Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:2830

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
06-10-2020
Datum publicatie
28-10-2020
Zaaknummer
200.247.992/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2018:7253
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHAMS:2019:2857
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

Samenwonen met een ander als waren zijn gehuwd. Art. 1:160 BW. De vrouw is niet geslaagd in het leveren van het aan haar opgedragen tegenbewijs. Alimentatieplicht van de man is geëindigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

zaaknummer: 200.247.992/01

zaaknummers rechtbank: C/15/263457 / FA RK 17-5040 en C/15/265579 / FA RK / 17-6167

beschikking van de meervoudige kamer van 6 oktober 2020 inzake

[de man] ,

wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,

verzoeker in hoger beroep,

verweerder in incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. L. Bosch te Hoorn,

en

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in hoger beroep,

verzoekster in incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. P.F.M. Deijkers te Hoorn.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof heeft in deze zaak een beschikking gegeven op 30 juli 2019. In die beschikking heeft het hof in principaal hoger beroep de vrouw toegelaten tot het leveren van tegenbewijs tegen de voorshands bewezen geachte stelling van de man dat tussen de vrouw en [partner] (hierna: [partner] ) in de periode vanaf 6 december 2018 althans in de periode waarop het rechercheonderzoek betrekking heeft sprake is van wederzijdse verzorging en het voeren van een gemeenschappelijke huishouding. In incidenteel hoger beroep heeft het hof de vrouw in de gelegenheid gesteld zich schriftelijk uit te laten omtrent de actuele stand van zaken en over de vraag of zij haar verzoek handhaaft. De man is in de gelegenheid gesteld om daarop te reageren. Iedere verdere beslissing is aangehouden.

1.2

Bij het hof is nadien het volgende stuk ingekomen: een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 12 september 2019 met bijlagen, ingekomen op 13 september 2019.

1.3

Op 16 december 2019 heeft het hof zijdens de vrouw drie getuigen gehoord, te weten de vrouw zelf, [partner] en [vriendin van de vrouw] , waarvan een proces-verbaal is opgemaakt. De man heeft afgezien van het doen horen van getuigen in tegenverhoor. Het hof heeft mr. Deijkers (of diens waarnemer) in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken na de datum van het getuigenverhoor een memorie na getuigenverhoor in te dienen. Tevens is mr. Bosch in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken na binnenkomst van de memorie na getuigenverhoor een antwoordmemorie na getuigenverhoor in te dienen. De behandeling van de zaak is pro-forma aangehouden tot 15 maart 2020.

1.4

Bij het hof zijn nadien de volgende stukken ingekomen:

- een akte na enquête van de man van 25 februari 2020 met bijlagen, ingekomen op 2 maart 2020;

- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 15 april 2020, ingekomen op dezelfde datum;

- een brief van de zijde van de man van 21 april 2020, ingekomen op dezelfde datum.

1.5

Bij voornoemd journaalbericht van 15 april 2020 heeft mr. Deijkers verzocht een akte te mogen nemen waarbij de vrouw zich kan uitlaten over de stukken van 25 februari 2020 die namens de man zijn overgelegd. Mr. Bosch heeft hiertegen bij brief van 21 april 2020 bezwaar gemaakt. Bij brief van 22 april 2020 heeft het hof mr. Deijkers in de gelegenheid gesteld zich binnen vier weken na heden schriftelijk uit te laten, doch uitsluitend over de producties bij het bericht van de zijde van appellant van 25 februari 2020, zoals ingekomen bij het hof op 2 maart 2020. Het hof heeft daarbij medegedeeld dat een verderstrekkende reactie niet zal worden toegelaten.

1.6

Bij het hof is vervolgens een akte van de zijde van de vrouw van 24 april 2020 met bijlage ingekomen op 30 april 2020.

1.7

Voor zover de man nog nieuwe stellingen heeft ingenomen in de onder 1.4 genoemde akte na enquête van 25 februari 2020, neemt het hof deze niet mee, omdat de vrouw hierop niet heeft kunnen reageren. Ook de randnummers 3 tot en met 5, 7, 11, en 12 van de onder 1.6 genoemde akte van de vrouw van 24 april 2020 zal het hof niet meenemen, nu deze zich niet richten op de producties bij het bericht van de man van 25 februari 2020 en derhalve een verderstrekkende reactie bevatten dan door het hof toegestaan.

1.8

Het hof ziet, gelet op inhoud van de na voornoemde beschikking van 30 juli 2019 ingekomen stukken en de gehouden getuigenverhoren, geen aanleiding een voortzetting van de mondelinge behandeling te bepalen.

2 De verdere motivering van de beslissing

In principaal hoger beroep

Artikel 1:160 BW

2.1

Thans is aan de orde de vraag of de vrouw is geslaagd in het leveren van het hierboven onder 1.1 genoemde tegenbewijs. Daarbij moet worden beoordeeld of de door het hof voorshands bewezen geachte stelling van de man, dat tussen haar en [partner] in de periode vanaf 6 december 2018 althans in de periode waarop het rechercheonderzoek betrekking heeft, te weten 7 februari 2019 tot en met 24 april 2019, sprake is (geweest) van wederzijdse verzorging en het voeren van een gemeenschappelijke huishouding, wordt ontzenuwd door hetgeen door de vrouw als tegenbewijs is bijgebracht.

2.2

Het hof overweegt als volgt.

De vrouw heeft drie getuigen doen horen, te weten zichzelf, [partner] en [vriendin van de vrouw] , een vriendin van de vrouw. De vrouw heeft tijdens dit verhoor afwijkend verklaard over de aard van haar relatie met [partner] ten opzichte van de mondelinge behandeling in hoger beroep van 15 mei 2019. Waar zij tijdens de mondelinge behandeling nog bevestigde dat sprake was van een liefdesrelatie, heeft zij tijdens het verhoor verklaard dat nooit sprake is geweest van een affectieve relatie tussen haar en [partner] maar enkel van een seksuele relatie. Hoewel de aard van de relatie thans niet meer aan de orde is, nu het hof in vernoemde beschikking van 30 juli 2019 reeds heeft vastgesteld dat tussen de vrouw en [partner] sprake is van een duurzame relatie van affectieve aard, maakt de tegenstrijdigheid ten opzichte van haar verklaring tijdens de mondelinge behandeling wel dat het hof de verklaring van de vrouw tijdens het getuigenverhoor weinig geloofwaardig acht.

Ook de verklaring van [partner] voor zijn veelvuldige aanwezigheid bij de vrouw, te weten dat hij regelmatig de auto van de vrouw repareerde, acht het hof ongeloofwaardig in het licht van het grote aantal waarnemingen door het recherchebureau van [partner] in en rondom de woning van de vrouw. Daarnaast heeft [partner] tegenover zijn verklaring zelden bij de vrouw te hebben overnacht, nagelaten duidelijk te maken waar hij dan wel ’s nachts verbleef. Gelet op dit alles acht het hof de bewijskracht van de verklaring van [partner] gering.

Voorts verstrekken de verklaringen van de vrouw en [partner] voornamelijk informatie over de periode na de geboorte van hun kind in mei 2019, welke periode in de onderhavige procedure niet aan de orde is. Voor zover de verklaringen van de vrouw en [partner] wel van toepassing zijn op hetgeen thans nog aan het hof voorligt, bevestigen zij juist dat in de aan de orde zijnde periode sprake is (geweest) van wederzijdse verzorging. De vrouw en [partner] ontkennen niet dat zij in de periode van het rechercheonderzoek veel bij elkaar waren. Ook verklaren zij allebei dat [partner] de auto van de vrouw (meermaals) heeft gerepareerd, dat zij gezamenlijk naar afspraken van de verloskundige zijn gegaan en dat [partner] de vrouw hulp en bescherming heeft geboden toen zij zich onveilig voelde. Voor zover aan die verklaringen geloof moet worden gehecht, zijn dit nu juist omstandigheden die zien op wederzijdse verzorging.

Tot slot bevat de verklaring van [vriendin van de vrouw] geen informatie die relevant is voor de vraag die nog aan het hof voorligt. Zij heeft enkel iets verklaard over het aspect van de samenwoning, hetgeen thans niet meer aan de orde is, en over de periode na de geboorte van het kind van de vrouw en [partner] , derhalve niet over de periode die van belang is.

2.3

Naast het doen horen van getuigen, heeft de vrouw schriftelijke stukken als bewijs ingediend (bij het onder 1.2 genoemde bericht van 12 september 2019). De vrouw heeft schriftelijke verklaringen overgelegd van [partner] , [vriendin van de vrouw] , [X] (de ex-partner van [partner] ) en van de buren van de vrouw, [buren 1] en [buurman 2] . De verklaring van [partner] is ongedateerd, maar is blijkens de inhoud ervan opgesteld na de geboorte van het kind van de vrouw en [partner] , en de verklaringen van [vriendin van de vrouw] , [buren 1] en [buurman 2] dateren van september 2019. Deze vier verklaringen zijn aldus opgesteld na de periode die in deze procedure van belang is, terwijl daaruit niet blijkt in hoeverre hetgeen daarin wordt gerelateerd ziet op de hier aan de orde zijnde periode. Bovendien hebben de verklaringen voornamelijk betrekking op de aard van de relatie en de samenwoning en voor zover zij enige informatie bevatten over het punt van de wederzijdse verzorging en gemeenschappelijke huishouding, bevestigen zij naar het oordeel van hof juist dat hiervan sprake was. Zo verklaart [partner] onder meer dat hij in de periode van het rechercherapport vaak aanwezig was in de woning van de vrouw omdat zij zich onveilig voelde en verklaart [buren 1] dat [partner] aan hen heeft gevraagd om de woning van de vrouw in de gaten te houden. Wat betreft de verklaring van de ex-partner van [partner] dat al een jaar weinig tot geen contact is tussen [partner] en hun dochter [Y] en dat [Y] het gehele jaar bij haar verblijft, overweegt het hof dat, nu deze verklaring ongedateerd is, hieruit niet valt op te maken of dit ook de situatie was in de periode die thans van belang is.

Ook heeft de vrouw een verslag overgelegd van Werksaam Westfriesland, naar aanleiding van een door hen verricht huisbezoek vanwege de aanvraag van de vrouw van een bijstandsuitkering. Uit dit verslag blijkt dat het huisbezoek op 3 september 2019 heeft plaatsgevonden, waarbij enkel is geconstateerd dat op dat moment geen persoonlijke spullen van [partner] in het huis van de vrouw aanwezig waren. De waarnemingen tijdens dit huisbezoek zeggen dus niets over de periode en de aspecten van wederzijdse verzorging en gemeenschappelijke huishouding, waarop het tegenbewijs moest zien.

Verder heeft de vrouw stukken overgelegd met betrekking tot de onderbewindstelling van [partner] , met een verwijzing naar de conclusie van Advocaat-Generaal mr. E.M. Wesseling-van Gent van 22 januari 2016 (ECLI:NL:PHR:2016:4), waaruit de vrouw heeft afgeleid dat financiën wel degelijk een rol spelen bij de vraag of sprake is van wederzijdse verzorging. Zoals eerder door dit hof overwogen bij voornoemde beschikking van 30 juli 2019 gaat het bij de vraag of sprake is van wederzijdse verzorging tussen de vrouw en [partner] niet enkel om de vraag of [partner] haar financieel ondersteunt. Het financiële aspect kan een rol spelen, maar daarnaast wegen ook andere factoren mee.

Tot slot heeft de vrouw betaalbewijzen overgelegd van [partner] voor de huur van zijn kamer in [plaats 2] . Deze dateren echter van april 2019 tot en met juli 2019 en zien dus grotendeels niet op de aan de orde zijnde periode. Ook heeft de vrouw niet nader toegelicht hoe deze betaalbewijzen als tegenbewijs kunnen dienen ten aanzien van het vermoeden van wederzijdse verzorging en gemeenschappelijke huishouding.

2.4

De man heeft ook enkele schriftelijke stukken ingediend (bij het onder 1.4 genoemde bericht van 25 februari 2020), waaronder een etiket van een voor [partner] bezorgd pakketje op het adres van de vrouw van 29 juli 2019, een rapport van Veilig Thuis van 17 oktober 2019 en een WhatsApp bericht van [partner] aan de man van 6 januari 2020 overgelegd. Nu deze stukken dateren van na de periode die in deze zaak van belang is, zijn zij niet relevant voor de verdere beoordeling. Daarnaast heeft de man een screenshot overgelegd waaruit blijkt dat [partner] een foto van de twee kinderen van partijen samen met de pasgeboren dochter van de vrouw en [partner] als achtergrond op zijn telefoon heeft, alsmede een kopie van een verjaardagskaart voor de zoon van partijen waaronder ook de naam van [partner] staat. De vrouw heeft beide omstandigheden erkend in haar reactie van 24 april 2020. Naar het oordeel van het hof is dit, daargelaten om welke periode het precies gaat, weliswaar een aanwijzing dat de relatie tussen haar en [partner] niet zo vrijblijvend was als de vrouw doet voorkomen, maar ook dit screenshot heeft weinig bewijskracht waar het gaat om de aspecten wederzijdse verzorging en gemeenschappelijke huishouding.

2.5

Waar de man aldus geen nieuw bewijs van betekenis heeft ingebracht ter ondersteuning van het bewijsvermoeden, heeft de vrouw al met al onvoldoende ingebracht om dat vermoeden te ontzenuwen. Het hof komt daarom tot het oordeel dat de vrouw niet is geslaagd in het aan haar opgedragen tegenbewijs. Het hof neemt dan ook, in samenhang met hetgeen eerder door dit hof is overwogen in rechtsoverweging 5.7 van de beschikking van 30 juli 2019, als vaststaand aan dat tussen de vrouw en [partner] vanaf de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking (6 december 2018), sprake is (geweest) van wederzijdse verzorging en het voeren van een gemeenschappelijke huishouding. Weliswaar heeft het recherche-onderzoek slechts betrekking op de periode vanaf 7 februari 2019, maar er zijn voldoende aanwijzingen dat die situatie zich op dat moment al geruime tijd voordeed. Zoals het hof in zijn beschikking van 30 juli 2019 reeds heeft overwogen, valt bijvoorbeeld uit een facebookbericht van 3 januari 2019 af te leiden dat de vrouw en [partner] voor elkaar hebben gezorgd tijdens ziekte. Verder gingen zij al in 2018 samen met vakantie (naar Parijs) en kwam [partner] de tent opzetten op de camping. Aangezien het hof reeds bij voornoemde beschikking van 30 juli 2019 heeft vastgesteld dat tussen de vrouw en [partner] vanaf 6 december 2018 sprake is van een affectieve relatie en van samenwoning, komt het hof aldus nu tot de conclusie dat vanaf die datum ook sprake was van wederzijdse verzorging en een gemeenschappelijke huishouding. Dat betekent dat reeds op de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking sprake was van een situatie waarin de vrouw en [partner] samenwonen als waren zij gehuwd in de zin van artikel 1:160 BW, zodat de alimentatieplicht van de man op 6 december 2018 meteen van rechtswege is geëindigd.

Terugbetalingsplicht, proceskosten en buitengerechtelijke kosten

2.6

Vervolgens dient het hof te beoordelen of de vrouw is gehouden aan de man te betalen een bedrag van € 4.969,14 (zijnde de kosten van het recherchebureau) en of de vrouw de ontvangen partneralimentatie in de periode vanaf 6 december 2018 – zo begrijpt het hof, nu dit de ingangsdatum van de partneralimentatie is – aan de man dient terug te betalen, dan wel een in goede justitie te bepalen veroordeling, zoals door de man verzocht.

2.7

Nu de verplichting van de man om de vrouw levensonderhoud te verschaffen vanaf 6 december 2018 is geëindigd, zal het hof bepalen dat de vrouw de vanaf deze datum aan haar betaalde bedragen door de man, als onverschuldigd aan haar betaald, aan hem dient terug te betalen.

2.8

Het hof ziet aanleiding de vrouw te veroordelen aan de man de kosten van het onderzoek van het recherchebureau te vergoeden. Doordat de vrouw in strijd met de waarheid de man onkundig heeft gelaten van de werkelijke aard van haar relatie met [partner] , heeft zij jegens de man onzorgvuldig en daarmee onrechtmatig gehandeld. De man heeft daardoor redelijkerwijs kunnen overgaan tot de inschakeling van het recherchebureau. De hoogte van de door dat bureau gemaakte kosten komt het hof niet onredelijk voor. Die kosten vormen daarom redelijke kosten ter vaststelling van de aansprakelijkheid van de vrouw, als bedoeld in artikel 6:96 lid 2, aanhef en onder b. BW en zijn op die grondslag toewijsbaar.

2.9

Het hof ziet voorts aanleiding om de vrouw als de in hoger beroep in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten van de procedure in principaal hoger beroep die volgens het liquidatietarief aan de zijde van de man zijn gevallen. Het hof begroot deze op € 318,- wegens griffierecht en € 3.222,- (3 punten, tarief II) wegens salaris advocaat.

2.10

Gelet op de aard van de procedure en de uitkomst daarvan in eerste aanleg, waarbij partijen over en weer in het (on)gelijk zijn gesteld op ook andere thema’s dan in hoger beroep aan de orde, en de omstandigheid dat de man zijn verzoek, voor zover dat zag op artikel 1:160 BW, pas in hoger beroep voor het eerst voldoende heeft onderbouwd, bestaat onvoldoende aanleiding om de vrouw ook te veroordelen in de kosten van de procedure in eerste aanleg, zoals door de man verzocht.

Slotsom principaal hoger beroep

2.11

Het voorgaande brengt met zich dat de meest verstrekkende grief van de man slaagt en dat de bestreden beschikking zal worden vernietigd voor zover het de partnerbijdrage betreft. De overige grieven van de man behoeven derhalve geen bespreking meer.

In incidenteel hoger beroep

2.12

De advocaat van de vrouw heeft het hof bij het hierboven onder 1.2 genoemde journaalbericht van 12 september 2019 laten weten dat het incidenteel hoger beroep wordt ingetrokken omdat partijen op dit punt tot overeenstemming zijn gekomen. Het hof hoeft hier daarom niet meer op te beslissen.

2.13

Nu partijen in het incidenteel hoger beroep tot overeenstemming zijn gekomen, ziet het hof geen aanleiding om de vrouw te veroordelen tot de kosten van deze procedure in beide instanties, zoals door de man verzocht. Deze kosten zullen worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt

3 Beslissing

Het hof:

in principaal hoger beroep:

vernietigt de beschikking waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en voor zover het de door de man aan de vrouw te betalen uitkering tot levensonderhoud vanaf de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking betreft, en in zoverre opnieuw beschikkende:

verstaat dat de alimentatieverplichting van de man jegens de vrouw met ingang van 6 december 2018 is geëindigd op grond van het bepaalde in artikel 1:160 BW;

veroordeelt de vrouw om de door de man aan haar krachtens de bestreden beschikking betaalde partneralimentatie over de periode van 6 december 2018 tot heden aan hem terug te betalen;

veroordeelt de vrouw om aan de man te betalen een bedrag van € 4.969,14;

veroordeelt de vrouw in de kosten van het principaal hoger beroep, aan de zijde van de man tot deze uitspraak begroot op € 3.540,- gespecificeerd als volgt:

- € 318,- aan griffierecht;

- € 3.222,- aan salaris advocaat;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte;

in incidenteel hoger beroep:

verstaat dat op het incidenteel hoger beroep niet meer behoeft te worden beslist;

compenseert de kosten van het incidenteel hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.R. Sturhoofd, mr. A.V.T. de Bie en mr. M.E. Burger, in tegenwoordigheid van mr. J. van den Wildenberg als griffier, en is op 6 oktober 2020 uitgesproken in het openbaar door de voorzitter.