Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:2979

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
05-11-2020
Datum publicatie
06-11-2020
Zaaknummer
23-000684-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Jeugd. Mishandeling met zwaar lichamelijk letsel ten gevolge.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-000684-20

datum uitspraak: 5 november 2020

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Amsterdam van 2 maart 2020 in de strafzaak onder parketnummer 13-204367-19 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2001,

adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 22 oktober 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in hoger beroep door het gerechtshof toegelaten wijziging is aan de verdachte tenlastegelegd dat:

Primair:

hij op of omstreeks 24 augustus 2019 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, aan [benadeelde] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een breuk van het scheenbeenplateau en/of een losgescheurde kruisband en/of een scheur in de meniscus, heeft toegebracht door voornoemde [benadeelde] met dat opzet tegen de benen te schoppen;

Subsidiair:
hij op of omstreeks 24 augustus 2019 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, [benadeelde] heeft mishandeld door
- tegen de benen van voornoemde [benadeelde] te schoppen en/of
- met zijn eigen been (om) een/de be(e)n(en) van [benadeelde] te haken, en/of
- (vervolgens) voornoemde [benadeelde] te duwen (waardoor zij ten val kwam)
terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een breuk van het scheenbeenplateau en/of een losgescheurde kruisband en/of een scheur in de meniscus ten gevolge heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de kinderrechter.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte primair is tenlastegelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:


hij op 24 augustus 2019 te Amsterdam, [benadeelde] heeft mishandeld door met zijn eigen been om een been van [benadeelde] te haken en voornoemde [benadeelde] te duwen waardoor zij ten val kwam terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een breuk van het scheenbeenplateau en een losgescheurde kruisband en een scheur in de meniscus ten gevolge heeft gehad.

Hetgeen subsidiair meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Bewijsoverweging ten aanzien van feit 1 subsidiair

Door de verdediging is aangevoerd dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat de verdachte aangeefster [benadeelde] tegen haar benen heeft geschopt dan wel met zijn been om het been van [benadeelde] heeft gehaakt. Indien het hof wel tot een bewezenverklaring komt van de mishandeling dient een partiële vrijspraak te volgen voor het geobjectiveerde gevolg.

Het hof verwerpt dit verweer. De verdachte heeft zelf vlak na het incident ten overstaan van de ter plaatse gekomen politie verklaard dat hij een vrouw van zich heeft afgeschopt. Later heeft hij verklaard dat hij haar heeft geduwd. De aangeefster heeft verklaard dat zij door de verdachte bij haar schouders werd vastgepakt en dat hij vervolgens haar benen onder haar vandaan schopte. De getuige [getuige 1] heeft verklaard dat zij zag dat de verdachte zijn been om het been van aangeefster haakte waardoor zij ten val kwam. Ondanks dat de door de verdachte gemaakte beweging verschillend wordt omschreven, de één noemt het schoppen en de ander haken, begrijpt het hof dat er door de verdachte een schoppende beweging is gemaakt waarbij hij zijn been om het been van aangeefster heeft gehaakt, ook wel een tackle genoemd. Het hof acht bewezen dat de aangeefster ten val kwam door de combinatie van deze vorm van schoppen in combinatie met een duw, en dat zij daardoor zwaar lichamelijk letsel heeft bekomen.

Ten aanzien van het bewezenverklaarde strafverzwarende gevolg overweegt het hof dat er sprake dient te zijn van zogenoemde dubbele causaliteit. Er dient een verband te zijn tussen de gedragingen en de pijn of het leed dat het slachtoffer is aangedaan én er dient een verband te zijn tussen de mishandeling en het strafverzwarende gevolg. Het hof is van oordeel dat er sprake is van een causaal verband tussen het bewezenverklaarde en het bij de aangeefster geconstateerde letsel. Door de handelingen van de verdachte, waarbij hij de aangeefster onverhoeds heeft getackeld en geduwd, heeft de aangeefster het geconstateerde letsel opgelopen. De verdediging heeft niet betwist dat het letsel van aangeefster zwaar lichamelijk letsel betreft. Het verweer strekkende tot partiële vrijspraak wordt verworpen.

Nu het proces-verbaal van 24 augustus 2019 opgemaakt door verbalisant [verbalisant] niet voor het bewijs zal worden gebezigd wordt het voorwaardelijk verzoek van de verdediging om de getuigen [getuige 2] , [getuige 3] , [getuige 1] en [getuige 4] nader te horen, verworpen.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

De raadsman heeft verder betoogd dat de verdachte handelde uit noodweer, dan wel putatief noodweer, zodat hij dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Het hof oordeelt als volgt.

Op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting stelt het hof het volgende vast. De verdachte reed op zijn scooter door het Vondelpark waar dit niet was toegestaan. In reactie daarop werd er door [getuige 3] een tennisbal tegen de helm van de verdachte gegooid. De verdachte had op dat moment de keuze weg te rijden en zich aan de situatie te onttrekken maar in plaats daarvan koos hij er voor om – naar eigen zeggen - verhaal te gaan halen bij deze [getuige 3] . De verdachte benaderde [getuige 3] vervolgens op een zo dusdanig agressieve manier dat hij uiteindelijk neus tegen neus met haar stond. [getuige 3] heeft vervolgens bier in het gezicht van de verdachte gegooid. In reactie hierop heeft de verdachte [getuige 3] geduwd en zijn zij in een worsteling geraakt. Tijdens deze worsteling heeft de aangeefster getracht om tussenbeide te komen door de verdachte bij de schouders beet te pakken teneinde hem van [getuige 3] af te trekken. Het is bij deze handeling van de aangeefster geweest dat de verdachte haar van zich af heeft geduwd en getackeld. Daarbij is naar het oordeel van het hof geen sprake geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijk aanranding van het lijf van de verdachte door de aangeefster.

Zodat het beroep op noodweer wordt verworpen.

Gezien de vastgestelde feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat de verdachte ook niet redelijkerwijs mocht menen dat hij zich moest verdedigingen op de wijze als hij heeft gedaan omdat hij verontschuldigbaar zich het dreigende gevaar heeft ingebeeld dan wel de aard van de dreiging verkeerd heeft beoordeeld. Het beroep op putatief noodweer faalt.

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het subsidiair bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het subsidiair bewezenverklaarde levert op:

mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het subsidiair bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De kinderrechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder feit 1 subsidiair bewezenverklaarde veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 40 uren indien niet naar behoren verricht te vervangen door 20 dagen jeugddetentie.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte tot dezelfde straf zal worden veroordeeld als in eerste aanleg voor het onder feit 1 subsidiair tenlastegelegde.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft de aangeefster mishandeld door haar te tackelen en te duwen waardoor zij zeer ernstig beenletsel heeft opgelopen, waarvan het volledig herstel nog steeds onzeker is. Dit is een ernstig feit dat de verdachte is aan te rekenen. Deze gebeurtenis heeft naast lichamelijke letsel ook psychisch nadelige gevolgen voor de aangeefster gehad.

Gelet op de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan acht het hof, alles afwegende, een onvoorwaardelijke werkstraf van na te melden duur passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt €16.061,81. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van €4.926,81. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor een bedrag van €13.092,11.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het gehele bedrag zal toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht en het daarbij behorende aantal dagen gijzeling.

De raadsman heeft verzocht dat het hof de beslissing van de kinderrechter zal volgen en dat het aantal dagen gijzeling op nul wordt bepaald, nu de verdachte ten tijde van het plegen van het feit minderjarig was.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het subsidiair bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Ten aanzien van de materiële schade overweegt het hof als volgt. De materiële schade wordt toegewezen tot een bedrag van €926,81 bestaande uit de eigen bijdrage aan het zilveren kruis in 2019 (€357,81) en 2020 (€385,-), de kosten van parkeren bij het ziekenhuis (€64,-) en de ziekenhuisgeldvergoeding (€120,-). Ten aanzien van de immateriële schade overweegt het hof dat deze gelet op de fysieke gevolgen en de daarmee gepaard gaande lange revalidatie evenals de mentale gevolgen die het feit op de benadeelde partij heeft gehad deze toegewezen dient te worden tot een bedrag van €5.000,-. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot een bedrag van €5.926,81 zal worden toegewezen.

De benadeelde partij is niet-ontvankelijk in haar vordering ten aanzien van de gevorderde €50,- voor de nota van fysiotherapeut nu deze kostenpost in eerste aanleg niet is opgevoerd. Ten aanzien van de gevorderde kosten die zien op de Letselschade Richtlijn Huishoudelijke Hulp overweegt het hof als volgt. Het hof is van oordeel dat het beoordelen van deze kostenpost niet eenvoudig van aard is nu de definities ter afbakening van deze richtlijn te veel vragen oproepen. Nu de behandeling van dit deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, kan de benadeelde partij in zoverre niet in haar vordering worden ontvangen en kan de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed en zal de gijzeling daarbij bepalen op nul dagen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36f, 77a, 77g, 77m, 77n en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 20 (twintig) dagen jeugddetentie.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 5.926,81 (vijfduizend negenhonderdzesentwintig euro en eenentachtig cent) bestaande uit € 926,81 (negenhonderdzesentwintig euro en eenentachtig cent) materiële schade en € 5.000,00 (vijfduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 5.926,81 (vijfduizend negenhonderdzesentwintig euro en eenentachtig cent) bestaande uit € 926,81 (negenhonderdzesentwintig euro en eenentachtig cent) materiële schade en € 5.000,00 (vijfduizend euro) immateriële schade.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 0 (nul) dagen.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. D. Radder, mr. A.M. Kengen en mr. C.J. van der Wilt, in tegenwoordigheid van mr. F. van den Brink, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 5 november 2020.

De jongste raadsheer is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

[…]