Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:2648

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
06-10-2020
Datum publicatie
21-10-2020
Zaaknummer
19/01693 & 19/01694
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende stelt bezwaar in tegen een naheffing parkeerbelasting. In geschil is de wijze van het indienen van bezwaar. Daarbij spelen o.a. de vragen of er sprake is van een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb en of er sprake is van overschrijding van de bezwaartermijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 21-10-2020
FutD 2020-3144
V-N Vandaag 2020/2565
NTFR 2020/3042
Belastingblad 2021/13 met annotatie van R.T. Wiegerink
V-N 2021/3.1.3
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerken 19/01693 en 19/01694

6 oktober 2020

uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op de hoger beroepen van

[X] , wonende te [Z] , belanghebbende,

Gemachtigde: mr. drs. J.M.C. Niederer,

tegen de uitspraak van 20 november 2019 in de zaken met kenmerk HAA 18/5315 en

HAA 18/5613 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Alkmaar, de heffingsambtenaar.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende op 21 juli 2017 een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd ten bedrage van € 63,70 (€ 2,70 aan parkeerbelasting en € 61 aan kosten in verband met het opleggen van de naheffingsaanslag).

1.2.

Belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij brief van 30 december 2017, ontvangen door de heffingsambtenaar op 10 januari 2018, in gebreke gesteld vanwege het niet tijdig beslissen op een tegen de naheffingsaanslag gericht bezwaarschrift met datum 26 juli 2017.

1.3.

De heffingsambtenaar heeft belanghebbende bij brief van 16 januari 2018 medegedeeld dat (i) er geen bezwaarschrift is ontvangen, (ii) de ingebrekestelling is aangemerkt als een tegen de naheffingsaanslag gericht pro forma bezwaarschrift, (iii) dit bezwaarschrift kennelijk niet-ontvankelijk is wegens overschrijding van de bezwaartermijn, en (iv) er geen sprake kan zijn van een ingebrekestelling nu het bezwaar na 1 januari 2018 is ontvangen.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de brief van 16 januari 2018 beroep ingesteld. In deze beroepsprocedure heeft belanghebbende het bezwaarschrift met datum 26 juli 2017 (zie 1.2) overgelegd, inclusief een ontvangstbevestiging per e-mail van de gemeente Alkmaar (zie 2.3).

1.5.

Bij uitspraak van 19 oktober 2018 heeft de rechtbank dit beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat de brief van 16 januari 2018 niet is aan te merken als een uitspraak op bezwaar waartegen beroep kan worden ingesteld (het betreft zaaknummer HAA 18/678; ECLI:NL:RBNHO:2018:8791). Bij uitspraak van 5 september 2019 heeft het Hof het hiertegen ingestelde hoger ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd (het betreft zaaknummer 18/00661, ECLI:NL:GHAMS:2019:3265). De Hoge Raad heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep in cassatie ongegrond verklaard onder verwijzing naar artikel 81 Wet RO (zie HR 18 september 2020, 19/04526, ECLI:NL:HR:2020:1441).

1.6.

Belanghebbende heeft bij brief van 26 oktober 2018 de heffingsambtenaar medegedeeld dat op het bezwaarschrift met datum 26 juli 2017 nog dient te worden beslist.

1.7.

De heffingsambtenaar heeft hierop bij brief van 2 november 2018 belanghebbende verzocht om een afspraak te maken om te worden gehoord. Belanghebbende heeft hierop gereageerd bij e-mail van 15 november 2018 (bevattende een brief van 16 november 2018)

en hierin opgemerkt dat (i) het bezwaarschrift van 26 juli 2017 binnen de bezwaartermijn is verzonden, (ii) de ingebrekestelling bij brief van 30 december 2017 tijdig is verzonden, en (iii) een dwangsom verbeurd moet worden, inclusief de wettelijke rente.

1.8.

De heffingsambtenaar heeft hierop bij brief van 20 november 2018 gereageerd en belanghebbende medegedeeld dat (i) de ingebrekestelling reeds is afgewezen en dat die beslissing door belanghebbende is ontvangen, (ii) eerst in de beroepsprocedure is aangetoond dat er sprake is van een verschoonbaar niet-ontvankelijk bezwaarschrift, en (iii) er geen sprake kan zijn van een dwangsom, wettelijke rente of nogmaals een beslissing hierover.

1.9.

Belanghebbende heeft hiertegen bij faxbericht van 20 november 2018 beroep ingesteld (hierna aangeduid als: beroep I).

1.10.

Bij uitspraak op bezwaar van 23 november 2018 heeft de heffingsambtenaar de als pro forma bezwaarschrift aangemerkte ingebrekestelling, ontvangen op 10 januari 2018 (zie 1.2 en 1.3), niet-ontvankelijk verklaard. Belanghebbende heeft ook hiertegen beroep ingesteld (hierna aangeduid als: beroep II).

1.11.

Bij uitspraak van 5 februari 2019 heeft de rechtbank beroep I kennelijk niet-ontvankelijk verklaard, omdat de brief van 20 november 2018 niet is aan te merken als een besluit waartegen ingevolge artikel 1:3, lid 1, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) bezwaar of beroep openstaat. Belanghebbende heeft hiertegen verzet ingesteld.

1.12.

De rechtbank heeft dit verzet bij uitspraak van 15 mei 2019 gegrond verklaard en daarbij overwogen dat er enige twijfel kan zijn of de zin ‘Van een dwangsom, wettelijke rente of nogmaals een beslissing hierover kan daarom geen sprake zijn’, opgenomen in de brief van 20 november 2018, een besluit inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling is. Het onderzoek in beroep I is door de rechtbank vervolgens voortgezet in de stand waarin het zich bevond voordat de onder 1.11 gemelde uitspraak van de rechtbank werd gedaan.

1.13.

Bij uitspraak van 20 november 2019 heeft de rechtbank beroep I niet-ontvankelijk verklaard (zaaknummer HAA 18/5315), beroep II ongegrond verklaard (zaaknummer HAA 18/5613) en een verzoek tot vergoeding van immateriële schade afgewezen.

1.14.

Het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen (per fax) op 12 december 2019. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.15.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 augustus 2020. Namens belanghebbende is niemand ter zitting verschenen. Blijkens gegevens van PostNL is de op

30 juni 2020 per aangetekende post verzonden uitnodiging om op de zitting te verschijnen op 1 juli 2020 bezorgd op het adres van zijn gemachtigde ( [adres] ) en is voor ontvangst getekend. Belanghebbende is aldus tijdig en op de juiste wijze uitgenodigd, zodat de zitting doorgang heeft kunnen vinden. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Feiten

De rechtbank heeft in haar uitspraak (onder meer) de navolgende feiten vastgesteld (belanghebbende is hierin aangeduid als ‘eiseres’, de heffingsambtenaar als ‘verweerder’):

“1. Op (vrijdag) 21 juli 2017 heeft eiseres haar auto (merk: [merk] ; kleur: [kleur] ; kenteken

[kenteken] ; hierna: de auto) geparkeerd te Alkmaar. Ter plaatse was op genoemde datum en genoemd tijdstip parkeerbelasting verschuldigd. De parkeercontroleur heeft op bovengenoemde datum en bovengenoemd tijdstip geconstateerd dat voor de auto geen parkeerbelasting was betaald. Vervolgens is de naheffingsaanslag opgelegd.

2. Eiseres heeft op 26 juli 2017 een bezwaarschrift ingediend. Dit bezwaarschrift is verzonden naar post@alkmaar.nl alsmede naar “de Heffingsambtenaar van de gemeente Alkmaar, postbus 53, 1800 BC Alkmaar.

3. Op 31 augustus 2017 heeft verweerder aan eiseres het duplicaat van de naheffingsaanslag toegezonden. In dit duplicaat is onder meer het volgende vermeld:

“4. Bezwaarschrift

Indien u een bezwaarschrift wilt indienen tegen de naheffingsaanslag kunt u (zoals dit op de originele naheffingsaanslag is vermeld) dit bezwaarschrift indienen binnen zes weken na dagtekening van de opgelegde naheffingsaanslag. U kunt het bezwaarschrift schriftelijk indienen bij de gemeente Alkmaar, t.a.v. de Inspecteur Belastingen, postbus 796, 2130 AT Hoofddorp.”

4. Op naheffingsaanslagen parkeerbelasting van de gemeente staat onder meer het volgende vermeld:

“Bezwaren

Bezwaren kunt u uitsluitend schriftelijk indienen bij:

De Inspecteur Belastingen

Postbus 796

2130 AT Hoofddorp ”

5. Bij brief van 30 december 2017, door verweerder ontvangen op 10 januari 2018, heeft eiseres verweerder in gebreke gesteld in verband met het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift gedateerd 26 juli 2017 gericht tegen de naheffingsaanslag. Deze brief is gestuurd naar het adres postbus 53 1800 BC Alkmaar.

(…)

8. Op de website van de gemeente Alkmaar staat onder meer het volgende vermeld

“Gemeentebelastingen Alkmaar

Cocensus verzorgt de uitvoering van de belastingzaken voor Alkmaar. Alle informatie over bijvoorbeeld (…) bezwaar (…) staat op de website van Cocensus.

Belastingen Contact

(…)

(…) Cocensus-gemeente Alkmaar

Parkeerbelastingen Afdeling Gemeentebelastingen

Postbus 796

2130 AT Hoofddorp

(…) vragen of contact? Mail post@alkmaar.nl”

9. Op de website van Cocensus staat onder meer het volgende vermeld:

“Parkeerbelasting

(…)

Bezwaar

Bent u het niet eens met de aanslag? Dan kunt u hiertegen bezwaar maken.

(…)

Hoe kunt u bezwaar indienen?

(…) Helaas is het op dit moment nog niet mogelijk om digitaal bezwaar te maken tegen naheffingsaanslagen parkeerbelasting.

(…)

Reactieformulier

U kunt ook bezwaar maken door gebruik te maken van het bij het aanslagbiljet reactieformulier. Dit formulier stuurt u ingevuld en ondertekend naar:

-de inspecteur Belastingen

-Postbus 796

-2130 AT Hoofddorp

Brief

U kunt per brief bezwaar maken. (…) Voor de administratieve verwerking vragen wij het reactieformulier ook mee te sturen naar:

-de inspecteur Belastingen

-Postbus 796

-2130 AT Hoofddorp”

10. Bij fax-bericht van 24 mei 2018 heeft eiseres een ontvangstbevestiging overgelegd van haar op 26 juli 2017 naar post@alkmaar.nl toegezonden bezwaarschrift.

11. Bij brief van 26 oktober 2018 heeft eiseres verweerder medegedeeld dat op het bezwaarschrift gericht tegen de naheffingsaanslag nog moet worden beslist. Eiseres heeft deze brief verzonden naar “Heffingsambtenaar van de gemeente Alkmaar,

postbus 797 2130 AT Hoofddorp” alsmede naar het emailadres info@concensus.nl.

12. Bij per aangetekende post verzonden brief van 2 november 2018 heeft verweerder eiseres verzocht uiterlijk binnen twee weken een afspraak te maken om naar aanleiding van haar bezwaarschrift gedateerd 26 juli 2017 te worden gehoord. Eiseres heeft hierop bij brief van 16 november 2018 een reactie gegeven, welke zij heeft gestuurd naar de “Heffingsambtenaar van de gemeente Alkmaar, postbus 797 2130 AT Hoofddorp” alsmede naar het emailadres info@cocensus.nl. Bij email-bericht van 21 november 2018 heeft eiseres verweerder medegedeeld dat zij niet wenst te worden gehoord. Eiseres heeft dit email-bericht verzonden naar info@cocensus.nl.

(…)”.

2.2.

Nu voormelde door de rechtbank vastgestelde feiten door partijen op zichzelf niet zijn bestreden, zal ook het Hof daarvan uitgaan. Het Hof voegt hieraan de volgende feiten toe.

2.3.

Tot de gedingstukken behoort een e-mailbericht van mailto:Post@alkmaar.nl <post@alkmaar.nl> gericht aan < [emailadres gemachtigde] > (het kantoor van de gemachtigde van belanghebbende) met datum 26 juli 2017 (zie 1.4), waarin het volgende is opgenomen:

“Geachte heer / mevrouw

Uw e-mail gericht aan de gemeente Alkmaar is in goede orde ontvangen en is doorgezonden naar de behandelende afdeling.

U zult zo spoedig mogelijk een reactie op uw e-mail ontvangen.

Met vriendelijke groet

Burgemeester en wethouders van Alkmaar

Dit is een automatisch gegenereerd bericht, reacties op dit bericht worden niet gelezen en direct verwijderd.”

2.4.

De brief van de heffingsambtenaar van 16 januari 2018 (zie 1.3) heeft als onderwerp ‘naheffingsaanslag [nummer] ’ en luidt - voor zover relevant - als volgt:

“Geachte heer Niederer,

De gemeente stuurde uw op 30 december 2017 gedagtekende ingebrekestelling betreffende naheffingsaanslag [nummer] door aan de GR Consensus.

Zij meldde desgevraagd dat zij hun hele systeem op alle zoektermen hebben doorzocht maar het door u genoemde bezwaarschrift niet hebben kunnen vinden. Aangezien de GR Cocensus de heffende en verantwoordelijke instantie is in deze hebben zij daarom de ingebrekestelling doorgezonden aan de GR Consensus.

Aangezien ook door de GR Cocensus het door u genoemde bezwaar niet is ontvangen, verzoek ik u een kopie hiervan aan de GR Cocensus te sturen. Het adres vindt u boven in deze brief.

De door de gemeente Alkmaar doorgezonden ingebrekestelling is geregistreerd als pro-forma bezwaar. Omdat het een aanslag betreft van 21 juli 2017 en het bezwaarschift na 1 januari 2018 is/wordt ontvangen, is dit bezwaarschrift overigens kennelijk niet-ontvankelijk.

Verder kan er van een ingebrekestelling geen sprake zijn, nu uw bezwaar na 1 januari 2018 wordt ontvangen.

Conform beleid worden echter onder andere ook kennelijk niet-ontvankelijke bezwaren ambtshalve getoetst. Ik verzoek u dan ook, binnen vier weken na dagtekening van deze brief, in of bij de kopie van het bezwaar, dit bezwaar te motiveren en aan te geven welke tijdstippen u wilt bellen teneinde gehoord te worden.

Dit nu het een kennelijk niet-ontvankelijk bezwaar betreft en er daarom geen verplichting tot horen bestaat. Indien ik binnen bovengenoemde termijn van vier weken na dagtekening van deze brief niets ontvangen heb, dan zal ik uitspraak doen op basis van de mij thans bekende gegevens.

Hoogachtend.

De Inspecteur Belastingen,

namens deze,

(Hof: handtekening)

de Afdelingsmanager”

2.5.

De brief van belanghebbende van 16 november 2018 (zie 1.7) heeft als onderwerp ‘bezwaarschrift tegen naheffingsaanslag [nummer] , uw kenmerk [kenmerk] ’ en luidt - voor zover relevant - als volgt:

“Geachte heer, mevrouw,

Uw brief van 2 november 2018 ontving ik. (…)

Ten behoeve van het hoorgesprek geef ik u mee dat ik wat betreft data en tijdstippen flexibel ben. Ik zie uw uitnodiging graag tegemoet. Bijvoorbeeld de eerste week van december (…)

Ik hecht er eveneens aan het volgende op te merken. Anders dan u veronderstelt, is het bezwaarschrift op 26 juli 2017, en daarmee binnen de termijn van artikel 6:7 van de Awb, verzonden. Er is eveneens een tijdige ingebrekestelling aan u verzonden. Gelet op het bepaalde van artikel 4:17 van de Awb verbeurt u aan mijn cliënte een dwangsom. U dient de verschuldigdheid alsmede de hoogte daarvan vast te stellen bij de beslissing op het bezwaarschrift. Ook bent u wettelijke rente over dit bedrag verschuldigd, als bedoeld in de artikel 4:97 t/m 4:102 van de Awb. De verschuldigdheid alsmede de hoogte daarvan dient u ook bij beschikking vast te stellen. Ik stel voor dat u dat gelijktijdig met de beslissing op het bezwaar doet, zodat een beroepsprocedure kan worden voorkomen. (…)”

2.6.

De brief van de heffingsambtenaar van 20 november 2018 (zie 1.8) heeft als onderwerp ‘Hoorzitting’ en luidt - voor zover relevant - als volgt:

“Geachte heer Niederer,

In uw email van 15 november 2018 geeft u aan dat u de eerste week van december vooralsnog geen afspraken in uw agenda heeft. U stelt dan voor om de hoorzitting op een dag in die week te plannen.

Ik hoop dat het u uitkomt op maandag 3 december 2018 om 11.00. (…)

Ingebrekestelling

Uw ingebrekestelling is reeds afgewezen, deze beslissing heeft u al ontvangen. Uw bezwaar was niet tijdig. Pas gedurende de beroepsprocedure in 2018 heeft u aangetoond een verschoonbaar niet-ontvankelijk bezwaarschrift te hebben ingediend. Van een dwangsom, wettelijke rente of nogmaals een beslissing hierover kan daarom geen sprake zijn.

Ik hoop u hiermee voldoende geïnformeerd te hebben. Ik hoor graag van u of de tijd en de datum van de hoorzitting akkoord zijn.

Hoogachtend.

De Inspecteur Belastingen,

namens deze,

(Hof: handtekening)

de Afdelingsmanager”

3 Geschil in hoger beroep

In hoger beroep is in geschil of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat:

  • -

    i) de brief van de heffingsambtenaar van 20 november 2018 (zie 1.8) niet kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) en dat beroep I derhalve terecht niet-ontvankelijk is verklaard (hoger beroep met zaaknummer 19/01693), en

  • -

    ii) het tegen de naheffingsaanslag indiende bezwaarschrift niet-ontvankelijk is wegens overschrijding van de bezwaartermijn en beroep II derhalve terecht ongegrond is verklaard (hoger beroep met zaaknummer 19/01694).

4 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft omtrent het geschil (onder meer) als volgt overwogen en beslist:

“Geschil en standpunten van partijen

HAA/18/5315 (Hof: beroep I)

15. In geschil is of verweerder bij brief van 20 november 2018 het verzoek van eiseres haar een dwangsom toe te kennen, terecht heeft afgewezen. Alvorens deze vraag te beantwoorden zal de rechtbank allereerst de vraag beantwoorden of de brief van verweerder van 20 november 2018 is aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb.

16. Eiseres heeft het volgende gesteld. Verweerder heeft eiseres ten onrechte geen dwangsom toegekend aangezien zij reeds op 26 juli 2017 en derhalve tijdig bezwaar heeft gemaakt.

Niet in geschil is dat de ingebrekestelling door verweerder begin januari 2018 is ontvangen.

17. Verweerder heeft aangevoerd dat de ingebrekestelling reeds is afgewezen welke beslissing eiseres al heeft ontvangen. Het bezwaar is niet tijdig. Van een dwangsom, wettelijke rente of nogmaals een beslissing hierover kan daarom geen sprake zijn.

HAA 18/5613 (Hof: beroep II)

18. Voorts is in geschil of verweerder het tegen de naheffingsaanslag ingediende bezwaarschrift gedateerd 30 december 2017 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn.

19. Eiseres heeft het volgende gesteld. Reeds op 26 juli 2017 en derhalve tijdig heeft zij bezwaar heeft gemaakt tegen de naheffingsaanslag. De beslissing op bezwaar ontbeert een deugdelijke motivering en is genomen in strijd met de vereiste zorgvuldigheid. Dat het bezwaarschrift niet correct zou zijn geadresseerd betwist eiseres aangezien het bezwaarschrift van haar gemachtigde in een andere procedure op identieke wijze is verzonden en door verweerder in behandeling is genomen. Het anders handelen in deze zaak brengt met zich dat sprake is van een verboden onderscheid. Voor zover verweerder betoogt dat geen bezwaarschrift van eiseres van 26 juli 2017 is gevonden, stelt eiseres zich op het standpunt dat verweerder beter moet zoeken. Eiseres wijst in dit verband op het arrest van de Hoge Raad van 9 november 2018 (ECLI:NL:HR:2018:2080).

Eiseres heeft niet geparkeerd aan de [A-straat] maar net aan de zijstraat daarvan,

[B-straat] te Alkmaar. Niet duidelijk was dat aan [B-straat] parkeerbelasting was verschuldigd.

20. Verweerder heeft het bezwaarschrift niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn.

Beoordeling van het geschil

22. Met betrekking tot het tegen de brief van verweerder van 20 november 2018 ingestelde beroep overweegt de rechtbank het volgende.

23. Op grond van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

24. Naar het oordeel van de rechtbank is deze brief niet aan te merken als een beslissing in voornoemde zin. De betreffende brief van verweerder is naar het oordeel van de rechtbank slechts aan te merken als een mededeling inhoudende (1) dat de ingebrekestelling reeds, naar de rechtbank begrijpt, onder kennelijke verwijzing naar het schrijven van verweerder van 16 januari 2018, is afgewezen en (2) dat eiseres heeft aangetoond een verschoonbaar niet-ontvankelijk bezwaarschrift heeft ingediend zodat van een dwangsom, wettelijke rente of nogmaals een beslissing hierover geen sprake kan zijn.

25. De rechtbank zal het beroep derhalve niet-ontvankelijk verklaren voor zover het is gericht tegen de brief van verweerder van 20 november 2018 (zaaknummer: HAA 18/5315).

26. Met betrekking tot het hiervoor in onderdeel 18 geformuleerde geschil, overweegt de rechtbank het volgende.

27. Op grond van artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken.

Op grond van artikel 6:9, eerste lid, van de Awb is een bezwaarschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de bezwaartermijn is ontvangen.

Op grond van artikel 22j van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, in samenhang met artikel 231 van de Gemeentewet, vangt de termijn voor het instellen van bezwaar in afwijking van artikel 6:8 van de Awb aan met ingang van de dag na die van dagtekening van een aanslagbiljet, tenzij de dag van dagtekening gelegen is vóór de dag van de bekendmaking.

Op grond van artikel 234, zevende lid, van de Gemeentewet kan de uitreiking van een naheffingsaanslag parkeerbelasting geschieden door het aanbrengen daarvan aan het voertuig.

28. Niet in geschil is dat de naheffingsaanslag op 21 juli 2017 is uitgereikt door aanbrenging daarvan op de auto. De rechtbank gaat hiervan derhalve uit.

Dit betekent dat de naheffingsaanslag rechtsgeldig is uitgereikt en dat de bezwaartermijn is aangevangen op 22 juli 2017 en is geëindigd op 1 september 2017.

29. Op grond van artikel 6:11 van de Awb blijft niet-ontvankelijkverklaring ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

30. Eiseres heeft gesteld dat zij tijdig, te weten reeds bij schrijven gedateerd 26 juli 2017 bezwaar heeft gemaakt tegen de naheffingsaanslag.

31. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat dient te worden uitgegaan van het op 30 december 2017 als ingebrekestelling ingediende en als bezwaarschrift aangemerkte, op 10 januari 2018 ontvangen geschrift.

32. De rechtbank overweegt het volgende. Vast staat dat zowel in de opgelegde naheffingsaanslag, als op het aan eiseres toegestuurde duplicaat hiervan is vermeld dat tegen de opgelegde naheffingsaanslag een bezwaarschrift kan worden ingediend en dat dit bezwaarschrift dient te worden gestuurd naar het adres “postbus 796, 2130 AT Hoofddorp. Vast staat bovendien dat op de website van de gemeente Alkmaar voor onder meer het maken van bezwaar tegen parkeerbelastingen, wordt verwezen naar de website van Cocensus. Op laatstgenoemde website is vermeld dat tegen een naheffingsaanslag parkeerbelasting bezwaar kan worden gemaakt en dat dit bezwaar dient te worden gericht naar het hiervoor genoemde postbusnummer. Op de website van Cocensus is voorts uitdrukkelijk vermeld dat het niet mogelijk is tegen een naheffingsaanslag parkeerbelasting digitaal bezwaar te maken.

Vast staat bovendien dat eiseres het op 26 juli 2017 gedateerde bezwaarschrift niet naar het adres zoals vermeld op de naheffingsaanslag, het duplicaat naheffingsaanslag en de websites van de gemeente Alkmaar en Cocensus heeft toegezonden, maar naar het adres postbus 53, 1800 BC te Alkmaar alsmede naar het email-adres post@alkmaar.nl. Deze beide laatstgenoemde adressen waren op 26 juli 2017 weliswaar in gebruik bij de gemeente Alkmaar, echter, deze adressen waren noch bedoeld voor het indienen van een bezwaarschrift noch in gebruik bij een ander (onbevoegd) bestuursorgaan van de gemeente Alkmaar. Dit betekent dat dit bezwaarschrift terecht niet op de voet van artikel 6:15 van de Awb naar verweerder is doorgezonden ter behandeling als bezwaarschrift. De verwijzing van eiseres naar een eerdere procedure waarin een bezwaarschrift op identieke wijze is verzonden en door verweerder in behandeling is genomen, noch de verwijzing naar het door haar genoemde arrest, doen hieraan af. De rechtbank wijst in dit verband op het arrest van de Hoge Raad van 12 juli 2019 nr. 19/00298 (ECLI:NL:HR:2019:1193).

33. Het moest voor gemachtigde ten tijde van het indienen van het bezwaarschrift duidelijk zijn dat het bezwaar werd ingediend bij een andere instantie dan het bestuursorgaan dat tot beslissing op het bezwaar bevoegd is. Gemachtigde heeft geen aanvaardbare verklaring gegeven voor het ongebruikt laten van het adres dat is vermeld in de rechtsmiddelverwijzingen. Ook de in het kader van de behandeling van het bezwaarschrift door verstuurde brieven heeft gemachtigde verzonden naar hetzij een postbusnummer dat toebehoort aan de gemeente Alkmaar noch aan Cocensus, hetzij een e-mailadres dat, zoals hiervoor is overwogen, niet in gebruik was voor het indienen van bezwaar en derhalve evenmin voor de in dat kader in te dienen nadere brieven. De rechtbank is derhalve van oordeel dat door de handelwijze van de gemachtigde, wiens kennis en handelen op dit punt dienen te worden toegerekend aan eiseres, sprake is van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht in de zin van artikel 6:15, derde lid, Awb.

34. Voorgaande betekent dat dient te worden uitgegaan van de datum van ontvangst van de als bezwaarschrift aangemerkte ingebrekestelling. Verweerder heeft gesteld dat hij laatstbedoeld geschrift op 10 januari 2018 heeft ontvangen. De rechtbank heeft, mede gelet op de adressering ervan, geen reden hieraan te twijfelen en zij gaat hier derhalve vanuit.
Het bezwaarschrift is derhalve ruimschoots buiten de wettelijke termijn ingediend. Feiten of omstandigheden die zouden leiden tot het oordeel dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding, zijn door eiseres - die zich immers op het standpunt stelde dat zij tijdig bezwaar heeft ingediend - niet aangedragen.

35. Verweerder heeft eiseres derhalve terecht niet-ontvankelijk verklaard in haar bezwaar tegen de naheffingsaanslag.

36. Aan een inhoudelijke beoordeling van de tegen de naheffingsaanslag aangevoerde bezwaren komt de rechtbank derhalve niet toe.

37. De rechtbank zal het beroep gericht tegen het bestreden besluit derhalve ongegrond verklaren (HAA 18/5613).”

5 Beoordeling van het geschil

5.1.

Het Hof stelt vast dat belanghebbende naar aanleiding van één naheffing van parkeerbelasting (€ 2,70, vermeerderd met € 61 kosten) drie gerechtelijke procedures heeft geëntameerd. Na de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 19 oktober 2018, nr. HAA 18/678, ECLI:NL:RBNHO:2018:8791, de uitspraak van Gerechtshof Amsterdam van 5 september 2019, nr. 18/00661, ECLI:NL:GHAMS:2019:3265 en het arrest van de Hoge Raad van 18 september 2020, nr. 19/04526, ECLI:NL:HR:2020:1441, is de eerste procedure tot een einde gekomen en staat de uitspraak van 5 september 2019 onherroepelijk vast.

De tweede procedure (zaaknummer 19/01693) betreft de duiding van een brief van de heffingsambtenaar van 20 november 2018. De derde procedure (zaaknummer 19/01694) betreft de vraag of er tijdig een bezwaarschrift is ingediend.

Hoger beroep met kenmerk 19/01693

Standpunten van partijen

5.2.

Belanghebbende heeft betoogd dat, anders dan de rechtbank heeft overwogen, de brief van de heffingsambtenaar van 20 november 2018 (zie 1.8 en 2.5) als een publiekrechtelijke rechtshandeling en daarom als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb dient te worden aangemerkt. Ter onderbouwing heeft belanghebbende verwezen naar een uitspraak van 17 februari 2016 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, ECLI:NL:RVS:2016:409, ro. 3.1. Beroep I is naar mening van belanghebbende ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Tevens uit artikel 6:10, eerste lid, van de Awb zou zijns inziens volgen dat de rechtbank niet tot een niet-ontvankelijk verklaring heeft mogen overgaan.

5.3.

De heffingsambtenaar verwijst naar zijn in de beroepsfase gevoerde verweer. In die fase heeft de heffingsambtenaar verwezen naar de uitspraak van de rechtbank in de zaak met nummer HAA 18/678, zoals hiervoor weergegeven onder 1.5. Belanghebbende is daarom niet-ontvankelijk in zijn beroep, aldus de heffingsambtenaar.

Beoordeling

5.4.

Het Hof onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat de brief van 20 november 2018 zodanig dient te worden begrepen dat hierin ter zake van de ingebrekestelling alleen is beoogd te verwijzen naar een eerdere beslissing hieromtrent, zoals opgenomen in de brief van 16 januari 2018 (zie 1.3). Er is, zo oordeelt de rechtbank, als zodanig daarom ook geen (nieuwe) beslissing genomen waartegen beroep openstaat. Indien men de onder 2.4 tot en met 2.6 geciteerde correspondentie op zichzelf en in hun onderlinge samenhang beschouwt, is deze uitlegging naar ’s Hofs oordeel juist. Daarbij acht het Hof van belang dat (i) in de brief van 20 november 2018 uitdrukkelijk is benoemd dat de ingebrekestelling al eerder is afgewezen, (ii) de brief onmiskenbaar enkel tot doel heeft het plannen van een hoorzitting, en (iii) in de brief niet is opgenomen dat het een uitspraak op bezwaar is, waartegen beroep mogelijk is.

5.5.

Tot slot geven de bewoordingen van de brief van 20 november 2018 (zie 2.6) ook geen aanleiding om te oordelen dat belanghebbende redelijkerwijs kon menen dat er reeds een besluit tot stand was gekomen, of dat nog geen besluit tot stand was gekomen maar dat belanghebbende mocht menen dat dit wel reeds het geval was.

Hoger beroep met kenmerk 19/01694

Standpunten van partijen

5.6.

Belanghebbende heeft het standpunt ingenomen dat op grond van het bepaalde in artikel 6:15, eerste lid, van de Awb het bezwaarschrift met datum 26 juli 2017 (zie 1.2) dient te worden geacht tijdig te zijn ontvangen in de zin van artikel 6:7 van de Awb. In dit kader wijst hij op het arrest Hoge Raad 8 december 1999, 34.984, ECLI:NL:HR:1999:ZC7631.

In casu zou niet juist of niet tijdig gevolg zijn gegeven aan de doorzendverplichting van artikel 6:15, eerste lid, van de Awb. Naar mening van belanghebbende dient in het licht van het voormelde arrest er vanuit te worden gegaan dat het onbevoegde bestuursorgaan binnen twee weken na ontvangst van het bezwaarschrift dit heeft doorgezonden naar het bevoegde bestuursorgaan, Cocensus. Cocensus zou het bezwaarschrift dan tijdig in de zin van artikel 6:7 van de Awb hebben ontvangen, te weten op 9 augustus 2017 (uiterlijk 2 weken na de indiening bij het onbevoegde bestuursorgaan op 26 juli 2017). Ter onderbouwing van die indiening heeft belanghebbende voorts een e-mailbericht afkomstig van het e-mailadres <post@alkmaar.nl> overgelegd (zie 2.3.). Belanghebbende stelt verder dat in een andere zaak van een andere belanghebbende ook gebruik is gemaakt van dit e-mailadres voor de verzending van een bezwaarschrift tegen een naheffingsaanslag parkeerbelasting, en dat in die zaak het bezwaarschrift zonder enig probleem is afgehandeld. De gemachtigde van belanghebbende, die het bezwaarschrift (ook) digitaal heeft ingediend, stelt dat hij er derhalve vanuit kon gaan dat de gehanteerde werkwijze juist was en dat het gebruikte

e-mailadres hiertoe was opengesteld.

5.7.

De heffingsambtenaar verwijst naar zijn in de beroepsfase gevoerde verweer. In de beroepsfase heeft de heffingsambtenaar zich onder meer op het standpunt gesteld dat geen sprake kan zijn van een tijdige indiening van het bezwaarschrift van 26 juli 2017, aangezien sprake is van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht als bedoeld in artikel 6:15, derde lid, van de Awb.

5.8.

Niet in geschil is, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, dat de naheffingsaanslag op 21 juli 2017 rechtsgeldig is uitgereikt (door aanbrenging daarvan op de auto), zodat de bezwaartermijn is geëindigd op 1 september 2017. Het Hof stelt voorts voorop dat artikel 6:15 van de Awb, waarnaar partijen ter onderbouwing van hun standpunt verwijzen, in het onderhavige geval toepassing mist, aangezien het e-mailbericht van 26 juli 2017 niet is ingediend bij een bestuursorgaan. Het onder 2.3 vermelde e-mailbericht van de gemeente Alkmaar betreft, zo begrijpt het Hof uit de bewoordingen ervan, een geautomatiseerde ontvangstbevestiging die zonder enige tussenkomst van dan wel beoordeling door een medewerker van de gemeente wordt afgegeven, indien men e-mails richt aan het algemene digitale postadres van de gemeente Alkmaar. Hiermee is echter nog geen sprake van een indiening bij een bestuursorgaan in de zin van de voormelde bepaling. Het gebruikte e-mailadres is immers niet het e-mailadres van de gemeenteraad, het college van burgemeester en wethouders, de burgemeester, een krachtens artikel 84 Gemeentewet ingestelde commissie (vgl. ABRvS 4 augustus 2019, ECLI:NL:ABRVS:2010:BN3203) of enig ander gemeentelijk bestuursorgaan. Bovendien staat vast dat door de gemeente uitdrukkelijk is vermeld dat het niet mogelijk is tegen een naheffingsaanslag parkeerbelasting digitaal bezwaar te maken. Het Hof onderschrijft op dit punt de in onderdeel 32 van de uitspraak van de rechtbank opgenomen (ook over de door belanghebbende gestelde verzending van het bezwaarschrift per post, naar een onjuist postbusadres) opgenomen oordelen. Dat de wijze van indienen per e-mail in een andere zaak goed zou zijn gegaan, doet hieraan niet af.

5.9.

Hiervan uitgaande komt het Hof tot een zelfde uitgangspunt van toetsing als de rechtbank (zie rechtsoverweging 33 en 34 van die uitspraak), namelijk dat als (eerste) datum voor de beoordeling van de ontvankelijkheid van het bezwaar dient te worden uitgegaan van de datum van ontvangst van de als pro forma bezwaarschrift aangemerkte ingebrekestelling (zie 1.2). Evenals de rechtbank heeft het Hof geen reden eraan te twijfelen dat niet eerder dan 10 januari 2018 een (pro forma) bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslag is ontvangen.

De ingebrekestelling draagt de datum 30 december 2017 en is op 10 januari 2018 door de heffingsambtenaar ontvangen. Het pro forma bezwaar is derhalve ruim buiten de wettelijke bezwaartermijn (zie art. 6:7 Awb) ingediend. De vraag is bij deze stand van het geding of de termijnoverschrijding verschoonbaar is als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb.

5.10.

Net als de rechtbank constateert het Hof dat geen feiten of omstandigheden zijn gesteld of gebleken die kunnen leiden tot het oordeel dat sprake is van een verschoonbare termijnsoverschrijding. Bovendien wijst het Hof erop dat de gemachtigde van belanghebbende met diens handelswijze, dat wil zeggen de indiening van het bezwaarschrift bij het algemene digitale loket van de gemeente Alkmaar (en per post aan een onjuist postbusadres), willens en wetens het risico heeft genomen dat dit verkeerd zou gaan en het bezwaarschrift in het ongerede zou raken. Immers, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen (zie rechtsoverweging 32 van de uitspraak), (i) volgt uit zowel de naheffingsaanslag als het duplicaat ervan uitdrukkelijk dat het bezwaarschrift per post moet worden ingediend bij de Inspecteur Belastingen, Postbus 796, 2130 AT, te Hoofddorp, (ii) volgt ook uit de website van Cocensus, waarnaar de website van de gemeente Alkmaar verwijst, dat het bezwaarschrift per post moet worden ingediend bij voormeld bestuursorgaan en adres, en (iii) wordt er op de website van Cocensus bovendien nogmaals uitdrukkelijk op gewezen dat het niet mogelijk is om tegen de naheffingsaanslag parkeerbelasting digitaal bezwaar te maken. Dit alles tezamen maakt dat naar ’s Hofs oordeel sprake is van een bewust risicovol handelen door de gemachtigde, ten nadele van de belanghebbende die de gemachtigde vertegenwoordigt. De heffingsambtenaar heeft er op gewezen dat het niet de eerste keer is dat de gemachtigde welbewust een bezwaarschrift naar een onjuist adres zendt (zie bijlage M bij het verweerschrift in eerste aanleg). Dat die wijze van indienen in een andere zaak goed zou zijn gegaan, doet hieraan niet af.

5.11.

Ten overvloede overweegt het Hof dat, indien (veronderstellenderwijs) ervan zou worden uitgegaan dat de door gemachtigde gehanteerde adressen wél in gebruik zouden zijn bij een ander (onbevoegd) bestuursorgaan van de gemeente Alkmaar, het Hof het in onderdeel 33 van de uitspraak van de rechtbank opgenomen oordeel onderschrijft (kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht).

Slotsom

De slotsom is dat het hoger beroep zowel in zaak 19/01693 als in zaak 19/01694 ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd met aanvulling van gronden, als hiervoor aangegeven.

6 Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Awb.

7 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door mrs. N. Djebali, voorzitter, H.E. Kostense en B.A. van Brummelen, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. V. Sathananthan, als griffier. De beslissing is op 6 oktober 2020 uitgesproken en wordt openbaar gemaakt door publicatie op www.rechtspraak.nl.


Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie stellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Toelichting rechtsmiddelverwijzing

Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen.
Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.


Digitaal procederen

Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.

Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.


Per post procederen
Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte.
Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.