Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:2805

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
16-09-2020
Datum publicatie
27-10-2020
Zaaknummer
23-001088-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling diefstal door twee of meer verenigde personen en poging tot diefstal met valse sleutels (flipperen). GS 10 maanden m.a.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-001088-20

datum uitspraak: 16 september 2020

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 4 mei 2020 in de strafzaak onder parketnummer

13-113393-20 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Algerije) op [geboortedag] 1950,

ter terechtzitting opgegeven postadres: [adres 1],

thans gedetineerd in P.I. Ter Apel, Gevangenis te Ter Apel.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

2 september 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

1
hij op of omstreeks 23 april 2020 te Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,(in/uit een woning, gelegen aan/bij de [adres 2]) een hoeveelheid sieraden, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 1], heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

2
hij op of omstreeks 20 februari 2020 te Amsterdam, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, (in/uit een woning, gelegen aan/bij de [adres 3]) een of meer voorwerpen, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 2], weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/hun bereik te brengen door middel van

braak en/of verbreking en/of een valse sleutel,met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen, naar voornoemde woning is gegaan waarna hij, verdachte en/of zijn mededader(s) een of meer voorwerpen (ondermeer een plastic voorwerp) bij en/of langs de deurknop en/of (een slot van) een deur van voornoemde woning heeft/hebben gebracht en/of gehaald, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.

Bewijsoverwegingen

Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde

De raadsvrouw heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde feit moet worden vrijgesproken. Daartoe heeft zij aangevoerd dat bij de diefstal geen sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en diens medeverdachte(n) en voorts niet kan worden vastgesteld welk aandeel de verdachte daarin dan zou hebben gehad.

Op basis van de gebezigde bewijsmiddelen neemt het hof het volgende als vaststaand aan.

Op 23 april 2020 liepen drie mannen op de hoek van de/het [plek] te Amsterdam. Eén van de mannen was circa 60 jaar, droeg een grijs pak en een grijze ‘opa-pet’, had een slank postuur en een donkere huidskleur. De mannen liepen richting de Marnixstraat. Zij liepen vervolgens een portiek in en kwamen daar even later weer uit. Kort daarna liepen zij, ter hoogte van het Van [plek], opnieuw een ander portiek uit. Vervolgens stonden de drie mannen in het portiek van de [adres 4]. Zij bleven in het portiek staan en keken herhaaldelijk om zich heen. Op enig moment liepen de mannen gezamenlijk het trapportaal van de woning in. De bewoonster van het adres [adres 5] hoorde vervolgens vanaf de bovenverdieping van het huis beneden geluiden. Toen zij de trap afliep, zag zij in de hal van [adres 2] drie mannen staan die zij niet kende. Toen de mannen haar zagen, zijn zij de woning uitgerend en gevlucht. Tijdens hun vlucht is door een bouwvakker een aantal spullen uit de handen van één van mannen – naar later bleek: [medeverdachte] – getrokken. Dit bleken de sieraden van [slachtoffer 1] te zijn, bewoonster van de [adres 2]. De oudere man in het grijze pak liep tijdens zijn vlucht weg op de Frederik Hendrikstraat in de richting van het Frederik Hendrikplantsoen. Door een politieambtenaar werd in een zijstraat van de Marnixkade – nabij het Frederik Hendrikplantsoen – een persoon gezien die voldeed aan voornoemd signalement van de oudere man. Nadat deze persoon zich had gelegitimeerd, bleek dit de verdachte te zijn. Hierop is hij aangehouden.

Het hof is van oordeel dat uit de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden volgt dat het niet anders kan dan dat de verdachte op 23 april 2020 tezamen met twee anderen doelbewust op ‘dievenpad’ was. Ter uitvoering van hun plan hebben zij gezamenlijk verschillende portieken van woningen betreden en gezocht naar een woning waar iets van hun gading te vinden kon zijn. Toen zij een geschikte woning hadden gevonden – aan de [adres 4] – zijn zij gezamenlijk naar binnen gegaan en heeft de medeverdachte [medeverdachte] daar sieraden weggenomen. Nadat zij waren betrapt, zijn zij alle drie (gezamenlijk) de woning uit gevlucht en weggerend.

Het hof leidt uit de uiterlijke verschijningsvorm van de gedragingen tussen de verdachte en de mededaders af dat bij de gewraakte diefstal sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking die in de kern bestond uit een gezamenlijke uitvoering. Daarbij is ieders rol inwisselbaar geweest, in die zin dat [medeverdachte] daar kennelijk op waardevolle goederen is gestuit en deze onder zich heeft genomen, maar dat de verdachte ditzelfde zou hebben gedaan als hij degene zou zijn geweest die tegen dergelijke voorwerpen zou zijn aangelopen. Bij dit alles is betrokken dat de verdachte geen plausibele verklaring heeft afgelegd die een andere interpretatie van hetgeen is vastgesteld rechtvaardigt. Daarmee acht het hof het tenlastegelegde medeplegen (van diefstal) wettig en overtuigend bewezen. Het tot vrijspraak stekkende verweer wordt in beide onderdelen verworpen.

Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde

Ook ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde heeft de raadsvrouw zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken. Daartoe is aangevoerd dat op basis van de beschikbare foto’s (stills) niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat er gepoogd is in te breken door te ‘flipperen’. Uit de foto’s blijkt immers niet wat er daadwerkelijk (bij de deur) is gebeurd. Daarbij komt dat kan worden vastgesteld dat de handelingen die door de persoon zijn verricht, niet hebben plaatsgevonden bij de deur op het adres [adres 3] maar bij de deur ernaast: [adres 6], aldus de raadsvrouw.

Het hof overweegt als volgt.

Op 20 februari 2020 zag de bewoonster van de woning gelegen aan de [adres 3] op beelden van haar deurbelcamera dat twee onbekende personen voor de voordeur stonden. Op de beelden is – meer bepaald – te zien dat gepoogd werd haar voordeur en de voordeur van de buren te openen. De persoon die door verschillende politieambtenaren is herkend als zijnde de verdachte, voelde en drukte aan de rechterdeur met zijn hand. Hij bewoog vervolgens een voorwerp van boven naar beneden langs de deur, welke handelwijze bekend staat als ‘flipperen’. Toen het hem niet lukte om met het voorwerp de deur te openen, deed de verdachte alsof hij op de bel drukte en liep hij samen met de medeverdachte weg.

Politieambtenaar [verbalisant] heeft de van het incident beschikbare bewegende camerabeelden bekeken, gefilmd vanuit verschillende cameraposities, waardoor het gehele fysiek en de manier van bewegen van de dader te zien is. Dat gegeven, in combinatie met de stills in het dossier – die van redelijke kwaliteit zijn – maakt dat er op grond van deze camerabeelden naar het oordeel van het hof door genoemde politieambtenaar een betrouwbare waarneming heeft kunnen plaatsvinden van hetgeen voor de desbetreffende deur(en) heeft plaatsgevonden en dat het daarvan opgemaakte proces-verbaal niet als onbetrouwbaar kan worden bestempeld. Daarbij komt nog dat via de deurbelcamera tevens geluiden te horen zijn. Er is op enig moment gezegd: “Is het van het alarm af?”. Daarnaast was ten tijde van de handelingen bij de deurknop het geluid van plastic te horen. Anders dan de raadsvrouw meent, staat de omstandigheid dat zich in het dossier geen gegevensdrager met de betreffende beelden bevindt, niet in de weg aan het bezigen tot het bewijs van het omtrent die beelden opgemaakte proces-verbaal. Voor zover zou kunnen worden aangenomen dat, zoals door de raadsvrouw is aangevoerd, de verdachte zijn gewraakte handelen niet bij de voordeur van het adres [adres 3], maar bij die van het naastgelegen adres [adres 6] heeft verricht, doet dat niet af aan het oordeel van het hof dat door de verdachte is gepoogd te stelen in/uit een woning gelegen aan en/of bij de [adres 3], zodat dit verweer hoe dan ook niet tot het door de raadsvrouw beoogde gevolg kan leiden.

Gelet op het vorenstaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich aan het onder 2 tenlastegelegde schuldig heeft gemaakt op de wijze als na te melden. Het tot vrijspraak strekkende verweer wordt in beide onderdelen verworpen. Het hof acht evenwel niet bewezen dat de verdachte het feit tezamen en in vereniging met de medeverdachte heeft gepleegd, nu onvoldoende vast staat dat deze een voldoende wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan de poging tot inbraak. In zoverre zal de verdachte worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1
hij op 23 april 2020 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, in een woning gelegen aan de [adres 2], sieraden die toebehoorden aan [slachtoffer 1], heeft weggenomen met het oogmerk om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen;

2
hij op 20 februari 2020 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om in/uit een woning, gelegen aan/bij de [adres 3], een of meer voorwerpen die aan een ander toebehoorde(n), weg te nemen met het oogmerk om het/deze zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen door middel van een valse sleutel, naar voornoemde woning is gegaan, waarna hij een plastic voorwerp bij en/of langs een slot van een deur van de woning heeft gebracht en/of gehaald, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

diefstal door twee of meer verenigde personen.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

poging tot diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van valse sleutels.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf en verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis

De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien maanden met aftrek van voorarrest.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.

De raadsvrouw heeft het hof, in geval van bewezenverklaring, verzocht de verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen waarvan de duur uitstijgt boven die van het inmiddels door hem ondergane voorarrest.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal in vereniging van sieraden in een woning en aan een poging tot woninginbraak. Aldus heeft de verdachte een gebrek aan respect voor andermans eigendommen aan de dag gelegd. Woninginbraken en diefstallen uit woningen veroorzaken niet alleen overlast en (mogelijk) materiële schade, maar zorgen vooral voor gevoelens van onveiligheid en onbehagen bij de bewoners, terwijl de eigen woning bij uitstek de plek is waar men zich veilig moet kunnen voelen. Daarnaast dragen dergelijke delicten ook in bredere zin bij aan gevoelens van onveiligheid in de samenleving, bijvoorbeeld bij buurtbewoners. Het hof rekent het de verdachte aan dat hij zich kennelijk slechts heeft laten leiden door zijn eigen financiële gewin en zich niet heeft bekommerd om de gevolgen van zijn handelen voor anderen.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 21 augustus 2020 is hij eerder veelvuldig ter zake van vermogensmisdrijven onherroepelijk veroordeeld, waaronder tot onvoorwaardelijke gevangenisstraffen. Het hof weegt deze omstandigheid sterk in het nadeel van de verdachte.

Het hof heeft gelet op de straffen die in soortgelijke gevallen aan recidivisten plegen te worden opgelegd. De door de politierechter opgelegde straf loopt daarmee in de pas en het hof neemt die dan ook tot uitgangspunt. In hetgeen door de raadsvrouw is aangevoerd omtrent de persoonlijke situatie van de verdachte ziet het hof geen aanleiding om daarvan af te wijken. Ook overigens ziet het hof geen redenen om een andere of lagere straf op te leggen.

Alles afwegende, is het hof is van oordeel dat de vrijheidsstraf zoals die door de politierechter is opgelegd zonder meer gerechtvaardigd is. Dit betekent dat een situatie als bedoeld in artikel 67a, derde lid, Wetboek van Strafvordering zich thans niet voordoet, zodat het door de raadsvrouw gedane verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis van de verdachte wordt afgewezen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 45, 57 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst af het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis van de verdachte.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. H.M.J. Quaedvlieg, mr. J.J.I. de Jong en mr. J.W.P. van Heusden, in tegenwoordigheid van mr. S. Bonset, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

16 september 2020.

mr. J.W.P. van Heusden is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.