Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:2806

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
16-09-2020
Datum publicatie
27-10-2020
Zaaknummer
23-000128-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling diefstal en poging tot zware mishandeling, meermalen gepleegd (snelweg, tegen achterzijde politievoertuig gereden). BP uitgebreid. GS 5 maanden m.a.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-000128-19

datum uitspraak: 16 september 2020

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 28 december 2018 in de strafzaak onder parketnummer 13-702304-18 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1990,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

2 september 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

1
hij op of omstreeks 15 augustus 2018 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een voertuig (Volkswagen Golf met kenteken [kenteken]), geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte;

2
hij op of omstreeks 16 augustus 2018 te Purmerend (op de Rijksweg A7), in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] en/of [benadeelde 2], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet: - achter het voertuig van voornoemde [slachtoffer] en/of [benadeelde 2] is/heeft gereden en/of - (vervolgens) extra snelheid heeft gemaakt/extra gas heeft gegeven en/of - met zijn voertuig (met hoge snelheid) tegen/op de achterzijde van het voertuig van voornoemde [slachtoffer] en/of [benadeelde 2] is (in)gereden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere strafoplegging komt dan de rechtbank.

Bewijsoverweging ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde

De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 2 is tenlastegelegd. Hij heeft daartoe aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat de verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, met name niet omdat op grond van het dossier niet kan worden vastgesteld dat de kans dat de gedragingen van de verdachte zwaar lichamelijk letsel bij de politieambtenaren [slachtoffer] en [benadeelde 2] teweeg zouden kunnen brengen, aanmerkelijk is te noemen.

Het hof neemt op grond van de gebezigde bewijsmiddelen het volgende als vaststaand aan.

De verdachte heeft op 15 augustus 2018 omstreeks 23.25 uur te Amsterdam een Volkswagen Golf gestolen. De politieambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] – die in een opvallend dienstvoertuig reden – zagen de Volkswagen Golf met daarin de verdachte na middernacht aan komen rijden over de Rijksweg A7, komend uit de richting van Amsterdam. Zij zetten hierop de achtervolging in en zetten daarbij aan de voorzijde van hun dienstvoertuig het transparant met de tekst “stop politie” aan. Zij reden op dat moment ongeveer 140 km/h. De politieambtenaren [benadeelde 2] en [slachtoffer] – tevens rijdend in een opvallend dienstvoertuig – voegden vervolgens vóór de verdachte in op de Rijksweg A7 (Purmerend-Noord) en reden daarbij ongeveer 110 km/h. [benadeelde 2], die optrad als bestuurder van laatstbedoeld voertuig, zag in haar binnenspiegel dat de koplampen van de Volkswagen Golf die achter haar reed, zich kortstondig verder van haar dienstvoertuig verwijderden. Direct daarna zag zij dat die koplampen weer dichterbij kwamen. [verbalisant 1] kreeg op dat moment de indruk dat de auto van de verdachte het voertuig van [benadeelde 2] en [slachtoffer] zou gaan ‘rammen’. Vervolgens klapte de auto van de verdachte hard tegen de achterkant van het dienstvoertuig van [benadeelde 2] en [slachtoffer], waardoor het dienstvoertuig naar voren schoot. [benadeelde 2] is hierdoor hard met haar hoofd tegen de hoofdsteun van haar bestuurdersstoel geklapt. Zij was door de klap van de aanrijding korte tijd niet bezig met de besturing van het dienstvoertuig en had daarover enkele seconden niet de volledige controle. De verdachte passeerde het dienstvoertuig van [benadeelde 2] en [slachtoffer] vervolgens aan de linkerzijde en reed daarbij deels in de berm. De twee dienstvoertuigen bleven de verdachte achtervolgen met snelheden tot 186 km/h. Ter hoogte van de Rijksweg A7, hectometerpaal 22.7, reed de verdachte een vrachtwagen van achter aan. Terwijl de verdachte verder reed, kwamen er oranje vonken van de Volkswagen Golf af die naar mate de achtervolging voortduurde in hevigheid toenamen. De verdachte is ter hoogte van de afrit Wijdewormer, in de berm, aangehouden. De gestolen Volkswagen Golf is uiteindelijk volledig uitgebrand.

Het hof is, anders dan de raadsman, van oordeel dat de kans op een ernstig verkeersongeval met zwaar lichamelijk letsel als gevolg door de gedragingen van de verdachte in opgemelde omstandigheden als aanmerkelijk kan worden beschouwd. Daarbij betrekt het hof in het bijzonder:

i) de hoge snelheid waarmee de door [benadeelde 2] bestuurde politieauto reed toen deze door de verdachte werd aangereden;

ii) dat de verdachte die politieauto (met hoge snelheid) van achteren hard heeft geraakt (zodanig hard dat het dienstsvoertuig daardoor naar voren is geschoten en [benadeelde 2] hard met haar hoofd tegen de hoofdsteun van haar bestuurdersstoel is geklapt) en

iii) dat [benadeelde 2] ten gevolge van de klap enkele seconden niet bezig was met het besturen van haar voertuig en tijdelijk niet de volledige controle over haar voertuig had.

De aanmerkelijke kans bestond met name uit de (in de gegeven omstandigheden) reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid dat [benadeelde 2] ten gevolge van de harde klap de macht over het stuur zou verliezen

en dat haar voertuig met de door haar gereden snelheid zou uitbreken en/of op enigerlei wijze in botsing zou komen met andere voertuigen (zoals die van de verdachte) of de vangrail of de bomen die langs de weg stonden.

Gelet op de uiterlijke verschijningsvorm van zijn gedragingen kan het niet anders zijn dan dat de verdachte die aanmerkelijke kans ook willens en wetens heeft aanvaard. Uit de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden kan immers worden afgeleid dat de verdachte doelbewust op de politieauto is ingereden. Het hof neemt daarbij nog in ogenschouw dat de verdachte ook een andere aanrijding – gevolgd op de aanrijding van het dienstvoertuig van [benadeelde 2] en [slachtoffer] – niet heeft geschuwd. Van contra-indicaties is niet gebleken.

Het tot vrijspraak strekkende verweer wordt dan ook verworpen; het onder 2 tenlastegelegde kan wettig en overtuigend worden bewezen op de wijze als na te melden.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1
hij op 15 augustus 2018 te Amsterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een Volkswagen Golf met kenteken [kenteken], toebehorende aan [benadeelde 1].

2
hij op 16 augustus 2018 te Purmerend (op de Rijksweg A7) ter uitvoering van het door de verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] en [benadeelde 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet achter het voertuig van [slachtoffer] en [benadeelde 2] heeft gereden, vervolgens snelheid heeft gemaakt en met zijn voertuig (met hoge snelheid) tegen de achterzijde van het voertuig van [slachtoffer] en [benadeelde 2] is gereden.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

diefstal.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

poging tot zware mishandeling, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven maanden met aftrek van voorarrest, waarvan twee maanden voorwaardelijk en met een proeftijd van twee jaren. Daarbij zijn diverse algemene en bijzondere voorwaarden gesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof dezelfde straf zal opleggen als de rechtbank heeft gedaan, met dien verstande dat de in eerste aanleg gestelde voorwaarde omtrent de medewerking aan het vinden van woonruimte of een plaatsing bij een instelling voor begeleid wonen kan komen te vervallen.

De raadsman heeft, in geval van bewezenverklaring, het hof verzocht de verdachte, nu hij reeds vijf maanden in voorarrest heeft verbleven, geen (voorwaardelijke) straf op te leggen en geen bijzondere voorwaarden te stellen.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal van een auto. Een dergelijke diefstal is een hinderlijk feit dat doorgaans (grote) financiële schade, rompslomp en veel ongemak met zich brengt. Dat geldt in deze zaak al helemaal, omdat de gestolen auto door toedoen van de verdachte uiteindelijk geheel is uitgebrand. Met zijn handelen heeft de verdachte er blijk van gegeven geen respect te hebben voor het eigendomsrecht van anderen.

Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling door op de snelweg met de zojuist door hem gestolen auto hard tegen een politievoertuig met daarin twee politieambtenaren aan te botsen, waardoor de aanmerkelijke kans op een (fors) ongeval in het leven werd geroepen. Het is niet aan de verdachte te danken dat hierbij geen zwaargewonden zijn gevallen. Wel is de bestuurster van het politievoertuig ten gevolge van het incident met nekklachten komen te kampen en is haar gevoel voor veiligheid aangetast. Ook haar collega zal het voorval bepaald niet in de koude kleren zijn gaan zitten.

Op grond van het bovenstaande zou, mede in het licht van de straffen die in vergelijkbare zaken zijn uitgesproken, een straf die vergelijkbaar is met de straf die door de rechtbank is opgelegd en door de advocaat-generaal is gevorderd, op zijn plaats zijn geweest indien de bewezen geachte feiten volledig aan de verdachte hadden kunnen worden toegerekend.

Psycholoog [naam 1] en psychiater [naam 2] hebben op 30 november 2018 onderscheidenlijk 3 november 2018 een rapport uitgebracht omtrent de persoon van de verdachte. De deskundigen hebben geconcludeerd dat de verdachte ten tijde van het tenlastegelegde behept was met een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van een persoonlijkheidsstoornis met borderline, narcistische, antisociale en histrionische (theatrale) trekken en leed aan een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de vorm van een (ziekte)angststoornis. Deze problematiek heeft in aanzienlijke mate bijgedragen aan de totstandkoming van het tenlastegelegde. Daarom adviseren de deskundigen de ten laste gelegde feiten in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen.

Nu de conclusies van de deskundigen worden gedragen door hun bevindingen, neemt het hof die over en maakt deze tot de zijne. Het hof rekent de bewezenverklaarde feiten de verdachte daarom in verminderde mate toe. Dit heeft een matigend effect op de hoogte van de op te leggen gevangenisstraf.

Tegen die achtergrond bestaat naar het oordeel van het hof geen ruimte om de verdachte een vrijheidsstraf op te leggen waarvan de duur langer is dan de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, te weten vijf maanden. Dit betekent dat het hof de door de rechtbank opgelegde en de door de advocaat-generaal geëiste straf te hoog vindt en ook dat er geen ruimte meer is voor een aanvullend voorwaardelijk strafdeel (al dan niet onder het stellen van bijzondere voorwaarden). Alles overziend acht het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft zich ter zake van het onder 1 tenlastegelegde in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.582,80 en strekt tot compensatie van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 135,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd. Het hof heeft in hoger beroep daarom te oordelen over de gevorderde schadevergoeding voor zover deze in eerste aanleg is toegewezen.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot een bedrag van € 135,00, vermeerderd met de wettelijke rente, moet worden toegewezen en dat terzake daarvan de schadevergoedingsmaatregel moet worden opgelegd.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot een bedrag van € 135,00 toewijsbaar is.

Het hof overweegt dat uit het onderzoek ter terechtzitting voldoende is gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezen verklaarde handelen van de verdachte tot een bedrag van € 135,00 rechtstreeks materiële schade heeft geleden, mede omdat de onderbouwde stellingen van de benadeelde partij dienaangaande van de zijde van de verdachte niet gemotiveerd zijn betwist. De verdachte is tot vergoeding van die schade, te vermeerderen met de wettelijke rente, gehouden zodat de vordering, die het hof niet ongegrond of onrechtmatig voorkomt, zal worden toegewezen. Het hof zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

De benadeelde partij [benadeelde 2] heeft zich terzake van het onder 2 tenlastegelegde in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 605,00 en strekt tot compensatie van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering is bij vonnis waarvan beroep integraal toegewezen. De vordering is daarom in hoger beroep opnieuw aan de orde.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering, vermeerderd met de wettelijke rente, moet worden toegewezen en dat ter zake daarvan de schadevergoedingsmaatregel moet worden opgelegd.

Namens de verdachte is aangevoerd dat de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard, gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsman het hof verzocht de omvang van de immateriële schade te begroten op € 165,00.

Het hof overweegt als volgt.

Nu het hof bewezen heeft geacht dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 2 tenlastegelegde, staat vast dat hij jegens de benadeelde partij onrechtmatig heeft gehandeld. Hij is dan ook gehouden tot compensatie van de voor vergoeding in aanmerking komende schade die daardoor rechtstreeks is veroorzaakt.

De benadeelde partij heeft gesteld en onderbouwd dat zij naar aanleiding van het incident enige tijd met nekklachten heeft gekampt, hiervan pijn en hinder heeft ondervonden en hiervoor medische hulp heeft gezocht. Zijdens de verdachte is dit een en ander niet gemotiveerd betwist, zodat in zoverre vast is komen te staan dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden. De begroting van de omvang van immateriële schade is voorbehouden aan de rechter, die daarbij niet is gebonden aan de gewone regels omtrent stelplicht en bewijslast. Het hof zal de omvang van deze immateriële schade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 BW naar maatstaven van billijkheid schatten op € 250,00. Daarbij is in het bijzonder gelet de aard en de duur van de bekomen fysieke klachten en de schadevergoeding die in vergelijkbare gevallen door rechters is toegekend. De verdachte is tot dat bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente, tot schadevergoeding gehouden. Om te bevorderen dat die schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze.

De benadeelde partij heeft voorts gesteld dat zij ten gevolge van het incident diverse nachten slecht geslapen heeft, onder meer door ‘wat als’ gedachten, en dat zij zich nog angstig en onzeker in auto’s voelt. De vraag die voorligt is, of de benadeelde partij hiermee op andere wijze in de persoon is aangetast in de zin van artikel 6:106 lid 1, aanhef en onder b, BW. Van een dergelijke aantasting in de persoon is in ieder geval sprake indien de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandig-heden van het geval psychische schade is ontstaan, waartoe nodig is dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Voor het aannemen van een persoonsaantasting is niet voldoende dat sprake is geweest van meer of minder sterk psychisch onbehagen of een zich gekwetst voelen. Daarnaast kunnen de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde meebrengen dat van de in artikel 6:106 lid 1, onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon op andere wijze sprake is. In beginsel zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. In voorkomend geval kunnen de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.

Naar het oordeel van het hof is hetgeen de benadeelde partij heeft gesteld ontoereikend om te kunnen spreken van een aantasting van de persoon op andere wijze in evenbedoelde zin. Zo heeft zij geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht waaruit het bestaan van geestelijk letsel kan worden afgeleid. Daarnaast is gesteld noch gebleken dat hier een situatie aan de orde is waarin uit de ernst van de normaantasting en de gevolgen daarvan volgt dat van een dergelijke aantasting sprake is. Dat betekent dat er voor hetgeen ter compensatie van immateriële schade méér is gevorderd geen wettelijke grondslag is aan te wijzen. Dit deel van de vordering zal dan ook worden afgewezen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 36f, 45, 57, 302 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 135,00 (honderdvijfendertig euro) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd

[benadeelde 1], ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 135,00 (honderdvijfendertig euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 2 (twee) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de schade op 15 augustus 2018.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 250,00 (tweehonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Wijst hetgeen ter compensatie van immateriële schade méér of anders is gevorderd af.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2], ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 250,00 (tweehonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 5 (vijf) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de schade op 16 augustus 2018.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. H.M.J. Quaedvlieg, mr. J.J.I. de Jong en mr. J.W.P. van Heusden, in tegenwoordigheid van mr. S. Bonset, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

16 september 2020.

mr. J.W.P. van Heusden is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.