Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:286

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
03-03-2020
Datum publicatie
20-03-2020
Zaaknummer
200.249.364/01 NOT
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Klacht tegen oud-notaris en notaris. Belang klagers. Onderzoeksplicht in kader van legalisatie handtekening door notaris. Maatregel van waarschuwing.

Wetsverwijzingen
Wet op het notarisambt 52
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

___________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht

zaaknummer : 200.249.364/01 NOT

nummer eerste aanleg : C/05/329765 / KL RK 17-189 en C/05/329767 / KL RK 17-190

beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 3 maart 2020

inzake

1 [klager sub 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [klager sub 2] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellanten,

gemachtigde: mr. B.D.W. Martens, advocaat te Den Haag,

tegen

1 [oud-notaris] ,

oud-notaris te [plaats] ,

geïntimeerde,

2 [notaris] ,

notaris te [plaats] ,

geïntimeerde,

gemachtigde: mr. M.J. Elkhuizen, advocaat te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Appellanten sub 1 en 2 worden hierna respectievelijk [klager sub 1] en de [klager sub 2] genoemd, alsmede gezamenlijk klager. Geïntimeerden sub 1 en 2 worden hierna respectievelijk de oud‑notaris en de notaris genoemd, alsmede gezamenlijk de notarissen.

1.2.

Klager heeft op 9 november 2018 een beroepschrift - met bijlage - bij het hof ingediend tegen de beslissing van de kamer voor het notariaat in het ressort Arnhem-Leeuwarden (hierna: de kamer) van 10 oktober 2018 (ECLI:NL:TNORARL:2018:36). De kamer heeft in de bestreden beslissing de klachtonderdelen 1, 2a, 2b, 3b, 4 en 5b, die tegen de oud-notaris waren gericht, gegrond verklaard, de oud-notaris ter zake daarvan de maatregel van schorsing in het ambt voor de duur van zes weken opgelegd en de klachtonderdelen 3a, 5a en 6 ongegrond verklaard.

1.3.

Klager heeft op 14 januari 2019 de gronden van zijn beroep aangevuld.

1.4.

De notaris heeft op 19 maart 2019 een verweerschrift - met bijlagen - bij het hof ingediend.

1.5.

Het hof heeft de stukken uit de eerste aanleg van de kamer ontvangen.

1.6.

De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 19 december 2019. [klager sub 1] , bijgestaan door zijn gemachtigde voornoemd, en de notaris, bijgestaan door zijn gemachtigde voornoemd, zijn verschenen en hebben het woord gevoerd. De oud-notaris is, met voorafgaand bericht, niet ter terechtzitting verschenen.

2 Feiten

Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen de vaststelling van de feiten door de kamer geen bezwaar gemaakt, zodat ook het hof van die feiten uitgaat.

Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die zijn komen vast te staan, komen de feiten neer op het volgende.

2.1.

[D ] (hierna: [D ] ) heeft aan [naam BV] (hierna: [naam BV] ) een financiering aangeboden van € 7.500.000,-. Een voorwaarde voor die financiering was dat [naam BV] of relaties van [naam BV] een zogenoemde eigen inleg van € 1.000.000,- zouden voldoen, die zou gelden als katalysator voor de financiering.

2.2.

Klager zou de eigen inleg voor [naam BV] voldoen. Als gevolg van een eerder misgelopen financieringstraject stonden de gelden van klager die dienden als eigen inleg nog op de derdengeldenrekening van de notarissen.

2.3.

Klager wenste volledige zekerheid dat hij zijn inleg zou terugkrijgen. Vanuit [D ] is voorgesteld om die zekerheid te bieden in de vorm van cheque(s), die verstrekt zouden worden door [E] (hierna: [E] ) en zouden worden uitgeschreven op naam van de [klager sub 2] .

2.4.

Op 4 december 2014 heeft een gesprek plaatsgevonden op het kantoor van de oud-notaris. Daarbij waren - naast de oud-notaris - [bestuurder] (hierna: [bestuurder] ) als de gevolmachtigde van [naam BV] , [E] en de heer [F] , die zich had voorgesteld als directeur van de [bank 2] , aanwezig. De oud-notaris heeft toen voorgesteld om ten behoeve van de gewenste financieringsconstructie de gelden niet via de derdengeldenrekening van het kantoor van de notarissen te laten verlopen, maar via een nog te openen nieuwe bankrekening bij de [bank 2] . Laatstgenoemde bankrekening is dezelfde dag geopend op naam van de oud-notaris.

2.5.

Bij e-mailbericht van 4 december 2014 heeft [klager sub 1] aan de oud-notaris (onder andere) het volgende bericht:

“(…)

Zoals vandaag met en bij u op kantoor besproken met de heer [bestuurder] , de heer [E] en de heer [F] geef ik u mijn toestemming om de gelden over te maken naar de nieuw geopende notariële derdengeldenrekening bij de [bank 2] met nummer (…).

De deal met TB wordt overgenomen door [D ] / de heer [F] / de heer [E] .

Van de heer [F] als directeur van de [bank 2] ontvang ik nog de bevestiging dat de geopende rekening een notariële derdengelden rekening is.

(…)”

2.6.

Op 8 december 2014 hebben [bestuurder] en [E] een bespreking gehad met de oud-notaris. Tijdens die bespreking heeft [E] twee cheques uitgeschreven van ieder vijf miljoen Hong Kong Dollars (hierna: de cheques) en de cheques overhandigd aan de oud-notaris.

2.7.

Bij e-mailbericht van 8 december 2014 (10:53 GMT+01:00) heeft de oud-notaris aan [klager sub 1] (onder andere) het volgende bericht:

“(…)

Van de zijde van de heer [F] wordt mij gevraagd om gelden ten behoeve van [naam BV] over te boeken.

Ik heb zojuist van de heer [E] een tweetal cheques ontvangen van elk 5.000.000,00 HK dollars als garantie.

Gaarne verneem ik van u of ik tot uitboeking kan overgaan.

(…)”

2.8.

Bij e-mailbericht van 8 december 2014 (12:27 GMT+01:00) heeft [klager sub 1] hierop gereageerd als volgt:

“(…)

Als vervolg op mijn vorige mail geef ik u aan dat er geen wijziging is in het risico profiel plaatsvindt.

De termijn is komen te vervallen.

(…)”

2.9.

Bij een tweede e-mailbericht van 8 december 2014 (22:24 uur) heeft [klager sub 1] aan de oud‑notaris (onder andere) het volgende bericht:

“(…)

Ik heb nog geen bericht van u ontvangen of er een wijziging in het risico profiel plaatsvindt.

De cheques moeten incasseerbaar zijn tot een miljoen euro.

Mocht u een andere mening toegedaan zijn, dan verneem ik dat graag van u.

Ik heb de cheques niet gezien dus ik vertrouw daarom geheel op u.

(…)”

2.10.

Bij e-mailbericht van 8 december 2014 (22:26 uur) heeft de oud-notaris hierop gereageerd als volgt:

“(…)

Aan mij zijn uitgereikt door de heer [E] in persoon, uitgeschreven in mijn bijzijn, twee (u bekende) cheques ad HKG 5.000.000,00 per stuk.

(…)”

2.11.

Op 8 december 2014 heeft de oud-notaris de gelden van klager, zijnde een bedrag van één miljoen euro, overgemaakt van de notariële derdengeldenrekening naar voormelde bankrekening bij de [bank 2] . Op dezelfde dag heeft de oud-notaris een bedrag van € 300.000,- overgeboekt naar [G] alsmede een bedrag van € 200.000,- overgeboekt naar [H] . Op 16 december 2014 heeft de oud-notaris wederom een bedrag van € 300.000,- overgeboekt naar [G] en wederom een bedrag van € 200.000,- overgeboekt naar [H] .

2.12.

Op 28 december 2014 heeft de oud-notaris conceptakten houdende een overeenkomst van geldlening tussen [D ] en [naam BV] , de vestiging van een pandrecht en een depot van onder andere het bewijs van storting door klager van € 1.000.000,- opgemaakt. De oud-notaris heeft deze conceptakten dezelfde dag per e-mail aan [klager sub 1] en [bestuurder] gestuurd.

2.13.

Bij e-mailbericht van 7 april 2015 heeft [klager sub 1] aan de oud-notaris (onder andere) het volgende bericht:

“(…)

Ik heb de heer [E] tot vrijdag 10/7 gegeven zijn verplichtingen na te komen.

Ik verzoek u indien hij zijn verplichtingen a.s. vrijdag ochtend niet is nagekomen vrijdag gelijk over te gaan tot incasseren van de cheques.

(…)”

2.14.

Bij e-mailbericht van 8 april 2015 heeft de oud-notaris aan [klager sub 1] (onder andere) het volgende bericht:

“(…)

Wat bedoelt u met 10/7?

Als er vrijdag geen oplossing komt van de zijde van de heer [E] , ga ik maandag a.s. naar de bank (…)”

2.15.

Bij e-mailbericht van 9 april 2015 heeft [klager sub 1] , voor zover hier van belang, daarop gereageerd als volgt:

“(…)

Ik gaf per abuis 10/7 maar het moet 10/4 zijn.

Graag verneem ik van u of vrijdag de gelden wel of niet zijn binnengekomen.

(…)”

2.16.

Bij e-mailbericht van 14 april 2015 (6:34 uur) heeft [klager sub 1] aan de oud-notaris (onder andere) het volgende geschreven:

“(…)

Van de heer [bestuurder] heb ik begrepen dat hij vanochtend bij u op kantoor is in zake het incasseren van de cheques.

Mocht u de cheques niet ter incasso aan de bank hebben ingeleverd dan wil de heer [bestuurder] persoonlijk morgen bij het Europese hoofdkantoor van de bank in Londen de cheques inleveren.

Hij verzocht mij hier toe een volmacht aan hem te verlenen.

Bij bestudering van de cheques kwam ik er achter dat er aan mij geen cheques zijn uitgegeven.

Ze staan op uw naam.

Enige volmacht ter zake kan ik niet verstrekken.

(…)”

2.17.

Bij e-mailbericht van 14 april 2015 heeft de oud-notaris hierop gereageerd als volgt:

“(…)

Het enige wat ik nu van u zou willen horen is dat u mij toestaat dat ik de cheques aan de heer [bestuurder] als mijn gevolmachtigde meegeef.

(…)”

2.18.

Bij e-mailbericht van 14 april 2015 (8:53 uur) heeft [klager sub 1] hierop gereageerd als volgt:

“(…)

Ik meen dat u mijn toestemming niet nodig heeft.

De cheques zijn niet aan mij uitgeschreven.

Bij deze mijn niet benodigde toestemming.

(…)”

2.19.

Op 14 april 2015 heeft de oud-notaris een volmacht verstrekt aan [bestuurder] om namens hem de cheques te incasseren en het bedrag te storten op de bankrekening van de oud-notaris bij de [bank 2] . De handtekening van de oud-notaris op deze volmacht is gelegaliseerd door de notaris.

2.20.

Op 14 april 2015 heeft de oud-notaris de akte houdende een overeenkomst van geldlening tussen [D ] , in de akte aangeduid als “schuldeiser”, en [naam BV] , in de akte aangeduid als “schuldenaar” gepasseerd. In deze akte is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:

“(…)

Schuldeiser en schuldenaar verklaarden dat tussen hen een overeenkomst van geldlening is aangegaan ten belope van een bedrag in hoofdsom groot

(…) (€ 3.500.000,00) ,

welk bedrag in vier (4) delen wordt opgedeeld als volgt:

(…)

met een voorschot ten bedrage van

(…) (€ 1.000.000,00) op éénendertig oktober tweeduizend veertien,

waarbij bedongen is door schuldeiser en met schuldenaar overeengekomen dat de laatste een eigen inleg pleegt ten bedrage van

(…) ( € 1.000.000,00) ,

middels overboeking naar een derdenrekening ten name van mij, notaris (in die zin dat deze gelden worden gestort op een rekening ten name van schuldenaar, met mij, notaris, als enig tekeningsbevoegde),

welke rekening inmiddels is geopend bij de [bank 2] te [plaats] (…),

gesteld onder beheer van mij, notaris,

afgedekt door een door schuldenaar en schuldeiser onvoorwaardelijk geaccepteerde contragarantie van schuldeiser (door de heer [E] , aan schuldenaar en schuldeiser genoegzaam bekend) door middel van een cheque van

Hong Kong dollar (HKD) 10.000.000,00 (…),

hetgeen bij de ten tijde van het uitbrengen van de offerte geldende wisselkoers van (…) overeenkomt met de somma van ongeveer

(…) (€ 1.053.000,00) .

Zodra de overeengekomen lening volledig is verstrekt (conform bovenstaand schema op éénendertig januari tweeduizend vijftien) ontvangt de inlegger van de schuldeiser voormelde eigen inleg terug en wordt de contragarantiecheque van HKD tien miljoen aan schuldeiser teruggegeven.

De schuldenaar heeft zich jegens de inlegger verbonden aan de laatste een premie ten bedrage van

(…) (€ 300.000,00)

te betalen, boven en naast het bedrag van de inleg ad

(…) (€ 1.000.000,00) ,

weshalve de inlegger alsdan (uiterlijk per één februari tweeduizend vijftien) in totaal ontvangt de somma van

(…) (€ 1.300.000,00) .

(…)”

2.21.

[D ] is tekortgeschoten in haar verplichtingen. De aangeboden financiering bleek geen doorgang te kunnen vinden. Toen klager de cheques wilde incasseren om zijn inleg terug te krijgen, bleken de cheques niet te zijn gedekt.

2.22.

De oud-notaris is met ingang van 1 februari 2016 gedefungeerd.

3 Standpunt van klager

3.1.

Klager heeft in zijn aanvullend beroepschrift te kennen gegeven dat het hoger beroep tegen voormelde beslissing van de kamer, voor zover deze betrekking heeft op de klachten gericht tegen de oud-notaris, niet langer wordt gehandhaafd.

3.2.

In hoger beroep is van de oorspronkelijke zes klachtonderdelen van klager nog slechts het navolgende als klacht aan de orde.

Klager verwijt de notaris - in zijn algemeenheid - in strijd te hebben gehandeld met de Wet op het notarisambt (hierna: Wna), onder andere met het bepaalde in de artikelen 21 en 93 Wna. In klachtonderdeel 6 van de oorspronkelijke klacht verwijt klager de notaris dat hij heeft meegewerkt aan het door de oud-notaris volmachtigen van een derde om namens hem cheques te innen, terwijl de cheques bovendien op naam van klager hadden moeten staan. De notaris had vragen moeten stellen toen een kantoorgenoot ineens cheques van 10 miljoen Hong Kong dollar op zijn eigen naam kreeg uitgeschreven, aldus klager.

4 Standpunt van de notaris

De notaris heeft verweer gevoerd. Het standpunt van de notaris wordt, voor zover relevant voor de beoordeling van de klacht, hieronder besproken.

5 Beoordeling

Gedeeltelijke intrekking hoger beroep

5.1.

Nu klager het hoger beroep tegen de bestreden beslissing, voor zover deze betrekking heeft op de klachten gericht tegen de oud-notaris, heeft ingetrokken, zal het hof het beroep in zoverre niet behandelen.

Belang

5.2.

De notaris stelt zich primair op het standpunt dat [klager sub 1] en de [klager sub 2] geen belanghebbenden zijn bij zijn legalisatie van de handtekening van de oud-notaris en evenmin bij de volmacht van de oud-notaris aan [bestuurder] . Subsidiair stelt de notaris dat één van beide klagers geen concreet eigen belang heeft, aangezien dat belang al wordt gedekt door het belang van de andere klager.

5.3.

Het hof stelt het volgende voorop. Ingevolge artikel 99, lid 1 Wna kan ieder die daarbij enig redelijk belang heeft een klacht indienen. Het begrip ‘enig redelijk belang’ moet ruim worden opgevat.

5.4.

Naar het oordeel van het hof hebben zowel [klager sub 1] als de [klager sub 2] enig redelijk belang bij de door de oud-notaris aan [bestuurder] verstrekte volmacht en tevens bij de legalisatie van de handtekening van de oud-notaris op die volmacht. [bestuurder] was door de oud-notaris gemachtigd om de cheques, die op naam van de oud-notaris stonden, te innen. De legalisatie van de handtekening van de oud-notaris was nodig om de cheques te kunnen innen en daar hadden [klager sub 1] en de [klager sub 2] belang bij, aangezien de cheques dienden als zekerheid voor het terugkrijgen van de door [klager sub 1] c.q. [klager sub 2] gefinancierde ‘eigen inleg’. Het primaire verweer van de notaris gaat derhalve niet op. Voorts neemt het belang van de ene appellant dat van de andere niet weg. Het subsidiaire verweer van de notaris gaat derhalve ook niet op. Het hof acht [klager sub 1] en de [klager sub 2] beide ontvankelijk in hun klacht.

Legalisatie handtekening oud-notaris (klachtonderdeel 6)

5.5.

De notaris voert aan dat hij slechts de handtekening van de oud-notaris op de (onderhandse) volmacht heeft gelegaliseerd en dat bij het legaliseren van een handtekening geen zogenoemde ‘Belehrungspflicht’ bestaat. Als legaliserend notaris kon hij volstaan met een basale toets en was hij niet verplicht zich te verdiepen in de inhoud van de volmacht. Indien hij de inhoud van de volmacht wel zou hebben bestudeerd, had dit bovendien niet tot dienstweigering mogen leiden, aldus de notaris.

5.6.

Krachtens artikel 52 Wna houdt legalisatie van een handtekening door een notaris in dat hij op het aangeboden stuk of op een daaraan aangehecht stuk een door hem gedagtekende en ondertekende verklaring stelt waarin hij de echtheid van de op het hem aangeboden stuk gestelde handtekening bevestigt. De legaliserende notaris zal zijn dienst moeten weigeren indien iemand wilsonbekwaam is. Daarnaast geldt dat een notaris niet mag meewerken aan handelingen die naar zijn redelijke overtuiging of vermoeden in strijd met het recht of de openbare orde zijn.

5.7.

Het hof constateert dat in de akte van volmacht duidelijk kenbaar een bedrag van
“HK$ 5.000,000,--” staat vermeld, met daarboven de zinsnede “to pay at [oud-notaris] ” (dat wil zeggen: te betalen aan de oud-notaris). Het ging derhalve om een transactie waarbij cheques in ongebruikelijke valuta zouden worden geïnd ten behoeve van een notaris in privé, terwijl het (ongeacht de al dan niet aanwezige kennis van de waarde van de Hong Kong dollar) op het eerste gezicht om een aanzienlijk bedrag ging. Gelet hierop had de notaris nader onderzoek moeten doen en in ieder geval nadere vragen moeten stellen aan de oud-notaris. Nu de notaris geen onderzoek heeft gedaan, heeft de notaris zich onvoldoende ervan vergewist dat hij niet meewerkte aan handelingen die naar zijn redelijke overtuiging of vermoeden in strijd zijn met het recht of de openbare orde. Het hof is dan ook van oordeel dat de notaris in zoverre niet de van een notaris te verwachten zorgvuldigheid heeft betracht. Dit valt de notaris tuchtrechtelijk te verwijten. Dat het in dit geval ging om de legalisatie van een handtekening van een kantoorgenoot c.q. een maat doet aan het voorgaande niet af. Het hof merkt nog op dat een privétransactie van een kantoorgenoot of maat juist alertheid vraagt en dat het de voorkeur verdient hierbij - eventueel grote - terughoudendheid te betrachten.

Anders dan de kamer acht het hof dit klachtonderdeel derhalve gegrond.

Maatregel

5.8.

Naar het oordeel van het hof dient de notaris voor het gegrond verklaarde klachtonderdeel een maatregel te worden opgelegd. Gelet op het voorgaande heeft de notaris niet gehandeld zoals een zorgvuldig notaris betaamt en daardoor de belangen van klager onvoldoende in acht genomen. Het hof acht de maatregel van waarschuwing passend en geboden en zal de notaris deze maatregel opleggen.

5.9.

Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht, kan buiten beschouwing blijven omdat het niet van belang is voor de beslissing in deze zaak.

Griffierecht en kostenveroordeling

5.10.

Nu het hof de klacht (gedeeltelijk) gegrond verklaart, stelt het hof vast dat de notaris op grond van de artikelen 99 lid 5 Wna jo. 107 lid 3 Wna het door klager betaalde griffierecht in hoger beroep aan hem dienen te vergoeden.

5.11.

Nu het hof de notaris tevens een maatregel oplegt, zal het hof de notaris op grond van de artikelen 103b lid 1 Wna jo. 107 lid 3 Wna jo. de Tijdelijke richtlijn kostenveroordeling notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer Gerechtshof Amsterdam (Staatscourant 2019, nr. 61782) veroordelen in de volgende kosten in hoger beroep:

- € 50,- kosten van klager;

- € 1.000,- kosten van klager in verband met door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

- € 3.000,- kosten van behandeling van de klacht door het hof.

Er zijn geen bijzondere omstandigheden gesteld of gebleken die aanleiding geven tot een andere beslissing.

5.12.

De notaris dient de kosten van klager in hoger beroep binnen vier weken na deze uitspraak aan klager te voldoen, hetgeen kan geschieden door betaling op een daartoe door klager aan de notaris opgegeven rekeningnummer.

5.13.

De notaris dient de kosten van behandeling van de klacht in hoger beroep door het hof te voldoen aan het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak (LDCR), waarbij de in de artikelen 103b lid 3 Wna jo. 107 lid 3 Wna bepaalde termijn en de wijze waarop de kosten moeten worden voldaan door het LDCR per brief aan de notaris zullen worden meegedeeld.

5.14.

Het hiervoor overwogene leidt tot de volgende beslissing.

6 Beslissing

Het hof:

- verstaat dat klager het hoger beroep tegen de bestreden beslissing, voor zover deze betrekking heeft op de oud-notaris, heeft ingetrokken;

- vernietigt de bestreden beslissing, voor zover daarbij klachtonderdeel 6 ongegrond is verklaard;

en, opnieuw beslissende:

- verklaart klachtonderdeel 6 gegrond;

- legt ter zake daarvan aan de notaris de maatregel van waarschuwing op;

- veroordeelt de notaris tot betaling aan klager van zijn kosten in hoger beroep, bestaande uit

€ 50,- aan griffierecht, € 50,- aan kosten klager en € 1.000,- aan kosten rechtsbijstand, derhalve in totaal € 1.100,-, binnen vier weken na heden;

- veroordeelt de notaris tot betaling van de kosten van behandeling van de klacht in hoger beroep door het hof (€ 3.000,-) aan het LDCR op de wijze en binnen de termijn als door het LDCR aan de notaris meegedeeld.

Deze beslissing is gegeven door mrs. A.D.R.M. Boumans, G.C.C. Lewin en M. Bijkerk en in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2020 door de rolraadsheer.