Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:2905

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
03-11-2020
Datum publicatie
04-11-2020
Zaaknummer
23-000804-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

artikel2 aanhef en onder c Opiumwet, bewijsverweer, geldboete

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-000804-19

datum uitspraak: 3 november 2020

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 28 februari 2019 in de strafzaak onder parketnummer 13-043523-18 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1997,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 20 oktober 2020.

Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 4 maart 2018 te Amsterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 2,43 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering en het hof tot andere beslissingen komt dan de politierechter.

Bespreking bewijsverweer

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit de verdachte bij gebrek aan wettig maar met name overtuigend bewijs vrij te spreken van hetgeen hem ten laste is gelegd. Zij heeft daartoe, kort en zakelijk samengevat, naar voren gebracht dat de verdachte ten stelligste ontkent zich aan het hem ten laste gelegde schuldig te hebben gemaakt en dat de verklaringen van de getuigen op cruciale punten uiteen lopen.

Op grond van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep stelt het hof het volgende vast.

Op 3 maart 2018 wilde de verdachte met zijn vriendin een evenement in de [plek] bezoeken. Beveiliger [naam], heeft bij de politie verklaard dat hij de verdachte, op basis van zijn houding en gedrag, bij de ingang wilde fouilleren. Nadat de verdachte in eerste instantie met de beveiliging meeliep zette hij het even later op een rennen. De beveiliging rende achter de verdachte aan en werkte hem even later tegen de grond. [naam] zag dat de verdachte op een gegeven moment met zijn rechterhand naar zijn achterzak ging en een zakje weggooide. Getuige [getuige], op de betreffende avond groepsleider van de beveiliging, heeft bij de politie eveneens verklaard dat hij heeft gezien dat de verdachte met zijn hand naar zijn achterbroekzak ging en een zakje met witkleurig poeder op de grond gooide. [getuige] heeft dit zakje opgeraapt. Onderzoek door het Laboratorium Forensische Opsporing leerde dat dit zakje cocaïne bevatte. Bij de raadsheer-commissaris hebben zowel [naam] als [getuige] in grote lijnen overeenkomstig hun verklaringen bij de politie verklaard. Voor zover sprake is van inconsistenties betreffen deze naar het oordeel van het hof niet de hoofdlijnen en zijn deze verklaarbaar door het tijdsverloop sinds het ten laste gelegde feit. Het hof ziet geen reden te twijfelen aan de door deze objectieve getuigen afgelegde verklaringen en acht met de advocaat-generaal en anders dan de raadsvrouw wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het aanwezig hebben van een hoeveelheid cocaïne. Het hof verwerpt het verweer van de raadsvrouw.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij omstreeks 4 maart 2018 te Amsterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 500,00 subsidiair 10 dagen hechtenis.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon en de draagkracht van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft een (geringe) hoeveelheid cocaïne aanwezig gehad. Cocaïne is een voor de gezondheid van de gebruiker zeer schadelijke stof. Het gebruik is ook bezwarend voor de samenleving onder andere vanwege de met de handel erin gepaard gaande criminaliteit.

In het nadeel van de verdachte kent het hof gewicht toe aan het feit dat de verdachte, blijkens een hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 7 oktober 2020 eerder voor een soortgelijk strafbaar feit onherroepelijk is veroordeeld.

Het hof weegt tevens mee dat artikel 63 Wetboek van Strafrecht van toepassing is.

Met de advocaat-generaal acht het hof, alles afwegende, een geldboete van na te melden hoogte passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 23, 24, 24c en 63 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Vernietigt de eerder uitgevaardigde strafbeschikking d.d. 12 maart 2018 onder CJIB nummer 1132 5420 0319 5322.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 500,00 (vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. F.A. Hartsuiker, mr. M.J.G.B. Heutink en mr. R.D. van Heffen, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Tilburg, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 3 november 2020.

De oudste raadsheer is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

[…]