Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:2693

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
18-09-2020
Datum publicatie
14-10-2020
Zaaknummer
23-004077-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schriftuur kan niet kan worden aangemerkt als een schriftuur als bedoeld in artikel 410, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering. De aanvullende schriftuur is te laat ingediend. Het hof is van oordeel dat de omstandigheid dat de schriftuur niet tijdig is ingediend in deze zaak niet hoeft te leiden tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie. Het hof heeft bij dit oordeel meegewogen dat een vooraankondiging is gedaan dat een nadere schriftuur zou worden ingediend, dat door de advocaat-generaal valide argumenten voor de termijnoverschrijding zijn genoemd en dat voorts de verdediging reeds op de hoogte was van de inhoud van het standpunt van het openbaar ministerie in deze zaak door het uitgebreide requisitoir in eerste aanleg.

Meldingsplicht ongebruikelijke transacties op grond van artikel 16 van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme. Beoordeling op basis van subjectieve indicatoren. De verdachte heeft er in de persoon van haar bestuurder en feitelijk leidinggever bewust voor gekozen de in de tenlastelegging genoemde transacties niet of te laat te melden bij de Financiële inlichtingen eenheid. Daarmee is voldaan aan het voor het plegen van een economisch misdrijf vereiste zogeheten kleurloos opzet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-004077-18

datum uitspraak: 18 september 2020

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de economische kamer van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische kamer van de rechtbank Amsterdam van 7 november 2018 in de strafzaak onder parketnummer 13-845165-16 tegen

[verdachte] ,

gevestigd te [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

4 september 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Het openbaar ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

zij, in de periode van 28-02-2013 tot 12-10-2013, althans 2013, te Zoetermeer en/of Noordwijk en/of elders in Nederland, (telkens) als externe registeraccountant of externe accountant-administratieconsulent, zelfstandig onafhankelijk haar beroepsactiviteiten uitoefenende, dan wel anderszins zelfstandig onafhankelijk daarmee vergelijkbare activiteiten beroeps- of bedrijfsmatig verrichtende (sub 11°), en/of (telkens) als belastingadviseur, zelfstandig onafhankelijk haar beroepsactiviteiten uitoefende, dan wel anderszins zelfstandig onafhankelijk daarmee vergelijkbare activiteiten beroeps- of bedrijfsmatig verrichtende (sub 23°), meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk in strijd met de verplichting, geformuleerd in artikel 16 Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme, (een) verrichte/voorgenomen ongebruikelijk transactie(s), niet (onverwijld) nadat het ongebruikelijke karakter van deze transactie(s) bekend is geworden heeft gemeld aan de Financiële inlichtingen eenheid, immers heeft zij (telkens) opzettelijk geen (onverwijlde) melding gedaan van, -(een) op of omstreeks 28-02-2013 verrichte/voorgenomen ongebruikelijke transactie(s), te weten (een) (vermeende) (contante) betaling(en) van EURO 30.250,-, althans EURO 20.250,- (DOC-006a);

-(een) op of omstreeks 04-03-2013 verrichte/voorgenomen ongebruikelijke transactie(s), te weten (een) (vermeende) (contante) betaling(en) van EURO 17.545,-, althans EURO 17.600,- (DOC-006b);

-(een) op of omstreeks 05-03-2013 verrichte/voorgenomen ongebruikelijke transactie(s), te weten (een) (vermeende) (contante) betaling(en) van EURO 11.192,50 en/of EURO 11.676,50, althans EURO 23.000,- (DOC-006c en/of DOC-006d);

-(een) op of omstreeks 06-03-2013 en/of 07-03-2013 verrichte/voorgenomen ongebruikelijke transactie(s), te weten (een) (vermeende) (contante) betaling(en) van EURO 15.125,- en/of EURO 18.150,-, althans EURO 33.500,- (DOC-006e en/of DOC-006k);

-(een) op of omstreeks 02-09-2013 verrichte/voorgenomen ongebruikelijke transactie(s), te weten (een) (vermeende) (contante) betaling(en) van EURO 7.260,- (DOC-006f);

-(een) op of omstreeks 06-09-2013 verrichte/voorgenomen ongebruikelijke transactie(s), te weten (een) (vermeende) (contante) betaling(en) van EURO 6.050,- (DOC-006g);

-(een) op of omstreeks 12-09-2013 verrichte/voorgenomen ongebruikelijke transactie(s), te weten (een) (vermeende) (contante) betaling(en) van EURO 9.680,- (DOC-006h);

-(een) op of omstreeks 20-09-2013 verrichte/voorgenomen ongebruikelijke transactie(s), te weten (een) (vermeende) (contante) betaling(en) van EURO 25.410,- (DOC-006i);

-(een) op of omstreeks 27-09-2013 verrichte/voorgenomen ongebruikelijke transactie(s), te weten (een) (vermeende) (contante) betaling(en) van EURO 21.780,- (DOC-006j);

-(een) op of omstreeks 11-09-2013 verrichte/voorgenomen ongebruikelijke transactie(s), te weten (een) (vermeende) (contante) betaling(en) van EURO 33.216,92 (DOC-006l);

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in het hoger beroep

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft het hof primair verzocht het openbaar ministerie in het hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat de door de officier van justitie op

15 november 2018 ingediende ‘appelschriftuur’ geen opgave van grieven bevat, terwijl de aanvullende appelschriftuur pas op 20 mei 2019 is ingediend. Het openbaar ministerie heeft derhalve niet voldaan aan het tijdig indienen van een appelschriftuur. De raadsman heeft erop gewezen dat het een overschrijding van zes maanden betreft, terwijl het vonnis reeds op de datum van de uitspraak – 7 november 2018 – aan de procespartijen is verstrekt en zeer beperkt in omvang is. Voorts heeft de raadsman erop gewezen dat het openbaar ministerie niet geprobeerd heeft om enige mogelijke compensatie voor deze termijnoverschrijding te bieden door bijvoorbeeld een kopie van de appelschriftuur direct aan de verdediging te verstrekken. Er is namelijk niets aan de verdediging verstrekt, aldus de raadsman.

Het standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat bij het indienen van de appelschriftuur weliswaar sprake is geweest van termijnoverschrijding, maar dat dit niet hoeft te leiden tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie. Als reden voor de late indiening van de appelschriftuur heeft de advocaat-generaal aangevoerd dat deze zaak niet eenvoudig van aard is en er overleg nodig is geweest met het Bureau Financieel Toezicht (BFT) in de periode tussen het wijzen van het vonnis waarvan beroep en het opstellen van de – uiteindelijke – appelschriftuur. Voorts heeft de advocaat-generaal erop gewezen dat bij schriftuur van 15 november 2018 reeds is aangekondigd dat een aanvullende schriftuur zou worden ingediend. Er is weliswaar sprake van een vormverzuim, maar ingevolge het bepaalde in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) kan worden volstaan met een beperking in de hoogte van de geldboete.

Het oordeel van het hof

Het hof overweegt als volgt.

De regeling met betrekking tot het instellen van appel en het indienen van een appelschriftuur, luidt, voor zover van belang, als volgt:

Artikel 410 eerste lid Sv:

De officier van justitie dient binnen veertien dagen na het instellen van hoger beroep een schriftuur, houdende grieven, in op de griffie van het gerecht dat het vonnis heeft gewezen.

Artikel 410 tweede lid Sv:

De schriftuur wordt onverwijld bij de processtukken gevoegd.

Artikel 416 eerste lid Sv:

Ingeval hoger beroep is ingesteld door de officier van justitie, geeft de advocaat-generaal bij gelegenheid van de voordracht der zaak mondeling een toelichting op de bezwaren tegen het vonnis. De advocaat-generaal geeft in voorkomende gevallen tevens op waarom door de officier van justitie geen schriftuur houdende grieven is ingediend.

Artikel 416 derde lid Sv:

Indien van de zijde van het openbaar ministerie geen schriftuur houdende grieven, als bedoeld in artikel 410, eerste lid, is ingediend, kan het door de officier van justitie ingestelde hoger beroep zonder onderzoek van de zaak zelf niet-ontvankelijk worden verklaard.

In de Memorie van Toelichting (Tweede Kamer, 2005-2006, 30320, nr. 3) wordt omtrent vorenstaande het volgende opgemerkt:

(p. 11-12) “Van de verdachte kan niet zonder meer gevergd worden een schriftelijke appèlmemorie in te dienen. Wel acht ik het redelijk en haalbaar om de officier van justitie die appèl instelt te verplichten een schriftelijke appèlmemorie in te dienen. Artikel 410 van het Wetboek van Sv wordt hiertoe dwingender geformuleerd, zoals ook is geopperd door de Werkgroep hoger beroep en verzet. Door de verplichting tot het afleggen van verantwoording ter terechtzitting in hoger beroep omtrent de redenen voor het eventueel achterwege laten van het tijdig indienen van een appèlmemorie wordt daarnaast duidelijk gemaakt, dat het indienen van een appèlmemorie is aangewezen (artikel 416, eerste lid, nieuw).

(...)

(p. 12) Indien geen schriftuur wordt ingediend kan de beslissing tot niet-ontvankelijkheid in het hoger beroep volgen (artikel 416, derde lid). Er is in een dergelijk geval sprake van een vormverzuim. Een automatisch volgende niet-ontvankelijkheid verdient naar mijn oordeel geen voorkeur. Hoezeer het achterwege laten van het tijdig indienen van een appèlmemorie ook mag worden betreurd, het belang van het appèl kan, ook maatschappelijk bezien, van groter belang zijn dan de scherpe sanctionering van een in beginsel herstelbare tekortkoming.

(…)

(p. 51) Het derde lid (van artikel 416 Wetboek van Strafvordering) schept de mogelijkheid een door het openbaar ministerie ingesteld hoger beroep zonder onderzoek van de zaak zelf niet-ontvankelijk te verklaren op de enkele grond dat geen schriftuur, houdende grieven tegen het in eerste aanleg gewezen vonnis, is ingediend. Indien door de officier van justitie geen appelschriftuur is ingediend is er sprake van een vormverzuim.”

Het hof leidt uit het voorgaande af dat niet alleen het niet indienen, maar ook het niet tijdig en niet op de voorgeschreven wijze indienen van een appelschriftuur tot niet-ontvankelijkheid in het ingestelde hoger beroep kan leiden. De wetgever heeft het aan de rechter overgelaten te beoordelen of de omstandigheid dat niet of niet tijdig of niet op de voorgeschreven wijze een appelschriftuur is ingediend, in concreto tot niet-ontvankelijkheid dient te leiden.

In de onderhavige zaak heeft de officier van justitie op 15 november 2018 hoger beroep ingesteld. Op diezelfde datum heeft de officier van justitie een appelschriftuur ingediend inhoudende de mededeling dat de officier van justitie zich niet kan verenigen met de beslissing omtrent de bewezenverklaring, dat de verdachte is vrijgesproken en dat de officier van justitie het niet met die uitspraak eens is. Voorts bevat de appelschriftuur de mededeling dat op een later moment een uitgebreide aanvullende appelmemorie zal worden ingediend: het openbaar ministerie wil namelijk het schriftelijk vonnis nader bestuderen en meer informatie aan het hof kunnen verstrekken over de reden waarom de officier van justitie het niet eens is met de uitspraak. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de advocaat-generaal mondeling toegelicht dat weliswaar sprake is van een overschrijding van de termijn, maar dat de zaak niet van eenvoudige aard is en vakinhoudelijk overleg nodig is geweest met de toezichthouder BFT.

Het hof is van oordeel dat de schriftuur van 15 november 2018 niet kan worden aangemerkt als een schriftuur als bedoeld in artikel 410, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering. Op 20 mei 2019 heeft de officier van justitie een aanvullende schriftuur ingediend. Deze schriftuur is te laat ingediend.

Het hof is van oordeel dat de omstandigheid dat de schriftuur niet tijdig is ingediend in deze zaak niet hoeft te leiden tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie. Het hof heeft bij dit oordeel meegewogen dat een vooraankondiging is gedaan dat een nadere schriftuur zou worden ingediend, dat door de advocaat-generaal valide argumenten voor de termijnoverschrijding zijn genoemd en dat voorts de verdediging reeds op de hoogte was van de inhoud van het standpunt van het openbaar ministerie in deze zaak door het uitgebreide requisitoir in eerste aanleg. Dat de uiteindelijke schriftuur niet onmiddellijk na het indienen daarvan bij het gerecht door het openbaar ministerie op eigen initiatief aan de verdediging is verstrekt, kan het openbaar ministerie niet worden tegengeworpen. Een (eerdere) verstrekking van dit stuk aan de verdediging had op de weg van het gerechtshof gelegen.

Gelet op het vorenstaande en voorts gelet op het complexe karakter van de onderliggende regelgeving en het maatschappelijk belang dat is gediend bij enerzijds handhaving van die regelgeving en anderzijds een juiste uitleg daarvan door de rechter zal het hof het belang van een inhoudelijke beoordeling van deze zaak laten prevaleren boven het belang van sanctionering van het geconstateerde verzuim. Het hof zal de bevoegdheid tot het niet-ontvankelijk verklaren van het openbaar ministerie niet aanwenden. Voorts zij opgemerkt dat in onderhavig geval geen sprake is van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv, omdat geen sprake is van een onherstelbaar vormverzuim begaan in het voorbereidende onderzoek waarvan de rechtsgevolgen uit de wet niet blijken, zodat een verdiscontering in de strafmaat, zoals voorgestaan door de advocaat-generaal, niet aan de orde is.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewijsbeslissing komt dan de rechtbank.

Bewijsoverwegingen

Toepasselijke wet- en regelgeving in de tenlastegelegde periode

De verdachte is op grond van het bepaalde in de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft), zoals deze gold ten tijde hier van belang, een instelling die verplicht is ongebruikelijke transacties te melden aan de Financial Intelligence Unit – Nederland (FIU-NL). Dat gold in de tenlastegelegde periode, gelet op het bepaalde in artikel 16 van de Wwft, ook voor een voorgenomen ongebruikelijke transactie. Gemeld moet worden onverwijld nadat het ongebruikelijke karakter van de transactie bekend was geworden. Artikel 15 Wwft bepaalt dat indicatoren worden vastgesteld bij algemene maatregel van bestuur aan de hand waarvan kon worden beoordeeld of een transactie moest worden aangemerkt als een ongebruikelijke transactie.

Bedoelde algemene maatregel van bestuur is het Uitvoeringsbesluit Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme zoals deze – voor zover voor deze strafzaak van belang – gold van 1 augustus 2008 tot 1 januari 2015, met de daarbij behorende Indicatorenlijst, bestaande uit objectieve en subjectieve indicatoren.

Als objectieve indicator wordt voor onder meer belastingadviseurs en accountants genoemd transacties die contant, met cheques aan toonder of met soortgelijke betaalmiddelen zijn gedaan van € 15.000,00 of meer en die aan of door tussenkomst van de beroepsbeoefenaar hebben plaatsgevonden.

De subjectieve indicator betreft alle transacties waarbij de meldingsplichtige aanleiding heeft om te veronderstellen dat deze verband kunnen houden met witwassen of financiering van terrorisme.

Ter nadere invulling van de subjectieve indicator heeft de Koninklijke Nederlandse Beroepsorganisatie voor Accountants (NBA) richtsnoeren opgesteld (Richtsnoeren voor de interpretatie van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) voor belastingadviseurs en accountants van 10 november 2008) (zoals deze gold in de tenlastegelegde periode) (Richtsnoeren). Daarin is onder meer opgenomen dat het bij de subjectieve indicator gaat om het subjectieve oordeel van de instelling of er sprake is van een activiteit die de instelling geschikt acht om verband te houden met witwassen van geld of terrorisme financiering; complexe of ongewoon grote transacties en alle ongebruikelijke transactiepatronen, dat wil zeggen ongebruikelijk voor de cliënt in kwestie; zonder een duidelijk economisch of merkbaar rechtmatig doel dat het ongebruikelijke karakter in de omstandigheden van het geval verklaarbaar maakt.

Ter beoordeling van het vorenstaande dient de instelling alle haar bekende feiten en omstandigheden, zo nodig na nader intern onderzoek, af te wegen, waaronder begrepen: type cliënt; soort dienstverlening dat normaal wordt gevraagd door een dergelijke cliënt; soort dienstverlening dat in dit geval wordt gevraagd; kan er een logische verklaring zijn voor de op het eerste gezicht ongebruikelijke transactie en is deze verklaring aannemelijk en verifieerbaar.

Los van de Wwft zijn accountants zonder meer gehouden de overwegingen die hebben geleid tot het al dan niet melden vast te leggen ingevolge andere op accountants van toepassing zijnde regelgeving.

Verder gold ten tijde van de tenlastegelegde periode de Specifieke leidraad naleving Wwft voor accountants, belastingadviseurs, administratiekantoren en alle overige instellingen genoemd in artikel 1a, vierde lid, onder a en b van de Wwft van 1 april 2011 (Leidraad Wwft). Daarin worden in 4.3.2. onder ‘Type cliënten’ die een hoger witwasrisico kunnen meebrengen bouwbedrijven genoemd in verband met zwarte omzet en/of mogelijk steekpenningen/smeergelden. In de bijlage bij deze leidraad worden – voor zover hier nog van belang – voorts voorbeelden van transacties gegeven bij de subjectieve indicator, onder E (Transacties m.b.t. het financiële verkeer):

  1. De cliënt heeft voorkeur voor activa die geen sporen achterlaten, zoals contant geld, toonderpapier, toonderpolissen.

  2. (..)

  3. Het betaalverkeer vertoont een ongebruikelijk patroon. De gelden waarover de cliënt beschikt zijn afkomstig uit onduidelijke bronnen of de door de cliënt aangegeven bronnen zijn onwaarschijnlijk of onvoldoende gedocumenteerd.

De objectieve indicator

Het hof volgt de advocaat-generaal en de verdediging in hun standpunt dat de objectieve indicator in deze zaak niet aan de orde is. Weliswaar is sprake van (voorgenomen) transacties die contant zijn gedaan van € 15.000,00 of meer, maar deze transacties hebben niet aan of door tussenkomst van de beroepsbeoefenaar plaatsgevonden.

De subjectieve indicator

De facturen van het eerste kwartaal 2013

Het openbaar ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat voor de verdachte op grond van de destijds geldende regelgeving een meldplicht bestond ten aanzien van de volgende aan haar cliënte, bouwbedrijf Aannemersbedrijf [bedrijf 3] , gerichte facturen (dossier FIOD doc-006a tot en met doc-006e en doc-006k, pg. 91 tot en met 95 en pg. 101) :

Dos-

sier-

stuk

Van

Voor

Datum

Nummer

Bedrag

incl.

BTW

Bedrag excl.

BTW

Onder vermelding

DOC-006a

[bedrijf 1]

Overname boedel

28 februari 2013

2013-007

25.000

30.250

Per omgaande te voldoen op ING [rekeningnummer]

DOC-006b

[bedrijf 1]

Overname boedel

4 maart 2013

2013-010

14.500

17.545

Per omgaande te voldoen op ING [rekeningnummer]

DOC-006c

[bedrijf 1]

Overname wagenpark

5 maart 2013

2013-014

9.250

11.192,50

Per omgaande te voldoen op ING [rekeningnummer]

DOC-006d

[bedrijf 1]

Overname wagenpark

5 maart 2013

2013-014

9.650

11.676,50

Per omgaande te voldoen op ING [rekeningnummer]

DOC-006e

[bedrijf 1]

Overname wagenpark

6 maart 2013

2013-015

12.500

15.125

Per omgaande te voldoen op ING [rekeningnummer]

DOC-006k

[bedrijf 2]

Verhuizing, plaatsen stellingen, aansluiten machines

7 maart 2013

013-55

15.000

18.150

Op al deze facturen is, in wisselende bewoordingen, vermeld dat deze contant zijn betaald. Eveneens zijn al deze facturen, bij de mededeling dat contant is voldaan, voorzien van een stempel met de vermelding “ [bedrijf 1] ”. In het geval van de factuur met documentnummer 006a is vermeld dat deze in drie delen telkens contant is voldaan.

Desgevraagd heeft de vertegenwoordiger van de verdachte, [naam 1] , in zijn verhoor bij de FIOD op 14 juni 2016 (pg. 53 e.v. van het FIOD-dossier) en voor zover aan de orde ook ter terechtzitting in hoger beroep van 4 september 2020 meer in het algemeen verklaard dat binnen het kantoor bij iedereen bekendheid bestaat en bestond met de inhoud van de Wwft en dat hij zelf genoeg kennis had en heeft van de Wwft. De hiervoor genoemde NBA Richtsnoeren waren binnen het bedrijf van de verdachte bekend, evenals de Specifieke leidraad. Wanneer sprake is van een subjectieve indicator moet onverwijld gemeld worden, waarbij [naam 1] verder heeft verklaard als het een werkdag is dat nog dezelfde dag of de dag erna te doen. [naam 1] heeft ook verklaard dat ook bij discussie of twijfel een ongebruikelijke transactie moet worden gemeld.

Ten aanzien van de hiervoor genoemde facturen heeft hij nog het volgende verklaard. Binnen het kantoor was hij eindverantwoordelijke voor de boekhouding van bouwbedrijf Aannemersbedrijf [bedrijf 3] . Bij het cliëntenonderzoek van 13 mei 2013 had hij de facturen over het eerste kwartaal van 2013 al in handen. Er zijn toen vragen gesteld over hoe de betalingen van die facturen hebben plaatsgevonden en wat de facturen betroffen. Er is gevraagd wat de bron van het contante geld was, omdat dat nog niet klip en klaar was en omdat de geldstromen van cliënte nog niet in beeld waren. Het kantoor had nog geen bankafschriften en kasbladen gezien. [naam 1] heeft verder, met zoveel woorden, verklaard dat hij de contante transacties had beoordeeld als een subjectieve indicator.

Gelet op het vorenstaande had de verdachte alleen al hierom deze transacties onverwijld na het in handen krijgen van de facturen moeten melden, en niet eerst op 25 juni 2014, toen [naam 1] van de curator in het faillissement van Aannemersbedrijf [bedrijf 3] had vernomen dat er mogelijk een connectie met het kweken van hennep was.

[naam 1] heeft zich op het standpunt gesteld dat er, ondanks het feit dat hij de transacties als subjectieve indicator had beoordeeld, bij nader inzien voor eerdere melding geen aanleiding was, omdat hij vragen had gesteld over de herkomst van het contante geld en de mededeling had gekregen van de zijde van Aannemersbedrijf [bedrijf 3] dat het ging om spaargeld van [naam 2] senior, op wiens naam het bedrijf stond. Het storten door een directeur/aandeelhouder van privé vermogen in een onderneming is niet ongebruikelijk, en daarmee zou het aanvankelijk als ongebruikelijk aangemerkte aspect aan de transacties zijn komen te ontvallen.

Het hof volgt [naam 1] hierin niet. Overeind blijft immers dat onduidelijk is waarom de verklaring over de herkomst van het geld aannemelijk was en verder was deze verklaring op geen enkele wijze te verifiëren. Ter zitting in hoger beroep heeft [naam 1] verklaard dat een afweging van alle bekende feiten en omstandigheden en nader intern onderzoek, zoals voorgeschreven door de NBA in de Richtsnoeren van 2008, in feite is nagelaten en is volstaan met het vragen naar een verklaring van de cliënt. Laat staan dat de overwegingen die hebben geleid tot het niet melden niet zijn vastgelegd, conform het bepaalde in artikel A100.4 VGC jo RKB1 (artikel 94), jo Leidraad 11 (voor Accountant-Administratieconsulenten) (hoofdstuk 7). Ter zitting daarnaar gevraagd heeft [naam 1] wel aangegeven dat dit is gebeurd, maar op geen enkele moment gedurende deze procedure zijn daarvan stukken overgelegd. De verdachte beschikte ten tijde hier van belang over niets anders dan de facturen waarop was vermeld dat deze contant waren voldaan tot een bedrag van in totaal € 108.350,00 en de enkele mededeling dat het hier om – kennelijk contant – spaargeld van de directeur/aandeelhouder zou gaan. Het hof ziet niet in hoe op grond hiervan de aanvankelijke beoordeling van [naam 1] dat sprake was van de subjectieve indicator niet langer juist zou zijn. Daarbij komt dat vanuit de beroepsgroep nog extra is gewaarschuwd voor zwart geld bij bouwbedrijven. Dat de transacties later als “stortingen in kas door [naam 2] ” door de verdachte zijn geboekt, maakt het vorenstaande niet anders.

De facturen van september 2013

Vervolgens stelt het openbaar ministerie zich op het standpunt dat voor de verdachte op grond van de destijds geldende regelgeving eveneens een meldplicht bestond ten aanzien van de volgende aan haar cliënte Aannemersbedrijf [bedrijf 3] gerichte facturen (FIOD-dossier doc-006f tot en met doc-006j en doc-006l, pg. 96 tot en met 100 en pg. 102):

Dos-

sier-

stuk

Van

Voor

Datum

Nummer

Bedrag

incl.

BTW

Bedrag excl.

BTW

Onder vermelding

DOC-006f

[bedrijf 1]

Werkzaamheden

aan [plek]

te

Den Haag

2 september 2013

2013-028

6.000

7.260

Gelieve dit bedrag contant aan ons te voldoen zoals afgesproken

DOC-006g

[bedrijf 1]

Werkzaamheden aan [plek] te Den Haag

6 september 2013

2013-032

5.000

6.050

Gelieve dit bedrag contant aan ons te voldoen zoals afgesproken

DOC-006h

[bedrijf 1]

Werkzaamheden aan [plek] te Den Haag

12 september 2013

2013-033

8.000

9.680

Gelieve dit bedrag contant aan ons te voldoen zoals afgesproken

DOC-006i

[bedrijf 1]

Werkzaamheden aan [plek] te Den Haag

20 september 2013

2013-036

21.000

25.410

Gelieve dit bedrag in 3 termijnen contant aan ons te voldoen zoals afgesproken

DOC-006j

[bedrijf 1]

Werkzaamheden aan [plek] te Den Haag, funderings-werkzaamheden Noordwijk

27 september 2013

2013-042

18.000

21.780

Gelieve dit bedrag in 3 termijnen contant aan ons te voldoen zoals afgesproken

DOC-006l

[bedrijf 2]

Offerte voor kozijnen volgens overeengekomen offerte

11 september 2013

13-55

27.452

33.216,92

Wij verzoeken u dit bedrag per omgaande te voldoen

De verdachte heeft vorenstaande facturen ontvangen in oktober 2013. Van haar zijde is het standpunt ingenomen – kort weergegeven – dat het hier geen meldingsplichtige ongebruikelijke transacties betrof, omdat er inmiddels sprake was van omzet in de BV en bovendien de bedragen, met uitzondering van de laatste factuur, niet zijn voldaan en dus ook niet contant zijn voldaan en in de administratie onder de post “crediteuren” zijn geboekt.

Het hof volgt de verdachte niet in dit standpunt. Het betreft hier grotendeels facturen waarop expliciet is vermeld dat is afgesproken dat contant zal worden voldaan. Gelet op de eerdere contante transacties tussen de cliënte van de verdachte en dezelfde leveranciers (eerste kwartaal 2013) en de in de Leidraad Wwft genoemde factoren, waarvan [naam 1] stelt dat de inhoud daarvan hem en de verdachte bekend is, zoals type cliënten die een hoger witwasrisico kunnen meebrengen (bouwbedrijven), de voorkeur voor activa die geen sporen achterlaten (zoals contant geld) en gelden die afkomstig zijn uit onduidelijke bronnen, of uit door de cliënt aangegeven bronnen die onwaarschijnlijk of onvoldoende gedocumenteerd zijn, hadden deze transacties als ongebruikelijk aangemerkt dienen te worden. Voor zover de verdachte meent dat niet gemeld hoefde te worden omdat nog niet was betaald, wijst het hof erop dat de meldingsplicht, zoals uit de wet- en regelgeving volgt, ook betrekking heeft op voorgenomen transacties.

Daarbij komt dat het bedrijf [bedrijf 1] , waarvan in totaal 10 facturen afkomstig waren, het voormalige bedrijf van [naam 3] was, die tevens contactpersoon voor de verdachte was voor Aannemersbedrijf [bedrijf 3] . [bedrijf 1] is in maart 2013 verkocht aan een Engelse vennootschap en in oktober 2013 failliet gegaan. De verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat zij dat niet hoefde te weten, maar dat beoordeelt het hof anders. Vast staat dat [naam 1] eerder werkzaamheden voor [naam 3] had verricht in de vorm van het indienen van diens IB-aangiftes over de jaren 2010 tot en met 2012. Op grond daarvan had hij er wetenschap van, zo heeft hij ook ter terechtzitting van dit hof van 4 september 2020 verklaard, dat [naam 3] eigenaar was en ook op de loonlijst stond van [bedrijf 1] (handelsnaam volgens de inschrijving bij de Kamer van Koophandel: [bedrijf 1] ). Dat was in ieder geval in mei 2013 het geval, hetgeen volgt uit e-mails die in die maand zijn verstuurd tussen Van [naam 1] en [naam 3] (doc-003, pg. 4 van het FIOD-dossier). Dat [naam 1] de “link” tussen de volledige naam en de handelsnaam niet zou hebben gelegd, acht het hof ongeloofwaardig, nu de hiervoor besproken facturen van [bedrijf 1] uit het eerste kwartaal van 2013 voorzien waren van een stempel met de volledige naam van het bedrijf en deze facturen ten grondslag lagen aan de door de verdachte op 2 mei 2013 ten behoeve van Aannemersbedrijf [bedrijf 3] gedane suppletie-aangifte OB. Een en ander had dus in september/oktober 2013 voor de verdachte duidelijk kunnen en moeten zijn.

Bovenstaande overwegingen gelden eveneens voor de factuur afkomstig van [bedrijf 2] BV van 11 september 2013, waarop is vermeld dat het bedrag per ommegaande moest worden voldaan. Daar komt bij dat het bedrijf [bedrijf 2] BV een bedrijf was van [naam 2], op wiens naam Aannemersbedrijf [bedrijf 3] stond, en eerdergenoemde [naam 3]. Het bedrijf is in 2010 door hen verkocht aan een bedrijf in Thailand en in 2011 uitgeschreven uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel. Op basis van deugdelijk cliëntenonderzoek, zoals ook is vereist in de Wwft, naar de zakelijke voorgeschiedenis van [naam 2] had de verdachte dit op eenvoudige wijze kunnen achterhalen.

Verder beschikte de verdachte over een incomplete administratie van Aannemersbedrijf [bedrijf 3] . Het kasboek zou door de cliënt worden bijgehouden en aangeleverd, maar dat is ondanks vele aanmaningen niet gebeurd. Eerst rond november 2013 is door de verdachte een kasboek opgemaakt.

Gezien al deze omstandigheden was voor alle facturen van september 2013 sprake van de hiervoor genoemde subjectieve indicator en hadden de voorgenomen transacties onverwijld, in oktober 2013, door de verdachte als normadressant moeten worden gemeld, wat niet is gebeurd.

Conclusie

De verdachte heeft er in de persoon van haar bestuurder en feitelijk leidinggever [naam 1] bewust voor gekozen de in de tenlastelegging genoemde transacties niet te melden bij de Financiële inlichtingen eenheid. Daarmee is voldaan aan het voor het plegen van een economisch misdrijf vereiste zogeheten kleurloos opzet. Het tenlastegelegde kan worden bewezenverklaard.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij, in de periode van 28-02-2013 tot 12-10-2013, te Noordwijk, telkens als externe accountant-administratieconsulent, zelfstandig onafhankelijk haar beroepsactiviteiten uitoefenende, (sub 11°),

en telkens als belastingadviseur, zelfstandig onafhankelijk haar beroepsactiviteiten uitoefende, (sub 23°), meermalen, telkens opzettelijk in strijd met de verplichting, geformuleerd in artikel 16 Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme, verrichte/voorgenomen ongebruikelijk transacties, niet onverwijld nadat het ongebruikelijke karakter van deze transacties bekend is geworden heeft gemeld aan de Financiële inlichtingen eenheid, immers heeft zij telkens opzettelijk geen onverwijlde melding gedaan van:

- een op of omstreeks 28-02-2013 verrichte ongebruikelijke transactie, te weten een contante betaling van EURO 30.250,- (DOC-006a);

- een op of omstreeks 04-03-2013 verrichte ongebruikelijke transactie, te weten een contante betaling van EURO 17.545,- (DOC-006b);

- op of omstreeks 05-03-2013 verrichte ongebruikelijke transacties, te weten contante betalingen van EURO 11.192,50 en EURO 11.676,50 (DOC-006c en DOC-006d);

- op of omstreeks 06-03-2013 en 07-03-2013 verrichte ongebruikelijke transacties, te weten contante betalingen van EURO 15.125,- en EURO 18.150,- (DOC-006e en DOC-006k);

- een op of omstreeks 02-09-2013 voorgenomen ongebruikelijke transactie, te weten een vermeende contante betaling van EURO 7.260,- (DOC-006f);

- een op of omstreeks 06-09-2013 voorgenomen ongebruikelijke transactie, te weten een vermeende contante betaling van EURO 6.050,- (DOC-006g);

- een op of omstreeks 12-09-2013 voorgenomen ongebruikelijke transacties, te weten een vermeende contante betaling van EURO 9.680,- (DOC-006h);

- een op of omstreeks 20-09-2013 voorgenomen ongebruikelijke transactie, te weten een vermeende contante betaling van EURO 25.410,- (DOC-006i);

- een op of omstreeks 27-09-2013 voorgenomen ongebruikelijke transactie, te weten een vermeende contante betaling van EURO 21.780,- (DOC-006j);

- een op of omstreeks 11-09-2013 voorgenomen ongebruikelijke transactie, te weten een vermeende (contante) betaling van EURO 33.216,92 (DOC-006l).

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert op:

opzettelijke overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 16 van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De economische kamer van de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte ten aanzien van het tenlastegelegde vrijgesproken.

De advocaat-generaal heeft in eerste termijn gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 20.000,00. Bij repliek heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de op te leggen geldboete – gelet op de overschrijding van de redelijke termijn en de overschrijding van de termijn voor indienen van de appelschriftuur – zal worden gematigd tot een bedrag van € 8.000,00.

De raadsman heeft aangevoerd dat sinds de aankondiging voor het verhoor bij de FIOD in maart 2015 binnen het kantoor en bij de vertegenwoordiger van de verdachte veel is veranderd. Het werd duidelijk dat steeds nadrukkelijker zou worden gehandhaafd op het gebied van de Wwft. De vertegenwoordiger van de verdachte bevordert daarom dat de werknemers door middel van het volgen van cursussen kennis nemen van de (ontwikkelingen binnen de) Wwft, alert zijn op mogelijk ongebruikelijke transacties en op de monitoring van de klanten. Binnen het kantoor zijn scherpe(re) richtlijnen vastgelegd voor het ontdekken van dit soort transacties. Namens de verdachte is de vertegenwoordiger van de verdachte lid van een vereniging FIAD van ongeveer 25 accountants, waar tijdens bijeenkomsten onder meer over casestudies wordt gesproken.

De raadsman heeft het hof verzocht in het voordeel van de verdachte mee te wegen dat de vertegenwoordiger van de verdachte heeft meegewerkt aan het onderzoek, dat de verdenking al lange tijd duurt, en dat het om zeer oude feiten gaat. Voorts heeft de raadsman er op gewezen dat ter zake van DOC-006a, DOC-006b, DOC-006e en DOC-006k uiteindelijk wel een melding is gedaan en dat hiermee rekening moet worden gehouden bij het bepalen van de straf.

De raadsman heeft meer subsidiair het hof verzocht te volstaan met een schuldigverklaring zonder oplegging van straf. Meest subsidiair heeft de raadsman het hof verzocht te volstaan met oplegging van een geldboete ter hoogte van € 10.000,00 waarvan € 5.000,00 voorwaardelijk.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de draagkracht van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft nagelaten meerdere ongebruikelijke transacties, zoals bedoeld in art. 16 Wwft, onverwijld te melden bij de FIU-NL. De wetgever heeft aan instellingen, zoals de verdachte, een poortwachtersfunctie toegekend. Op grond daarvan heeft de verdachte een belangrijke maatschappelijke verantwoordelijkheid bij de bestrijding van witwassen, waaronder eveneens is begrepen de maatschappij ontwrichtende belastingfraude. De verdachte heeft door haar handelen de overheid de mogelijkheid ontnomen zicht te krijgen op geldstromen die kunnen duiden op criminaliteit, en achterliggende strafbare feiten op te sporen. De verdachte heeft daarmee in ernstige mate haar verantwoordelijkheid miskend.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 19 augustus 2020 is zij niet eerder strafrechtelijk veroordeeld. Ten gunste van de verdachte heeft het hof acht geslagen op het feit dat de verdachte sinds het tenlastegelegde niet meer in aanraking is geweest met politie en justitie.

Gelet op de ernst van het bewezenverklaarde en het maatschappelijk belang bij onverwijlde melding van ongebruikelijke transacties door instellingen als de verdachte acht het hof een schuldigverklaring zonder oplegging van straf en maatregel niet passend. Evenmin kan worden volstaan met een geldboete ter hoogte van € 10.000,00 waarvan € 5.000,00 voorwaardelijk. In hetgeen de raadsman heeft aangevoerd en ook overigens ziet het hof geen aanleiding tot een lagere straf te komen dan hierna is bepaald. Het hof heeft hierbij mede de draagkracht van de verdachte betrokken.

Het hof is, in tegenstelling tot hetgeen de advocaat-generaal hierover naar voren heeft gebracht, van oordeel dat geen sprake is van overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg. Als beginpunt van de in artikel 6, eerste lid, EVRM bedoelde termijn heeft te gelden het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld (HR 17 juni 2008, NJ 2008/358). In deze zaak geldt de uitreiking van de dagvaarding op 18 oktober 2018, gelet op de bestendige jurisprudentie op dit punt, als aanvang van de redelijke termijn. De rechtbank heeft op 7 november 2018 vonnis gewezen. Van een overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg is derhalve geen sprake.

Het hof acht, alles afwegende, een geldboete van na te melden hoogte passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 23, 24, 51 en 57 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten en artikel 16 van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren terrorisme.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 20.000,00 (twintigduizend euro).

Dit arrest is gewezen door de economische strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.L. Bruinsma, mr. A.P.M. van Rijn en mr. M. Jurgens, in tegenwoordigheid van

mr. S. Egidi, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

18 september 2020.