Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:2908

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
03-11-2020
Datum publicatie
04-11-2020
Zaaknummer
23-003109-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

vrijspraak poging toebrengen zll, w&o mmishandeling, overwegingen mbt vw opzet en noodweer in verschillende varianten, 9a

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-003109-18

datum uitspraak: 3 november 2020

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 5 september 2018 in de strafzaak onder parketnummer 13-702353-18 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Suriname) op [geboortedag] 1970,

ter terechtzitting domicilie kiezende op het kantooradres van haar raadsvrouw:

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 20 oktober 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

primair
zij op of omstreeks 22 augustus 2018 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een mes, in elk geval met een (scherp en/of puntig) voorwerp, eenmaal of meermalen (met kracht) in/tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer 1] heeft gestoken en/of gesneden en/of gezwaaid;

subsidiair
zij op of omstreeks 22 augustus 2018 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk mishandelend [slachtoffer 1] eenmaal of meermalen (met kracht) met een mes, in elk geval met een (scherp en/of puntig) voorwerp in/tegen het lichaam heeft gestoken en/of gesneden en/of gezwaaid, waardoor voornoemde [slachtoffer 1] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing ten aanzien van de bewezenverklaring en de strafoplegging komt dan de politierechter.

Daarnaast zal het hof, anders dan de politierechter, niet beslissen op de vordering van de benadeelde partij, gelet op het feit dat de benadeelde partij de vordering in hoger beroep middels een brief van [naam], als jurist letselschade verbonden aan Stichting Achema Rechtsbijstand van 8 september 2020 aan de advocaat-generaal, heeft ingetrokken. De vordering is derhalve in hoger beroep niet langer aan de orde.

Vrijspraak

Met de advocaat-generaal en de raadsvrouw is het hof van oordeel dat hetgeen de verdachte primair tenlastegelegd is, niet wettig en overtuigend kan worden bewezen, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

Bespreking van verweren

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep verzocht de verdachte eveneens vrij te spreken van hetgeen haar subsidiair ten laste is gelegd. Hiertoe heeft de raadsvrouw, kort en zakelijk weergegeven, naar voren gebracht dat de verdachte geen opzet had op het toebrengen van letsel aan haar broer. Enkel om te voorkomen dat haar broer haar dichter kon naderen heeft de verdachte met een mes gezwaaid; zij beoogde daarmee niet anders dan hem op afstand te houden. Zij heeft niet met het mes uitgehaald dan wel gestoken.

Verder heeft de raadsvrouw bepleit dat de verdachte een geslaagd beroep op noodweer in verschillende varianten toekomt; zij dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. De verdachte was er van overtuigd dat haar broer op haar toekwam om haar te slaan. Slechts om dit te voorkomen heeft zij het mes gepakt en hiermee gezwaaid.

Het hof overweegt ten aanzien van de gevoerde verweren als volgt.

(Voorwaardelijk) opzet

Uit het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep leidt het hof de volgende feiten en omstandigheden af. De verdachte en haar broer hadden een heftige woordenwisseling. De verdachte heeft tijdens deze woordenwisseling met een groot keukenmes in de richting van haar broer gezwaaid, terwijl zij zich op korte afstand van elkaar bevonden. De verdachte heeft haar broer met het mes op zijn borstkas geraakt, waardoor een wond is ontstaan. Door aldus met een mes te zwaaien heeft de verdachte naar het oordeel van het hof willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat zij haar broer met dit mes zou verwonden. Daarmee had de verdachte (voorwaardelijk) opzet op de ten laste gelegde mishandeling van haar broer.

Noodweer

Het hof stelt voorop dat een beroep op noodweer slechts kan worden gehonoreerd indien aannemelijk is geworden dat het handelen van de verdachte was geboden door de noodzakelijke verdediging van verdachtes of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, waaronder mede is begrepen een onmiddellijk dreigend gevaar voor zodanige aanranding. Uit het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting is naar het oordeel van het hof niet aannemelijk geworden dat sprake was van een dergelijk (dreigend gevaar voor) aanranding van de verdachte door haar broer. Het enkele feit dat hij tijdens een ruzie op haar af liep, is daartoe onvoldoende. De stelling van de verdachte dat haar broer haar in het verleden meermaals heeft geslagen is door de verdachte niet onderbouwd en kan reeds daarom niet tot een ander oordeel leiden. Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat de verdachte de haar verweten gedraging niet heeft verricht in een situatie waarin en op een tijdstip waarop voor haar de noodzaak bestond tot verdediging van eigen lijf tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, dan wel het onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor.

Het hof verwerpt de verweren van de raadsvrouw.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

subsidiair
zij op 22 augustus 2018 te Amsterdam opzettelijk mishandelend [slachtoffer 1] met een mes, tegen het lichaam heeft gezwaaid, waardoor voornoemde [slachtoffer 1] letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

Hetgeen subsidiair meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het subsidiair bewezenverklaarde levert op:

mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

Namens de verdachte heeft de raadsvrouw ter terechtzitting voorts een beroep gedaan op noodweerexces, dan wel putatief noodweer.

Noodweerexces

Zoals het hof hiervoor reeds heeft toegelicht, is er geen sprake geweest van een (ook voor een succesvol beroep op noodweerexces noodzakelijke) noodweersituatie. Reeds om die reden faalt ook het verweer op noodweerexces.

Putatief noodweer

Voor een geslaagd beroep op putatief noodweer dient sprake te zijn van een situatie waarin de verdachte op objectieve gronden redelijkerwijs mocht aannemen dat sprake was van een (dreigende) noodweersituatie. Van een dergelijke situatie is naar het oordeel van het hof niet gebleken. Ook dit verweer faalt.

Ook overigens is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg subsidiair bewezenverklaarde veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke taakstaf voor de duur van 30 uren, subsidiair 15 dagen met een proeftijd van twee jaren, alsmede een geldboete van € 750,00, subsidiair 15 dagen.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte schuldig zal worden verklaard zonder oplegging van straf of maatregel.

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat indien het hof tot een bewezenverklaring en strafbaarheid van de verdachte komt te volstaan met een schuldigverklaring zonder oplegging van straf of maatregel.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling van haar broer. De verdachte heeft tijdens een stevige woordenwisseling met haar broer een keukenmes gepakt en hiermee vervolgens zodanig rond gezwaaid dat zij haar broer in zijn borstkas heeft geraakt, waardoor deze pijn en letsel heeft ondervonden. De verdachte heeft daarmee de lichamelijke integriteit van haar broer geschonden. Dit klemt te meer nu dit steekincident plaatsvond in het bijzijn van de bejaarde moeder van de verdachte en de minderjarige zoon van de verdachte en in het verzorgingstehuis waar de moeder van de verdachte woonachtig is; een plek waar men zich bij uitstek veilig zou moeten kunnen voelen.

Het hof weegt mee dat de verdachte blijkens een haar betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 7 oktober 2020 niet eerder wegens een geweldsmisdrijf onherroepelijk is veroordeeld.

Het hof kent verder gewicht toe aan het feit dat uit eerder genoemde brief van [naam] blijkt dat tussen de verdachte en haar broer recent een verzoeningsgesprek heeft plaatsgevonden; zij hebben vrede gesloten en gaan weer vredelievend als broer en zus door het leven en dat de broer van de verdachte niet langer prijs stelt op vervolging van de verdachte. De broer van de verdachte, als getuige ter terechtzitting gehoord, heeft verklaard dat hij met de verdachte in vrede wil leven.

Gelet op bovenomschreven ontwikkelingen die zich na het ten laste gelegde strafbare feit hebben voorgedaan acht het hof het raadzaam te bepalen dat geen straf of maatregel zal worden opgelegd.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Bepaalt dat ter zake van het subsidiair bewezenverklaarde geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.J.G.B. Heutink, mr. F.A. Hartsuiker en mr. R.D. van Heffen, in tegenwoordigheid van

mr. A.M. van Tilburg, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

3 november 2020.

De voorzitter is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

[…]