Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:2653

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
13-10-2020
Datum publicatie
28-10-2020
Zaaknummer
19/00787
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Compromis t.a.v. WOZ-waarde, vaststellen proceskostenvergoeding. Wel of geen sprake van samenhang?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2020/3117
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 19/00787

13 oktober 2020

uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] , wonende te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: mr. A. Bakker),

tegen de uitspraak van 23 april 2019 in de zaak met kenmerk HAA 17/4652 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Haarlemmermeer, de heffingsambtenaar.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Bij beschikking krachtens artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken met dagtekening 28 februari 2017 heeft de heffingsambtenaar de waarde van de onroerende zaak [dijkwoning] te [Z] (hierna: de dijkwoning) voor het belastingjaar 2017 vastgesteld op € 177.000. In hetzelfde geschrift is de aanslag onroerendezaakbelasting 2017 bekend gemaakt.

1.2.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak op bezwaar van 6 september 2017 het bezwaar gegrond verklaard en de hiervoor genoemde waarde van de dijkwoning verlaagd naar € 141.000 en de aanslag onroerendezaakbelasting 2017 dienovereenkomstig verminderd. Belanghebbende heeft hiertegen beroep ingesteld.

1.3.

Bij uitspraak van 23 april 2019 heeft de rechtbank het tegen de uitspraak op bezwaar ingestelde beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Het tegen deze uitspraak door belanghebbende ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen (per fax) op 6 juni 2019, aangevuld bij brieven van 4 juli 2019.

De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. Op 17 januari 2020 zijn bij het Hof nadere stukken ingekomen van belanghebbende. Afschriften van deze stukken zijn verstrekt aan de wederpartij.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 januari 2020. De onderwerpelijke zaak is aldaar gelijktijdig behandeld met zaken met de kenmerknummers 19/00784 t/m 19/00786 en 19/00788 t/m 19/00791. Het Hof heeft het onderzoek ter zitting aangehouden en de heffingsambtenaar verzocht om nadere schriftelijke inlichtingen te verstrekken. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan partijen is verstrekt.

1.6.

Bij brief van 10 maart 2020 heeft de heffingsambtenaar schriftelijk de vragen van het Hof beantwoord. Belanghebbende heeft bij brief van 3 mei 2020 gereageerd. Bij brief van 2 juli 2020 heeft de heffingsambtenaar een compromisvoorstel gedaan, aangevuld bij brief van 27 augustus 2020. Belanghebbende heeft gereageerd bij brief van 18 juli 2020. Het Hof heeft belanghebbende verzocht bij schrijven van 3 september 2020 om nadere schriftelijke inlichtingen te verstrekken. Belanghebbende heeft hierop gereageerd in zijn schrijven van 17 september 2020. Afschriften van genoemde stukken zijn verstrekt aan de wederpartij.

1.7.

Partijen hebben het Hof toestemming verleend om zonder nadere zitting op het hoger beroep te beslissen. Het Hof heeft het onderzoek gesloten.

2 Overwegingen

2.1.

Partijen hebben ter beëindiging van het geschil (deel)overeenstemming bereikt, en wel in die zin dat:

- de waarde van de dijkwoning wordt verlaagd tot € 122.000, en

- de aanslag onroerendezaakbelasting 2017 dienovereenkomstig wordt verminderd.

2.2.1.

Het compromis beslaat niet de vast te stellen proceskosten. Deze zullen door het Hof nader worden vastgesteld met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit). De voor vergoeding in aanmerking komende kosten zijn opgenomen in artikel 1 van het Besluit. Voor het onderhavige geval zijn dat in de eerste plaats de in onderdeel a vermelde kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van het Besluit.

2.2.2. .

Partijen verschillen van inzicht over het antwoord op de vraag of er sprake is van samenhangende zaken (tussen belanghebbendes zaak en de (andere) gelijktijdig ter zitting van het Hof behandelde zaken, zie onder 1.5.). Het Hof is van oordeel dat geen sprake is van samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van het Besluit. De objecten (in de andere zaken was ook de waarde van een -elders gelegen- dijkwoning in geschil) zijn, alhoewel gelegen in dezelfde omgeving, dermate verschillend dat aannemelijk is geworden dat de gemachtigde per object (de desbetreffende dijkwoning) diens kenmerken heeft moeten beoordelen en heeft moeten beoordelen of de vastgestelde waarde klopte of niet. De werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht, waren daardoor niet nagenoeg identiek, zoals ook volgt uit de beroeps- en hogerberoepsfase opgestelde geschriften per zaak (vgl. Hoge Raad 18 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:420). Daarbij wijst het Hof erop dat de redenen voor de verlaging van de WOZ-waarde per zaak anders zijn. De geschriften kennen weliswaar een overeenkomstig deel (dat onder andere ziet op de door de heffingsambtenaar gebruikte grondstaffel); echter, zij kennen per zaak mede een individueel deel dat inzoomt op de objectkenmerken per dijkwoning en de daarop ziende klachten.

2.2.3.

Voor de behandeling van het beroep bij de rechtbank stelt het Hof de vergoeding vast, mede gelet op het bepaalde in het Besluit, op 3,5 (punten wegens beroepschrift, zitting, twee nadere zittingen en door belanghebbende verstrekte schriftelijke inlichtingen) x € 525 (waarde per punt) x 1 (het gewicht van de zaak is gemiddeld), resulterend in een bedrag van € 1.837,50.

Voor de behandeling van het hoger beroep stelt het Hof de vergoeding vast, mede gelet op het bepaalde in het Besluit, op 3 (punten wegens hogerberoepschrift, verschijnen ter zitting en twee reacties op schriftelijke inlichtingen) x € 525 (waarde per punt) x 1 (gewicht van de zaak), eveneens resulterend in een bedrag van € 1.575.

Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten heeft gemaakt. Het totaal van de te vergoeden proceskosten bedraagt derhalve € 3.412,50.

Slotsom

2.3.

De slotsom is dat het hoger beroep van belanghebbende gegrond is (zie hiervoor onder 2.1.) en de uitspraak van de rechtbank vernietigd dient te worden.

3 Beslissing

Het Hof:

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank;

- verklaart het beroep gegrond;

- verlaagt de waarde van de onroerende zaak [dijkwoning] tot € 122.000;

- vermindert de aanslag onroerendezaakbelasting 2017 dienovereenkomstig;

- veroordeelt de heffingsambtenaar tot vergoeding van de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van in totaal € 3.412,50, en

- gelast dat de heffingsambtenaar het door belanghebbende betaalde griffierecht ad € 46 (beroep bij de rechtbank) en € 128 (hoger beroep bij het Hof), in totaal € 174 vergoedt.

De uitspraak is gedaan door mrs. N. Djebali, voorzitter van de belastingkamer, P.F. Goes en M.J. Leijdekker, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. V. Sathananthan als griffier. De beslissing is op 13 oktober 2020 uitgesproken en wordt openbaar gemaakt door publicatie op www.rechtspraak.nl.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Toelichting rechtsmiddelverwijzing

Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen.
Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.


Digitaal procederen

Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.

Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.


Per post procederen
Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte.
Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.