Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:2678

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
01-09-2020
Datum publicatie
13-10-2020
Zaaknummer
200.275.656/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

uithuisplaatsing

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

zaaknummer: 200.275.656/ 01

zaaknummer rechtbank: C/15/295157 / JU RK 19-2041

beschikking van de meervoudige kamer van 1 september 2020 inzake

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. J.C. Sneep te Breda,

en

de gecertificeerde instelling Stichting De Jeugd- & Gezinsbeschermers,

gevestigd te Haarlem,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de GI.

Als belanghebbenden zijn aangemerkt:

- [de vader] (hierna: de vader);

- de minderjarige [zoon] (hierna: [de minderjarige] );

- [de pleegmoeder] (hierna: de pleegmoeder).

In zijn adviserende taak is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

gevestigd te Den Haag, locatie Haarlem,

hierna te noemen: de raad.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Holland (locatie Haarlem) (hierna: de kinderrechter) van 18 december 2019, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De moeder is op 17 maart 2020 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van 18 december 2019.

2.2

De GI heeft op 22 april 2020 een verweerschrift ingediend.

2.3

Het hof heeft [de minderjarige] in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. Hij heeft daar geen gebruik van gemaakt.

2.4

De mondelinge behandeling heeft op 3 augustus 2020 plaatsgevonden. Verschenen zijn:

- mr. S. de Goede, advocaat te Breda, namens de moeder;

- de gezinsmanager namens de GI, vergezeld door een collega;

- mevrouw D.M. van Dijk namens de raad;

- de pleegmoeder.

De moeder is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. Het verzoek om aanhouding van de behandeling dat haar advocaat ter zitting heeft gedaan, is door het hof afgewezen.

De vader is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, evenmin verschenen.

3 De feiten

3.1

Uit het huwelijk van de moeder en de vader zijn twee kinderen geboren van wie [de minderjarige] , geboren [in] 2007, nog minderjarig is. Zijn oudere zus [X] woont weer bij de moeder nadat zij in een pleeggezin heeft verbleven. De relatie van de ouders is in 2017 verbroken. De vader heeft geen vaste woon- of verblijfplaats.

De moeder en de vader oefenen gezamenlijk het gezag uit over [de minderjarige] .

3.2

Bij beschikking van 29 december 2016 van de kinderrechter is [de minderjarige] onder toezicht van de GI gesteld. De maatregel is nadien telkens verlengd, laatstelijk tot 29 december 2020.

3.3

Bij beschikking van 8 juni 2017 heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een pleeggezin verleend. [de minderjarige] verbleef sinds 1 april 2017 bij de pleegmoeder in het kader van een netwerkplaatsing op vrijwillige basis en vervolgens op basis van de machtiging tot uithuisplaatsing. De maatregel is nadien telkens verlengd.

4 De omvang van het geschil

4.1

Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans van belang en overeenkomstig het verzoek van de GI, de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] met ingang van 29 december 2019 verlengd tot 29 december 2020.

4.2

De moeder verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, het verzoek van de GI ten aanzien van de uithuisplaatsing van [de minderjarige] af te wijzen.

4.3

De GI verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Ingevolge artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

5.2

De moeder stelt dat de uithuisplaatsing van [de minderjarige] niet noodzakelijk is en dat deze maatregel voorts niet in zijn belang is. De pleegmoeder handelt niet in het belang van [de minderjarige] , onder andere omdat zij het contact tussen hem en de moeder niet stimuleert. Ook zijn er veel conflicten tussen de pleegmoeder en haar partner en hebben zij hem bijvoorbeeld voor een dichte deur laten staan toen hij terugkwam van een sporttraining en hij de huissleutel niet had. De GI stimuleert de omgang evenmin; aanvankelijk zagen de moeder en [de minderjarige] elkaar op zaterdag en zondag de hele dag, maar sinds 27 mei 2019 is dat nog maar vier uur per twee weken, terwijl de vader zelfs bij [de minderjarige] heeft mogen overnachten.

De moeder ziet in dat er in het verleden terechte zorgen over haar waren, maar sindsdien heeft zij grote stappen gezet. Zij heeft een eigen woning waar zij met [X] woont en waar een eigen kamer voor [de minderjarige] is. De moeder heeft een baan, haar schulden zijn afgelost en zij gebruikt geen drugs en alcohol meer. De alcoholtests lieten een negatief resultaat zien en de moeder is bereid vervolgtests te laten afnemen. Weliswaar is nog sprake van een taalachterstand, maar de moeder heeft andere zaken in haar leven met succes aangepakt. De GI verwijt de moeder dat zij te weinig interesse in [de minderjarige] toont; dit komt echter voort uit de angst dat zij iets verkeerd zal zeggen omdat zij het gevoel heeft dat zij het toch nooit goed kan doen. De moeder is dan ook van mening dat de gronden voor een uithuisplaatsing niet (meer) aanwezig zijn.

5.3

De GI is van mening dat de gronden voor de uithuisplaatsing van [de minderjarige] nog wel aanwezig zijn. [de minderjarige] wordt door de pleegmoeder gestimuleerd om contact te houden met zijn familie, maar het is de moeder die niet of nauwelijks interesse in hem toont. [de minderjarige] beleeft plezier aan de omgang met de moeder, maar zij komt vaak te laat en vindt het lastig om hem toestemming te geven voor zijn verblijf bij de pleegouders. De GI probeert al sinds december 2019 in gesprek te gaan met de moeder, maar zij reageert niet op uitnodigingen. Evenmin is zij ingegaan op de uitnodiging om aan te sluiten bij de therapie van Family Supporters, waarbij zou kunnen worden gewerkt aan het versterken van haar pedagogische vaardigheden. Inmiddels heeft [de minderjarige] deze therapie met positief resultaat afgesloten. De moeder vraagt niet aan de GI en de pleegmoeder hoe het met [de minderjarige] gaat en zij heeft geen contact met zijn school. De moeder komt niet bij voetbaltrainingen of -wedstrijden van [de minderjarige] kijken. Zij is dus buiten de omgangsmomenten om niet betrokken bij [de minderjarige] en zij lijkt niet te weten wat hij nodig heeft. Dat de moeder niet in [de minderjarige] belang handelt, blijkt verder uit het feit dat zij weigert haar handtekening te zetten onder belangrijke documenten, waarmee naar de mening van de GI sprake is van misbruik van gezag. Daarom heeft de GI de raad verzocht onderzoek te doen naar een verderstrekkende maatregel.

Verder weerspreekt de GI een aantal stellingen van de moeder. Zo heeft [de minderjarige] inmiddels een eigen huissleutel van de pleegmoeder gekregen, heeft de moeder zich slechts één keer op verdovende middelen laten testen en is er geen sprake van dat de vader bij [de minderjarige] heeft gelogeerd.

Ter zitting in hoger beroep heeft de gezinsmanager aan het voorgaande toegevoegd dat zij een gesprek heeft gehad bij [de minderjarige] op school; het gaat zowel op cognitief als op emotioneel gebied goed met hem. De school heeft sinds maart 2019 geen contact meer gehad met de moeder.

5.4

De raad heeft onderzoek gedaan en op grond daarvan besloten om een verzoek in te dienen strekkende tot de beëindiging van het gezag van de moeder (en – naar het hof aanneemt – dat van de vader) over [de minderjarige] . Ter zitting in hoger beroep heeft de raad geadviseerd de bestreden beschikking te bekrachtigen. Uit voornoemd onderzoek is gebleken dat [de minderjarige] zich goed heeft ontwikkeld; hij voelt zich prettig bij de pleegmoeder en hij begrijpt dat hij niet bij de moeder kan wonen. De moeder heeft onvoldoende vooruitgang geboekt om tot beëindiging van de uithuisplaatsing te komen, aldus de raad.

5.5

De pleegmoeder heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat het goed gaat met [de minderjarige] . Hij is een vrolijke jongen die zijn ontwikkelingsachterstand aan het inlopen is en die steeds zelfstandiger wordt. Nadat zijn school had geconstateerd dat [de minderjarige] achterliep op emotioneel vlak, heeft hij speltherapie gevolgd en afgerond. Hij is inmiddels aangemeld voor traumaverwerking en staat op de wachtlijst.

[de minderjarige] ziet de moeder een dag per twee weken. Hoewel hij het moeilijk vindt dat hij niet bij haar kan wonen, lijkt hij steeds meer te begrijpen waarom dat niet kan en legt hij zich daarbij neer. Hij vindt het wel lastig dat de moeder hem belast met zaken rond de uithuisplaatsing, bijvoorbeeld door negatief te praten over de GI. Verder zou hij het leuk vinden als de moeder bij een voetbaltraining van hem kwam kijken. De pleegmoeder heeft meerdere pogingen ondernomen om daarover een afspraak te maken met de moeder.

5.6

Het hof overweegt als volgt. Van de vorige verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] (tot 29 december 2019) is de moeder ook in hoger beroep gekomen, welk appel heeft geleid tot de beschikking van 8 oktober 2019 van dit hof. In die beschikking heeft het hof overwogen dat de moeder weliswaar inmiddels aan een aantal van de door de GI gestelde doelen voldeed, maar dat nog de nodige stappen te zetten waren om aan de al in 2017 gestelde voorwaarden te voldoen. De punten waaraan de moeder nog moest werken, betroffen vooral het geven van inzicht en openheid, het verlenen van medewerking en het tonen van betrokkenheid bij [de minderjarige] . Het hof stelt vast dat deze punten van zorg nog onverminderd bestaan. Het is te prijzen dat de moeder, zoals zij stelt, een vast dienstverband heeft en dat zij haar schulden heeft afgelost, maar uit de verklaringen van de GI en de pleegmoeder blijkt dat de te behalen doelen nog niet zijn bereikt. Ondanks herhaalde pogingen van de gezinsvoogd om de moeder telefonisch, schriftelijk en per e-mail te bereiken, is er niet of nauwelijks contact tussen de gezinsvoogd en de moeder. Evenmin komt de moeder bij voetbal kijken of toont zij anderszins interesse in [de minderjarige] , bijvoorbeeld door contact te hebben met zijn school. De verklaring van de moeder dat zij dagelijks via WhatsApp contact heeft met [de minderjarige] en dat zij uit angst voor de reactie van de GI en de pleegmoeder niet naar voetbal komt kijken, volstaat niet, te minder nu de pleegmoeder ter zitting in hoger beroep heeft verklaard dat zij juist heeft geprobeerd de moeder te betrekken bij de voetbaltraining.

Gezien hetgeen hiervoor is overwogen, zijn de gronden voor de uithuisplaatsing van [de minderjarige] naar het oordeel van het hof nog aanwezig. Hoewel sprake is van positieve ontwikkelingen, zijn die in het geval van de moeder vooral van praktische aard. Nu zij nog tekortschiet in de samenwerking met de GI en nauwelijks bereikbaar is voor de gezinsvoogd (zodat bijvoorbeeld afspraken kunnen worden gemaakt over alcoholtests), en tekortschiet in het tonen van betrokkenheid bij [de minderjarige] , zijn de door de moeder gezette stappen onvoldoende om te oordelen dat [de minderjarige] weer bij haar kan wonen. Het hof zal de bestreden beschikking daarom bekrachtigen.

5.7

Dit leidt tot de volgende beslissing.

6 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

Deze beschikking is gegeven door mr. J.M. van Baardewijk, mr. A.V.T. de Bie en mr. J.F. Miedema, in tegenwoordigheid van mr. F.J.E. van Geijn als griffier en is op 1 september 2020 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.