Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:2937

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
03-11-2020
Datum publicatie
27-11-2020
Zaaknummer
200.264.867/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Opzegging betaalrekeningen. Kort geding. Art. 2, 3 en 35 Algemene Bankvoorwaarden. Het hof acht op grond van de in het arrest genoemde feiten en omstandigheden voldoende aannemelijk dat een bodemrechter zal oordelen dat de bank rechtsgeldig gebruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid tot beëindiging van de bankrelatie met de vennootschap. Dat geldt niet ten aanzien van de beëindiging van de bankrelatie met de bestuurder van de vennootschap.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2021/15
RF 2021/11
JONDR 2021/154
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.264.867/01

zaak- en rolnummer rechtbank Amsterdam : C/13/663964 / KG ZA 19-311

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 3 november 2020

inzake

COÖPERATIEVE RABOBANK U.A.,

gevestigd te Amsterdam,

appellante,

advocaat: mr. A. van Hees te Amsterdam,

tegen

1 INSIGHT B.V.,

gevestigd te Berkel-Enschot,

2. [geïntimeerde sub 2] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerden,

advocaat: mr. G.A. Verstijnen te Oss.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna Rabobank respectievelijk Insight c.s. (in vrouwelijk enkelvoud) genoemd. Geïntimeerden worden hierna afzonderlijk Insight en [geïntimeerde sub 2] genoemd.

Rabobank is bij dagvaarding van 27 mei 2019 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 30 april 2019, onder bovenvermeld zaak- en rolnummer gewezen tussen Insight c.s. als eiseres en Rabobank als gedaagde (ECLI:NL:RBAMS:2019:3157).

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties en

- memorie van antwoord, met producties.

Partijen hebben de zaak ter zitting van 18 september 2020 doen toelichten, Rabobank door mr. T.M.D. van den Beld, advocaat te Utrecht, en Insight c.s. door mr. Verstijnen voornoemd, ieder aan de hand van spreekaantekeningen die aan het hof zijn overgelegd. Beide partijen hebben nog producties in het geding gebracht. Ten slotte is arrest gevraagd.

Rabobank heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en de vorderingen van Insight c.s. (alsnog) zal afwijzen en - uitvoerbaar bij voorraad - Insight c.s. zal veroordelen de proceskosten van € 1.700,83 aan Rabobank terug te betalen, vermeerderd met rente vanaf 26 augustus 2019, met veroordeling van Insight c.s. in de kosten van het geding in beide instanties.

Insight c.s. heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met - uitvoerbaar bij voorraad - veroordeling van Rabobank in de kosten van het geding in hoger beroep.

2 Feiten

2.1.

De voorzieningenrechter heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.15 de feiten vermeld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen daarom ook het hof als uitgangspunt. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten komen zij op het volgende neer.

2.2.

[geïntimeerde sub 2] is sinds 19 juli 2016 enig bestuurder en enig aandeelhouder van Insight. Insight heeft verder geen werknemers.

2.3.

Op 30 november 2016 heeft Insight bij Rabobank een bankrekening geopend met nummer [nummer] . [geïntimeerde sub 2] heeft toen aan Rabobank gemeld dat Insight (uitsluitend) actief was in de handel in gereviseerde turbo-charges voor motorvoertuigen. De verwachte jaaromzet zou € 300.000 zijn.

2.4.

Op 13 januari 2017 heeft [geïntimeerde sub 2] in privé bij Rabobank een bankrekening geopend met nummer [nummer] .

2.5.

In de Algemene Bankvoorwaarden 2017 (hierna: ABV) is – voor zover hier van belang – het volgende opgenomen:

Artikel 2 – Zorgplicht

Wij hebben een zorgplicht. U bent ook zorgvuldig tegenover ons en u mag van onze

dienstverlening geen misbruik maken.

1. Wij zijn bij onze dienstverlening zorgvuldig en houden hierbij zo goed mogelijk rekening met uw belangen. Dit doen wij op een manier die aansluit bij de aard van de dienstverlening. (…)

2. U bent zorgvuldig tegenover ons en houdt zo goed mogelijk rekening met onze belangen. U werkt eraan mee dat wij onze dienstverlening correct kunnen uitvoeren en aan onze verplichtingen kunnen voldoen. Hiermee bedoelen wij niet alleen onze verplichtingen tegenover u, maar bijvoorbeeld ook verplichtingen die wij in verband met onze dienstverlening aan u hebben tegenover toezichthouders of fiscale of andere (nationale, internationale of supranationale) autoriteiten.

U geeft ons, als wij daarom vragen, de informatie en documentatie die wij daarvoor nodig hebben. Als het u duidelijk moet zijn dat wij die informatie of documentatie nodig hebben, geeft u die uit uzelf.

U mag onze diensten of producten alleen gebruiken waarvoor ze zijn bedoeld en hiervan geen misbruik (laten) maken. Denkt u bij misbruik bijvoorbeeld aan strafbare feiten of activiteiten die schadelijk zijn voor ons of onze reputatie of die de werking en betrouwbaarheid van het financiële stelsel kunnen schaden.

Artikel 3 – Activiteiten en doeleinden

Wij vragen u om informatie om misbruik te voorkomen en risico’s te beoordelen.

1. Banken hebben een sleutelrol in het nationale en internationale financiële stelsel. Helaas wordt onze dienstverlening soms misbruikt, bijvoorbeeld voor het witwassen van geld. Wij willen misbruik voorkomen en moeten dit volgens de wet ook doen. Wij hebben hiervoor informatie van u nodig. De informatie kan bijvoorbeeld ook nodig zijn voor de beoordeling van onze risico’s of het goede verloop van onze dienstverlening.

Daarom informeert u ons, als wij dat vragen, in ieder geval over:

a. a) uw activiteiten en doelen

b) waarom u een product of dienst van ons afneemt of wilt afnemen

c) hoe u bent gekomen aan geld, waardepapieren of andere zaken die u bij of via ons

onderbrengt.

(...)

2. U werkt eraan mee dat wij de informatie kunnen controleren. Bij het gebruik van de informatie houden wij ons aan de geldende privacyregelgeving.

(…)

Artikel 35 – Opzegging van de relatie

(…)

1. U kunt de relatie tussen u en ons opzeggen. Wij kunnen dit ook. Het is daarvoor niet nodig dat u in verzuim bent met de nakoming van een verplichting. Wij houden ons bij opzegging aan onze zorgplicht als genoemd in artikel 2 lid 1 ABV. Als u ons vraagt waarom wij de relatie opzeggen, dan laten wij u dat weten.

2. Opzegging betekent dat de relatie en alle lopende overeenkomsten worden beëindigd. (…)

3. Als er voor de beëindiging van een overeenkomst voorwaarden gelden, zoals een opzegtermijn, worden die nageleefd. Tijdens de afwikkeling van de relatie en de beëindigde overeenkomsten blijven alle toepasselijke voorwaarden van kracht.”

2.6.

Na opening is de bankrekening van Insight voor het eerst gebruikt per maart 2017. Korte tijd later (ultimo juni 2017) bedroeg de omzet die over de bankrekening liep meer dan een miljoen euro. Rabobank ontdekte dat toen [geïntimeerde sub 2] in juni 2017 een (zakelijke) creditcard aanvroeg. Rabobank is toen een onderzoek gestart.

2.7.

Bij brief van 18 juli 2018 heeft Rabobank de bankrelatie met Insight c.s. opgezegd met ingang van 15 september 2018 op grond van een vertrouwensbreuk “vanwege de inconsistenties en het niet correct en tijdig informeren”. Rabobank schrijft hierover:

Bij het openen van de rekening op 30 november 2016 is telefonisch aangegeven dat er handel zou plaats vinden in gebruikte auto-onderdelen. De verwachte jaaromzet zou € 300.000 bedragen.
De rekening is hierna voor het eerst gebruikt per maart 2017. Ultimo juni 2017 bedroeg de omzet op de rekening > € 1.000.000. Op 5 oktober 2017 bent u benaderd voor het maken van een afspraak om de verhoogde omzet op uw rekening en de daadwerkelijke activiteiten van uw bedrijf te bespreken.”

Tijdens het gesprek op 25 oktober 2017 heeft u gezegd “uw activiteiten tussentijds gewijzigd te hebben naar de handel in kleine elektronica zoals telefoons, USB-sticks en geheugenkaarten.
U heeft hierbij:

• Uw verdienmodel niet weten uit te leggen

• Geen consistent verhaal gegeven over de omzetontwikkeling

• Geen duidelijkheid kunnen geven over de in- en verkoop van uw producten”

2.8.

In reactie op die brief heeft [geïntimeerde sub 2] in juli 2018 schriftelijk bericht dat er misschien misverstanden zijn ontstaan doordat het gesprek van 25 oktober 2017 in het Engels plaatsvond ( [geïntimeerde sub 2] spreekt Pools). In zijn brief schrijft hij, voor zover van belang:

“On 25 October 2017 we discussed three items:

- the business model of Insight B.V.

- the development of turnover of Insight B.V.

- the buying and selling by Insight B.V. of its products

I did explain you the business model of Insight B.V. and the change of focus from car spare-parts to electronic equipment. Furthermore, the business model of Insight B.V. is very simple. We trade (wholesale) in electronic devices and try to make a margin. In this business area margins are small and it is important to make volume to create a profit.

I also explained the development of the turnover. It is closely related to the nature of the business. In 2017 Insight B.V. managed to acquire a buyer with a large need for electronic equipment and after some successful, relatively small, transactions the business increased rapidly. In the meantime, Insight B.V. managed to acquire to some buyers more and turnover has further increased. I really don’t understand what is unclear about that.

As regards the transactions regarding the products of Insight B.V. I provided all invoices to the bank (buying and selling). This means you have full understanding of the transactions. It is therefore simply not true that I did not provide clarity in this respect. If anything would require further explanation I believe the bank should ask for that instead of terminating the relationship (after more than half a year) with the argument that there is a breach of trust. I believe the arguments of the bank are contrived.

Note that Insight B.V. has never refused to provide (additional) information to the bank and remains willing to answer (reasonable) questions of the bank.”
Volgens [geïntimeerde sub 2] is de opzegging ongefundeerd en onrechtmatig. Hij verzoekt Rabobank de beslissing te heroverwegen en kondigt aan haar zo nodig in rechte te betrekken.

2.9.

Vervolgens heeft een gesprek tussen partijen plaatsgevonden op 8 augustus 2018. Een verslag daarvan is opgenomen in de brief van Rabobank van 10 september 2018, waarin na heroverweging de opzegging wordt gehandhaafd en de ingangsdatum wordt verschoven naar 15 november 2018. Als redenen voor de opzegging vermeldt Rabobank:
- “U kunt niet vaststellen waar uw producten vandaan komen. Hiermee bestaat de kans dat u zich onbewust schuldig maakt aan verkoop of handel in gestolen goederen” en

- “U heeft ons niet uit eigen beweging geïnformeerd over de wijziging van uw bedrijfsactiviteiten”.

2.10.

Bij brief van 24 oktober 2018 heeft [geïntimeerde sub 2] de opzegging en de opzeggingsgronden gemotiveerd bestreden.

2.11.

Bij brief van 15 november 2018 heeft Rabobank de volgende eisen gesteld alvorens tot heroverweging van de opzegging te zullen overgaan:
“1. Door een in Nederland ingeschreven advocaat / Registeraccountant / notaris dienen de huidige afnemers/leveranciers/financiers (met een cumulatieve afnemer/lever/financieringswaarde van 15k euro per jaar) van de afgelopen 12 maanden te worden getoetst in een KYC-onderzoek conform de eisen van artikel 3 WWFT; waarbij het risico dat klant betrokken zou kunnen zijn bij (fiscale) fraude, witwassen en terrorismefinanciering redelijkerwijs, op basis van de beschikbare informatie, wordt uitgesloten. Deze rapportage zal ultimo 15 december 2018 aan de Rabobank worden aangeboden. Voor 1 december2018 dient de opdrachtbevestiging van de klant aan de bank te zijn overhandigd.

2. Voor nieuwe partijen (afnemers/leveranciers/financiers) geldt, alvorens cumulatieve transacties/omzet van 15k euro over de rekening mogen lopen, dat de

advocaat/accountant/notaris een KYC-onderzoek zal moeten afronden waarbij het

risico dat klant via deze afnemers/leveranciers/financiers betrokken zou kunnen zijn bij (fiscale) fraude, witwassen en/of terrorismefinanciering redelijkerwijs wordt

uitgesloten.

3. Bij elk KYC-onderzoek dient specifieke aandacht te worden besteed of de bij de

afnemers/leverancier betrokken personen gerelateerd kunnen worden aan faillissementen en/of entiteiten die binnen 36 maanden na oprichting zijn geliquideerd/opgehouden zijn te bestaan.

4. Klant verbindt zich aan ons dat hij de output van de onderzoeken, halfjaarlijks ter

beschikking zal stellen zodat de bank kennis heeft welke klanten zijn onderzocht zodat de bank kan checken of alle transacties die lopen via de bank een positieve KYC hebben.

5. Uit de geverifieerde verklaring moet verder blijken dat de zakelijke entiteiten hun

administratieve organisatie en activiteiten en betalingsverkeer zodanig hebben ingericht dat er geen enkel direct of indirect risico is voor de bank dat er enige betrokkenheid van deze entiteiten gesteld kan worden in het kader van (fiscale) fraude, witwassen en/of financiering terrorisme.”

2.12.

In een schriftelijke reactie van 30 november 2018 heeft [geïntimeerde sub 2] deze eisen disproportioneel en zeer ongebruikelijk genoemd en gevraagd of Rabobank de kosten voor de kostbare KYC-onderzoeken wil dragen.

2.13.

Rabobank heeft vervolgens op 14 januari 2019 geschreven dat de zorg van de bank zit in het volgende:

“Op basis van risicoanalyses en voortschrijdend inzicht heeft Rabobank de internationale groothandel in grote hoeveelheden kleine, kostbare elektronica, als een hoger risico benoemd. Met name de grote, snelle, intercontinentale geldstromen met minimale marges en daarnaast transacties die gesloten worden via platforms waarbij partijen elkaar niet kennen, maken de risico’s voor de bank aanzienlijk hoger dan gemiddeld.
Deze risico’s betreffen zowel het hogere risico van witwassen of terrorismefinanciering, sanctierisico’s, handel in gestolen goederen, als ook het risico van btw-carrousels etc.. (…)
Om deze risico’s te verminderen vraagt de Rabobank haar klanten, die in deze branche werkzaam zijn, om aan de in de brief van 15 november 2018 genoemde vereisten te voldoen (…).”
Rabobank verwacht de rapportage voor 11 februari 2019, bij gebreke waarvan de “bancaire producten van Insight B.V.” per 15 maart 2019 zullen worden opgeheven.

2.14.

De advocaat van Insight heeft de Rabobank op 11 februari 2019 geschreven dat Insight bereid is om aan redelijke informatieverzoeken te voldoen, dat echter de door de bank gestelde eisen disproportioneel zijn en dat het beëindigen van de rekening van Insight onrechtmatig is. Hij heeft Rabobank namens zijn cliënten aansprakelijk gesteld en een kort geding in het vooruitzicht gesteld als zij niet op haar besluit terugkomt.

2.15.

De advocaat van Rabobank heeft bij brief van 28 februari 2019 geschreven dat de bank beide bankrekeningen per 15 maart 2019 zal opheffen en dit besluit toegelicht. Toen was al ruim 26 miljoen euro over de bankrekening van Insight gelopen.

2.16.

Vervolgens heeft Rabobank de beide rekeningen geblokkeerd en aangekondigd deze per 1 mei 2019 definitief te beëindigen.

2.17.

Insight c.s. is daarna onderhavige procedure gestart. Nadat de bestreden uitspraak door de voorzieningenrechter was gewezen, hebben partijen hun correspondentie voortgezet.

2.18.

Rabobank heeft in een brief van 27 augustus 2019 aan Insight ter attentie van [geïntimeerde sub 2] geschreven, voor zover van belang:

“Wij hebben u (o.a.) gevraagd om in uw eigen woorden op papier te zetten hoe het verdienmodel van Insight eruit ziet en wat uw betrokkenheid is bij 12 andere entiteiten waarbij u (als directeur) en/of (indirect) aandeelhouder betrokken bent (geweest). Ook hebben wij u om een verklaring gevraagd voor het feit dat de BTW-nummers van uw afnemers, waaronder die van de twee grootste, ongeldig blijken te zijn.”

2.19.

Bij brief van 10 september 2019 heeft Insight de eerste en derde vraag als volgt beantwoord:

“Model of the business of Insight is to buy and sell electronics good and to make a (price) margin between buying and selling. Insight receives requests from its customers and after that suppliers are asked if they are able to supply the required products. If the buying price for Insight is less than the selling price I confirm the order to the supplier and also confirm to the customer that the product will be delivered. Then I wait for the delivery of the goods by the supplier or I pick it up myself. Next step is delivery to the customer.

Margins are small and large turnover is required to be able to make profit.

(…)

Insight can not explain why some VAT numbers of trading partners are invalid when Rabobank made the check. Insight has become aware that Mintax has ended its business. I don’t know about the other companies.

De vraag over de betrokkenheid van [geïntimeerde sub 2] bij 12 andere entiteiten beantwoordt Insight niet:

“Insight is of the opinion that this question and the size of the work and effort it requires to answer it, exceeds what the bank may reasonably require from Insight. (…)”

2.20.

Daarna heeft Rabobank btw-aangiftes en jaarverslagen van Insight ontvangen en hebben partijen verder gecorrespondeerd over onder meer de vragen die deze stukken bij Rabobank opriepen.

3 Beoordeling

3.1.

Insight c.s. vordert, samengevat, om Rabobank, op straffe van dwangsommen, te veroordelen de bankrelatie met haar voort te zetten en in het bijzonder de bankrekeningen ten name van Insight respectievelijk [geïntimeerde sub 2] niet op te heffen. Zij stelt hiertoe dat de opzegging van de bankrelatie is strijd is met art. 2 lid 1 ABV en op grond van art. 6:248 lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW) naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, althans misbruik van recht oplevert als bedoeld in art. 3:13 BW. De belangen van Insight c.s. bij voortzetting van de bankrelatie wegen volgens haar zwaarder dan de belangen van Rabobank bij opzegging van die relatie en de gronden van de opzegging zijn volgens Insight c.s. niet concreet, niet juist en/of volstrekt onvoldoende onderbouwd.

3.2.

De voorzieningenrechter heeft het spoedeisend belang bij de vorderingen aangenomen en is tot het oordeel gekomen dat voldoende aannemelijk is geworden dat de opzegging van de bankrelatie in een eventuele bodemprocedure geen stand zal houden en heeft, kort gezegd, Rabobank veroordeeld om de bankrelatie met Insight en [geïntimeerde sub 2] voort te zetten en Insight c.s. in staat te stellen op de gebruikelijke wijze van hun bankrekening gebruik te maken.

3.3.

Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt Rabobank met twaalf grieven op. De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Daarbij zal het hof, gelet op de aard van het kort geding, een voorlopige beslissing geven en zich daarbij zoveel mogelijk richten naar hetgeen de bodemrechter naar verwachting zal beslissen als de zaak aan hem wordt voorgelegd.

3.4.

Niet in geschil is dat Rabobank op grond van art. 35 ABV in beginsel bevoegd is de bankrelatie met Insight c.s. op te zeggen.

3.5.

Indien een bank gebruikmaakt van een overeengekomen bevoegdheid tot beëindiging van de relatie moet de rechtsgeldigheid daarvan worden beoordeeld aan de hand van de overeenkomst en de maatstaf van art. 6:248 lid 2 BW en indien (zoals in dit geval) daarop een beroep is gedaan art. 3:13 BW. Een opzegging is niet rechtsgeldig indien het gebruikmaken van die bevoegdheid, gelet op de omstandigheden van het geval, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, althans in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad, de bank naar redelijkheid niet tot de opzegging had kunnen komen. Voor deze beoordeling is mede van belang dat uit art. 2 lid 1 ABV in verbinding met art. 35 ABV volgt dat een bank bij haar dienstverlening zorgvuldig moet zijn en zo goed mogelijk rekening moet houden met de belangen van de cliënt en dat zij zich ook bij opzegging van de relatie met een cliënt aan haar zorgplicht moet houden (vgl. HR 10 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2929, ING/De Keijzer Beheer).

3.6.

Rabobank heeft aanleiding gezien de bankrelatie met Insight c.s. te beëindigen op grond van zowel (a) een vertrouwensbreuk omdat Rabobank in 2017 niet correct en tijdig is geïnformeerd over de wijziging van de handel die Insight dreef en de daarmee te behalen omzet, als (b) haar zorgen omdat zich bij Insight ontwikkelingen voordoen die bedrijfseconomisch volgens Rabobank niet kunnen en waarvoor Insight c.s. geen goede verklaring heeft gegeven zodat Rabobank het risico niet kon uitsluiten dat Insight c.s. betrokken was bij criminele gedragingen. Zo was uit het niets - en zonder voorafgaande investering - een omzetgroei te zien op de bankrekening van Insight van € 0 naar € 1.300.000 in de (korte) periode van 31 maart 2017 tot en met juni 2017 en was tot en met juli 2018 al € 11.000.000 over deze rekening gelopen, hoewel Insight slechts één werknemer heeft ( [geïntimeerde sub 2] ) die - naar eigen zeggen - zowel de bestellingen plaatst en aanneemt, als de kleine elektronica zoals telefoons, USB-sticks en geheugenkaarten in ontvangst neemt en deze goederen in beginsel niet per post maar persoonlijk per auto in Nederland aflevert. Alarmerend vond Rabobank ook dat de bedragen die binnenkwamen kort daarna werden doorgeboekt en dat het steeds om (tien)duizenden euro’s per betaling ging, waarbij ook een (zeer) groot aantal spoedoverboekingen plaatsvond.

3.7.

Insight c.s. betwist voormelde ontwikkelingen bij Insight op zichzelf niet. Zij bestrijdt ook niet het betoog van Rabobank dat er bij Insight verschillende indicatoren aanwezig waren die door meerdere toezichthouders als risico worden benoemd. De stellingen van Insight c.s. komen erop neer dat er onvoldoende concrete bewijzen zijn dat Insight (daadwerkelijk) betrokken is bij illegale praktijken, en er een onvoldoende concreet en reëel integriteitsrisico is voor Rabobank. Als er concrete bewijzen ontbreken, dient volgens Insight c.s. de belangenafweging die moet worden gemaakt in het belang van de cliënt uit de vallen en mag de toegang tot het girale betalingsverkeer niet worden afgesneden, aldus haar betoog.

3.8.

Het hof zal eerst de rechtmatigheid van de opzegging van de bankrelatie met Insight bespreken. Daarbij stelt het hof voorop dat Insight erkent dat zij een informatieverplichting jegens Rabobank heeft. Die verplichting is verankerd in de contractuele rechtsverhouding van partijen. Zo staat in art. 2 lid 2 ABV: “U geeft ons, als wij daarom vragen, de informatie en documentatie die wij daarvoor nodig hebben. Als het u duidelijk moet zijn dat wij die informatie of documentatie nodig hebben, geeft u die uit uzelf.” Art. 3 lid 1 ABV sluit daarop aan.

3.9.

Insight weigert de rapportages te verstrekken die Rabobank bij brief van 15 november 2018 van haar eiste. Deze informatie betrof derden, te weten afnemers, leveranciers en financiers van Insight. In het midden kan blijven of deze weigering van Insight gegrond was. Vast staat immers dat Rabobank daarnaast - en bij herhaling - om gegevens heeft gevraagd die (i) het verdienmodel van Insight zelf betreffen, alsmede (ii) het betalingsverkeer op haar bankrekening en (iii) de in- en verkoop van haar producten. Aan dat verzoek moest Insight in ieder geval voldoen omdat Rabobank die gegevens nodig had om de risico’s van misbruik te beoordelen nadat Rabobank ermee bekend was geworden dat Insight, anders dan in 2016 meegedeeld, haar geld niet verdiende met de handel in auto-onderdelen en op haar bankrekening een spectaculaire omzetontwikkeling te zien was. Insight heeft ook die gegevens echter niet, althans niet naar behoren verstrekt. Vragen van Rabobank heeft Insight slechts ontwijkend beantwoord door in algemeenheden te blijven steken, die erop neerkomen dat Insight wordt betaald door haar afnemers en betaalt aan haar leveranciers, en - voornamelijk door inkoop en verkoop van mobiele telefoons, zoals iPhones - veel omzet draait tegen een kleine marge, maar toch winst kan maken door een lage overhead.

3.10.

Daar komt bij dat niet is gebleken dat Insight over gegevens beschikt die de zorgen van Rabobank kunnen wegnemen. WhatsApp-gesprekken waaruit volgens Insight de bestellingen van de kleine elektronica blijken zijn niet overgelegd, evenmin als verklaringen van haar afnemers en leveranciers of andere bewijsmiddelen, zoals een verklaring of toelichting van haar boekhouder of van een accountant, die een plausibele verklaring (kunnen) geven voor de ontwikkelingen die zich bij Insight hebben voorgedaan. Insight schrijft in haar brief van juli 2018 ‘alle facturen’ aan Rabobank te hebben overgelegd, maar daarvan is in dit geding niets gebleken. Insight c.s. heeft volstaan met verwijzing naar screenshots van de websites van twee (gestelde) afnemers en het overleggen van enkele in- en verkoopfacturen, enkele verzendbewijzen van transporten per post en enkele VAT Information Exchange System-checks.

3.11.

Uit de door Insight verstrekte informatie en documentatie kan hooguit worden afgeleid dat er (enige) bedrijfsactiviteiten waren bij Insight en dat er afnemers waren met btw-nummers. Dat daadwerkelijk handel werd gedreven in een volume dat correspondeert met de betaalstromen die op de bankrekening van Insight zichtbaar waren, is ook naar het oordeel van het hof niet aannemelijk geworden.

3.12.

Anders dan Insight c.s. meent, is voor een rechtmatige opzegging niet noodzakelijk dat er concrete bewijzen zijn dat Insight betrokken is bij criminele gedragingen. Rabobank heeft geen formele opsporingsbevoegdheden en is bij haar cliëntenonderzoek onweersproken aangewezen op haar kennis van transacties, antwoorden die zij van haar cliënten krijgt en informatie die zij uit openbare bronnen kan halen. Insight heeft Rabobank in dit geval onvoldoende in staat gesteld grip te krijgen op haar verdienmodel. Rabobank kan daardoor niet voldoen aan de op haar rustende verplichtingen die voortvloeien uit de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft). Ook is Rabobank niet in staat de verdere (reputatie)risico’s te beoordelen die zij loopt bij voortzetting van de bankrelatie met Insight. Gelet hierop is het belang van Rabobank bij opzegging voldoende zwaarwegend in verhouding tot het belang van Insight bij voortzetting van de relatie.

3.13.

Anders dan Insight meent, doet hieraan niet af dat het ‘slechts’ om een bankrekening gaat waarop uitsluitend (elektronisch) betalingsverkeer plaatsvindt, dat geen sprake is van een kredietrelatie met Insight en dat Insight bij herhaling kenbaar heeft gemaakt aan redelijke en proportionele informatieverzoeken van Rabobank te zullen voldoen. De vragen die het verdienmodel van Insight betroffen, voldeden aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit en waren ook voor een betaalrekening redelijk. Het komt voor risico van Insight dat zij die vragen niet of niet adequaat heeft beantwoord. Voor Insight moet duidelijk zijn geweest dat van haar informatie en documentatie werd verlangd die een plausibele, consistente en onderbouwde verklaring gaf voor de, zeker gezien de omstandigheid dat zij geen enkele ervaring had met de handel in elektronica, snelle en exorbitante groei van haar bedrijf waardoor tot 15 maart 2019 uiteindelijk ruim 26 miljoen euro over haar bankrekening was gelopen. Die openheid van zaken heeft Insight niet gegeven.

3.14.

Insight wijst op haar belang bij het hebben van een bankrekening en vreest dat het gevolg van opzegging door Rabobank zal zijn dat zij wordt opgenomen in het Externe Verwijzingsregister, alsmede dat dit een opmars zal zijn naar algehele uitsluiting van Insight van deelname aan het girale betalingsverkeer. Ook echter als Insight door de opzegging in een onomkeerbare en (financieel) uitzichtloze situatie zou belanden, is dat een gevolg van haar eigen handelen in strijd met de informatieverplichting waardoor haar belang dient te wijken voor het belang van Rabobank bij opzegging van de bankrelatie. Bovendien heeft Insight nog een zakelijke bankrekening bij ING. Als ING gebruikmaakt van haar bevoegdheid tot beëindiging, moet de rechtsgeldigheid van die opzegging (eveneens) worden beoordeeld aan de hand van de hiervoor in rov. 3.5 weergegeven maatstaf met inachtneming van de door Insight enerzijds en ING anderzijds te stellen belangen. Het hof kan daarop niet vooruitlopen.

3.15.

Andere feiten of omstandigheden die tot een succesvol beroep van Insight op art. 6:248 lid 2 BW of art. 3:13 BW kunnen leiden, zijn gesteld noch gebleken. Het hof heeft hierbij tevens meegewogen dat Rabobank - overeenkomstig de zorgplicht - onderzoek heeft verricht alvorens kenbaar te maken de bankrelatie met Insight te willen beëindigen, de beëindigingsdatum vervolgens een paar keer heeft verschoven om Insight de mogelijkheid te bieden openheid van zaken te geven, en ter zitting van het hof heeft toegezegd na het wijzen van dit arrest (nog) een opzegtermijn van drie maanden in acht te zullen nemen. Ook wat betreft de wijze van opzeggen heeft Rabobank daarmee aan haar zorgplicht voldaan.

3.16.

Gelet op het voorgaande acht het hof voldoende aannemelijk dat een bodemrechter zal oordelen dat Rabobank rechtsgeldig gebruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid tot beëindiging van de relatie met Insight. Het hof komt daarmee tot een ander oordeel dan de voorzieningenrechter. Het bestreden vonnis kan in zoverre niet in stand blijven.

3.17.

Het hof oordeelt anders ten aanzien van de rechtmatigheid van de opzegging van de bankrelatie met [geïntimeerde sub 2] .

3.18.

Het hof verwerpt de stelling van Rabobank dat [geïntimeerde sub 2] Insight is en Insight [geïntimeerde sub 2] omdat [geïntimeerde sub 2] enig aandeelhouder, bestuurder en werknemer van Insight is. [geïntimeerde sub 2] en Insight zijn twee van elkaar te onderscheiden cliënten met ieder een eigen bankrekening. Daarom zal het hof de opzegging van de bankrelatie met [geïntimeerde sub 2] zelfstandig toetsen aan de maatstaf uit rov. 3.5.

3.19.

Rabobank stelt dat de bankrekening van [geïntimeerde sub 2] niet ‘echt’ werd gebruikt en al meer dan een jaar een ongeoorloofde debetstand van € 18,65 vertoonde. Deze feiten zijn echter van onvoldoende gewicht in verhouding tot het belang van [geïntimeerde sub 2] bij voorzetting van de bankrelatie. Bovendien heeft [geïntimeerde sub 2] onvoldoende weersproken gesteld dat hij de debetstand direct heeft aangezuiverd nadat Rabobank hem dat had gevraagd. Andere voldoende concrete belangen bij de opzegging heeft Rabobank niet gesteld. Nu voorts als onvoldoende betwist vast staat dat zich geen bijzondere mutaties op de bankrekening van [geïntimeerde sub 2] hebben voorgedaan, komt ook het hof tot het oordeel dat voldoende aannemelijk is dat de opzegging van de bankrelatie met [geïntimeerde sub 2] in een eventuele bodemprocedure geen stand zal houden.

3.20.

Het hof verwerpt het betoog van Rabobank dat een spoedeisend belang ontbreekt. Het spoedeisend belang van [geïntimeerde sub 2] volgt uit de aard van zijn vordering.

3.21.

Het voorgaande betekent dat de grieven van Rabobank slagen voor zover zij Insight betreffen en voor het overige falen. Als gevolg daarvan zal (uitsluitend) de veroordeling onder 5.1 (ii) van het dictum van het bestreden vonnis worden bekrachtigd. Deze veroordeling houdt kort gezegd in dat Rabobank de bankrelatie met [geïntimeerde sub 2] dient voort te zetten en hem in staat moet stellen op de gebruikelijke wijze van de bankrekening gebruik te maken. Het vonnis zal voor het overige worden vernietigd op de wijze als in de beslissing vermeld.

3.22.

Insight zal als in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van Rabobank van het geding in beide instanties. Omdat [geïntimeerde sub 2] samen met Insight met een advocaat procedeert en hij met Insight gezamenlijke standpunten heeft ingenomen, zullen zijn kosten in beide instanties worden begroot op nihil.

3.23.

De vordering van Rabobank tot terugbetaling door Insight c.s. van de proceskosten die op grond van het bestreden vonnis zijn voldaan, vermeerderd met rente, is gelet op het voorgaande toewijsbaar op de wijze als in de beslissing vermeld.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt de veroordeling in rov. 5.1 (ii) van het dictum van vonnis waarvan beroep,

vernietigt het vonnis waarvan beroep voor het overige,

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

wijst de vorderingen van Insight af,

veroordeelt Insight in de kosten van het geding in beide instanties, in eerste aanleg aan de zijde van Rabobank begroot op € 693 aan verschotten en € 980 voor salaris en in hoger beroep tot op heden op € 847,34 aan verschotten en € 3.222 voor salaris,

begroot de kosten van [geïntimeerde sub 2] in beide instanties op nihil,

veroordeelt Insight c.s. de proceskosten van € 1.700,83 aan Rabobank terug te betalen, vermeerderd met rente als bedoeld in art. 6:119 BW vanaf 26 augustus 2019,

verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.W. Hoekzema, M.P. van Achterberg en M.M. Korsten-Krijnen en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 3 november 2020.