Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:2543

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
30-09-2020
Datum publicatie
30-09-2020
Zaaknummer
23-002505-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hof bevestigt vonnis rechtbank tav ontucht minderjarige dochters (veroordeling feiten 1, 2 en 4), behalve tav beslissing BP en 36f. Voorts bespreekt het hof een verweer, en vult de bewijsmiddelen, bewijswaardering en strafmotivering aan. Gvs 4 jaar ma.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2020-0678
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-002505-16

datum uitspraak: 30 september 2020

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 29 juni 2016 in de strafzaak onder parketnummer 13-669020-14 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboortedatum] ,

adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is na tussenarrest van 31 oktober 2018 gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 16 juni 2017, 17 oktober 2018 en 16 september 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Namens de verdachte en door het openbaar ministerie is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en diens raadsman naar voren is gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen, behalve ten aanzien van de beslissing omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen en de opgelegde maatregelen als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht. Het vonnis zal op die onderdelen worden vernietigd en in zoverre moet opnieuw worden rechtgedaan.

Voorts zal het hof op een ter terechtzitting in hoger beroep gevoerd verweer beslissen, en zal het de bewijsmiddelen, de bewijswaardering en de strafmotivering aanvullen.

Ter terechtzitting in hoger beroep gevoerd verweer

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat de verklaringen van getuige [getuige 1] dienen te worden uitgesloten van het bewijs, omdat sprake is van twee onherstelbare vormverzuimen.

Het hof zal de verklaringen van [getuige 1] niet voor het bewijs bezigen zodat het verweer van de raadsman geen verdere bespreking behoeft.

Aanvulling bewijswaardering

Het hof vult hetgeen in het vonnis van de rechtbank op pp. 5-7 onder het kopje ‘5.2 Betrouwbaarheid verklaringen aangeefsters’ is weergegeven als volgt aan. Onder het kopje ‘Tegenstrijdigheden?’ op p. 6 voegt het hof na de laatste alinea aanvullend de volgende overweging aan:

“Blijkens het proces-verbaal van verhoor getuige van [slachtoffer 1] bij de raadsheer-commissaris op 29 mei 2019, heeft [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) het volgende verklaard:

Kunt u zich herinneren dat er een incident is geweest dat u met uw vader in de slaapkamer was en dat [slachtoffer 5] binnen kwam lopen?

‘Ja, dat kan ik mij herinneren. Dat was in Hilversum. Dit is één van de pijnlijkste herinneringen die ik heb. Dit was in de middag, wederom onder het mom van een middagdutje. Ik zat boven op mijn vader in het bed in zijn slaapkamer. Hij had zijn penis in mijn vagina. Ik kan mij herinneren dat mijn zusje de deur open deed en ik heb iets gezegd in de trant van dat ze weg moest gaan’.

Wat was toen de reactie van uw vader?

‘Ik kan mij dat niet heel goed herinneren. De reden dat ik mij dat niet heel goed kan herinneren is, omdat ik mij heel erg focuste op mijn eigen sensaties en gevoelens; ik genoot er toen ook van op dat moment. Dit is één van mijn pijnlijkste herinneringen, omdat ik hier heel veel schaamte over heb. Schaamte dat [slachtoffer 5] mij gezien had, schaamte dat ik er van genoten had en dat ik er niets van gezegd had.

Heeft u het er nog later met [slachtoffer 5] over gehad?

Niet echt, ze heeft er nog een keer naar gevraagd en ik heb het ontkend.

Waarom ontkende u?

Op een gegeven moment heb ik van de seks genoten en toen had ik ook het gevoel dat de liefde van mijn vader mij gelukkig maakte in een bepaald opzicht. Daar komt ook weer schaamte bij kijken.”

Het hof is van oordeel dat voormelde verklaring van [slachtoffer 1] dat zij ook genoot van de seks, een omstandigheid is die bijdraagt aan de geloofwaardigheid van haar verklaring en derhalve aan de betrouwbaarheid daarvan.

Met voormelde verklaring brengt de getuige zichzelf immers onnodig in een kwetsbare positie, die niet correspondeert met de stelling dat zij er uitsluitend op uit zou zijn haar vader zwart te maken op grond van de door haar gestelde seksuele gedragingen van haar vader. Voorgaande sterkt het hof in de overtuiging dat de seksuele handelingen hebben plaatsgevonden”.

Voorts vult het hof hetgeen in het vonnis van de rechtbank op p. 6 onder het kopje ‘Dagboek en letsel’ is weergegeven, als volgt aan, te weten dat na de zinsnede ‘De dagboekaantekeningen ondersteunen de aangiftes dan ook’ de volgende zinsneden worden toegevoegd:

“, gelet op de volgende passages uit de dagboekaantekeningen:

-Hij kiest haar kant, terwijl hij mij neukt. Zonder dat ik dat wil!!!;

-Straks is het te laat en heb ik nog een kind van mijn eigen vader!;

-Ik wil helemaal niet dat mijn vader zijn penis in mijn kut steekt!!!;

-Hiervoor, toen we nog in bed lagen, heeft mijn vader zijn mond op de mijne geprakt en stak hij zijn tong in mijn mond `. Ik kreeg zo’n vies gevoel…;

-Iedereen die nu in mijn plaats zou zitten zou het moeilijk hebben, want je stapt niet zomaar naar je moeder: “Mam, Pap verkracht me”;

-Want weet je, gelijk nadat ik dit dagboek had gekregen en ik en mijn vader even alleen waren of ik sliep, wekte hij mij en begon hij zijn pik in me te steken, wel tachtig keer ofzo!!!;

-Mijn vader heeft het weer gedaan! Hij heeft me weer verkracht.”

Aanvulling bewijsmiddelen

De door de rechtbank in de Aanvulling verkort vonnis gebezigde bewijsmiddelen worden aangevuld in de navolgende zin:

- dat aan bewijsmiddel 5 (een proces-verbaal bevindingen inhoudende de weergave van het confrontatiegesprek op pp. 5-8 van de Aanvulling), vóór de laatste alinea, beginnende met de woorden: “ Jullie zijn volwassen in alle zinnen des woords. ”, de navolgende zinsnede wordt toegevoegd:

M: Ik vind het echt afschuwelijk… maar ik kan… niks meer doen. Ik vind het echt heel vervelend.

- dat aan bewijsmiddel 5 (pp. 5-8 van de Aanvulling), ná de laatste alinea, de navolgende zinsneden worden toegevoegd:

M: Er is echt niets met [slachtoffer 2] gebeurd. En met die kinderen daar bij de Banjaard….Je bedoelt in Zeeland?

T: Ja

M: Daar is helemaal niets gebeurd. Nee, ik heb niets met enig ander kind gedaan:

- dat de navolgende bewijsmiddelen worden toegevoegd aan de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen:

9) Een proces-verbaal van verhoor getuige, opgemaakt door mr. J.H.C. van Ginhoven, raadsheer-commissaris belast met de behandeling van strafzaken bij het gerechtshof Amsterdam.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, als de op 16 februari 2018 tegenover de raadsheer-commissaris afgelegde verklaring van de getuige [getuige 3] :

51 Heeft u de kinderen verteld wat u in het dagboek hebt gelezen?

Nee, wij hebben over het misbruik gesproken. Ik vroeg me af of wat ik had gelezen, klopte. Mijn intuïtie zei dat het klopte. Toen ben ik met [slachtoffer 3] gaan praten en heb ik gevraagd of het waar was en zij bevestigde dat. Bij [slachtoffer 1] heeft het lang geduurd voordat zij verklaarde dat het ook bij haar was gebeurd.

52 Wat heeft u precies aan de kinderen verteld over wat u had gelezen?

Ik had het gelezen op een moment dat de kinderen in Hilversum waren. Ik heb aan [slachtoffer 3] gevraagd, toen de kinderen terugkwamen, of het klopte dat haar vader haar heeft misbruikt en wat voor handelingen hij verrichtte.

53 Hoe reageerde [slachtoffer 3] daar op?

Het leek alsof er een last van haar afviel, alsof ze gehoord werd. [slachtoffer 3] antwoordde gewoon en vertelde het aan me.

61 Heeft zij u verteld wat er precies is gebeurd?

Ze heeft wel verteld waar het gebeurde, namelijk in Hilversum.

Ik heb haar gevraagd of er sprake was van penetratie. Zij antwoordde daarop dat het gebeurde. Ik kan mij de penetratie nog herinneren omdat ik die vraag stelde.

10) De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 15 juni 2016.

Deze verklaring houdt in, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven:

In december 1996 of 1997 kwamen ze (het hof begrijpt: [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5]) naar Hilversum in de weekenden. Vanaf 1997 of 1998 sliepen [slachtoffer 1] of [slachtoffer 5] , om en om, in het grote bed waar ik ook sliep.

Het gesprek dat in mei 2013 plaatsvond met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 5] was door mij geïnitieerd. [slachtoffer 1] heeft een afspraak bij de Amstel voorgesteld. Toen ik daar kwam, was [slachtoffer 5] er ook.

Aanvulling strafmotivering met een overweging met betrekking tot de redelijke termijn

Het hof stelt vast dat de redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens is overschreden. Als uitgangspunt geldt dat de berechting van de zaak in hoger beroep behoort te zijn afgerond met een einduitspraak binnen twee jaren nadat het rechtsmiddel is ingesteld. Namens de verdachte is op 29 juni 2016 hoger beroep ingesteld tegen het vonnis in eerste aanleg. Het dossier is binnengekomen ter griffie van dit hof op 31 januari 2017. Het hof zal arrest wijzen op 30 september 2020. Hoewel de overschrijding van 27 maanden niet enkel te wijten is aan de inactiviteit van de justitiële autoriteiten, maar ook deels aan de zijde van de verdediging ligt, komt het hof toch tot de conclusie dat er sprake is van een schending van het recht op berechting binnen een redelijke termijn. Dit klemt temeer omdat ook in eerste aanleg door de rechtbank een overschrijding van de redelijke termijn is geconstateerd. Het hof zal deze overschrijding verdisconteren in de strafmaat.

Alle omstandigheden in aanmerking genomen is het hof van oordeel dat slechts een langdurige gevangenisstraf op zijn plaats is. De door de rechtbank opgelegde onvoorwaardelijke gevangenisstraf doet naar het oordeel van het hof onvoldoende recht aan de ernst van de bewezenverklaarde feiten. Het hof is van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier jaar en zes maanden in beginsel passend is. Gelet evenwel op de overschrijding van de redelijke termijn als hiervoor vermeld, zal het hof in plaats van de hiervoor overwogen gevangenisstraf, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier jaren opleggen, een straf derhalve die na verdiscontering van de redelijke termijn gelijk is aan de in eerste aanleg opgelegde gevangenisstraf.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 45.045,42, bestaande uit een vordering van € 45,42 ter zake van materiële schade en een vordering van € 45.000,00 ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente.

De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 10.039,50, bestaande uit € 39,50 ter zake van materiële schade en € 10.000,00 ter zake van immateriële schade.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag.

Materiële schade

Het hof is met de rechtbank is van oordeel dat aan [slachtoffer 1] door het onder 1 en 2 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht.

Het hof overweegt dat de in de vordering opgevoerde reiskosten vanwege een eventueel in te stellen hoger beroep van € 5,92 dienen te worden afgewezen, nu de benadeelde partij niet zelf ter terechtzitting in hoger beroep is verschenen.

Het hof concludeert dat de vordering tot materiële schadevergoeding voor het overige toewijsbaar is tot een bedrag van € 39,50.

Immateriële schade

Uit het dossier en uit het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep van 16 september 2020 is voldoende gebleken dat de benadeelde partij forse psychische schade heeft geleden en nog altijd kampt met de gevolgen van bewezenverklaarde feiten Het hof zal de omvang van de geleden schade naar maatstaven van billijkheid schatten op € 20.000,00 bestaande uit immateriële schade.

De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

Voorts ziet het hof aanleiding de wettelijke rente over de toe te wijzen schade toe te wijzen vanaf de dag van de aangifte van [slachtoffer 1] , te weten 30 juli 2013.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 45.920,49, bestaande uit een vordering van € 920,49 ter zake van materiële schade en een vordering van € 45.000,00 ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente.

De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 10.854,57, bestaande uit € 854,57 ter zake van materiële schade en € 10.000,00 ter zake van immateriële schade.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 4 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag.

Materiële schade

Het hof is met de rechtbank is van oordeel dat aan [slachtoffer 5] door het onder 4 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht.

Het hof overweegt dat de in de vordering opgevoerde reiskosten vanwege een eventueel in te stellen hoger beroep van € 5,92 dienen te worden afgewezen, nu de benadeelde partij niet zelf ter terechtzitting in hoger beroep is verschenen. Ook de door [slachtoffer 5] gevorderde toekomstige kosten van € 60,00 in het kader van de Talking Circle-behandeling dienen te worden afgewezen, nu het onzeker is of deze kosten daadwerkelijk zullen worden gemaakt.

Het hof concludeert dat de vordering tot materiële schadevergoeding voor het overige toewijsbaar is tot een bedrag van € 854,57.

Immateriële schade

Uit het dossier en uit het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep van 16 september 2020 is voldoende gebleken dat de benadeelde partij forse psychische schade heeft geleden en nog altijd kampt met de gevolgen van bewezenverklaarde feiten Het hof zal de omvang van de geleden schade naar maatstaven van billijkheid schatten op € 20.000,00 bestaande uit immateriële schade.

De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

Voorts ziet het hof aanleiding de wettelijke rente over de toe te wijzen schade toe te wijzen vanaf de dag van de aangifte van [slachtoffer 5] , te weten 30 juli 2013.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de beslissing omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen en de opgelegde maatregelen als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht, en doet in zoverre opnieuw recht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 20.039,50 (twintigduizend negenendertig euro en vijftig cent) bestaande uit € 39,50 (negenendertig euro en vijftig cent) materiële schade en € 20.000,00 (twintigduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van € 5,92 (vijf euro en tweeënnegentig cent) aan materiële schade af.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1] , ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 20.039,50 (twintigduizend negenendertig euro en vijftig cent) bestaande uit € 39,50 (negenendertig euro en vijftig cent) materiële schade en € 20.000,00 (twintigduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 135 (honderdvijfendertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 30 juli 2013.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 5] ter zake van het onder 4 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 20.854,57 (twintigduizend achthonderdvierenvijftig euro en zevenenvijftig cent) bestaande uit € 854,57 (achthonderdvierenvijftig euro en zevenenvijftig cent) materiële schade en € 20.000,00 (twintigduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van € 65,92 (vijfenzestig euro en tweeënnegentig cent) aan materiële schade af.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 5] , ter zake van het onder 4 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 20.854,57 (twintigduizend achthonderdvierenvijftig euro en zevenenvijftig cent) bestaande uit € 854,57 (achthonderdvierenvijftig euro en zevenenvijftig cent) materiële schade en € 20.000,00 (twintigduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 139 (honderdnegenendertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 30 juli 2013.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. F.A. Hartsuiker, mr. I.M.H. van Asperen de Boer-Delescen en mr. M.F.J.M. de Werd, in tegenwoordigheid van mr. E.C. van der Drift, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 30 september 2020.

Mrs. Hartsuiker en De Werd zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

[…]