Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:2902

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
27-10-2020
Datum publicatie
03-11-2020
Zaaknummer
200.240.691/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verbintenissenrecht – vordering tot verwijdering van een verkeersplateau op grond van 6:162 BW en 6:174 BW en vordering tot vergoeding van schade aan woning door trillingen door passerend verkeer. Is voldoende aannemelijk dat schade aan de woning is veroorzaakt door de aanwezigheid van het verkeersplateau? Is het deskundigenbericht deugdelijk? Is de SBR-richtlijn A juist correct toegepast?

Zie ECLI:NL:GHAMS:2018:2285.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.240.691/01

zaaknummer rechtbank Noord-Holland : 5149596\CV EXPL 16-4767

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 27 oktober 2020

inzake

GEMEENTE MEDEMBLIK,

zetelend te Wognum, gemeente Medemblik,

appellante,

tevens incidenteel geïntimeerde,

advocaat: mr. R. Hoeneveld te Haarlem,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonend te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,

geïntimeerde,

tevens incidenteel appellante,

advocaat: mr. D.D. Senders te Leusden.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna de Gemeente en [geïntimeerde] genoemd.

De Gemeente is bij dagvaarding van 16 april 2018 in hoger beroep gekomen van vonnissen van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar (hierna: de kantonrechter), van 24 augustus 2016 (hierna: het eerste tussenvonnis), 21 december 2016 (hierna: het tweede tussenvonnis), 22 maart 2017 (hierna: het derde tussenvonnis) en 17 januari 2018 (hierna: het eindvonnis), onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [geïntimeerde] als eiser en de Gemeente als gedaagde.

Bij arrest van 3 juli 2018 heeft het hof een comparitie van partijen gelast. Ten behoeve van die comparitie heeft de Gemeente een productie ingediend (productie H1), die deel uitmaakt van de processtukken. Uiteindelijk hebben partijen afgezien van de comparitie.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven;

- memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep, met producties;

- memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep.

Partijen hebben de zaak ter zitting van 27 februari 2020 doen bepleiten, de Gemeente door mr. Hoeneveld voornoemd, en [geïntimeerde] door mr. Senders voornoemd, ieder aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. Ten slotte is arrest gevraagd.

De Gemeente heeft in principaal hoger beroep geconcludeerd dat het hof de bestreden vonnissen zal vernietigen en - uitvoerbaar bij voorraad - alsnog de vorderingen van [geïntimeerde] zal afwijzen, [geïntimeerde] zal veroordelen tot terugbetaling van hetgeen de Gemeente uit hoofde van het eindvonnis heeft voldaan, te vermeerderen met rente, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties. In incidenteel hoger beroep heeft de Gemeente geconcludeerd tot afwijzing van de vordering van [geïntimeerde] , met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding in incidenteel hoger beroep, met rente.

[geïntimeerde] heeft in principaal hoger beroep geconcludeerd tot bekrachtiging van de bestreden vonnissen en in incidenteel hoger beroep geconcludeerd dat het hof het bestreden eindvonnis zal vernietigen voor zover daarbij een deel van zijn vordering is afgewezen en alsnog zijn gehele vordering zal toewijzen, met veroordeling van de Gemeente in de kosten van het geding in principaal en incidenteel hoger beroep, met de nakosten.

Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.

2 Feiten

De rechtbank heeft in het tweede tussenvonnis onder 2.1 tot en met 2.5 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt, waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan.

3 Beoordeling

3.1

Het gaat in deze zaak om het volgende.

a. [geïntimeerde] woont aan de [adres] , gemeente [gemeente] . De Gemeente is eigenares en wegbeheerder van de [naam straat] . In de periode 2000-2002 is in opdracht van de Gemeente ter hoogte van de woning van [geïntimeerde] een verkeersplateau aangelegd. In 2002 is de maximale snelheid van 50 km per uur ter plaatse van het verkeersplateau verlaagd naar 30 km/uur. In 2005 is de op-/afrit van het verkeersplateau verlengd van 2,5 meter tot 4,5 meter.

b. De woning van [geïntimeerde] is gebouwd in 1910. De woning is niet onderheid, gefundeerd op staal en is opgetrokken uit metselwerk, waarbij geen betonskelet aanwezig is. Eind jaren 70 van de vorige eeuw heeft [geïntimeerde] op de begane grond een zogenaamde vrij opgelegde, betonnen vloer aangebracht. De verdiepingsvloeren zijn van hout.

c. Bij brief van 15 september 2004 heeft PWN Waterleidingbedrijf Noord-Holland [geïntimeerde] bericht dat zijn waterverbruik hoger was dan normaal. De oorzaak hiervan bleek te zijn gelegen in een lek in de waterleiding onder de begane grondvloer. Vervolgens is op verzoek van [geïntimeerde] en in aanwezigheid van een medewerker van de Gemeente een onderzoek in en bij de woning verricht door het Zuid-Nederlands Expertisebureau BV (hierna: ZNEB). In haar expertiserapport van 20 januari 2005 heeft ZNEB geschreven:

Partij I [ [geïntimeerde] , hof] toonde ons de plaats in de betonvloer waaronder de waterleiding heeft gelekt, alsmede diverse scheuren en klemmende deuren. (…) Na ter plaatse de situatie in ogenschouw te hebben genomen en rekening houdend met de plaatselijke omstandigheden, zijn wij tot de conclusie gekomen dat het alleszins aannemelijk is dat de ontstane schade, behoudens de scheurvorming in de voorgevel, een gevolg is van de sinds 2000 aanwezige verkeersdrempel in het wegdek van de [naam straat] .

d. Bij brief van 25 januari 2005 heeft de (toenmalige) gemachtigde van [geïntimeerde] de Gemeente, onder verwijzing naar het rapport van ZNEB aansprakelijk gesteld voor schade die hij stelt te hebben geleden ten gevolge van het verkeersplateau. Het betreft schade aan zijn woning (“scheurvorming aan de woning, klemmende binnendeuren alsmede een lekkage aan een waterleiding”) ten gevolge van trillingen die zouden zijn veroorzaakt door verkeer dat over het plateau rijdt.

e. Bij brief van 24 februari 2005 heeft JJP Expertise BV (hierna: JJP Expertise), die in opdracht van de Gemeente onderzoek heeft gedaan, aan [geïntimeerde] geschreven:

Het rapport van het ZNEB waar u zich op beroept vermag ons niet te overtuigen. (…) Waar we het wel mee eens kunnen zijn is de conclusie dat de scheurvorming in de voorgevel een geheel andere oorzaak heeft. (…)

Uit ons onderzoek is gebleken, dat er geen causaal verband bestaat tussen de door het verkeer opgewekte trillingen en de scheurvorming in de woning.

f. Na een gesprek tussen de experts van ZNEB en JJP Expertise heeft JJP Expertise bij brief van 17 maart 2005 aan ZNEB geschreven:

(…) Wij vernamen dat u de scheurvorming in de binnenmuren en het klemmen van de binnendeuren wijt aan het verzakken van de vrijdragende betonvloer. (…) Hoewel wij van mening zijn dat een goed aangelegde waterleiding niet als gevolg van trillingen kan springen (en er onzes inziens sprake is van een eigen gebrek) delen wij uw mening dat de betonvloer verzakt is. (…) M.a.w. in die relatief korte verbruiksperiode zou door het springen van de leiding het zandbed onder de betonvloer deels zijn uitgespoeld wat tot de verzakking en vervolgens de scheurvorming zou hebben geleid. De scheurvorming zou relatief vers zijn, waardoor het duidelijk is dat de verkeerstrillingen geen rechtstreeks effect op de schade hebben gehad. Immers, de eerste drie/vier jaar is er geen zichtbare schade opgetreden anders had de heer [geïntimeerde] wel eerder gereclameerd veronderstellen wij.

(…)

Op uw vraag of wij het zinvol achten om een trillingsberekening m.b.v. apparatuur uit te (laten) voeren moeten wij ontkennend antwoorden.

g. In reactie hierop heeft ZNEB het expertiserapport aangepast, bij rapport van 22 maart 2005. Hierin is vermeld:

Na ter plaatse de situatie in ogenschouw te hebben genomen lijkt ons aannemelijk dat, gelet op het feit dat de vloer niet is onderheid, deze als gevolg van de uitgestroomde excessieve hoeveelheid water is verzakt en de binnendeuren zijn gaan klemmen.

h. Bij brief van 23 juni 2006 heeft [A] van Janze Expertisebureau (hierna: [A] ) namens [geïntimeerde] aan de verzekeraar van de Gemeente (Centraal Beheer Achmea) geschreven:

(…) Met verwijzing naar (…) het antwoord van de heer [B] van TNO (…) is aangetoond dat de afwijzing van de aansprakelijkheid door Centraal Beheer Achmea niet op juiste feiten is gebaseerd.

(…)

Wij achten het zinvoller om met u overeenstemming te bereiken over de te verrichten testmethode met als doel vast te stellen of er sprake is van aansprakelijkheid.

i. Bij brief van 14 januari 2008 heeft [A] namens onder anderen [geïntimeerde] aan de Gemeente geschreven:

De gedupeerden, [geïntimeerde] (…) ondervinden hinder en/of gebouwenschade, veroorzaakt door het slechte wegdek van de [naam straat] al dan niet in combinatie met de aanwezige verkeersdrempels. In het verleden heeft de aansprakelijkheidsverzekering van de Gemeente Wognum een “trillingsonderzoek” laten verrichten. Dit “trillingsonderzoek” is uitgevoerd door JJP Expertise. Op grond van de resultaten van genoemd onderzoek (…) heeft de aansprakelijkheidsverzekering van de Gemeente Wognum, namens de Gemeente een schadeclaim van de heer [geïntimeerde] wonende [adres] (…) afgewezen. Deze afwijzing was voor de heer [geïntimeerde] aanleiding ons advies te vragen. Na ampele bestudering van de resultaten van het (…) “trillingsonderzoek” concludeerden wij dat de onderzoeksmethode “VP-drempel” niet geschikt is voor een onderzoek als onderhavig en daarbij, dat verkeerde gegevens waren ingevoerd. Het mag duidelijk zijn dat daarom de conclusie, gebaseerd op het door JJP Expertise verrichte “trillingsonderzoek” geen enkele waarde heeft. (…) Om zekerheid te verkrijgen (…) en er geen gebouwenschade meer optreedt is een trillingsonderzoek als omschreven in bijlage 4 van dit schrijven gewenst. (…)

j. Bij brief van 8 juli 2008 heeft de Gemeente aan [A] geantwoord:

Op 14 januari 2008 schreef u ons een brief namens een aantal van uw cliënten, die aan de [naam straat] in [plaats] (gemeente [gemeente] ) wonen. In deze brief geeft u aan, dat uw cliënten schade lijden als gevolg van het slechte wegdek van de [naam straat] , al dan niet in combinatie met de ter plaatse aanwezige verkeersdrempels.

(…)

De reactie op uw verzoek

In het aansprakelijkheidsrecht geldt het uitgangspunt “wie stelt, die bewijst”. Gelet hierop zijn wij niet bereid het onderzoek op kosten van de gemeente te laten uitvoeren.

k. In 2009 heeft [geïntimeerde] aan HEKtec B.V. (hiern: HEKtec) opdracht gegeven om trillingsmetingen te verrichten conform de door de Stichting Bouwresearch uitgegeven “Meet- en beoordelingsrichtlijn voor Trillingen, deel A, Schade aan gebouwen”, versie september 2006 (hierna: de SBR-richtlijn A). Van 9 tot en met 30 oktober 2009 heeft HEKtec dagelijks trillingsmetingen verricht ter plaatse van de woning, die door HEKtec is ingedeeld in gebouwcategorie 3. Bij het toezenden van de meetresultaten per e-mail van 12 november 2009 aan [geïntimeerde] heeft HEKtec geconcludeerd:

Gedurende de trillingsmeting wordt een trillingsniveau tot ca. 2,00 mm/s geregistreerd bij een frequentie van 10 Hz tijdens het passeren van (zwaar)-verkeer. (…) Er kan worden gesteld dat er, op basis van bestaande praktijkervaring en de SBR-A, een verhoogde kans op schade ontstaat aan de woning tijdens het passeren van (zwaar-)verkeer.

l. Op 15 februari 2010 heeft [A] in opdracht van [geïntimeerde] een deskundigenrapport uitgebracht. Hierin heeft hij geconcludeerd:

14.1

Vanuit de overgelegde stukken en mijn bevindingen ter plaatse;

14.2

De door HEKtec B.V. vastgestelde overschrijdingen van de SBR-normen voor gebouwenschade en trillingshinder;

14.3

De in eerste instantie te hoog aangelegde verkeersdrempel;

14.10

Zoals genoemd staat vast dat de SBR normen met betrekking tot Bouwkundige schade en trillingshinder zijn overschreden (…)

14.11

Dat er een relatie is tussen de gebouwen schade en de verkeerstrillingen is mede aannemelijk doordat een gesoldeerde verbinding van een koperen waterleiding die al tientallen jaren in de betonvloer lag, is gaan lekken nadat de verkeersdrempel was aangelegd;

14.12

De scheurvorming in de voorgevel zich pas heeft gemanifesteerd nadat de verkeersdrempel is aangelegd;

Kan ik niet anders concluderen dan:

Dat de algemeen aanvaardbare normen voor trillingshinder en gebouwenschade is overschreden;

De trillingshinder en de gebouwenschade een rechtstreeks gevolg is van verkeerstrillingen.

m. In een reactie van 15 november 2010 heeft [C] van [D] & [C] B.V. registerexperts (hierna: [C] ), welk adviesbureau door de verzekeraar van de Gemeente is ingeschakeld, aan [A] geschreven dat hij tot de conclusie komt dat een causaal verband tussen de getoonde schade en verkeerstrillingen niet is vast komen te staan.

n. Bij brief van 20 februari 2012 heeft [A] aan de verzekeraar van de Gemeente onder meer geschreven:

(…) Reactie op het schrijven van [D] & [C] d.d. 15 november 2010

(…)

De kwestie rondom de trillingsschade en trillingshinder loopt nu al vele jaren. (…) De heer [geïntimeerde] is van mening dat genoeg bewijs is overgelegd waaruit blijkt dat er een direct causaal verband bestaat met de aanleg van de verkeersdrempel, de schade en de hinder. (…) Naast vergoeding van de opnieuw te calculeren herstelkosten eist de heer [geïntimeerde] de toezegging dat, om verder uitbreiding van de schade te voorkomen, binnen 6 maanden adequate maatregelen getroffen worden die ervoor zorg dragen dat de normen voor trillingsschade en trillingshinder niet meer overschreden worden.

o. Bij brief van 29 maart 2012 heeft [C] aan [A] geschreven:

Onze opdrachtgever, Centraal Beheer Achmea, verzocht ons te reageren op de brief die u op 20 februari 2012 richtte aan dhr. [E] . (…)

Uw relaas overziend stelt u dat voor zetting niet veel energie nodig is en dat de op het pand van uw cliënt inwerkende trillingen leiden tot “zware constructieve schade”.

(…)

Resumerend stellen wij vast dat een toerekenbare onrechtmatigheid voor wat betreft de weginrichting aan de zijde van de gemeente ontbreekt.

3.2

Op 7 januari 2014 heeft [geïntimeerde] een verzoek bij de kantonrechter ingediend voor een voorlopig deskundigenbericht. Bij beschikking van 15 april 2014 heeft de kantonrechter een voorlopig deskundigenbericht bevolen en ir. [F] , als senior adviseur geotechniek verbonden aan Fugro Geoservices B.V. te Leidschendam, benoemd als deskundige (verder te noemen: de deskundige). Voor zover relevant zijn daarbij de volgende vragen voorgelegd aan de deskundige:

(…)
II. Welke norm dient gehanteerd te worden als redelijke en gebruikelijke norm voor het vaststellen van gebouwenschade?

(…)

IV. Wordt door de huidige verkeersdrempel in combinatie met het gebruikelijke verkeer de gebruikelijke norm voor gebouwenschade overschreden?

(…)

VI. Met verwijzing naar productie 1 – dus uitgaande van de oorspronkelijke door de toenmalige gemeente Wognum aangebrachte verkeersdrempel, dus zonder de 2 verlagingen – werd de norm voor gebouwenschade destijds overschreden?

3.3

Op 19 juni 2014 heeft de deskundige trillingsmetingen uitgevoerd bij de woning. Aan de hand hiervan heeft de deskundige zijn deskundigenbericht uitgebracht op 15 augustus 2014 (hierna: het eerste deskundigenbericht). In dit rapport is de SBR-richtlijn A als toetsingskader gehanteerd. In antwoord op vraag IV van de kantonrechter heeft de deskundige onder meer geschreven:

Volgend uit de meetresultaten van de meetpunten “aan de draagconstructie”(MP 2 en MP 3) is geconcludeerd dat de intensiteiten de grenswaarden voor een categorie 3 gebouw worden overschreden. Geconcludeerd is / wordt dat schade door passerend verkeer aannemelijk is.

Voorafgaand aan dit rapport had de deskundige een concept-rapport opgesteld, waarop [C] namens de Gemeente heeft gereageerd met een memo van 13 augustus 2014.

3.4

In het tweede tussenvonnis (van 21 december 2016) heeft de kantonrechter overwogen dat hij nadere voorlichting door de deskundige noodzakelijk acht en partijen in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten over de door hem voorgestelde en aan de deskundige voor te leggen vragen.

3.5

In het derde tussenvonnis (van 22 maart 2017) heeft de kantonrechter de deskundige verzocht de volgende vraagpunten te beantwoorden:

a. a) waren voor aanleg van het plateau de SBR grenswaarden voor gebouwenschade (SBR A) overschreden?

b) indien de scheurvorming aan de woning van [geïntimeerde] wordt hersteld treedt dan nieuwe scheurvorming of andere schade op ten gevolge van trillingen veroorzaakt door het verkeer dat rijdt over het verkeersplateau?

c) zo ja, hoe kan dit worden voorkomen?

d) kan een trillingsscherm een oplossing bieden om na herstel nieuwe scheurvorming of andere schade te voorkomen?

e) geeft het onderzoek de deskundige zelf nog aanleiding tot het doen van op- en aanmerkingen?

f) moet, zoals de gemeente in de akte van 25 januari 2017 heeft gesteld, de conclusie zijn dat als het gaat om zettingsschade er geen oorzakelijk verband bestaat tussen de scheuren en het verkeersplateau?

3.6

In een rapport van 31 juli 2017 (hierna: het tweede deskundigenbericht) heeft de deskundige deze vragen (in het bericht aangeduid als de vragen 7 tot en met 12) beantwoord. In aanvulling daarop heeft de deskundige bij de beantwoording van vraag 4 respectievelijk vraag 7 (in 3.5 aangeduid als a) respectievelijk vraag 11 (in 3.5 aangeduid als e) toegevoegd:

Vraag 4

De meetwaarden van de in oktober 2009 uitgevoerde meting overschrijden de grenswaarde ruimschoots. Met de meting uit juni 2014 is wel de onderlinge correlatie [hof: tussen de meetwaarden en de oorzaak van de trilling] bepaald en is eveneens aangetoond dat de grenswaarde aan de draagconstructie wordt overschreden bij passerend verkeer. Risico op schade is daarmee aannemelijk. (…)

Vraag 7

Het is niet aannemelijk dat de grenswaarden voor gebouwschade werden overschreden in een situatie voorafgaand aan de aanleg van de verkeersdrempel / plateau. (…)

Vraag 11

(…) Aangetoond is dat er een causaal verband bestaat tussen opgetreden schade en optredende trillingsintensiteiten.

Voorafgaand aan het tweede deskundigenbericht had de deskundige een concept-rapport opgesteld, waarop [C] namens de Gemeente heeft gereageerd bij memo van 28 juli 2017.

3.7

Naar aanleiding van het tweede deskundigenbericht en, kennelijk, het daaropvolgende voor de Gemeente ongunstige eindvonnis van 17 januari 2018 heeft de Gemeente advies ingewonnen bij IFCO Funderingsexpertise BV (IFCO). Op 15 februari 2018 heeft IFCO een brief-rapport uitgebracht met daarin een reactie op het tweede deskundigenbericht.

3.8

In eerste aanleg heeft [geïntimeerde] gevorderd, samengevat, veroordeling van de Gemeente tot betaling van € 25.000,00, te vermeerderen met rente, alsmede tot verwijdering van de verkeersdrempel met bevel dat deze verkeersdrempel verwijderd zal blijven. Aan deze vordering heeft [geïntimeerde] ten grondslag gelegd dat de Gemeente op de voet van artikel 6:162 BW, gelezen in samenhang met artikel 6:174 BW, aansprakelijk is voor de schade die aan zijn woning is danwel wordt veroorzaakt door de trillingen die worden teweeggebracht door de verkeersdrempel. Hiertoe stelt hij onder meer dat de streefwaarden voor trillingen uit de SBR-richtlijn A worden overschreden, dat de geleden schade € 24.494,00 bedraagt en dat hij € 4.286,24 aan kosten ter vaststelling van de schade heeft gemaakt. Om discussies over de schadebegroting te voorkomen heeft [geïntimeerde] zijn vordering beperkt tot een bedrag van in totaal € 25.000,00.

3.9

Bij het tweede tussenvonnis heeft de kantonrechter beslist op het beroep op verjaring dat de Gemeente primair heeft gedaan. De kantonrechter heeft geoordeeld dat de vordering van [geïntimeerde] tot schadevergoeding niet is verjaard, omdat de verjaring tijdig is gestuit door, onder meer, de brief van de gemachtigde van [geïntimeerde] ( [A] ) van 20 februari 2012.

3.10

Bij het bestreden eindvonnis heeft de kantonrechter de Gemeente veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerde] van € 12.000,00 te vermeerderen met rente, alsmede tot verwijdering van de verkeersdrempel en het verwijderd houden daarvan, met veroordeling van de Gemeente in de proceskosten. Hiertoe heeft de kantonrechter onder meer overwogen (in rov. 2.4 en 2.6) dat het tweede deskundigenbericht op een inzichtelijke en controleerbare wijze is ingericht, de bevindingen op een deugdelijke motivering steunen en van evidente onjuistheid niet is gebleken. Met de bevindingen van [C] heeft de Gemeente de juistheid van de zienswijze van de deskundige onvoldoende gemotiveerd weersproken (rov. 2.7). De kantonrechter heeft zich daarom verenigd met de bevindingen van de deskundige en heeft zich aangesloten bij diens conclusie dat het aannemelijk is dat de scheuren in de gevel van de woning van [geïntimeerde] veroorzaakt worden door vrachtverkeer en tractoren die over het verkeersplateau rijden (rov. 2.10). De kantonrechter heeft geconcludeerd dat hiermee het causale verband tussen de aanwezigheid van de verkeersdrempel en de schade vast is komen te staan. Verder heeft de kantonrechter geoordeeld dat het verkeersplateau als gebrekkig moet worden aangemerkt aangezien de normen uit de SBR-richtlijn A zijn overschreden en schade is ontstaan (rov. 2.15).

In het kader van de begroting van de schade heeft de kantonrechter overwogen dat [geïntimeerde] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de scheuren in de gevel van zijn woning zijn terug te voeren op de aanwezigheid van het verkeersplateau. Het verweer van de Gemeente dat het causaal verband ontbreekt is daarom niet gehonoreerd (rov. 2.20). De kantonrechter heeft de noodzakelijke herstelkosten begroot op € 12.000,00. De post ‘herstel spanplafond’ heeft de kantonrechter afgewezen omdat [geïntimeerde] niet heeft onderbouwd waarom dat herstel noodzakelijk is (rov. 2.20). Wat betreft de proceskosten heeft de kantonrechter overwogen dat de kosten van zowel het eerste als het tweede deskundigenbericht daaronder vallen (rov. 2.25).

Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt de Gemeente in principaal hoger beroep op met acht grieven (waaronder twee maal een grief genummerd 4). [geïntimeerde] komt in incidenteel hoger beroep op met één grief die gericht is tegen de begroting van de schade in het eindvonnis.

3.11

Tegen het eerste en het derde tussenvonnis zijn geen grieven gericht. Voor zover het hoger beroep tegen deze tussenvonnissen is ingesteld zal de Gemeente daarom daarin niet ontvankelijk worden verklaard.

Verjaring

3.12

Met haar eerste grief voert de Gemeente aan dat de vordering van [geïntimeerde] , anders dan de kantonrechter heeft geoordeeld, wel is verjaard, namelijk door verloop van vijf jaar na 26 januari 2005.

3.13

Met de kantonrechter is het hof van oordeel dat de vordering tot schadevergoeding niet is verjaard. De in dit geval toepasselijke verjaringstermijn bedraagt, op grond van artikel 3:310 lid 1 BW, vijf jaar. Zoals de kantonrechter terecht heeft overwogen ligt het startpunt van de verjaring in januari 2005, omdat [geïntimeerde] toen bekend is geworden met het in zijn opdracht uitgebrachte rapport van ZNEB (zie 3.1 c). Door de Gemeente is ook niet betwist dat de brief van [geïntimeerde] van 25 januari 2005 (zie 3.1 d) als een eerste stuitingsbrief moet worden aangemerkt. Zoals [geïntimeerde] heeft aangevoerd heeft hij bij brief van 23 juni 2006 (zie 3.1 h) de verjaring opnieuw gestuit. Uit deze brief blijkt immers duidelijk dat [geïntimeerde] zich niet kan verenigen met de afwijzing van de aansprakelijkheid door (de verzekeraar van) de Gemeente. Bovendien verzoekt [geïntimeerde] daarin nadrukkelijk om overeenstemming te bereiken over de te verrichten testmethode ‘met als doel vast te stellen of er sprake is van aansprakelijkheid’.

3.14

Vervolgens blijkt uit de brief van 14 januari 2008 (zie 3.1 i) ondubbelzinnig dat [geïntimeerde] zich niet neerlegt bij de afwijzing door de Gemeente van de aansprakelijkheidsstelling en nog steeds van mening is dat de schade aan zijn woning te wijten is aan het verkeersplateau. In de brief wordt voorgesteld om een (ander) trillingsonderzoek te laten verrichten. Hieruit heeft de Gemeente, naar het oordeel van het hof, niet anders kunnen opmaken dan dat [geïntimeerde] , in afwachting van het door hem voorgestelde trillingsonderzoek, zijn recht heeft voorbehouden om schadevergoeding te vorderen. Dat de Gemeente de brief van 14 januari 2008 ook in die zin heeft opgevat blijkt bovendien duidelijk uit de bewoordingen van de brief van de Gemeente van 8 juli 2008 (zie 3.1 j), die erop neer komen dat de Gemeente aansprakelijkheid afwijst omdat het aan [geïntimeerde] is om te bewijzen dat hij schade lijdt als gevolg van het verkeersplateau. Door de brief van [geïntimeerde] van 14 januari 2008 is de verjaring dus gestuit tot en met 14 januari 2013.

3.15

Tot slot is de brief van 20 februari 2012 (zie 3.1 n) aan te merken als een stuitingshandeling, omdat [geïntimeerde] daarin opnieuw schadevergoeding eist voor de als gevolg van het verkeersplateau geleden schade. Ten overvloede zij opgemerkt dat uit de reactie van [C] , namens de verzekeraar van de Gemeente, van 29 maart 2020 (zie 3.1 o) duidelijk blijkt dat hij de brief van 20 februari 2012 ook als een aansprakelijkstelling heeft opgevat. Met die brief is de verjaring dus gestuit tot en met 20 februari 2017. Nu de inleidende dagvaarding op 30 mei 2016 is betekend aan de Gemeente, kan niet worden geconcludeerd dat de vordering tot schadevergoeding is verjaard. Grief 1 faalt daarom.

Deskundigenberichten

3.16

De tweede tot en met de dubbele vierde grief van de Gemeente lenen zich voor een gezamenlijke bespreking. Deze grieven komen erop neer dat de deskundigenberichten ondeugdelijk zijn en dat de kantonrechter op grond daarvan niet heeft kunnen aannemen dat het verkeersplateau gebrekkig is en scheuren in de gevel van de woning van [geïntimeerde] heeft veroorzaakt. De verschillende argumenten die de Gemeente hiervoor aanvoert, worden hierna besproken.

3.17

Tussen partijen is niet in geschil dat de SBR-richtlijn A en de daarin opgenomen waarden in dit geval een geschikt toetsingskader bieden en bruikbaar zijn als hulpmiddel bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van trillingshinder die schade aan de woning van [geïntimeerde] kan veroorzaken. Deze richtlijn behandelt, zo blijkt uit de inleiding daarvan, (i) de wijze waarop trillingsmetingen aan bouwwerken kunnen worden uitgevoerd en (ii) de wijze waarop de resultaten van die metingen kunnen worden beoordeeld ‘ten einde een oordeel te geven over de toelaatbaarheid van de trillingen in verband met mogelijke schade aan een bouwwerk’. Daartoe bevat de richtlijn ‘grenswaarden waarvan in de praktijk is gebleken dat zij niet tot schade zullen leiden.’ Volgens paragraaf 10.1 en 10.3.1 gaat het om grenswaarden waaronder de kans op schade aan bouwwerken en funderingen ‘aanvaardbaar klein’ (< 1%) wordt geacht. Hieruit valt af te leiden dat de in de SBR-richtlijn A neergelegde normen beogen een specifiek gevaar van schade aan bouwwerken te voorkomen.

3.18

Zoals hiervoor uiteengezet in 3.2-3.6 is een onafhankelijke deskundige benoemd en aan deze deskundige, tot twee keer toe, de nodige vragen voorgelegd aangaande de trillingen en scheurvorming bij de woning van [geïntimeerde] . Aan de hand van de SBR-richtlijn A heeft de deskundige op 19 juni 2014 een trillingsonderzoek uitgevoerd en twee deskundigenberichten uitgebracht. Zowel in het eerste deskundigenbericht (zie 3.3) als in het tweede deskundigenbericht (zie 3.6) heeft de deskundige geconcludeerd dat de gemeten trillingen de grenswaarden voor een categorie 3 gebouw ter plaatse van de woning van [geïntimeerde] overschrijden. Volgens de deskundige is het niet aannemelijk dat deze grenswaarden werden overschreden in een situatie voorafgaand aan de aanleg van het verkeersplateau. Ook heeft de deskundige geconcludeerd dat er een causaal verband bestaat tussen deze trillingen en de schade aan de woning van [geïntimeerde] .

- Deugdelijkheid (representativiteit) van de metingen

3.19

De Gemeente voert met haar tweede grief aan dat beide deskundigenberichten wegens ondeugdelijke motivering niet voldoen aan de eisen die de SBR-richtlijn A daaraan stelt. Zij baseert dit betoog op de adviezen van JJP Expertise van 24 februari 2005 en 17 maart 2005, van ZNEB van 22 maart 2005, van [C] van 15 november 2010, 29 maart 2012, 13 augustus 2014 en 28 juli 2017 en van IFCO van 15 februari 2018. Als eerste bezwaar brengt zij naar voren dat in de deskundigenberichten niet is opgenomen hoe zwaar de bij de trillingsmetingen gebruikte voertuigen waren en hoe snel deze hebben gereden bij de uitvoering van de meting op 19 juni 2014. Hierdoor is niet aangetoond dat de metingen representatief zijn en dat bij normaal passerend verkeer de grenswaarden uit SBR-richtlijn A worden overschreden. Het is zeer goed mogelijk dat de snelheids- en gewichtslimieten door de passerende voertuigen zijn overschreden, aldus de Gemeente.

3.20

De SBR-richtlijn A schrijft in paragraaf 8.1 voor dat er gemeten moet worden onder omstandigheden die aantoonbaar representatief zijn voor de trillingsbelasting waaraan een bouwwerk wordt onderworpen. In paragraaf 8.6.2. schrijft de richtlijn voor dat, om te voorkomen dat bronnen worden gemist, men zich ervan moet vergewissen dat alle denkbare gebeurtenissen in voldoende mate binnen de meetduur vallen en dat de gekozen meetduur representatief moet zijn voor de normale omstandigheden. Om de representativiteit van de meetduur aan te tonen kunnen verkeerstellingen worden uitgevoerd waarbij onderscheid dient te worden gemaakt naar het soort verkeer, voor zover dit invloed zou kunnen hebben op de trillingssterkte. Te denken valt hierbij aan de snelheid en het gewicht van de passerende voertuigen, aldus de SBR-richtlijn A.

3.21

Uit het eerste deskundigenbericht (blz. 19, 20 en 28) valt op te maken dat de metingen zijn uitgevoerd bij passages van bestelbusjes, personenauto’s, vrachtwagens en lijnbussen en dat maatgevende trillingsintensiteiten zijn verkregen bij het passeren van tractoren en vrachtwagens. De deskundige heeft in dit verband opgemerkt dat onder ‘maatgevende trillingsintensiteit’ is te verstaan de trillingsintensiteit met de hoogste bijdrage in vergelijking met verschillende gepasseerde verkeersvoertuigen. In totaal zijn op 19 juni 2014 in de tijdsperiode van circa 08:40 uur tot circa 13:00 uur van 38 passerende tractoren en vrachtwagens meetresultaten verkregen. De rijsnelheden zijn daarbij niet gemeten maar geschat: in veel gevallen was de rijsnelheid hoger dan 30 km/uur, in enkele gevallen lager dan 30 km/uur. Naar het oordeel van het hof heeft de Gemeente, in het licht van deze tijdsduur en aantallen voertuigen, onvoldoende gesteld om aan te nemen dat deze metingen niet representatief zijn voor de normale omstandigheden waarin de woning van [geïntimeerde] is onderworpen aan trillingsbelasting. Het enkele feit dat de rijsnelheden en gewichten van de gedurende meer dan vier uur passerende voertuigen niet individueel zijn gemeten maakt niet dat dit passerende verkeer niet als normaal kan worden opgevat. Uit het eerste deskundigenbericht valt weliswaar op te maken dat de metingen zich hebben geconcentreerd op passerende tractoren en vrachtwagens, maar de Gemeente heeft niet betwist dat vrachtwagens en tractoren, al dan niet zwaar beladen, deel uitmaken van het verkeer dat normaal gesproken het verkeersplateau passeert. Daargelaten dat de SBR-richtlijn A het houden van verkeerstellingen enkel als mogelijkheid noemt (en niet als verplichting) valt er ook nog op te wijzen dat het voorschrift van de richtlijn om (bij de uitvoering van zulke verkeerstellingen) voertuigen qua snelheid en gewicht te meten, blijkens de tekst van de richtlijn, juist bedoeld is om te voorkomen dat er bronnen worden gemist en dus niet om wel aanwezige, normale bronnen uit te sluiten. Op het punt van de representativiteit van de metingen kan dus niet worden geconcludeerd dat de deskundigenberichten niet deugen.

- Toepassing van de grenswaarden (categorie-indeling van de woning)

3.22

Als tweede bezwaar tegen de deskundigenberichten voert de Gemeente aan dat de woning ten onrechte is ingedeeld in categorie 3. Volgens de Gemeente had dit categorie 2 moeten zijn omdat de woning geen monumentale status heeft en geen grote cultuurhistorische waarde.

3.23

De SBR-richtlijn A noemt in paragraaf 10.2 als relevante aspecten voor de toepassing van de verschillende grenswaarden (a) het bouwwerk (inclusief funderingselementen) en (b) de fundering, dat wil zeggen de grond rondom de funderingselementen. In paragraaf 10.2.1 is een indeling van categorieën van bouwwerken en van onderdelen daarvan opgenomen. Onder categorie 3 zijn ingedeeld:

  • -

    onderdelen van oude en monumentale gebouwen met grote cultuurhistorische waarde;

  • -

    in slechte staat verkerende gebouwen uit metselwerk of in slechte staat verkerende onderdelen van gebouwen.

Het bouwwerk kan in een slechte bouwkundige staat verkeren. Er is sprake van een slechte bouwkundige staat als:

  • -

    de sterkte van de draagconstructie in belangrijke mate is verminderd door reeds aanwezige schade;

  • -

    de onderlinge samenhang van onderdelen of de sterkte van verbindingen tussen onderdelen zodanig is, dat deze door trillingen kan bezwijken of in belangrijke mate kan verzwakken.

Omstandigheden die duiden op een slechte bouwkundige staat zijn bijvoorbeeld: reeds aanwezige scheurvorming, kieren, sterke vervormingen, verzakkingen en scheefstand van een gebouw.

In paragraaf 10.2.2. is een onderscheid gemaakt tussen trillingsgevoelige funderingen (zoals funderingen op staal op verdichtbaar bodemmateriaal) en niet-trillingsgevoelige funderingen (zoals staalfundering met een zeer vast zandpakket).

3.24

De deskundige heeft de woning in categorie 3 ingedeeld vanwege, zo volgt uit blz. 15 van het eerste deskundigenbericht, de ouderdom van de woning (gebouwd in 1910) en de cultuurtechnische waarde en vanwege de trillingsgevoeligheid van de fundering (fundering op staal). Namens de Gemeente heeft [C] in zijn reactie van 13 augustus 2014 (op het concept eerste deskundigenbericht) en in zijn reactie van 28 juli 2017 (op het concept tweede deskundigenbericht) als bezwaar aangevoerd dat de indeling in categorie 3 onvoldoende gemotiveerd is. In antwoord daarop heeft de deskundige toegelicht (in bijlage 6.2, blad 2, bij het eerste deskundigenbericht respectievelijk bijlage 8.2, blad 2, bij het tweede deskundigenbericht), allereerst, dat de woning een beeldbepalend zicht in het dorp heeft. In de tweede plaats heeft hij toegelicht dat de in de SBR-richtlijn A opgenomen beschrijving van de karakteristieken van een object om tot een bepaalde categorie indeling te komen te beperkt is, dat dat in de Nederlandse praktijk is erkend en dat de richtlijn op dit punt wordt herzien. Daarom wordt er niet alleen gekeken naar de draagconstructie maar ook naar de trillingsgevoeligheid van de fundering. Naar het oordeel van het hof heeft de Gemeente, gelet op deze toelichtingen door de deskundige, onvoldoende weerlegd dat de woning in categorie 3 kan worden ingedeeld. Het argument van de Gemeente dat de cultuurtechnische waarde van de woning door de deskundige niet als ‘groot’ is gekwalificeerd is, in het licht van deze nadere toelichtingen van de deskundige, niet toereikend. Het hof gaat dan ook uit van de juistheid van de deskundigenberichten op het punt van de categorie-indeling van de woning.

- Het causaal verband tussen de trillingen en de schade aan de woning

3.25

De Gemeente heeft - ter onderbouwing van haar standpunt dat de deskundigenberichten niet juist dan wel niet volledig zijn - niet alleen bezwaren aangevoerd tegen de daarin genoemde metingen (de representativiteit van de vervoersbewegingen) en meetresultaten (de categorisering van de woning), maar ook bezwaren aangevoerd tegen de conclusie van de deskundige dat er een causaal verband bestaat tussen de trillingen en de schade aan de woning van [geïntimeerde] (tweede, derde en de dubbele vierde grief). Ook in dit verband beroept de Gemeente zich op de door haar ingebrachte adviezen van JJP Expertise, ZNEB, [C] en IFCO. De kantonrechter heeft evenwel de deskundige gevolgd in zijn conclusie (bij de beantwoording van vraag 11 op blz. 35 van het deskundigenbericht, zie 3.6) dat er een causaal verband bestaat tussen de opgetreden schade en de optredende trillings-intensiteiten.

3.26

De Gemeente stelt zich op het standpunt dat de scheurvorming in de woning van [geïntimeerde] niet is veroorzaakt door de trillingen die het verkeersplateau teweeg heeft gebracht. Zij betoogt dat uit de (acht) adviezen van JJP Expertise, ZNEB, [C] en IFCO moet worden afgeleid dat de scheuren, gelet op de aard daarvan, zijn ontstaan door problemen met de fundering of (ongelijke) zettingen. Daarnaast zijn er volgens de Gemeente nog andere mogelijke schadeoorzaken zoals het springen van de waterleiding in 2004 en het uitzetten van houten kozijnen na aanpassing van de gevel door [geïntimeerde] in 1959. De enkele constatering door de deskundige dat de grenswaarden van de SBR-richtlijn A zijn overschreden volstaat dus niet om een causaal verband aan te tonen met de door [geïntimeerde] gestelde schade, zo betoogt zij, onder verwijzing naar de tekst van de richtlijn. Pas bij overschrijding met een factor 4 of 5 schade wordt schade aannemelijk. De deskundige geeft dit zelf toe in bijlage 6.2, blz 3. Daarom had ook een bouwkundige opname moeten worden verricht, tenminste om na te gaan of de scheuren oud of nieuw zijn. Bewijs ontbreekt dat de woning van [geïntimeerde] voorafgaand aan de aanleg van het verkeersplateau vrij van zettingen en scheuren was, aldus de Gemeente.

3.27

Paragraaf 6.1 van de SBR-richtlijn A bepaalt dat ‘voor het aantonen van een oorzakelijk verband tussen de trilling en schade, […] naast de trillingssterkte en de bouwkundige staat van een gebouw, ook andere mogelijke schadeoorzaken in beschouwing [dienen] te worden genomen, zoals bijvoorbeeld zettingen. De vraag die partijen verdeeld houdt is of de deskundige, bij het beoordelen van het bestaan van een causaal verband, deze bepaling voldoende in acht heeft genomen.

3.28

Uit blz. 8 en 9 van het eerste deskundigenbericht blijkt dat de deskundige de bouwkundige staat van de woning (waaronder de draagstructuur, de fundering, de gevels, de kozijnen, het metselwerk aan de buitenzijde en de binnenzijde) heeft bekeken en omschreven, zij het niet volledig. Een bouwkundige opname wordt niet voorgeschreven door de in dit geschil toepasselijke versie van de SBR-richtlijn A uit 2006. De deskundige heeft onder meer vastgesteld dat de voorgevel in 1959 is vernieuwd en op de bestaande fundering is aangebracht. De binnenzijde is volgens de deskundige door de bewoners in een goede staat gebracht zonder dat daarbij onverantwoorde verbouwingen c.q. wijzigingen in belastingpatroon van de constructie hebben plaatsgevonden. Ook de schade is visueel geïnspecteerd en beoordeeld (blz. 10 en 11 van het eerste deskundigenbericht). Het is juist, zoals de Gemeente stelt, dat de beoordeling of de scheuren of oud of nieuw zijn, niet is uitgevoerd. Daar staat tegenover dat de deskundige blijkens blz. 14 in zijn beoordeling heeft meegewogen dat de woning op een zanderige toplaag is gebouwd, dat er een betonnen vloer is en dat het niet aannemelijk is dat (verzakking van) de aangebrachte betonvloer de oorzaak van de scheuring is geweest, omdat alleen in het voorgedeelte van de woning scheurvorming aanwezig is (blz. 12). Op blz. 23 van het eerste deskundigenbericht heeft hij vermeld dat de in juni 2014 gemeten trillingen in meer of mindere mate voelbaar zijn en geconcludeerd dat ‘verdichting van het zand in de ondergrond niet aannemelijk is’. Daarnaast heeft de deskundige, in antwoord op de vragen van [C] van 28 juli 2017 (zie 3.6) in bijlage 6.2, blad 1, bij het eerste deskundigenbericht vermeld dat [C] terecht heeft vastgesteld dat er geen bouwkundig onderzoek is uitgevoerd. De deskundige heeft dit als volgt gerechtvaardigd: ‘Geotechnisch gezien is de ondergrond bij extra belastingen na 10.000 dagen voor wat betreft vervormingen tot rust gekomen. (…) De voorgevel uit 1959 en de betonvloer uit de jaren zeventig (als belastingverhogingen) zijn dusdanig lang geleden uitgevoerd, dat, geotechnisch gezien, vervormingen van de ondergrond als gevolg van deze aanpassingen reeds lang voor de aanleg van het verkeersplateau moeten zijn opgetreden. Aanwezige schade aan gevel/fundering veroorzaakt door belasting verhogingen is niet aan de orde.’ In het tweede deskundigenbericht heeft de deskundige op blz. 25 opnieuw vastgesteld dat verdichting van het zand in de ondergrond (onder de funderingselementen / vrijdragende betonvloer) niet aannemelijk is. Gelet op deze bevindingen van de deskundige over de bouwkundige staat, de funderingswijze, het al dan niet bestaan van zettingen en andere omstandigheden (zoals de verbouwing aan de gevel) komt het hof tot het oordeel dat de deskundige, bij het beoordelen van de aanwezigheid van een causaal verband tussen de trillingen en de gestelde schade, voldoende andere mogelijke schadeoorzaken in beschouwing heeft genomen, zoals paragraaf 6.1 van de SBR-richtlijn A voorschrijft. Hetgeen JJP Expertise, ZNEB, [C] en IFCO in hun acht door de Gemeente ingebrachte adviezen naar voren hebben gebracht, werpt hier geen ander licht op. De conclusie luidt dan ook dat de Gemeente met de door haar ingebrachte adviezen er niet in is geslaagd om de conclusies van de deskundigenberichten op het punt van het causale verband te ontkrachten.

3.29

Hieraan doet overigens niet af dat de deskundige zelf (op blz. 3 van bijlage 6.2 van het tweede deskundigenbericht) heeft erkend dat uit de praktijk is gebleken dat bij bouwactiviteiten van beperkte duur (heien van palen of trillen van damwanden) schade pas bij een factor 4 tot 5 ontstaat; in de situatie van [geïntimeerde] gaat het immers om trillingen gedurende langdurige perioden. Volgens de deskundige betekent dit niet dat lage trillingsintensiteiten niet tot schade leiden, zeker wanneer die gedurende een langdurige periode optreden. Zoals de deskundige op blz. 2 van bijlage 8.2 van hetzelfde deskundigenbericht heeft geantwoord speelt het aspect ‘vermoeiing’ daarbij ook een rol. Het verwijt van de Gemeente dat de deskundige vraag 12 niet correct heeft beantwoord treft evenmin doel: dit verwijt wordt door de deskundige voldoende weerlegd op blz. 1 van bijlage 8.2 van het tweede deskundigenbericht.

3.30

Voor zover de Gemeente (met grief 2, onder iii) mede heeft bedoeld te betogen dat de enkele overschrijding van grenswaarden uit de SBR-richtlijn A door de aanwezigheid van het verkeersplateau niet met zich brengt dat het verkeersplateau gebrekkig is, slaagt dit betoog evenmin. De SBR-richtlijn A bevat immers normen die strekken tot het voorkomen van een specifiek gevaar: het ontstaan van schade aan bouwwerken. Nu het hof de deskundige volgt in zijn vaststelling dat deze grenswaarden door de aanwezigheid van het verkeersplateau bij de woning van [geïntimeerde] worden overschreden, ligt het op de weg van de Gemeente, die stelt dat andere mogelijke schadeoorzaken in het geding zijn, om dat voldoende toe te lichten. Hierin is de Gemeente, in het licht van de deskundigenberichten en zoals overwogen in 3.28-3.29, naar het oordeel van het hof niet geslaagd.

- Tussenconclusie

3.31

Op grond van het vorenstaande (3.16-3.30) komt het hof tot de conclusie dat niet gebleken is dat de deskundigenberichten wat betreft de inhoud en de wijze van totstandkoming ondeugdelijk zijn. Dit betekent dat ook het hof ervan uitgaat dat het verkeersplateau als gebrekkig moet worden aangemerkt in de zin van artikel 6:174 BW en dat er een causaal verband is tussen de aanwezigheid van het verkeersplateau en de door de deskundige benoemde schade aan de woning van [geïntimeerde] . De grieven 2 tot en met 4 falen.

Begroting van de schade

3.32

De vijfde grief van de Gemeente in principaal hoger beroep, alsmede de incidentele grief van [geïntimeerde] zijn beide gericht tegen de begroting van de schade door de kantonrechter. Ook deze grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling. De Gemeente heeft aangevoerd dat [geïntimeerde] zijn schade onvoldoende heeft onderbouwd. Volgens [geïntimeerde] is zijn schade op een te laag bedrag begroot en dient naast vergoeding voor herstel van voorgevel en binnenmuren, vergoeding voor de spanplafonds te worden toegekend. [geïntimeerde] heeft ter nadere onderbouwing van zijn schade in hoger beroep foto’s ingebracht van beschadigingen aan zijn woning (de vervormde gevel, scheefgetrokken binnenmuren, uit het lood staande kozijnen) en offertes voor de herstelkosten van de voorgevel en binnenmuren (€ 22.237,10 inclusief btw) en herstelkosten voor het spanplafond (€ 1.694,00 inclusief btw).

3.33

Blijkens het tweede deskundigenrapport is de deskundige bij zijn uitlatingen over de schade aan de woning van [geïntimeerde] uitgegaan van scheurvorming in het metselwerk van de voorgevel en scheurvorming in de binnenmuren. De Gemeente heeft deze scheurvorming zelf overigens ook niet weersproken. Nu met het falen van de eerdere grieven ook het hof ervan uitgaat dat het verkeersplateau gebrekkig is en dat er een causaal verband is tussen het gebrekkige verkeersplateau en de door de deskundige benoemde schade, komen de herstelkosten daarvan voor toewijzing in aanmerking. De deskundige heeft vastgesteld dat wegzakken en kantelen van de muren uit het verloop van de scheuren is op te maken. Daarmee zijn ook toewijsbaar de kosten van vervanging van de spanplafonds, waarvan [geïntimeerde] onweersproken heeft gesteld dat deze zijn bevestigd aan de scheefstaande zijmuren en na herstel van die muren niet meer kunnen worden hergebruikt. Voormelde in hoger beroep overgelegde twee offertes zijn voldoende gespecificeerd. De Gemeente heeft wat betreft de begroting van de schade ook slechts betwist dat de loodgieterskosten (ter hoogte van €729,00) die deel uitmaken van de offerte van € 22.237,10 verband houden met deze te herstellen schade. Daarop is [geïntimeerde] onvoldoende ingegaan. De offertes zijn voor het overige onweersproken gebleven. Dit betekent dat wat betreft de herstelkosten een bedrag van ((€ 22.237,10 - € 729,00 =) € 21.508,10 + € 1.694,00 =) € 23.202,10 inclusief btw voor vergoeding in aanmerking komt.

3.34

Daarnaast vordert [geïntimeerde] aan buitengerechtelijke expertisekosten een bedrag van € 1.201,90 voor het onderzoek dat hij in 2009 door HEKtec (zie 3.1 k) heeft moeten laten uitvoeren vanwege de ‘niet zo coöperatieve houding’ van de Gemeente ter vaststelling van de schade en aansprakelijkheid. Uit de overgelegde correspondentie, waaronder de reacties van de (gemachtigde van de) Gemeente vermeld in 3.1 f en 3.1 j, is gebleken dat de Gemeente niet bereid was mee te werken aan de nodige onderzoeken, zodat geconcludeerd kan worden dat [geïntimeerde] ter vaststelling van de door hem gevorderde schade deze kosten heeft moeten maken. Deze kosten, evenals de overige door [geïntimeerde] gestelde onderzoekskosten (waaronder huur van materieel) ter hoogte van € 367,84 zullen als onvoldoende betwist worden toegewezen. De door [geïntimeerde] opgevoerde kosten van de deskundige zijn reeds door de kantonrechter verdisconteerd in de proceskostenvergoeding. Dit betekent dat de vijfde grief in principaal hoger beroep faalt, en de incidentele grief grotendeels slaagt.

Verwijdering van het verkeersplateau

3.35

Met haar zesde grief verzet de Gemeente zich in het verlengde van haar eerdere grieven tegen de beslissing van de kantonrechter waarbij de verwijdering van het verkeersplateau is gelast. De Gemeente heeft opnieuw aangevoerd dat het verkeersplateau niet als gebrekkig mocht worden geduid door de kantonrechter. Uit het voorgaande volgt dat de grief in zoverre faalt. Aangezien de Gemeente geen voorstellen heeft gedaan ter opheffing van dit gebrek en ter plekke ook andere snelheidsremmende voorzieningen zijn te treffen, ziet het hof geen aanleiding de vordering van [geïntimeerde] tot verwijdering van het verkeersplateau alsnog af te wijzen. Grief 6 faalt.

Proceskosten

3.36

Met haar zevende grief komt de Gemeente, opnieuw voortbouwend op haar eerdere grieven, op tegen de veroordeling in de proceskosten. Zij stelt dat de beide deskundigenberichten niet voor vergoeding in aanmerking komen omdat zij allebei onjuistheden bevatten. Het hof heeft evenwel hiervoor, naar aanleiding van de verschillende bezwaren van de Gemeente, geconcludeerd dat niet gebleken is dat de deskundigenberichten wat betreft de inhoud en de wijze van totstandkoming ondeugdelijk zijn. Gelet op de uitkomst van de procedure, dient de proceskostenveroordeling in eerste aanleg ook overigens in stand te blijven. Het lot van grief 7 deelt het lot van de overige grieven van de Gemeente en faalt eveneens.

3.37

Ten aanzien van het (tegen-)bewijsaanbod van De Gemeente, waarbij dat bewijs door deskundigen zou moeten worden geleverd, overweegt het hof dat in dit stadium van de procedure geen plaats meer is voor nadere bewijslevering door deskundigen. De gemeente heeft immers in dit hoger beroep reeds voldoende gelegenheid gehad de rapporten van de deskundigen op die wijze aan te vechten.

Slotsom

3.38

De grieven van de Gemeente in principaal hoger beroep falen en de grief van [geïntimeerde] in incidenteel hoger beroep slaagt grotendeels. Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd voor zover de Gemeente daarbij is veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerde] van € 12.000,00 vermeerderd met rente en voor het overige worden bekrachtigd. De Gemeente zal worden veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerde] van € 24.771,84 te vermeerderen met de wettelijke rente, tot een maximum van € 25.000,00. De Gemeente zal als grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding in principaal en incidenteel hoger beroep.

4 Beslissing

Het hof:

verklaart de Gemeente niet-ontvankelijk in haar hoger beroep voor zover dat is gericht tegen het eerste en het derde tussenvonnis;

vernietigt het eindvonnis waarvan beroep, voor zover daarbij (in 3.1) de Gemeente is veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerde] van € 12.000,00 vermeerderd met rente.

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt de Gemeente tot betaling aan [geïntimeerde] van € 24.771,84 te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 30 mei 2016 tot aan de dag van de gehele betaling, een en ander tot een maximum van € 25.000,00;

bekrachtigt het eindvonnis voor het overige evenals het tweede tussenvonnis;

veroordeelt de Gemeente in de kosten van het geding in principaal en incidenteel hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 726,00 aan verschotten en € 2782,00 respectievelijk € 1391,00 voor salaris en op € 157,00 voor nasalaris, te vermeerderen met € 82,00 voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt, indien niet binnen veertien dagen na dit arrest dan wel het verschuldigd worden van de nakosten aan de kostenveroordeling is voldaan;

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. E.K. Veldhuijzen van Zanten, C.A.H.M. ten Dam en E.A. Minderhoud en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 27 oktober 2020.