Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:2976

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
04-11-2020
Datum publicatie
06-11-2020
Zaaknummer
23-001854-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Art. 69, vierde lid, AWR is niet van toepassing, aangezien de verdachte wordt verweten dat hij valse facturen heeft overgelegd in het kader van een door hem ingediend bezwaarschrift tegen een naheffingsaanslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 10-11-2020
FutD 2020-3392
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-001854-19

datum uitspraak: 4 november 2020

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 13 mei 2019 in de strafzaak onder parketnummer 15-993000-19 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1971,

adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

21 oktober 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Het openbaar ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de politierechter.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De raadsman heeft betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van de verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde misdrijf van artikel 225, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr). In casu is sprake van een verdenking van het onjuist dan wel onvolledig doen van aangifte als bedoeld in artikel 69, tweede lid, van de Algemene wet inzake Rijksbelastingen (AWR), zodat ingevolge het bepaalde in artikel 69, vierde lid, AWR vervolging ter zake van artikel 225, tweede lid, Sr is uitgesloten. Daarnaast is niet (verifieerbaar) gebleken dat het openbaar ministerie aan het AAFD-protocol (Protocol aanmelding en afdoening van fiscale delicten op het gebied van douane en toeslagen) heeft getoetst alvorens tot vervolging over te gaan.

Het hof overweegt als volgt.

Artikel 69, eerste en tweede lid, AWR, voor zover thans van belang, zien op de strafbaarstelling van het opzettelijk niet (tijdig) dan wel onjuist of onvolledig doen van een bij de belastingwet voorziene aangifte.

In artikel 69, vierde lid, AWR is bepaald dat indien het feit, ter zake waarvan de verdachte kan worden vervolgd, zowel valt onder een van de bepalingen van het eerste of het tweede lid, als onder die van artikel 225, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, strafvervolging op grond van genoemd artikel 225, tweede lid, is uitgesloten.

Het hof overweegt dat de verdachte in casu wordt verweten dat hij valse facturen heeft overgelegd in het kader van een door hem ingediend bezwaarschrift tegen een naheffingsaanslag. Deze gedraging valt niet binnen de in artikel 69, eerste en tweede lid, AWR genoemde strafbare handelingen ter zake het niet (binnen de termijn) dan wel onjuist of onvolledig doen van ‘een bij de belastingwet voorziene aangifte’. Artikel 69, vierde lid, AWR is mitsdien niet van toepassing is.

Het hof overweegt voorts dat het openbaar ministerie wat betreft het tenlastegelegde artikel 225 Sr niet gehouden was het AAFD-protocol toe te passen, nu dit protocol niet ziet op feiten die in het Wetboek van Strafrecht strafbaar zijn gesteld.

De verweren worden verworpen. Het openbaar ministerie is ontvankelijk in de vervolging van de verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde artikel 225, tweede lid, Sr.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

primair
Hij op of omstreeks 16 november 2017 te Hoofddorp, in elk geval in Nederland, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van en/of heeft afgeleverd, althans voorhanden heeft gehad,

acht (8), althans een of meer factu(u)r(en), van [BV] BV gericht aan [naam] en/of hem, verdachte, ten bedrage van in totaal circa Euro 67.104,89 (inclusief btw)

(DOC-002, 1-9 t/m DOC-002, 8-9)

zijnde telkens (een) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen, terwijl hij, verdachte wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat dat/die geschrift(en) bestemd was/waren voor gebruik als ware het/zij echt en onvervalst,

bestaande dat gebruik maken en/of afleveren hierin dat hij, verdachte, die factu(u)r(en) aan ((een) ambtena(a)r(en) van) de Belastingdienst heeft afgegeven/overhandigd ter onderbouwing/ondersteuning van een bezwaarschrift tegen naheffingsaanslagen omzetbelasting 2013 t/m 2016,

en bestaande die valsheid of vervalsing (telkens) hierin dat op/in die factu(u)r(en), is vermeld dat door [BV] BV goederen zijn geleverd en/of diensten/werkzaamheden zijn verricht ten behoeve van [naam] en/of hem, verdachte, terwijl in werkelijkheid die goederen en/of die diensten/werkzaamheden niet door [BV] BV zijn geleverd en/of verricht ten behoeve van [naam] en/of hem, verdachte,

en/of (telkens)

dat op/in die factu(u)r(en) (een) factuurbedag(en) is/zijn vermeld dat/die in werkelijkheid geen betrekking heeft/hebben op de in die factu(u)r(en) vermelde(n) goederen en/of diensten/werkzaamheden.


subsidiair
Hij op of omstreeks 16 november 2017 te Hoofddorp, in elk geval in Nederland, als degene die ingevolge de Belastingwet verplicht was tot het voor raadpleging beschikbaar stellen van boeken, bescheiden, andere gegevensdragers of de inhoud daarvan, deze in valse of vervalste vorm voor dit doel beschikbaar heeft gesteld aan ((een) ambtena(a)r(en) van) de Belastingdienst, immers heeft hij, verdachte, opzettelijk

acht (8), althans een of meer factu(u)r(en), van [BV] BV gericht aan [naam] en/of hem, verdachte, ten bedrage van in totaal circa Euro 67.104,89 (inclusief btw)

(DOC-002, 1-9 t/m DOC-002, 8-9)

aan ((een) ambtena(a)r(en) van) de Belastingdienst ter beschikking gesteld, bestaande die valsheid (telkens) hierin dat op/in die factu(u)r(en) is vermeld dat door [BV] BV goederen zijn geleverd en/of diensten/werkzaamheden zijn verricht ten behoeve van [naam] en/of hem, verdachte, terwijl in werkelijkheid die goederen en/of die diensten/werkzaamheden niet door [BV] BV zijn geleverd en/of verricht ten behoeve van [naam] en/of hem, verdachte,

en/of (telkens)

dat op/in die factu(u)r(en) (een) factuurbedag(en) vermeld dat/die in werkelijkheid geen betrekking heeft/hebben op de in die factu(u)r(en) vermelde(n) goederen en/of diensten/werkzaamheden;

terwijl dat/die feit(en) er (telkens) toe strekte(n) dat te weinig belasting werd geheven.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Bewijsoverweging

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat het voorwaardelijk opzet op de gebruikmaking van de valse facturen niet kan worden aangenomen. De verdachte stond in de betreffende periode onder druk van de Belastingdienst om stukken aan te leveren. Hij heeft de stukken ontvangen van zijn boekhouder [boekhouder] , die het niet goed met hem voorhad, en heeft deze stukken zonder te controleren aan de Belastingdienst gegeven. De verdachte hoefde niet te vermoeden dat het frauduleuze stukken waren.

Het hof stelt vast dat de verdachte degene is geweest die de valse facturen aan de Belastingdienst heeft overgelegd. De verklaring van de verdachte dat zijn boekhouder [boekhouder] de valse facturen zou hebben opgemaakt en dat hij daardoor niet wist dat de facturen vals waren, schuift het hof als ongeloofwaardig terzijde. De verdachte heeft op geen enkel moment in de procedure, noch bij de belastingdienst, noch bij de rechtbank in eerste aanleg of ter terechtzitting in hogere beroep, nadere gegevens van [boekhouder] verstrekt. Dit maakt dat de verklaring van de verdachte op geen enkele wijze controleerbaar is. Het hof acht het ook ongeloofwaardig dat de verdachte geen nadere gegeven kan verstrekken van degene, aan wie hij zijn boekhouding toevertrouwt. Daar komt nog bij dat de getuige [getuige], rijksambtenaar bij de belastingdienst, heeft verklaard dat de verdachte alle kopieën en facturen heeft gecontroleerd. Naar het oordeel van het hof kan het dan ook niet anders zijn dan dat de verdachte opzet had op de gebruikmaking van de facturen jegens de Belastingdienst. Het hof acht bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend dat bewezen de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

primair
hij op 16 november 2017 te Hoofddorp opzettelijk gebruik heeft gemaakt van en heeft afgeleverd, acht (8) facturen, van [BV] BV gericht aan [naam] en/of hem, verdachte, ten bedrage van in totaal circa Euro 67.104,89 (inclusief btw) zijnde telkens geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, terwijl hij, verdachte wist dat die geschriften bestemd waren voor gebruik als ware zij echt en onvervalst, bestaande dat gebruik maken en afleveren hierin dat hij, verdachte, die facturen aan een ambtenaar van de Belastingdienst heeft afgegeven ter onderbouwing van een bezwaarschrift tegen naheffingsaanslagen omzetbelasting 2013 t/m 2016, en bestaande die valsheid telkens hierin dat op die facturen, is vermeld dat door [BV] BV diensten/werkzaamheden zijn verricht ten behoeve van [naam] en/of hem, verdachte, terwijl in werkelijkheid die diensten/werkzaamheden niet door [BV] BV zijn verricht ten behoeve van [naam] en/of hem, verdachte, en telkens dat op die facturen factuurbedragen zijn vermeld die in werkelijkheid geen betrekking hebben op de in die facturen vermelde diensten/werkzaamheden.

Hetgeen primair meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het primair bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het primair bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het primair bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen

De politierechter heeft de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken voorwaardelijk met een proeftijd van

2 jaren en een taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft gebruik gemaakt van valse facturen om een bezwaarschrift tegen naheffingsaanslagen omzetbelasting te onderbouwen. De verdachte heeft deze facturen aan de Belastingdienst overhandigd om daarmee te doen voorkomen dat hij diensten/goederen had afgenomen van [BV] B.V., terwijl dit feitelijk niet het geval was. Aldus heeft de verdachte de Belastingdienst benadeeld en heeft hij het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer, in dit geval door de Belastingdienst, mag worden gehecht aan geschriften die tot het bewijs van enig feit dienen, geschonden. De verdachte heeft daarmee en ten eigen voordele de gemeenschap schade toegebracht.

Het hof is van oordeel dat, gelet op de ernst van het feit, niet kan worden volstaan met een taakstraf, maar dat tevens een voorwaardelijke gevangenisstraf dient te worden opgelegd. Mede gelet op de straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd, acht het hof een taakstraf voor de duur van 80 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 weken passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 225 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 80 (tachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M. Senden, mr. S. Clement en mr. P. Greve, in tegenwoordigheid van mr. R. Vosman, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 4 november 2020.

mr. S. Clement is buiten staat dit arrest te ondertekenen.

=========================================================================

[…]