Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:278

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
04-02-2020
Datum publicatie
06-02-2020
Zaaknummer
23-004643-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

Tussenrarrest in zaak Veldbloem (coldcase uit 1992). Feiten niet verjaard, hof doet zaak zelf af.

Onderzoekswensen van de verdediging merendeels afgewezen. Zaak verwezen naar de raadsheer-commissaris voor het horen van vier getuigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2020/201
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-004643-18

datum uitspraak: 4 februari 2020

Tegenspraak

TUSSENARREST van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 18 december 2018 in de strafzaak onder parketnummer 15-872259-17 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

thans gedetineerd in Penitentiaire Inrichting Zaanstad te Westzaan.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 21 januari 2020.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte, zijn raadsman en de advocaat van de nabestaanden / benadeelde partij naar voren is gebracht.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging

De onderhavige feiten zouden blijkens de tenlastelegging zijn gepleegd in of omstreeks de periode van 7 juni 1992 tot en met 8 juni 1992. Zonder stuiting zou het recht tot strafvordering van de tenlastegelegde doodslag (welk feit ligt besloten in feit 1 subsidiair) en verkrachting (feit 2) volgens de toentertijd geldende regels op 9 juni 2012 zijn verjaard.

Verjaring van het recht tot strafvordering steunt op de gedachte dat het in de regel na een bepaald tijdsverloop niet meer nodig is met vervolging en bestraffing te reageren op de door het strafbare feit veroorzaakte verstoring van de rechtsorde. Door van zijn bevoegdheid tot het verrichten van een daad van vervolging gebruik te maken – waaraan artikel 72, eerste lid, Wetboek van Strafrecht (Sr) het rechtsgevolg van stuiting van de verjaring verbindt – brengt het openbaar ministerie tot uitdrukking dat de inbreuk op de rechtsorde (nog steeds) strafvervolging vereist.

De vraag die in deze zaak voorligt, is of de verjaring op enig moment door een daad van vervolging is gestuit. Het hof beantwoordt deze vraag bevestigend, op grond van het volgende.

Op 23 december 2005 heeft het openbaar ministerie gevorderd dat de rechter-commissaris machtiging zou verlenen voor het geven van een bevel tot het opnemen van telecommunicatie (zonder welke machtiging een telefoontap rechtens niet geoorloofd was). Naar het oordeel van het hof is deze vordering een daad van vervolging, nu het een handeling betreft die erop was gericht een voor tenuitvoerlegging vatbare beslissing van de rechter te verkrijgen. Met de vordering is ook onmiskenbaar het toenmalige standpunt van het openbaar ministerie, dat de inbreuk op de rechtsorde nog steeds strafvervolging vereiste, tot uitdrukking gebracht. De omstandigheid dat de regeling omtrent de desbetreffende vordering in het Wetboek van Strafvordering in de titel omtrent bijzondere bevoegdheden tot opsporing was (en is) neergelegd, maakt dat niet anders. Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat de Hoge Raad in de kennelijk door de raadsman bedoelde jurisprudentie de vordering tot het verkrijgen van een tapmachtiging niet heeft genoemd, nu daarin geen sprake is van een limitatieve opsomming van stuitingshandelingen.

Een en ander brengt mee dat op 23 december 2005 de verjaring is gestuit en een nieuwe verjaringstermijn is aangevangen. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat het recht tot strafvordering voor doodslag en verkrachting sinds 1 april 2013 niet meer verjaart, is het recht tot strafvordering voor deze feiten niet vervallen door verjaring. Het openbaar ministerie is dan ook ontvankelijk in de vervolging van deze feiten.

Nu de rechtbank het openbaar ministerie ter zake van de doodslag en de verkrachting niet-ontvankelijk heeft verklaard in de vervolging rijst de vraag of de zaak naar de rechtbank moet worden teruggewezen, zoals de raadsman heeft verzocht. Op basis van artikel 423, tweede lid, Wetboek van Strafvordering (Sv) doet het gerechtshof in een geval als het onderhavige de zaak zelf af indien de hoofdzaak niet door de rechtbank is beslist, tenzij de verdediging ter terechtzitting terugwijzing verlangt. De ratio van deze bepaling is dat een inhoudelijke behandeling van de zaak in twee instanties kan worden gerealiseerd. Aan die ratio wordt echter niet tekort gedaan indien wordt afgezien van terugwijzing van de zaak. De rechtbank heeft immers inhoudelijk geoordeeld over de doodslag en de verkrachting, nu deze deel uitmaken van de gekwalificeerde doodslag – te weten doodslag die is vergezeld en/of voorafgegaan van verkrachting –, terzake waarvan de verdachte is veroordeeld. Aldus zijn feitelijk de verdenking van de doodslag en de verdenking van de verkrachting in eerste aanleg ten volle aan de orde gekomen, zodat, geen reden tot terugwijzing bestaat. Het hof zal de zaak dan ook zelf afdoen.

De overwegingen en beslissingen op verzoeken en vorderingen

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 21 januari 2020 verzocht:

a. a) contra-onderzoek te laten verrichten door het IFS dan wel een ander onafhankelijk onderzoekbureau;

b) de volgende getuigen te horen:

1. [getuige 1]

2. [getuige 2]

3. [getuige 3]

4. [getuige 4]

5. [getuige 5]

6. [getuige 6] en [getuige 7] (dochters van de verdachte)

7. [getuige 8] (vrouw van de verdachte)

8. [getuige 9]

9. Vrouw van [getuige 9]

10. [getuige 11]

11. [getuige 12]

12. [getuige 13] ;

c) het volledige onderzoekdossier aan het dossier toe te voegen;

d) nader onderzoek naar het dagboek van het slachtoffer te laten verrichten.

Voorts heeft de raadsman het voorbehoud gemaakt eventueel alsnog het verzoek te doen de getuigen [getuige 14] en [getuige 15] te horen;

De advocaat-generaal heeft, voor het geval het hof zou beslissen dat een of meer van de hierboven onder 1 tot en met 5 en 11 en 12 genoemde getuigen moet(en) worden gehoord, gevorderd de verdachte voorafgaand en na afloop van die getuigenverhoren te doen horen.

Mr. Korver heeft verzocht in het kader van de uitoefening van het spreekrecht (ook) na pleidooi het woord te mogen voeren over het bewijs en de strafoplegging.

Het hof overweegt en beslist als volgt:

Verzoeken van de verdediging

ad a)

Het verzoek tot het verrichten van contra-expertise door een onafhankelijk onderzoeksbureau wordt afgewezen, nu de noodzaak daartoe niet is gebleken. De onderzoekresultaten van het NFI zijn door de verdediging niet (gemotiveerd) betwist. Daar komt bij dat de verdachte bij de rechtbank heeft verklaard enkele dagen voorafgaand aan de tenlastegelegde feiten seksueel contact te hebben gehad met het slachtoffer, van welke verklaring de verdachte niet is teruggekomen. Dat op het slachtoffer aangetroffen sporen het DNA van de verdachte kunnen bevatten, is daarmee evenmin betwist. Voorts heeft nader onderzoek plaatsgevonden door het TMFI en zijn dienaangaande deskundigen gehoord. Gelet op een en ander acht het hof zich voldoende ingelicht. Ten overvloede overweegt het hof dat de beantwoording van de vraag of de aangetroffen sporen aangemerkt kunnen/moeten worden als dadersporen, is voorbehouden aan het hof.

ad b)

Het hof toetst de getuigenverzoeken aan de maatstaf van het verdedigingsbelang. De verdachte is alleen dan redelijkerwijs niet in zijn belangen geschaad indien de punten waarover de getuige kan verklaren in redelijkheid niet van belang kunnen zijn voor enige in zijn strafzaak te nemen beslissing dan wel indien redelijkerwijze moet worden uitgesloten dat die getuige iets over bedoelde punten zou kunnen verklaren.

  • -

    Het verzoek de onder 1 t/m 5 genoemde getuigen te horen, wordt afgewezen. De verdachte heeft ten aanzien van deze personen enkel (en pas in hoger beroep) verklaard dat zij mogelijk iets over de beweerdelijke geheime relatie tussen de verdachte en het slachtoffer zouden kunnen zeggen. Niet is gesteld dat de verdachte met hen daadwerkelijk over die relatie heeft gesproken of dat zij daar anderszins van op de hoogte waren. Gelet op de gegeven onderbouwing moet redelijkerwijs worden uitgesloten dat de verzochte getuigen iets over de beweerdelijke geheime relatie zouden kunnen verklaren.

  • -

    Het verzoek tot het horen van de onder 8 genoemde getuige wordt afgewezen nu redelijkerwijs moet worden uitgesloten dat deze getuige, gelet op de weergave van diens verklaring van 8 juni 1992 (ZD 236), meer kan verklaren over hetgeen de raadsman hem wil vragen – nl. de door de getuige waargenomen fiets – dan hij destijds heeft gedaan.

  • -

    Het verzoek tot het horen van de onder 10 genoemde getuige is in het geheel niet onderbouwd, zodat het hof het verzoek reeds op die grond afwijst.

  • -

    Het verzoek tot het horen van de onder 11 en 12 genoemde getuigen wordt afgewezen nu niet is onderbouwd over welke punten de getuigen zouden kunnen verklaren, anders of meer dan hetgeen zij eerder hebben verklaard.

  • -

    Het verzoek tot het horen van de onder 6, 7 en 9 genoemde getuigen wordt toegewezen. Het hof verwijst de zaak naar de vaste raadsheer-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in dit gerechtshof, voor het horen van deze getuigen, te weten:

 [getuige 6]

 [getuige 7]

 [getuige 8]

 De (toenmalige) echtgenote van [getuige 9]

De stukken worden daartoe in handen gesteld van de vaste raadsheer-commissaris;

ad 3)

Het verzoek tot het voegen in het dossier van het volledige onderzoeksdossier wordt afgewezen nu de noodzaak daartoe niet is gebleken. Het hof gaat ervan uit dat alle stukken die redelijkerwijs van belang kunnen zijn voor de door het hof te nemen beslissingen zich thans in het strafdossier bevinden. De advocaat-generaal heeft toegezegd dat de raadsman in de gelegenheid wordt gesteld op een politiebureau kennis te nemen van het volledige onderzoeksdossier (welke gelegenheid overigens ook in eerste aanleg aan de toenmalige raadsman van de verdachte is geboden). De raadsman kan vervolgens gemotiveerd verzoeken relevante delen daarvan in het dossier te voegen. Aan de raadsman wordt een termijn van drie maanden na heden gegund voor het indienen van zo’n verzoek, waarna een nadere regiezitting kan worden gehouden.

ad 4)

Het verzoek tot het verrichten van nader onderzoek naar het dagboek van het slachtoffer wordt afgewezen. Uit (voldoende uitvoerig) onderzoek is naar voren gekomen dat een dergelijk dagboek niet bestaat. In de door de raadsman gegeven onderbouwing ziet het hof geen aanknopingspunten om hieraan te twijfelen.

De voorwaardelijke vordering van de advocaat-generaal

De voorwaardelijke vordering van de advocaat-generaal tot het horen van de verdachte behoeft geen bespreking, nu niet aan de gestelde voorwaarde is voldaan.

Verzoek van mr. Korver

In aansluiting op de regeling in het Wetboek van Strafvordering en naar vast beleid van het hof kan het spreekrecht eenmalig voorafgaand aan het requisitoir worden uitgeoefend. Het verzoek de uitoefening van het spreekrecht (mede) ná (het requisitoir en) het pleidooi te laten plaatsvinden, wordt dan ook afgewezen.

Beslissingen:

Verwijst de zaak naar de vaste raadsheer-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in dit gerechtshof, teneinde als getuigen te horen:

 [getuige 6] , geboren op [geboortedatum] , wonende aan de [adres] ;

 [getuige 7] , geboren op [geboortedatum] , wonende aan de [adres] ;

 [getuige 8] , geboren op [geboortedatum] , wonende aan de [adres] ;

 De (toenmalige) echtgenote van [getuige 9] , (destijds) wonende aan [adres] .

De stukken worden hiertoe in handen gesteld van de vaste raadsheer-commissaris voornoemd.

Bepaalt dat de raadsman binnen drie maanden na heden een verzoek kan indienen inzake de voeging in het strafdossier van relevante onderdelen van het onderzoeksdossier.

Dit tussenarrest is gewezen door de eerste meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.M. van Woensel, mr. H.M.J. Quaedvlieg en mr. M.L.M. van der Voet, in tegenwoordigheid van mr. J.G.W.M. Lut, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 4 februari 2020.