Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:2938

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
03-11-2020
Datum publicatie
06-11-2020
Zaaknummer
200.264.928/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Huur woonruimte. Huurder handelt in strijd met zijn uit de huurovereenkomst voortvloeiende verplichtingen door in het gehuurde niet zijn hoofdverblijf te hebben. Hof bekrachtigt vonnis waarbij ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning is uitgesproken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.264.928/01

zaaknummer rechtbank Amsterdam : 6981169 CV EXPL 18-12964

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 3 november 2020

inzake

[huurder]

zonder vaste woon- of verblijfplaats,

appellant,

advocaat: mr. G.J. Mulder te Amsterdam,

tegen

[verhuurder] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. H.M.G. Brunklaus te Amsterdam.

Partijen worden hierna [huurder] en [verhuurder] genoemd.

1 Het geding in hoger beroep

[huurder] is bij dagvaarding van 22 augustus 2019 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter), van 17 juni 2019, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [verhuurder] als eiseres en [huurder] als gedaagde. De appeldagvaarding bevat de grieven.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie overeenkomstig de appeldagvaarding, met producties;

- memorie van antwoord, met producties.

Partijen hebben de zaak ter zitting van 13 oktober 2020 doen bepleiten door hun voornoemde advocaten, ieder aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. Ten slotte is arrest gevraagd.

[huurder] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en - uitvoerbaar bij voorraad - alsnog de vorderingen van [verhuurder] zal afwijzen, met beslissing over de proceskosten.

[verhuurder] heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis met - uitvoerbaar bij voorraad - beslissing over de proceskosten.

Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

2 Feiten

2.1

Het hof gaat uit van de volgende, tussen partijen vaststaande feiten.

2.2

[verhuurder] heeft met ingang van 1 augustus 2012 aan [huurder] een sociale huurwoning aan de [adres 1] (hierna: de woning) verhuurd. Op de huurovereenkomst zijn algemene voorwaarden van toepassing. Ingevolge artikel 6 lid 2 van die voorwaarden is de huurder verplicht het gehuurde zelf te bewonen en er zijn hoofdverblijf te hebben.

2.3

Vanaf april 2017 heeft [verhuurder] meldingen gekregen van de buren van [huurder] dat hij daar sinds oktober 2016 niet meer woont. In juni 2017 is de wijkagent met een deurwaarder in de woning geweest in verband met een op verzoek van een derde te leggen beslag. Er werd toen niemand in de woning aangetroffen. Medewerkers van [verhuurder] hebben in 2017 en 2018 bezoeken aan de woning gebracht waarbij zij [huurder] niet aantroffen. [huurder] heeft niet gereageerd op een uitnodiging van [verhuurder] voor een gesprek op haar kantoor, noch op sommaties om de huurovereenkomst op te zeggen.

2.4

In maart 2018 heeft [verhuurder] in een tegen [huurder] aangespannen kort geding ontruiming van de woning gevorderd. Bij vonnis van 17 april 2018 heeft de voorzieningenrechter de vordering afgewezen. De voorzieningenrechter heeft overwogen dat er weliswaar aanwijzingen waren dat [huurder] niet zijn hoofdverblijf in de woning had, maar dat dit gelet op de uitdrukkelijke weerspreking van [huurder] niet zonder nader onderzoek - waarvoor in kort geding geen plaats was - met de benodigde zekerheid kan worden vastgesteld.

2.5

[verhuurder] heeft nader onderzoek bij buurtbewoners verricht. Vervolgens heeft zij deze bodemprocedure aanhangig gemaakt.

3 Beoordeling

3.1

[verhuurder] heeft, samengevat, gevorderd om uitvoerbaar bij voorraad de huurovereenkomst te ontbinden en [huurder] te veroordelen om de woning te ontruimen, met veroordeling van [huurder] in de proceskosten. [verhuurder] heeft aan haar vordering het volgende ten grondslag gelegd. [huurder] handelt in strijd met zijn uit de huurovereenkomst voortvloeiende verplichting in het gehuurde zijn hoofdverblijf te hebben. Dat is een ernstige tekortkoming die ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt. Sociale huurwoningen zijn schaars, de wachttijden voor dergelijke woningen zijn lang en voor [verhuurder] is van belang dat zij de woning kan verhuren aan een woningzoekende die daarvoor in aanmerking komt. [huurder] heeft verweer gevoerd.

3.2

De kantonrechter heeft bij mondeling vonnis van 3 oktober 2018 aan [verhuurder] opgedragen te bewijzen dat [huurder] de woning sinds 2016, althans lange tijd niet bewoont. [verhuurder] heeft daartoe de volgende getuigen doen horen: [A] (hierna: [A] ), [B] (hierna: [B] ), [C] (hierna: [C] ), [D] (hierna: [D] ), [E] (hierna: [E] ) en [F] (hierna: [F] ). In contra-enquête heeft [huurder] zijn moeder, [G] (hierna: moeder) doen horen.

3.3

Bij het bestreden vonnis heeft de kantonrechter het aan [verhuurder] opgedragen bewijs geleverd geacht en de vorderingen van [verhuurder] toegewezen.

3.4

Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [huurder] met zeven grieven op. De eerste zes grieven zijn gericht tegen de waardering door de kantonrechter van de afgelegde getuigenverklaringen. In het bestreden vonnis heeft de kantonrechter een samenvatting van die verklaringen gegeven. Het hof zal hierna ter wille van de leesbaarheid steeds die samenvatting opnemen en vervolgens de desbetreffende grief bespreken.

3.5

Voorafgaand aan zijn grieven heeft [huurder] , samengevat, het volgende aangevoerd. Hij heeft wel degelijk altijd zijn hoofdverblijf in de woning gehad. Hij is mantelzorger van zijn terminaal zieke moeder die in Amsterdam-West woont. Dagelijks verzorgt hij haar. In de vroege ochtend gaat hij naar haar toe, ’s avonds laat keert hij terug naar zijn woning. Zijn buren zien hem daarom niet. Verklaringen van buurtgenoten bevestigen dat hij daar wel eens in de buurt wordt gezien. Hij heeft inzage gegeven in zijn gas- en elektragebruik.

3.6

Grief 1 ziet op de door [A] afgelegde verklaring. De samenvatting van die verklaring in het bestreden vonnis luidt:

[A] is gerechtsdeurwaarder en heeft kort gezegd, voor zover hier van belang, het volgende verklaard. Op verzoek van het CJIB is hij in juni 2017 met een hulpofficier en een slotenmaker naar de woning van [huurder] gegaan om beslag te leggen. Een buurman vertelde hem toen dat hij al drie maanden niemand bij de woning had gezien. In de woning lag achter de deur ongeopende post. Hij zag verder een open vuilniszak in de keuken. Hij herkent de foto’s die achter het proces-verbaal zijn gehecht als toentertijd gemaakt, waarop op de ene foto ongeopende post achter de deur te zien is en op de andere foto een gele bank. Hij had op basis van zijn ervaring de indruk dat op dat moment niemand in de woning woonde.

[huurder] heeft betoogd dat de kantonrechter ten onrechte niet heeft opgenomen dat [A] slechts vijf minuten in de woning is geweest en dat [A] zijn indruk enkel op een gevoel heeft gebaseerd. Daarom en gelet op het grote belang van [huurder] bij het hebben van woonruimte, had de kantonrechter de verklaring van [A] niet mogen meewegen, aldus [huurder] .

3.7

Het hof stelt voorop dat de rechter in beginsel vrij is in zijn bewijswaardering. Het enkele feit dat [A] maar korte tijd in de woning is geweest maakt zijn verklaring niet van onwaarde. [A] heeft op vragen van beide advocaten ook verklaard dat hij de indruk had dat op dat moment niemand in de woning woonde, dat hij niet kon bevestigen dat dat werkelijk zo was maar dat hij zijn indruk baseerde op zijn ervaring aangezien hij honderden woningen per jaar ziet. Het hof neemt bovendien in aanmerking dat [A] heeft verklaard dat hij alle ruimtes heeft gezien, dat hij heeft rond gekeken naar voor beslag vatbare zaken en dat hij geen zaken heeft aangetroffen die een executiewaarde hadden.

3.8

Grief 2 heeft betrekking op de door [B] afgelegde verklaring. De samenvatting van die verklaring in het bestreden vonnis luidt:

[B] woont sinds 23 jaar in een van [verhuurder] gehuurde woning aan de [adres 2] . Deze woning ligt direct naast de woning van [huurder] . [B] heeft kort gezegd, voor zover hier van belang, het volgende verklaard. Zij heeft [huurder] al drie jaar niet gezien. Het is verder koud in haar woning, omdat in de woning van [huurder] niet wordt gestookt. Verder hoort ze niet meer dat de wc wordt doorgetrokken. Ze legt dingetjes tussen de deur, die weg zouden moeten zijn omdat de deur opengaat. Dit is niet het geval. Het plastic flesje dat ze maandag heeft neergelegd, ligt er nog. Verder ziet het er heel vies uit (de ramen en de achtertuin) en zijn de gordijnen altijd dicht. Haar man heeft ook wel eens een briefje tussen de voordeur gedaan. Zo’n briefje bleef soms wel maanden zitten. Vanuit de spiegels in de keuken kan zij de voordeur van [huurder] zien. Zij en haar man gaan rond 11 uur naar bed en staan ongeveer om half zeven op.

Volgens [huurder] is [B] geen betrouwbare getuige, aangezien zij volgens hem een afkeer van hem heeft en hem uit de buurt wil hebben. Bovendien is het niet geloofwaardig dat haar woning altijd koud is, aangezien [huurder] aantoonbaar gas en elektriciteit gebruikt. Ten slotte is het onmogelijk om iets tussen de deur (hof neemt aan: en het kozijn) te stoppen, aangezien het een modern complex betreft, aldus [huurder] .

3.9

[verhuurder] heeft er terecht op gewezen dat [huurder] zijn stelling dat [B] een afkeer van hem had en hem weg wilde hebben op geen enkele wijze heeft onderbouwd. Uit de verklaring zelf is dat in ieder geval niet af te leiden en [B] heeft eveneens verklaard dat zij nooit ruzie met [huurder] heeft gehad. Bovendien valt niet in te zien waarom - al zou [B] een hekel gehad hebben aan [huurder] - dit meebrengt dat haar nota bene onder ede afgelegde verklaring onbetrouwbaar is. Zonder bijkomende omstandigheden, die niet zijn gesteld of gebleken, valt dus niet in te zien waarom aan de verklaring van [B] voorbij zou moeten worden gegaan. Wat [huurder] daar verder nog over heeft gezegd is onvoldoende.

3.10

Grief 3 heeft betrekking op de verklaring van [C] . De samenvatting van die verklaring in het bestreden vonnis luidt:

[C] woont sinds 1973 in de van [verhuurder] gehuurde woning aan de [adres 3] . Deze woning ligt niet in hetzelfde complex als de woning. [C] heeft kort gezegd, voor zover hier van belang, het volgende verklaard. Ze heeft [huurder] de laatste drie jaar niet meer gezien. In het begin kwam ze [huurder] vaak tegen met zijn hond. Ze heeft zelf twee honden en liet deze vaak uit in het park om de hoek, net als [huurder] . Zij kwam [huurder] toen dagelijks tegen. Ze loopt nu wel eens langs de woning van [huurder] . Het ziet er niet verzorgd uit. Zij en haar man hebben de afgelopen jaren nooit licht zien branden in het huis van [huurder] . De achtertuin ziet er altijd hetzelfde uit.

Volgens [huurder] woont deze getuige een stuk verderop in de straat en heeft zij vanuit haar woning geen zicht op de woning van [huurder] . Gelet op haar leeftijd (hof: [C] was ten tijde van het verhoor 83 jaar) komt zij alleen langs de woning van [huurder] als zij haar hond uitlaat. Dat zij in het verleden [huurder] vaker zag komt doordat hij toen nog niet mantelzorger van zijn moeder was, aldus [huurder] .

3.11

Hetgeen [huurder] tegen de bruikbaarheid van de verklaring van deze getuige aanvoert, overtuigt niet. [C] is duidelijk over haar waarnemingen en ook over hoe die waarnemingen zijn ontstaan. Zo heeft zij ook verklaard (hetgeen niet in bovenstaande samenvatting is opgenomen) dat als zij ’s ochtends rond 0.700 uur de honden uitlaat, zij langs het huis van [huurder] loopt en dan nooit licht ziet branden en [huurder] zelf ook nooit ziet, dat zij van haar man heeft gehoord dat hij, als hij ’s avonds de honden uitlaat, [huurder] ook niet ziet en dat zij een paar keer per dag langs de woning loopt. Verder heeft zij verklaard een goede relatie met [huurder] te hebben gehad en dat zij vindt dat [huurder] in de buurt past, hetgeen een contra-indicatie is voor de juistheid van de stelling van [huurder] dat de verklaring slechts ‘kwaadsprekerij’ betreft.

3.12

Grief 4 ziet op de verklaring van [D] . De samenvatting van die verklaring in het bestreden vonnis luidt:

[D] is stagiaire op de afdeling woonfraude en overlast van [verhuurder] en uit dien hoofde bij dit dossier betrokken. [D] heeft kort gezegd, voor zover hier van belang, het volgende verklaard. Voor de comparitie is zij met [H] van [verhuurder] naar de woning gegaan, maar heeft ze niemand aangetroffen. Op 30 oktober 2018 is zij nogmaals met [H] naar de woning gegaan en heeft zij gecontroleerd of de plakkertjes nog op deur zaten. Op 21 november 2018 heeft zij met een andere stagiaire geconstateerd dat de plakkertjes nog steeds op de deur zaten. Beide keren heeft ze niemand in de woning aangetroffen. [D] heeft twee foto’s laten zien van de plakkertjes op de deur.

[huurder] heeft aangevoerd dat het onbekend is hoe de plakkertjes zijn bevestigd en dat goed denkbaar is dat ze bij het openen van de deur zijn losgeschoten en bij het sluiten van de deur daar weer tegenaan zijn geplakt. Zij kan niet hebben geconstateerd dat niemand in de woning was want zij heeft geen toegang tot de woning. Indien al waarde zou kunnen worden gehecht aan de verklaring van [D] blijkt daar enkel uit dat [huurder] een kleine maand niet in zijn woning is geweest. Dat is onvoldoende om te concluderen dat hij daar zijn hoofdverblijf niet had. Het op deze manier nagaan van zijn gangen is volgens [huurder] slecht verhuurderschap en moet meebrengen dat de verklaring buiten beschouwing moet worden gelaten.

3.13

[verhuurder] heeft erop gewezen dat aan [D] ook is gevraagd hoe zij de plakbandjes heeft gecontroleerd en dat [D] toen heeft verklaard dat zij gecontroleerd heeft of de plakbandjes gebroken waren door ze van dichtbij te bekijken en er voorzichtig aan te voelen. Met [verhuurder] acht het hof het onwaarschijnlijk dat, indien plakband op een deur en op het kozijn wordt aangebracht, het na openen en sluiten van de deur nog aan zowel deur als kozijn vastzit. [D] heeft tijdens de mondelinge behandeling bij het hof nog verklaard dat zij regelmatig langs de woning kwam omdat het kantoor van [verhuurder] in de buurt van de woning is en dat zij dan steeds zag dat het plakband nog op de deur zat. Niet valt in de zien waarom de kantonrechter de verklaring van [D] niet zou hebben mogen laten meewegen. Slecht verhuurderschap valt in de handelwijze van [verhuurder] niet te ontwaren. [verhuurder] had immers maar zeer weinig mogelijkheden om bevestigd te krijgen dat [huurder] niet in de woning zijn hoofdverblijf had, zodat te billijken is dat geprobeerd is dat op deze manier te verifiëren.

3.14

Grief 5 heeft betrekking op de verklaring van [E] . De samenvatting van die verklaring in het bestreden vonnis luidt:

[E] woont sinds 30 jaar in de woning aan de [adres 4] . Deze woning ligt schuin tegenover die van [huurder] . [E] heeft kort gezegd, voor zover hier van belang, het volgende verklaard. [huurder] kwam wel eens bij zijn vrouw in hun woning. [huurder] liet haar honden uit en deed boodschappen voor haar. Ongeveer twee jaar geleden bleek dat [huurder] voor duizenden euro’s van zijn vrouw had gepind en is [E] daar boos over geworden. Daarna heeft [E] [huurder] niet meer gezien. [E] werkt als metselaar en gaat om 6.15 uur van huis en komt om 16.00 uur weer thuis. Hij heeft vanuit zijn woning zicht op de voordeur en het raam van de woning van [huurder] . Hij gaat tussen 22.00 en 00.00 uur ’s avonds naar bed.

Volgens [huurder] is de verklaring van [E] ongeloofwaardig, aangezien [E] een conflict met [huurder] heeft.

3.15

Niet valt in te zien dat, indien een getuige een conflict heeft met de partij tegen wie hij een ongunstige verklaring aflegt, dit reden is om die verklaring, die nota bene onder ede is afgelegd, onbetrouwbaar te achten. Zonder verdere onderbouwing kan dat niet worden aangenomen. Andere omstandigheden die reden kunnen zijn om ten aanzien van die verklaring enige behoedzaamheid te betrachten zijn niet aangevoerd. De waarnemingen van [E] vinden bovendien bevestiging in andere verklaringen. Niet valt in te zien waarom aan de verklaring zou moeten worden voorbij gegaan.

3.16

Grief 6 heeft betrekking op de verklaring van [F] . De samenvatting van die verklaring in het bestreden vonnis luidt:

[F] is persoonlijk begeleider van HVO Querido en begeleidt sinds vier jaar [huurder] . [F] heeft kort gezegd, voor zover hier van belang, het volgende verklaard. Hij heeft ongeveer één keer in maand (telefonisch) contact met [huurder] . Hij ziet hem één keer in de twee maanden, in zijn woning of in de buurt van zijn woning. Hij belt ook wel eens aan en dan komt hij in de woning. De woning vindt hij nu schoon, al zou [huurder] beter kunnen opruimen. Hij maakt nooit een afspraak met [huurder] . Hij heeft gehoord dat de buurtregisseur [huurder] had geadviseerd om uit de buurt te blijven. [huurder] heeft daarop aan hem verteld dat hij bij zijn moeder verbleef. [F] denkt dat dit nog steeds aan de gang is. Hij is drie maanden geleden voor het laatst in de woning geweest. Een maand geleden heeft hij [huurder] het laatst gezien aan de achterkant van zijn woning. Als hij [huurder] ziet in de buurt van de woning dan is dat tussen 8.00 en 17.00 uur.

[huurder] heeft aangevoerd dat de kantonrechter ten onrechte onvoldoende gewicht heeft toegekend aan deze verklaring. Volgens [huurder] is [F] , anders dan de overige getuigen, een onafhankelijke en objectieve professional die langdurig en intensief contact heeft met hem. [F] is met regelmaat gedurende de hele in het geding zijnde periode in de woning geweest. Van belang is verder dat hij zijn bezoek niet aankondigt, aldus [huurder] .

3.17

Uit de verklaring van [F] blijkt dat zijn begeleiding van [huurder] sinds ongeveer twee jaar inhield dat hij een vinger aan de pols hield. [F] noemt dat een waakvlamcontact. Naar het oordeel van het hof blijkt hier in ieder geval geen heel intensief contact uit. Verder heeft [verhuurder] er terecht op gewezen dat [F] weinig concreet is over wanneer hij [huurder] in of bij zijn woning trof. Daar waar het wat concreter wordt - [F] heeft verklaard dat hij drie maanden vóór het getuigenverhoor (hof: op 21 januari 2019) in de woning is geweest en dat hij [huurder] nog een maand voor dat verhoor achter zijn woning heeft gezien – moet worden bedacht dat [huurder] toen al in deze procedure met [verhuurder] was verwikkeld en die contacten dus niets zeggen over de in het geding zijnde periode. Voor zover [huurder] heeft bedoeld te betogen dat in de verklaring van [F] een aanwijzing kan worden gevonden voor de juistheid van zijn stelling dat hij wel degelijk zijn hoofdverblijf in de woning had, kan het hof [huurder] daarin op zichzelf volgen. Meer dan een aanwijzing is het echter niet. De weinig concrete verklaring is in het licht van de overige verklaringen van onvoldoende gewicht om het bewijs (dat [huurder] in de woning niet zijn hoofdverblijf had) niet geleverd te achten.

3.18

Met Grief 7 heeft [huurder] betoogd dat hij, anders dan de kantonrechter heeft overwogen, wel degelijk wat naar voren heeft gebracht waaruit zijn hoofdverblijf in de woning blijkt. [huurder] heeft in dat verband gewezen op zijn energieverbruik, op de verklaring van [F] en op door hem overgelegde schriftelijke verklaringen van verschillende buurtbewoners.

3.19

[verhuurder] heeft er terecht op gewezen dat, anders dan [huurder] heeft betoogd, uit de door hem overgelegde gegevens omtrent gas- en elektraverbruik blijkt dat hij in ieder geval in 2017 en 2018 nagenoeg geen energie heeft verbruikt. Die gegevens laten met betrekking tot de periode 12 juli 2017 tot en met 20 juni 2018 een gasverbruik van 195 m3 zien en een negatief elektraverbruik van -878 kWh. Blijkens een op blz. 7 van die gegevens afgedrukt overzicht is het gemiddelde gasverbruik bij een tussenwoning ca. 1200 m3 en het gemiddelde elektraverbruik van een 1-persoons huishouden ca. 1900 kWh. Het extreem lage verbruik van [huurder] kan naar het oordeel van het hof niet worden verklaard door de door [huurder] gestelde afwezigheid tussen 07.00 en 23.00 uur. Wat de verklaring van [F] betreft verwijst het hof kortheidshalve naar hetgeen het hiervoor in rov. 3.17 heeft overwogen. Wat betreft de door [huurder] overgelegde schriftelijke verklaringen van buurtbewoners ten slotte overweegt het hof het volgende. [I] verklaart dat [huurder] ‘regelmatig bij mij op de koffie kwam en ik bij hem, minimaal twee keer per week’. Mevrouw [J] heeft verklaard dat zij [huurder] ‘dagelijks tegen komt’. Mevrouw [K] heeft verklaard dat zij [huurder] ‘regelmatig gezien heeft’. [L] heeft verklaard dat zij [huurder] ‘regelmatig tegen komt met zijn hond’. [M] heeft verklaard dat zij [huurder] ‘vaak tegen komt met de hond uitlaten’. [N] ten slotte heeft verklaard: ‘ [huurder] komt 4x per maand koffie drinken’. Nog daargelaten dat de verklaringen zeer kort zijn en niet gedetailleerd, roepen zij ook vragen op over hoe de gestelde sociale contacten zich verhouden tot het standpunt van [huurder] dat hij iedere dag van 07.00 tot 23.00 afwezig is. [huurder] heeft deze getuigen echter niet opgeroepen, terwijl dat in het licht van de verklaringen van de overige getuigen wel voor de hand zou hebben gelegen. [huurder] heeft aangevoerd dat sommige van deze buurtbewoners verhuisd zijn en dat men over het algemeen liever niet bij een rechter verschijnt. [huurder] is hier echter weinig concreet over. Verder gaat hij eraan voorbij dat [I] heeft verklaard bereid te zijn om onder ede te verklaren. Dat nu aan deze getuigen geen vragen gesteld konden worden en aldus niet duidelijk is kunnen worden in welke periode en op welke tijdstippen de contacten zouden hebben plaats gevonden heeft tot gevolg dat die verklaringen niet bruikbaar zijn, althans van onvoldoende gewicht zijn om te concluderen dat [verhuurder] het aan haar opgedragen bewijs niet heeft geleverd.

3.20

Het komt er op neer dat [huurder] per in zijn nadeel afgelegde verklaring heeft aangevoerd dat die verklaring niet bruikbaar is. [huurder] verliest daarbij uit het oog dat de kantonrechter het bewijs niet geleverd heeft geacht op grond van een enkele verklaring, maar op grond van een samenstel van verklaringen en overig bewijs. [huurder] heeft daar onvoldoende tegenover gesteld. Het hof komt tot eenzelfde bewijswaardering als de kantonrechter.

3.21

Het hof passeert het algemene bewijsaanbod van [huurder] . Mede gelet op de bewijslevering in eerste aanleg mocht van hem worden verwacht dat hij een bewijsaanbod in hoger beroep voldoende zou specificeren. Voor zover [huurder] bedoeld heeft aan te bieden de buurtbewoners die schriftelijke verklaringen hebben afgelegd te horen, is het aanbod onvoldoende specifiek. [huurder] heeft immers niet gesteld wat deze getuigen meer of anders zouden kunnen verklaren dan zij al hebben gedaan, nog daargelaten dat [huurder] tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft laten weten dat hij deze getuigen niet heeft opgeroepen omdat die verhuisd waren of niet bereid waren om te getuigen.

3.22

De slotsom is dat de grieven niet slagen. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. [huurder] zal als in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding in hoger beroep.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [huurder] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [verhuurder] begroot op € 741,- aan verschotten en € 2.148,- voor salaris;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. L.A.J. Dun, M.A. Wabeke en J.E. van der Werff en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 3 november 2020.