Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:277

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
04-02-2020
Datum publicatie
14-02-2020
Zaaknummer
23-000119-17
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2021:694
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WWM; 359a verweer verworpen, de volgens r.m. begane verzuimen zijn begaan in een vooronderzoek naar verdenking die in h.b. niet aan de orde is. Ook verweer dat vd zich niet bewust was van de aanwezigheid van de wapens in zijn woning verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 23-000119-17

Datum uitspraak: 4 februari 2020

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 27 december 2016 in de strafzaak onder parketnummer 15-973033-14 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1981,

adres: [adres 1].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 21 januari 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak ten aanzien van het op [adres 2] aangetroffen pistool. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen de beslissing tot vrijspraak van gevoegde feiten waarvan hij is vrijgesproken geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, ten laste gelegd dat:

(ZD C10 en C19) hij op of omstreeks 9 september 2014 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, een of meer wapens van categorie I en/of III, te weten: (aangetroffen op 9 september 2014 te [adres 3])

- 1 x pistool, merk SIG, model 210, kaliber 9mm Para, inclusief patroonmagazijn en/of

- 1 x pistool, merk FEG, model PA63, kaliber 9mm K, inclusief patroonmagazijn en/of

- 1 x geluiddemper, kaliber 9mm en/of

- 1 x verlengd patroonmagazijn, merk Glock, kaliber 9mm en/of

Munitie van categorie III, te weten:

- 105 kogelpatronen van diverse merken/kalibers (9 september 2014 te [adres 3]) voorhanden heeft gehad;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de rechtbank.

Bespreking verweren

De raadsman heeft in hoger beroep bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk wordt verklaard in de vervolging omdat, door het handelen van onder gezag van het openbaar ministerie opererende opsporingsambtenaren, doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.

Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat in hoger beroep, ook na de verhoren door de raadsheer-commissaris van de betrokken verbalisanten en de schriftelijke beantwoording van vragen door de betrokken zaaksofficieren, overeind is gebleven dat in de onderbouwing van de vordering van 4/5 september 2014 bij de rechter-commissaris tot doorzoeking van verdachtes woning, onwaarheden stonden.

De zaaksofficier was, ruim voordat die vordering bij de rechter-commissaris is gedaan, op de hoogte van deze onwaarheden. Hij had immers zelf op 19 augustus 2014 de letterlijke uitwerking van een van de onderliggende verhoren bevolen en deze op 24 augustus 2014 ontvangen. Toch is die verbatim uitwerking niet bij de vordering van 4/5 september 2014 gevoegd. De rechter-commissaris heeft bij gelegenheid van de voorgeleiding op 12 september 2014 de aanhouding en inverzekeringstelling van de verdachte onrechtmatig verklaard, evenals - mondeling - de door haar toegestane doorzoeking op

9 september 2014, bij gelegenheid waarvan de in de tenlastelegging opgenomen wapens en munitie zijn aangetroffen. De rechter-commissaris is, aldus de raadsman, door het openbaar ministerie en de politie misleid met een gefabriceerde verdenking jegens de verdachte.

Deze zeer ernstige fouten, aldus de raadsman, zijn niet hersteld. Ze zijn alle begaan voorafgaand aan de doorzoeking die tot de wapenvondst heeft geleid. Pas daarna is aard en omvang van de onjuistheden in de aanvraagdocumentatie duidelijk geworden. De raadsman heeft nog gewezen op recente jurisprudentie waarin gelijksoortige gevallen van onzorgvuldige, onjuiste of onwaarachtige processen-verbaal aan de orde waren en heeft bepleit dat sprake is van een structureel verzuim en van een bestendig onrechtmatige praktijk door de opsporing die het hof volgens de verdediging zou moeten brengen tot een duidelijke corrigerende reactie, in de vorm van een niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie.

Subsidiair heeft de raadsman bewijsuitsluiting bepleit van de bij de onrechtmatige huiszoeking aangetroffen wapens en munitie, op dezelfde gronden als hiervoor uiteengezet. Dat zou moeten leiden tot vrijspraak.

Ten slotte heeft de raadsman bepleit dat de verdachte wordt vrijgesproken omdat niet kan worden bewezen dat hij zich bewust was van de aanwezigheid van de wapens in een kachel die de verdachte van een derde in gebruik zou hebben gekregen.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het niet-ontvankelijkheidsverweer en het bewijsuitsluitingsverweer worden verworpen. Volgens het openbaar ministerie is er weliswaar sprake van een vormverzuim in het vooronderzoek, maar is dat verzuim hersteld door de (later opgemaakte) nadere processen-verbaal, de verhoren door de raadsheer-commissaris en de schriftelijke toelichtingen in hoger beroep door de beide betrokken officieren.

Dat verdachte zich niet bewust zou zijn geweest van de aanwezigheid van de wapens en munitie in zijn kachel heeft de advocaat-generaal ongeloofwaardig, althans niet aannemelijk genoemd.

Beoordeling hof

Het hof stelt voorop dat een verweer dat gegrond is op artikel 359a Wetboek van Strafvordering (vormverzuim) volgens een stappenplan uit die wetsbepaling en de daarop geënte rechtspraak dient te worden beoordeeld. Dat stappenplan omvat onder meer de volgende premissen:

a. a) het moet gaan om een onherstelbaar vormverzuim in het kader van het vooronderzoek;

b) het moet gaan om een vormverzuim in het kader van het vooronderzoek naar de feiten waarover de rechter op grond van de tenlastelegging heeft te oordelen (vlg. HR 30 maart 2014, NJ 2004, 376).

De volgens de verdediging begane (onherstelbare) fouten of verzuimen zijn begaan of voorgevallen in een vooronderzoek naar de verdenking dat de verdachte zich (mede) schuldig zou hebben gemaakt aan overtreding van artikel 282a en/of 285a van het Wetboek van Strafrecht. Die verdenkingen zijn in dit hoger beroep echter niet aan de orde. Het hof heeft louter te oordelen over tenlastegelegd wapenbezit op 9 september 20014, een ander feit dan de feiten in welk onderzoek het gestelde vormverzuim zou hebben plaatsgevonden. Reeds daarom behoeft het verweer geen gemotiveerde weerlegging, volgens eerder genoemd stappenplan, noch anderszins. Het hof verwerpt de verweren daarom en komt niet tot de door de verdediging beoogde rechtsgevolgen.

Wel hecht het hof eraan op te merken dat de aanloop naar de doorzoeking, de in dat kader opgemaakte, soms aanvullende of nader uitleggende processen-verbaal, niet voldoen aan de ter zake geldende maatstaven. Het hof heeft - enerzijds - begrip voor de moeilijke omstandigheden waaronder de gesprekken verliepen met de medeverdachte/getuige (hierna: de getuige) die omfloerst maar belastend op de verdachte zou hebben gedoeld. Anderzijds is er vanaf die gesprekken - in mei 2014 - tot en met de opstelling van de vordering tot doorzoeking - begin september 2014 - heel veel tijd verstreken die het openbaar ministerie en de politie hadden kunnen gebruiken voor een transparante onderbouwing van de vordering doorzoeking, waarin gedetailleerd had kunnen worden aangegeven dat en waarom de politie zo zeker wist dat de getuige op de verdachte doelde. Door de getuige de naam van de verdachte in de mond te leggen, hebben de verbalisanten de waarheidsvinding opgerekt, zo niet geweld aangedaan en dat is kwalijk.

Dat de verdachte zich niet bewust was van de aanwezigheid van de wapens in zijn woning acht het hof niet aannemelijk. De wapens zijn aangetroffen in een kachel in een slaapkamer in de woning van de verdachte. De wapens zaten in een grijze toilettas waarvan de politie heeft opgetekend dat een qua vorm, dessin en kleur daarop gelijkend exemplaar eerder in een woning van de verdachte is gezien. In de toilettas werd ook een prop papier aangetroffen. Uit onderzoek bleek dat het dactyloscopisch spoor overeenkwam met de rechterhandpalm van de verdachte. Daarbij heeft de verdachte nadere vragen over de wijze en het moment waarop deze kachel in zijn woning zou zijn beland niet willen beantwoorden, noch heeft hij moeite gedaan degene van wie hij de kachel in gebruik zou hebben gekregen te doen horen of daarvan een (schriftelijke) verklaring in te brengen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op of omstreeks 9 september 2014 te Amsterdam,

wapens van categorie I en III, te weten:

(aangetroffen op 9 september 2014 te [adres 3])

- 1 x pistool, merk SIG, model 210, kaliber 9mm Para, inclusief patroonmagazijn en

- 1 x pistool, merk FEG, model PA63, kaliber 9mm K, inclusief patroonmagazijn en

- 1 x geluiddemper, kaliber 9mm en-

- 1 x verlengd patroonmagazijn, merk Glock, kaliber 9mm en

munitie van categorie III, te weten:

- 105 kogelpatronen van diverse merken/kalibers,

voorhanden heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezen verklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot munitie van categorie III.

handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een geluiddemper voor vuurwapens van Categorie I

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf en maatregel

De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden met aftrek van voorarrest.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk wordt verklaard, dan wel dat de verdachte wordt vrijgesproken.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van twee pistolen met meer dan 100 stuks bijbehorende munitie en een geluiddemper. Vuurwapens worden gebruikt bij het plegen van zeer ernstige strafbare feiten en kunnen (ook bij het enkel voorhanden hebben daarvan) tot zeer gevaarzettende situaties leiden. Dit brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van de samenleving met zich. Voorts valt door wapenbezit een drempelverlaging ten aanzien van het gebruik er van te vrezen. Vanwege de gevaarzetting van vuurwapens dient streng tegen het illegaal voorhanden hebben daarvan te worden opgetreden. Het bijkomende bezit van een geluiddemper en een verlengd partoonmagazijn is onder deze omstandigheden temeer bedenkelijk.

Illegaal vuurwapenbezit leidt niet zelden tot het gebruik daarvan, en dus tot ernstige en zeer ernstige delicten. Vuurwapengebruik en -geweld in Nederland lijkt sinds jaren toe te nemen en werkt in de samenleving hevige gevoelens van onveiligheid in de hand. Deze ontwikkelingen hebben recentelijk

- sinds mei 2019 - geleid tot het adopteren van afwijkende, hogere oriëntatiepunten omtrent de straftoemeting bij dergelijke zaken binnen het arrondissement Amsterdam.

Het hof begrijpt die ontwikkeling. De onderhavige zaak echter dient te worden beschouwd door de bril van (september) 2014. De destijds geldende oriëntatiepunten in LOVS-verband neemt het hof als vertrekpunt.

Bijzonder - en strafverzwarend - is dat de verdachte twee handvuurwapens voorhanden heeft gehad, evenals een grote hoeveelheid bijpassende scherpe munitie, een verlengd patroonmagazijn - zodat nog vaker kan worden gevuurd alvorens herladen nodig is – en ten slotte een geluiddemper.

In het nadeel van de verdachte weegt het hof verder mee dat hij blijkens een hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 10 januari 2020, in oktober 2011 eerder onherroepelijk voor verboden wapenbezit is veroordeeld. Die veroordeling dateert van minder dan drie jaar voor de feiten in deze zaak en dat stelt het hof allerminst gerust.

Anderzijds heeft de verdachte blijkens zijn strafblad sinds de onderhavige verdenkingen geen andere justitie- of politiecontacten gehad, hetgeen het hof in verdachtes voordeel zal meewegen.

Het hof heeft acht geslagen op de zeer lange tijd die de berechting in twee feitelijke instanties heeft beslagen. Weliswaar heeft de verdediging in hoger beroep onderzoekswensen geformuleerd waarvan de uitvoering veel tijd heeft gevergd, daar staat tegenover dat dit nadere onderzoek, gelet op de onduidelijkheden in de totstandkoming van de politieprocessen-verbaal ter vordering van de doorzoeking die tot de aanklachten in deze zaak heeft geleid, noodzakelijk was. De overschrijding van de redelijke termijn voor berechting, waarvan – in beide instanties - sprake is, is dan ook niet (overwegend) aan de verdediging te wijten. Het hof zal met die overschrijding in strafverminderende zin rekening houden.

Het voorgaande brengt met zich mee dat, naar het oordeel van het hof alleen een vrijheidsbenemende straf van aanzienlijke duur passend is De twee laatstgenoemde factoren maken dat het hof een deel van de vrijheidsbenemende straf voorwaardelijk zal opleggen.

Het ten laste gelegde en bewezen verklaarde is begaan met betrekking tot de hierna te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen. De verdachte heeft daarvan ter terechtzitting in hoger beroep weliswaar afstand gedaan, maar het hof zal zekerheidshalve toch een beslissing nemen. De wapens, munitie en toebehoren zullen aan het verkeer worden onttrokken aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang en de wet.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36b, 36c en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 13, 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het op het adres [adres 2] aangetroffen pistool.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 5 (vijf) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

pistool, SID 210, inclusief 9 mm Para magazijn

pistool FEG, PA63, inclusief 9 mm K. patroon magazijn

geluiddemper, kaliber 9mm

105 kogelpatronen.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R.D. van Heffen, mr. P. Greve en mr. A.M. Kengen, in tegenwoordigheid van mr. R.L. Vermeulen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 4 februari 2020.

Mr. R.D. van Heffen is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

[…]