Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:2942

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
03-11-2020
Datum publicatie
28-12-2020
Zaaknummer
200.269.754/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

Europese verordening vergoeding bij vertraging vluchten (Verordening 261/2004) - stelplicht - tussenarrest - buitengewone omstandigheden in de zin van art.5 lid 3 Vo 261/2004 -zie ook nr. 200.269.899 en 200.269.815.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.269.754/01

zaaknummer rechtbank Amsterdam : 7512543 CV EXPL 19-3181

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 3 november 2020

inzake

de vennootschap naar buitenlands recht AIRHELP LIMITED,

gevestigd te Hong Kong,

appellante,

advocaat: mr. D.E. Lof te Nieuw-Vennep,

tegen

KONINKLIJKE LUCHTVAART MAATSCHAPPIJ N.V.,

gevestigd te Amstelveen,

geïntimeerde,

advocaat: mr. M. Lustenhouwer te Rotterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna Airhelp en KLM genoemd.

Airhelp is bij dagvaarding van 19 november 2019 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter) van 20 augustus 2019, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen Airhelp als eiseres en KLM als gedaagde.

De appeldagvaarding, met één productie, bevat tevens de (enige) grief. Airhelp heeft in die dagvaarding geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en haar vordering alsnog zal toewijzen, met - uitvoerbaar bij voorraad - veroordeling van KLM in de kosten van het geding in beide instanties.

KLM heeft een memorie van antwoord genomen, met producties, en - zo verstaat het hof - geconcludeerd tot bekrachtiging, met - uitvoerbaar bij voorraad - veroordeling van Airhelp in de kosten van het hoger beroep, met nakosten.

Partijen hebben de zaak ter zitting van 8 juni 2020 doen bepleiten, Airhelp door mr. Lof voornoemd en KLM door mr. Lustenhouwer voornoemd, ieder aan de hand van aantekeningen die zijn overgelegd.

Ten slotte is arrest gevraagd.

Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

2 Feiten

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 1. de feiten vastgesteld die hij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, komen de feiten neer op het volgende.

2.1.

[passagier 1] , [passagier 2] en [passagier 3] (hierna: de passagiers) hadden bij KLM een bevestigde boeking voor de volgende vluchten:

- KL 1724 Brussel, België (“BRU”) - Amsterdam (“AMS”) op 22 juni 2018;

- KL 607 Amsterdam (“AMS”) - San Francisco, VS (“SFO”) met vertrek op 22 juni 2018 en aankomst op 23 juni 2018.

2.2.

Als gevolg van een vertraging van vlucht KL 1724 hebben de passagiers de aansluiting met vlucht KL 607 gemist en zijn zij met vertraging op hun eindbestemming San Francisco aangekomen.

2.3.

Airhelp heeft compensatie van KLM gevorderd, welke tot op heden niet is betaald.

3 Beoordeling

3.1.

In eerste aanleg heeft Airhelp gevorderd dat de rechtbank, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, KLM veroordeelt, samengevat:

1. tot betaling van € 1.800,- vermeerderd met de wettelijke rente;

2. tot betaling van de buitengerechtelijke kosten van € 270,-;

3. tot betaling van de kosten van dit geding, met wettelijke rente.

Aan deze vordering heeft Airhelp ten grondslag gelegd dat de passagiers in wier rechten zij is getreden op een door KLM uitgevoerde vlucht (KL 1724) vertraging hebben opgelopen waardoor de passagiers meer dan drie uur later op de eindbestemming (San Francisco) zijn aangekomen. De afstand van de totale reis bedraagt 8.894 km zodat de passagiers uit hoofde van art. 7 van Verordening (EG) 261/2004 van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: Verordening 261/2004) recht hebben op een vergoeding van € 1.800,- (3 x € 600,-).

3.2.

De kantonrechter heeft de vordering afgewezen en Airhelp in de proceskosten veroordeeld.

3.3.

Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt Airhelp op onder aanvoering van één grief.

3.4.

Het hof begrijpt dat KLM haar standpunt dat de vorderingsgerechtigdheid van Airhelp onvoldoende duidelijk is in appel niet heeft willen handhaven, doch slechts vastgesteld wil zien dat het aan Airhelp is om haar stellingen op dat punt duidelijk te maken en met stukken (niet alleen het assignment form, maar ook (een) kopie(ën) van het paspoorten van de passagier(s)) te onderbouwen. Het hof verwijst naar het heden gewezen arrest in de op dezelfde zitting behandelde zaak 200.269.899 (Oshan), rov. 3.4-3.6. Airhelp dient inderdaad, naast het assignment form, ook een kopie van het/de paspoort(en) te overleggen, zoals zij in deze zaak ook heeft gedaan.

3.5.

Uit de inleidende dagvaarding (onder 2. en 7.) volgt dat Airhelp compensatie vordert omdat de passagiers als gevolg van de vertraging van vlucht KL 1724 de aansluiting met de tweede vlucht hebben gemist zodat zij uiteindelijk meer dan drie uur vertraging hadden op de eindbestemming (San Francisco). Volgens Airhelp is het aan KLM om, bijvoorbeeld met passagierslijsten van de vlucht(en) die de passagiers hebben genomen naar hun eindbestemming, aan te tonen dat de passagiers wél binnen de tijdslimieten van de Verordening 261/2004 zijn aangekomen op hun eindbestemming. De passagiers kunnen niet over deze passagierslijsten beschikken en Airhelp evenmin.

3.6.

Volgens KLM heeft Airhelp ter zake van de gestelde vertraging niet aan haar stelplicht voldaan. Zij stelt slechts dat de passagiers met een vertraging van meer dan drie uur op de eindbestemming zijn gearriveerd zonder dat behoorlijk toe te lichten en te onderbouwen. Airhelp dient volgens KLM ten minste concreet te stellen wat de geplande aankomsttijd op de eindbestemming was en wat de werkelijke aankomsttijd op de eindbestemming is geweest. KLM betwist dat Airhelp niet aan haar stelplicht kan voldoen omdat alleen KLM over de desbetreffende informatie beschikt.

3.7.

Het hof overweegt als volgt. Airhelp beroept zich op het rechtsgevolg van de gestelde vertraging bij aankomst op de eindbestemming. Dat betekent dat zij ingevolge art. 150 Rv daarvan de stelplicht en de bewijslast draagt. Airhelp dient voldoende concrete aanknopingspunten te verstrekken omtrent de gestelde vertraging, zodat KLM zich daartegen kan verweren. In elk geval dient vermeld te worden het tijdstip van vertrek van de passagiers van de luchthaven van vertrek alsmede het tijdstip van aankomst op de eindbestemming, zo mogelijk onder overlegging van relevante bewijsmiddelen (zoals een schriftelijke verklaring van de passagiers of getuigen en de boarding pass). Ook valt te denken aan andere feitelijke gegevens, zoals de gates van vertrek en aankomst. Gesteld noch gebleken is dat de passagiers niet (langer) beschikken over deze gegevens. Indien en voor zover door Airhelp aan haar stelplicht is voldaan, is het vervolgens aan KLM een en ander gemotiveerd te betwisten. Daartoe volstaat dan niet het enkele betoog dat de passagiers zijn omgeboekt op de eerst beschikbare alternatieve vlucht.

3.8.

Airhelp heeft in hoger beroep, met de verklaring van een van de passagiers en het reeds in eerste aanleg overgelegde stuk dat sprake was van 53 minuten vertraging voldoende gesteld en onderbouwd om aannemelijk te maken dat er slechts 7 minuten resteerden om over te stappen. KLM heeft ter zitting erkend dat de passagiers als gevolg van de vertraging, en daarmee de te korte overstaptijd, vlucht KL 607 hebben gemist. Gelet op die erkenning en de omstandigheid dat niet is betwist dat de passagiers vervolgens een andere vlucht hebben genomen, waarmee zij ruim 21 uur later zijn aangekomen, bestaat in beginsel aanspraak op vergoeding. Dat de passagiers zich niet op tijd bij de incheckbalie hebben gemeld kan hen in die situatie niet worden tegengeworpen.

3.9.

KLM stelt zich op het standpunt dat vlucht KL 1724 met een vertraging is uitgevoerd vanwege buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen hadden kunnen worden in de zin van art. 5 lid 3 Verordening 261/2004. Daartoe heeft KLM het volgende aangevoerd. De vlucht in kwestie is met een vertraging uitgevoerd als gevolg van de beslissing van de luchtverkeersleiding (de Nederlandse luchtverkeersleiding en Eurocontrol, na een verzoek van de Nederlandse luchtverkeersleiding) tot het instellen van een capaciteitsbeperking in verband met de slechte weersomstandigheden op Schiphol. Dergelijke besluiten maken geen deel uit van de luchtvervoersactiviteiten van KLM, maar behoren tot de activiteiten en exclusieve wettelijke bevoegdheden van luchthavenautoriteiten. Dat de onderhavige situatie niet inherent is aan de normale uitoefening van de activiteiten van KLM kan ook worden opgemaakt uit par. 15 van de considerans van Verordening 261/2004 (hierna: de considerans). KLM dient de instructies van de luchtverkeersleiding na te leven. Zij kan dus geen invloed uitoefenen op deze omstandigheden. Haar toestel en bemanning stonden klaar zodat de vlucht direct na ontvangst van de clearing kon aanvangen en is aangevangen. Er zijn geen nadere complicaties opgetreden. Het sneller uitvoeren van de vlucht was niet mogelijk, aldus steeds KLM.

3.10.

KLM heeft in dat verband gewezen op de mondiale afspraken in het kader van IATA over de Minimum Connecting Times (MCT) welke worden vastgesteld door specialisten en jaarlijks worden geëvalueerd. In dit geval was de MCT 50 minuten, terwijl ingevolge de planning één uur overstaptijd tussen de twee vluchten was voorzien.

3.11.

Airhelp heeft daartegenover gesteld dat KLM in het onderhavige geval geen beroep toekomt op art. 5 lid 3 Verordening 261/2004 omdat een vertraging van 53 minuten op vlucht KL 1724 niet is aan te merken als langdurige vertraging in de zin van par. 15 van de considerans. Airhelp heeft in dit verband verwezen naar het Sturgeon-arrest (HvJ EU 19 november 2009, C‑402/07). Dat de MCT 50 minuten was doet daaraan niet af. Beslissingen van de luchtverkeersleiding leveren niet zonder meer buitengewone omstandigheden op. Van belang is voorts of snellere, alternatieve vluchten, eventueel van andere maatschappijen, beschikbaar waren, aldus Airhelp.

3.12.

Art. 5 lid 3 Verordening 261/2004, zoals uitgelegd in de jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie, biedt geen duidelijke aanwijzingen voor de beslissing van onderhavig geschilpunt. Dat betekent dat gekeken moet worden naar doel en strekking van deze bepaling, tegen de achtergrond van de Verordening als geheel, waarbij de considerans een belangrijke uitlegfactor vormt.

3.13.

Het hof stelt voorop dat in par. 14 van de considerans nader wordt verduidelijkt dat buitengewone omstandigheden zich “met name voordoen in gevallen van politieke onstabiliteit, weersomstandigheden die uitvoering van de vlucht in kwestie verhinderen, beveiligingsproblemen, onverwachte vliegveiligheidsproblemen

en stakingen die gevolgen hebben voor de vluchtuitvoering van de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert.”

En par. 15 van de considerans luidt:

Er dient te worden geacht sprake te zijn van buitengewone omstandigheden wanneer een besluit van het luchtverkeersbeheer voor een specifiek vliegtuig op een specifieke dag een langdurige vertraging, een vertraging van een nacht of de annulering van één of meer vluchten van dat vliegtuig veroorzaakt, ook al heeft de betrokken luchtvaartmaatschappij alle redelijke inspanningen geleverd om de vertragingen of annuleringen te voorkomen.”

3.14.

Gelet op het uitdrukkelijk genoemde voorbeeld in par. 15 van de considerans staat buiten twijfel dat een besluit van de luchtverkeersleiding op zichzelf een relevante van buiten komende omstandigheid kan vormen. In dit verband is van belang of het desbetreffende besluit is genomen in verband met omstandigheden die buiten de invloedssfeer van de desbetreffende luchtvaartmaatschappij vallen (vgl. HvJ EU 26 juni 2019, Moens, C-159/18). Anders dan Airhelp kennelijk veronderstelt, ligt niet ter beoordeling voor of de weersomstandigheden het besluit van de verkeersleiding kunnen rechtvaardigen.

Partijen zijn met name verdeeld over de uitleg van het begrip “buitengewoon” in art. 5 lid 3 Verordening 261/2004 in verbinding met par. 15 van de considerans en van het begrip “langdurige vertraging” in par. 15 van de considerans. Het hof is van oordeel dat het bij de toepassing van art. 5 lid 3 aankomt op de vertraging op de eindbestemming, zoals het Europese Hof van Justitie heeft geoordeeld in het kader van de toepassing van de art. 5 tot en met 7 Verordening (HvJ EU 19 november 2009, C‑402/07 (Sturgeon)). Dit betekent dat de duur van de vertraging van de eerste vlucht niet beslissend is. Alvorens te beslissen acht het hof, gelet op de tot dusver beperkte omvang van het debat over de vraag of het hier gaat om een vertraging die het gevolg is geweest van buitengewone omstandigheden (die ondanks het treffen van redelijke maatregelen door KLM niet voorkomen hadden kunnen worden) en mede gelet op de precedentwerking die partijen voor ogen staat, een nadere aktewisseling noodzakelijk.

Partijen dienen daarbij minst genomen nog in te gaan op het arrest Wallentin-Hermann (HvJ EU 22 december 2008, C-549/07), en met name of in dit geschil van betekenis is of de onderhavige oorzaak van de vertraging inherent is aan de normale uitoefening van de activiteiten van KLM, en in hoeverre - en onder welke omstandigheden - daarvan sprake is. Daarbij kan ook het aspect van de onderhavige vlucht als rotatievlucht aan de orde zijn.

De zaak wordt verwezen naar de rol van 22 december 2020 teneinde Airhelp in de gelegenheid te stellen zich bij akte te laten over het voorgaande. Hierop zal KLM bij antwoordakte kunnen reageren.

3.15.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

4 Beslissing

Het hof:

verwijst de zaak naar de rol van 22 december 2020 met het in ov. 3.14 genoemde doel;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten, D. Kingma en W.A.H. Melissen en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 3 november 2020.