemde informatie meer om de volgende redenen gerechtvaardigd. De inspecteur is, samengevat, van mening dat de in deze categorie onleesbaar gemaakte tekstgedeelten van belang zijn voor een effectieve controle en controlestrategie. De geheimhoudingskamer begrijpt dit standpunt aldus dat de onleesbaar gemaakte tekstgedeelten deel uitmaken van een werkinstructie van ambtenaren die betrokken zijn bij het Project Duitse info (UBS) en dat, als deze informatie bekend wordt, belastingplichtigen hun werkwijze daarop kunnen afstemmen en zodoende door anticiperend gedrag onderzoeken kunnen frustreren. Ook belanghebbende zou, als de informatie bekend zou worden, zijn werkwijze voor de toekomst erop kunnen afstemmen, aldus de inspecteur.

Het Hof is met de inspecteur van oordeel dat deze onleesbaar gemaakte tekstgedeelten voor de Belastingdienst van controle-strategisch belang zijn (zowel voor andere belastingplichtigen als, mogelijk, voor belanghebbende). Het directe belang van deze tekstgedeelten voor de beslissing in de hoofdzaak is erin gelegen dat deze tekstgedeelten inzicht verschaffen in de wijze waarop de Belastingdienst inwoners van Nederland met tegoeden bij de Zwitserse UBS bank opspoort, benadert en in de heffing van IB/PVV over deze tegoeden en de boeteoplegging betrekt. Dit controle-strategische belang weegt aanzienlijk zwaarder dan het belang van belanghebbenden bij onbeperkte kennisneming van de ‘ongeschoonde’ stukken. Derhalve heeft de inspecteur het overleggen van de onder C vermelde onleesbaar gemaakte tekstgedeelten van het Plan van aanpak kunnen weigeren.

2.10.

Op grond van hetgeen is overwogen onder 2.7. tot en met 2.9., is de geheimhoudingskamer van oordeel dat het beroep van de inspecteur op geheimhouding van de door de inspecteur onleesbaar gemaakte tekstgedeelten van het Memo (inclusief de overgelegde namenlijst) slaagt. Bij dit oordeel neemt de geheimhoudingskamer in aanmerking dat, indiende geheimhouding van de onleesbaar gemaakte tekstgedeelten tot gevolg heeft dat belanghebbende in zijn processuele positie wordt

benadeeld, de zetel die in de hoofdzaak beslist, indien hij daartoe gronden aanwezig acht, deze processuele benadeling in het kader van een redelijke verdeling van de bewijslast kan verminderen of wegnemen (zie ook onder 2.6).

De slotsom

2.11.

De slotsom is dat het (primaire) beroep van de inspecteur op geheimhouding van de door de

inspecteur onleesbaar gemaakte tekstgedeelten van het Memo (inclusief de namenlijst) slaagt. Het Hof zal beslissen als hierna vermeld.

3 Beslissing

Het Hof:

- bepaalt dat de beperkingen van de kennisneming (geheimhouding van de door de

inspecteur onleesbaar gemaakte tekstgedeelten van het Memo) waarom de inspecteur heeft verzocht gerechtvaardigd zijn;

- verwijst de zaak ter verdere behandeling naar de Vierde Meervoudige Belastingkamer van het Hof;

- stelt het procesdossier, met uitzondering van de door de inspecteur aan het Hof gezonden ongeschoonde stukken en de namenlijst, ter beschikking van de Vierde Meervoudige Belastingkamer en verzoekt de griffier de ongeschoonde versie van de stukken en de namenlijst in een verzegelde envelop te deponeren welke in die toestand tot het dossier blijft behoren.

Deze tussenuitspraak is vastgesteld op 12 november 2020 door mr. M.J. Leijdekker, voorzitter en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. P.L. Cheung als griffier.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:


Tegen deze uitspraak kan geen rechtsmiddel worden aangewend.

(griffier) (voorzitter van de belastingkamer)