Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:2971

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
03-11-2020
Datum publicatie
23-11-2020
Zaaknummer
200.259.753/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2019:578
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdeling huwelijksgoederengemeenschap. Haags Huwelijksvermogensverdrag. Onroerende zaken in Iran.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht,

(familie- en jeugdrecht, team III)

zaaknummer : 200.259.753/01

zaaknummer rechtbank : C/13/645459 / HA ZA 18-307

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 3 november 2020

inzake

[de vrouw] ,

wonend te [plaats A] ,

appellante,

advocaat: mr. A.J. Tekstra te Amsterdam,

tegen

[de man] ,

wonend te [plaats B] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. E.B. Warmerdam-Wolfs te Alkmaar.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna de vrouw en de man genoemd.

De vrouw is bij dagvaarding van 25 april 2019 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Amsterdam van 6 februari 2019, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen de man als eiser en de vrouw als gedaagde.

Vervolgens hebben partijen de volgende stukken ingediend:

- een memorie van grieven, met producties;

- een memorie van antwoord, met producties.

Partijen hebben de zaak ter zitting van 20 augustus 2020 doen bepleiten, mr. Tekstra aan de hand van pleitaantekeningen die zijn overgelegd. De man heeft nog een productie (productie 7) in het geding gebracht.

Ten slotte is arrest gevraagd.

De vrouw heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en de vorderingen van de man alsnog zal afwijzen, met veroordeling van de man in de kosten van beide instanties.

De man heeft geconcludeerd dat het hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis waarvan beroep zal bekrachtigen.

De vrouw heeft in hoger beroep bewijs van haar stellingen aangeboden.

2 Feiten

2.1

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis van 6 februari 2019 onder 2.1 tot en met 2.6 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, komen de feiten neer op het volgende.

2.2

Partijen zijn [in] 2002 met elkaar gehuwd in [plaats C] , Iran. Beiden hadden ten tijde van het huwelijk de Iraanse nationaliteit. De man had tevens de Nederlandse nationaliteit en woonde in Nederland. In het kader van de huwelijksvoltrekking kreeg de vrouw recht op een van de man te ontvangen mehriye (bruidsgave).

2.3

Op 2 april 2003 is de vrouw bij de man in Nederland komen wonen in de woning van de man te [plaats B] (hierna: de woning te [plaats B] ). De man heeft deze woning in 1999 gekocht en gefinancierd door middel van een hypothecaire geldlening bij de Rabobank.

2.4

Op 22 mei 2008 en 1 juni 2008 hebben partijen met onder meer een hypothecaire geldlening bij de Rabobank een winkelpand en een appartement aangekocht in [plaats C] . Deze panden stonden op naam van beide partijen geregistreerd. Voor de lening bij de Rabobank hebben partijen hypothecaire zekerheid gegeven op de woning van de man.

2.5

Bij beschikking van de rechtbank Amsterdam van 10 december 2014 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Deze beschikking is op 16 december 2014 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, zodat het huwelijk van partijen per die datum door echtscheiding is ontbonden.

2.6

De echtscheiding is naar Iraans recht uitgesproken op 20 januari 2015 in het cultureel centrum [X] en vervolgens op genoemde datum geregistreerd bij de Iraanse ambassade.

2.7

De man heeft op 20 januari 2015 bij de Iraanse ambassade in Den Haag twee machtigingen aan de vrouw verstrekt. De eerste machtiging betrof een volmacht voor de verkoop en levering van de panden in Iran en de tweede (bijzondere) volmacht betrof de machtiging voor het openen van een bankrekening voor de man in Iran.

2.8

Uit de door de man overgelegde vertaling van de tussen partijen op 11 juni 2015 gewisselde WhatsApp berichten blijkt, onder meer, het volgende:

“En nog een vraag. Als de winkel verkocht wordt kan ik maar 5000 of 6000 voor je meenemen. Omdat ik zelf ook wat geld wil meenemen. Je mag niet meer dan 9000 contant geld bij je hebben op het vliegveld. De rest van het geld maak ik op je rekening, in Rials, overmaken (13:17)

Ja wel, je kan onder € 10000 hebben (13:19)

Ja, het is hetzelfde (13:20)

Onder 10000 is 9000 (13:20)

Ja (13:20)

Ik neem 3000 voor mijzelf en 6000 voor je mee (13:20)

Samen worden het 9000 (13:21)

Duidelijk (13:21)

Oké (13:21)

Hoeveel procent geef je kans om met geld te komen ??? (13:22)

Er is een koper (13:22)

99% (13.22)

Oké goed nieuws (13:23)

Hoeveel €€€ (13:23)

15 per meter (13:24)

In euro weet ik het niet (13:24)

Perfect (13.23)

405000000 Toeman (13:25)

(…)

Vergeet niet om copies te maken en neem de documenten mee (16:05).”

2.9

Op 25 juni 2015 heeft de man voorafgaand aan het vertrek van de vrouw naar Iran de eigendomsaktes van de panden aan de vrouw overhandigd.

3 Beoordeling

3.1

Partijen twisten over de verdeling van de ontbonden huwelijksgoederen-gemeenschap. Voor zover thans nog van belang en kort samengevat weergegeven lag aan de rechtbank voor welk recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime van partijen, de omvang van de huwelijksgoederengemeenschap en de verdeling daarvan. Volgens de man behoren tot de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap de panden in Iran, die aan de vrouw moeten worden toegedeeld onder de verplichting voor de vrouw om aan de man te voldoen een bedrag van € 110.000,- uit hoofde van overbedeling. De vrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat ook de woning te [plaats B] tot de gemeenschap behoort en dat partijen afspraken over de verdeling hebben gemaakt waarbij de panden in Iran aan de vrouw worden toegedeeld.

3.2

De rechtbank heeft geoordeeld dat partijen na 1 september 1992 zijn gehuwd, zodat de in het Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op het huwelijksvermogensregime van 14 maart 1978 (hierna: het Haags Huwelijksvermogensverdrag) geformuleerde verwijzingsregels van toepassing zijn.

De rechtbank heeft vervolgens geoordeeld dat het toepasselijke huwelijksvermogens-regime op grond van artikel 4, tweede lid, onder 3, van het Haags Huwelijksvermogensverdrag wordt beheerst door het interne recht van de staat van de gemeenschappelijke nationaliteit van partijen, te weten Iraans recht, en dat het huwelijksvermogensregime op grond van artikel 7, derde lid, van het Haags Huwelijksvermogensverdrag is gewijzigd op het moment dat de vrouw zich op 2 april 2003 in Nederland bij de man heeft gevoegd. Vanaf dat moment wordt het huwelijksvermogensregime, zo heeft de rechtbank geoordeeld, door het Nederlandse recht beheerst en is ingevolge dit recht een gemeenschap van goederen ontstaan die de na 2 april 2003 verworven activa en aangegane schulden omvat. Op hetgeen voordien is verworven en de voordien aangegane schulden blijft het Iraans huwelijksvermogensregime van toepassing. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat niet is komen vast te staan dat partijen, zoals de vrouw heeft gesteld, mondeling hebben afgesproken dat de vrouw het eigendomsaandeel van de man in de panden in Iran toebedeeld zou krijgen. De rechtbank heeft de vordering van de man toegewezen en de verdeling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap vastgesteld, aldus dat de panden in Iran aan de vrouw worden toegedeeld en de vrouw uit hoofde van overbedeling een bedrag van € 110.000,- aan de man moet betalen. Verder heeft de rechtbank de proceskosten tussen partijen gecompenseerd.

3.3

Tegen deze beslissingen en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt de vrouw met haar negen grieven op.

3.4

De grieven 1 tot en met 6 lenen zich voor gezamenlijke behandeling en zullen hierna worden besproken.

3.5

Gelet op de tijdens de zitting in hoger beroep gegeven toelichting, moeten de grieven 3 en 6 van de vrouw aldus worden begrepen dat zij niet grieft van het oordeel van de rechtbank dat het huwelijksvermogensregime van partijen bij aanvang van het huwelijk (op grond van het bepaalde in artikel 4, tweede lid, onder 3, van het Haags Huwelijksvermogensverdrag) wordt beheerst door Iraans recht en dat het toepasselijke huwelijksvermogensregime (op grond van artikel 7, derde lid, van het Haags Huwelijksvermogensverdrag) is gewijzigd toen de vrouw zich op 2 april 2003 in Nederland bij de man heeft gevoegd en vanaf dat moment door het Nederlandse recht wordt beheerst. De vrouw betoogt, zo heeft zij in haar memorie van grieven en ter zitting toegelicht, dat partijen blijkens het echtscheidingsconvenant ervan zijn uitgegaan dat sprake was van een algehele gemeenschap van goederen waartoe ook de woning te [plaats B] behoort. Partijen hebben dienovereenkomstig afspraken gemaakt en ook de vrouw heeft verplichtingen uit hoofde van de hypotheekschuld op zich genomen en rente en aflossingen betaald.

3.6

De man heeft verweer gevoerd. Voor zover de man ter zitting in hoger beroep heeft aangevoerd de grieven niet overeenkomstig de aldaar door de vrouw gegeven toelichting te hebben begrepen, gaat het hof daaraan voorbij. De man heeft in zijn memorie van antwoord reeds verweer gevoerd tegen de stelling van de vrouw dat partijen hebben afgesproken dat sprake is van een algehele gemeenschap van goederen.

3.7

Nu, gelet op voormelde toelichting van de vrouw op haar grieven, daarvan niet is gegriefd, staat vast dat bij aanvang van het huwelijk van partijen het Iraans recht van toepassing was, dat geen huwelijksgoederengemeenschap kent. Voorts staat vast dat per 2 april 2003, ingevolge het dan toepasselijke Nederlandse recht, een gemeenschap van goederen is ontstaan die de na 2 april 2003 verworven activa en aangegane schulden omvat. Dit brengt mee dat de woning te [plaats B] buiten de gemeenschap van goederen valt en dat de door partijen in 2008 aangekochte panden in Iran wel tot de gemeenschap behoren. Niet is in geschil dat de panden in Iran ook op de peildatum voor verdeling nog tot de gemeenschap behoorden. Voor de omvang en samenstelling van de te verdelen huwelijksgemeenschap moet, nu het Nederlands recht van toepassing is, de datum van ontbinding van de gemeenschap worden aangehouden. De datum van ontbinding is naar huidig recht, en anders dan de vrouw met haar vierde grief betoogt, de datum van indiening van het echtscheidingsverzoek op 12 november 2014 (artikel 1:99 lid 1 sub b BW).

3.8

De vrouw stelt - zo begrijpt het hof - dat partijen na het sluiten van het huwelijk in afwijking van het toepasselijke recht in een echtscheidingsconvenant zijn overeengekomen dat een gemeenschap van goederen bestaat waartoe ook de woning te [plaats B] behoort. Indien en voor zover deze stelling van de vrouw aldus moet worden begrepen dat partijen een rechtskeuze hebben gemaakt voor Nederlands recht, faalt deze stelling.

De vraag of rechtsgeldig een rechtskeuze is uitgebracht, moet worden beantwoord aan de hand van het Haags Huwelijksvermogensverdrag en wel aan de hand van de artikelen 3, 6 en 10-13 van dit verdrag. Een rechtskeuze kan worden uitgebracht voor het huwelijk (artikel 3) en tijdens het huwelijk (artikel 6) en slechts voor de in het verdrag genoemde rechtsstelsels. Voor de geldigheid van een keuze moet sprake zijn van wilsovereenstemming over het als toepasselijk recht aan te wijzen rechtsstelsel te beoordelen aan de hand van het gekozen recht (artikel 10). De rechtskeuze moet uitdrukkelijk worden overeengekomen of ondubbelzinnig voorvloeien uit huwelijkse voorwaarden (artikel 11). De rechtskeuze moet worden gedaan in de vorm die voor huwelijkse voorwaarden is voorgeschreven van hetzij de gekozen wet hetzij de wet van het land waar de keuze wordt uitgebracht, met dien verstande dat als minimumvorm wordt verlangd, dat zij is neergelegd in een gedagtekend en door beide partijen ondertekend stuk (artikel 13). Aangezien de vrouw stelt dat partijen in Nederland een rechtskeuze hebben uitgebracht voor het Nederlands huwelijksvermogensregime, moet de rechtskeuze voldoen aan het bepaalde in artikel 1:115 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Dit artikel vereist dat de huwelijkse voorwaarden in een notariële akte worden vastgelegd. Daarvan is in dit geval geen sprake. De sanctie op het niet naleven van dit vereiste is nietigheid, zodat de gestelde, door de man betwiste, rechtskeuze de vrouw niet kan baten.

3.9

Voorts stelt de vrouw dat partijen in het kader van de echtscheiding mondeling hebben afgesproken dat de woning te [plaats B] tot de gemeenschap van goederen behoort. Volgens de vrouw hebben partijen afgesproken dat de woning te [plaats B] aan de man zou worden toegedeeld, zonder een vergoedingsrecht voor de door de vrouw betaalde hypotheekrente en -aflossingen en zonder een aanspraak van de vrouw op de overwaarde, dat de man de bruidsgave niet hoefde te betalen en dat daartegenover de panden in Iran aan de vrouw zouden worden toegedeeld. De man heeft dit als volgt weersproken. Partijen was al snel duidelijk dat de woning te [plaats B] buiten de gemeenschap viel. De vrouw was verliefd geworden op een ander en wilde de echtscheiding en verdeling snel regelen. In het kader van de door haar gewenste echtscheiding heeft de vrouw afstand van de bruidsgave gedaan. De panden in Iran vertegenwoordigden ongeveer een gelijke waarde en zouden worden verkocht. De opbrengst van het winkelpand zou aan de man toekomen en de opbrengst van het appartement aan de vrouw. De man heeft volmachten aan de vrouw verstrekt, zodat zij de verkoop kon regelen en de aan de man toekomende verkoopopbrengst van het winkelpand op een voor hem te openen Iraanse bankrekening kon storten.

3.10

De stelling van de vrouw dat partijen mondeling hebben afgesproken dat ook de woning te [plaats B] tot de te verdelen gemeenschap van goederen behoort, kan, mede gelet op het gemotiveerde en met stukken onderbouwde betoog van de man, niet slagen. De vrouw heeft haar stelling niet (voldoende) met concrete, voor bewijs vatbare feiten of omstandigheden onderbouwd. Zij heeft geen (voor bewijs vatbare) feiten aangedragen waaruit de gestelde afspraak blijkt of kan worden afgeleid. Weliswaar staat in het door partijen overeengekomen echtscheidingsconvenant dat partijen met elkaar in algehele gemeenschap van goederen zijn gehuwd, maar dit kan haar niet baten. Het betreft een enkele zin in de algemene aanhef van het convenant, waarin overigens niet meer over het huwelijksvermogensregime of verdeling wordt gesproken. De man heeft verder - door de vrouw niet, althans onvoldoende weersproken - aangevoerd dat partijen het convenant van internet hebben gehaald en dat dit zonder inhoudelijke toets via het online scheiden is geformaliseerd. Aan deze enkele zin in het echtscheidingsconvenant kan daarom niet de conclusie worden verbonden dat partijen zijn overeengekomen dat ook de woning te [plaats B] tot de gemeenschap van goederen behoort. Ook biedt de omstandigheid dat de vrouw afstand van de bruidsgave heeft gedaan, geen steun voor haar stelling. In het licht van het verweer van de man dat de vrouw gelijktijdig met het registreren van de echtscheiding op de Iraanse ambassade afstand van de bruidsgave heeft gedaan om zo de registratie van de door haar gewenste echtscheiding te bewerkstelligen, had het op de weg van de vrouw gelegen haar stelling dat dit onderdeel uitmaakte van de afspraken over de verdeling van de gemeenschap van goederen, nader te onderbouwen. Nu zij dit heeft nagelaten, treft haar stelling geen doel. Dat partijen, zoals de vrouw verder heeft gesteld, ervan uitgingen dat ook de woning te [plaats B] tot de huwelijksgemeenschap behoorde, is door de man weersproken en door de vrouw niet nader onderbouwd. Ook deze stelling kan daarom niet slagen. Tot slot heeft de vrouw ter onderbouwing van haar stelling dat partijen mondeling zijn overeengekomen dat ook de woning te [plaats B] tot de te verdelen gemeenschap van goederen behoort, althans dat zij daarvan uitgingen, erop gewezen dat zij de hypotheekschuld voor de woning te [plaats B] en de verplichtingen daaruit (rente en aflossing) mede op zich heeft genomen. Deze omstandigheden kunnen echter niet tot de conclusie leiden dat de door de vrouw gestelde afspraak is gemaakt, noch dat partijen ervan uitgingen dat de woning te [plaats B] tot de gemeenschap behoorde. Vaststaat dat partijen vanwege de aankoop van de panden in Iran een tweede hypotheek zijn aangegaan, dat ter zekerheid daarvoor de woning te [plaats B] met een tweede recht van hypotheek is belast en dat om die reden beide partijen de twee hypothecaire geldleningen voor de woning te [plaats B] dienden aan te gaan. Het aflossen en betalen van rente zag derhalve ook op de panden in Iran, nog daargelaten dat de man gemotiveerd heeft weersproken dat de vrouw de gestelde betalingen uit haar inkomen heeft gedaan en de vrouw haar stellingen ten aanzien van de gestelde betalingen tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door de man onvoldoende heeft onderbouwd.

3.11

Het betoog van de man daarentegen wordt ondersteund door de door de man overgelegde WhatsApp correspondentie tussen partijen en de volmachten die de man aan de vrouw heeft verleend om - kort gezegd - de panden in Iran te verkopen en om op zijn naam in Iran een bankrekening te openen. Uit de (hiervoor in 2.8 weergegeven) WhatsApp berichten blijkt dat partijen spraken over de verkoop van het winkelpand en dat de vrouw aan de man berichtte de verkoopopbrengst daarvan (op een klein deel na) op een Iraanse (want in Rials; de Iraanse valuta) rekening van de man over te maken. De vrouw heeft (met haar tweede grief) betoogd dat de WhatsApp berichten niet tot bewijs kunnen dienen van door de man gestelde afspraken. Artikel 152 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bepaalt echter dat bewijs kan worden geleverd door alle middelen (tenzij de wet anders bepaalt), zodat, zonder een nadere toelichting, die ontbreekt, niet valt in te zien waarom de berichten niet tot bewijs kunnen dienen. De vrouw heeft de inhoud van de berichten niet weersproken. Wel heeft zij zich op het standpunt gesteld dat zij de betreffende berichten slechts aan de man heeft gestuurd omdat zij door hem onder druk werd gezet en werd bedreigd. In werkelijkheid was er volgens de vrouw geen koper. Ook dit betoog treft geen doel. Niet alleen biedt de tekst van de berichten geen steun voor de stelling dat deze vanwege door de man uitgeoefende druk of bedreiging zijn geschreven (de vrouw initieert het gesprek over de verkoop van de winkel en haar boodschap aan de man leest directief), ook heeft de vrouw overigens geen feiten of omstandigheden gesteld waaruit (een begin van bewijs) volgt dat sprake is van bedreiging of druk en/of dat de weergave in de berichten niet op de feitelijke gang van zaken berust. Dat de man, zoals de vrouw stelt, in 2015 een bericht aan haar heeft gestuurd met de tekst “ik ga voor je moeilijk maken”, is daarvoor onvoldoende. Ook het (met haar eerste grief aangevoerde) betoog van de vrouw dat de rechtbank ten onrechte betekenis heeft toegekend aan de (bijzondere) volmacht die is verstrekt aan de vrouw voor het openen van een bankrekening voor de man in Iran, faalt. Dat de vrouw de volmacht nooit heeft gebruikt en het winkelpand niet heeft verkocht, doet niet eraan af dat de volmacht is verstrekt en dat de volmacht in samenhang met voornoemde WhatsApp berichten, steun biedt voor de stelling van de man dat de panden zouden worden verkocht en dat de verkoopopbrengst van het winkelpand op een voor de man te openen Iraanse rekening zou worden gestort. Uit de algemene volmacht volgt verder niet, ook niet uit de door de vrouw in hoger beroep overgelegde vertaling, dat de panden in Iran (tegenover de toedeling van de woning te [plaats B] aan de man) aan de vrouw zouden worden toegedeeld. In de volmacht is weliswaar - als één van de vele aan de vrouw toegekende bevoegdheden - bepaald dat de vrouw het recht heeft de panden op haar naam te zetten, maar noch uit de volmacht, noch uit het overigens gestelde volgt dat dit ziet op de toedeling van de panden aan de vrouw zonder nadere verrekening, laat staan op een overeengekomen verdeling waarbij de panden in Iran aan de vrouw worden toegedeeld en de woning in [plaats B] aan de man.

3.12

Gelet op het hiervoor overwogene kan de stelling van de vrouw dat is overeengekomen dat de woning te [plaats B] tot de gemeenschap behoort en dat partijen hebben afgesproken dat de panden in Iran in het kader van de verdeling van de gemeenschap aan haar worden toegedeeld, niet slagen. De vrouw heeft onvoldoende gesteld om tot het bewijs van haar stellingen te worden toegelaten, nog daargelaten dat zij geen voldoende concreet en specifiek bewijsaanbod heeft gedaan. De grieven 1 tot en met 6 van de vrouw falen. Al hetgeen de vrouw overigens nog heeft aangevoerd doet daar niet aan af. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat is komen vast te staan dat partijen in het kader van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap, waartoe enkel de panden in Iran behoorden, en waarin partijen een gelijk aandeel hebben zijn overeengekomen dat de panden in Iran zouden worden verkocht en dat de opbrengst van het winkelpand aan de man zou toekomen en de opbrengst van het appartement aan de vrouw, overigens zonder rekening te houden met de bruidsgave waarvan de vrouw afstand heeft gedaan. Nu voorts vaststaat dat de vrouw het onverdeeld aandeel van de man in de panden in 2015 aan zichzelf heeft overgedragen, heeft de rechtbank terecht de verdeling aldus vastgesteld dat de panden worden toegedeeld aan de vrouw en de vrouw wordt veroordeeld tot betaling aan de man wegens overbedeling.

3.13

Nu de vrouw geen vordering op grond van een vergoedingsrecht heeft ingesteld, behoeft haar in dit verband nog aangevoerde stelling dat zij de hypotheekschuld voor de woning te [plaats B] en de verplichtingen daaruit (rente en aflossing) mede op zich heeft genomen, overigens geen bespreking.

3.14

Ook de grieven 7, 8 en 9 tot slot lenen zich voor een gelijktijdige behandeling. Met deze grieven betoogt de vrouw, kort gezegd, dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat de panden in Iran elk een waarde van € 110.000,- vertegenwoordigen. Niet alleen is de waarde van de panden niet komen vast te staan, ook is de rechtbank volgens de vrouw van een verkeerde wisselkoers uitgegaan. Dienaangaande geldt als volgt. De man heeft in de inleidende dagvaarding gesteld dat de panden in 2015 elk een waarde van € 110.000,- (405.000.000,- Iraanse Toman) vertegenwoordigden. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft de man aangevoerd dat de panden ieder ongeveer dezelfde waarde hebben en verwezen naar de overgelegde, hiervoor aangehaalde WhatsApp berichten waarin door de vrouw wordt meegedeeld dat het winkelpand voor genoemd bedrag kan worden verkocht. De vrouw heeft als verweer gevoerd dat de waarde van de panden niet slechts op een enkel WhatsApp bericht kan worden gebaseerd. Dit verweer faalt. De man heeft gesteld dat de waarde van de panden in 2015 € 110.000,-, althans 405.000.000,- Iraanse Toman, elk was. Deze stelling heeft de man onderbouwd met het WhatsApp bericht waarin dit bedrag als verkoopprijs wordt genoemd. Gelet hierop had het op de weg van de vrouw gelegen haar betwisting van de gestelde waarde te onderbouwen. Nu zij dit heeft nagelaten en geen enkel aanknopingspunt heeft gesteld om van een andere waarde van de panden uit te gaan, treft haar verweer geen doel. Ook op dit punt wordt aan bewijslevering niet toegekomen, reeds omdat de vrouw niet aan haar stelplicht heeft voldaan. Gelet op de door de man overgelegde stukken met betrekking tot de waardeontwikkeling van de Iraanse onroerend goed markt, kan ook niet worden gezegd dat de waardestijging van de panden van 70.000.000,- Toman (waarvoor elk pand volgens de man in 2008 was aangekocht) naar 405.000.000,- in 2015, ongeloofwaardig is. Ook dit verweer heeft de vrouw onvoldoende onderbouwd. Als onvoldoende weersproken moet daarom worden aangenomen dat de waarde van het winkelpand, en - nu de vrouw niet heeft bestreden dat de panden een ongeveer gelijke waarde vertegenwoordigen - daarmee ook het appartement, in 2015 405.000.000,- Toman bedroeg.

3.15

De vrouw heeft verder nog gesteld dat niet van de waarde van het pand in 2015 moet worden uitgegaan, maar van de waarde per 6 februari 2019, omdat bij de beschikking van de rechtbank van die datum de panden aan de vrouw zijn toegedeeld. Ook dit betoog faalt. De rechtbank heeft overwogen dat zij de panden conform hetgeen de man heeft gevorderd zal toedelen aan de vrouw omdat de panden alleen nog op naam van de vrouw staan. De rechtbank heeft hiermee bedoeld aan te sluiten bij de feitelijke situatie en de vordering van de man. Het hof sluit zich hierbij aan en ziet geen reden uit te gaan van een latere datum. In Iran heeft deze verdeling feitelijk en juridisch immers in 2015 al zijn beslag gekregen.

3.16

Voor wat betreft de tegenwaarde van 405.000.000,- Toman geldt het volgende. De man heeft in eerste aanleg een stuk overgelegd waaruit blijkt dat de tegenwaarde van genoemd bedrag in 2015 € 110.000,- was. Hiertegenover heeft de vrouw een stuk in het geding gebracht waaruit volgens haar volgt dat de door de man gehanteerde wisselkoers onjuist is. Ook echter op grond van de door de vrouw gestelde wisselkoers, zoals de man in zijn memorie van antwoord heeft voorgerekend en de vrouw ter zitting in hoger beroep - zo begrijpt het hof - heeft bevestigd, moet van een tegenwaarde van meer dan € 110.000,- worden uitgegaan. De vrouw heeft de gestelde waarde van € 110.000,- derhalve onvoldoende weersproken. Tot slot heeft de vrouw nog betoogd dat de panden in Iran niet tegen een bedrag in euro’s aan haar kunnen worden toegedeeld, omdat het onmogelijk is Iraanse valuta op reguliere basis naar euro’s om te wisselen. Ook dit betoog kan de vrouw niet baten. Niet alleen heeft de man weersproken dat de valuta niet te wisselen zijn, ook heeft de vrouw niets gesteld op grond waarvan moet worden aangenomen dat zij daartoe is gehouden. De vrouw is veroordeeld genoemd bedrag in euro’s wegens overbedeling aan de man te betalen. Van een veroordeling tot betaling van de verkoopprijs of van een verkoop van de panden waarbij in Iraanse valuta wordt betaald, is - nu dit laatste niet is gesteld of gebleken - geen sprake. Ook de grieven 7, 8 en 9 falen.

3.17

De slotsom van het voorgaande is dat de grieven van de vrouw falen. De bestreden beschikking zal, ook voor wat betreft de compensatie van de proceskosten, worden bekrachtigd.

3.18

In de omstandigheid dat partijen gewezen echtelieden zijn ziet het hof aanleiding de proceskosten in hoger beroep eveneens te compenseren, aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

compenseert de proceskosten in hoger beroep, aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. T.A.M. Tijhuis, C.M.J. Peters en J.F. Miedema en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 3 november 2020.