Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:2538

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
22-09-2020
Datum publicatie
30-09-2020
Zaaknummer
19/01538 & 19/01539
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Is de vermogensrendementsheffing van artikel 5.2, eerste lid, Wet IB 2001 naar har aard in strijd met artikel 1 van het EP? Leidt de vermogensrendementsheffing ten aanzien belanghebbende tot een individuele en buitensporige last en is deze op die grond in strijd met artikel 1 EP? Is ten aanzien van de tweede woning de juiste waarde gehanteerd?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 30-09-2020
V-N Vandaag 2020/2317
FutD 2020-2845
NTFR 2020/2924 met annotatie van
V-N 2020/64.1.3
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerken 19/01538 en 19/01539

22 september 2020

uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op de hoger beroepen van

[X] , wonende te [Z] , belanghebbende,

tegen de uitspraak van 19 augustus 2019 in de zaken met kenmerk HAA 18/2177 en 18/2178 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft met dagtekening 15 september 2017 aan belanghebbende voor het jaar 2015 een aanslag opgelegd in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (ib/pvv) berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 122.936 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 144.

1.2.

De inspecteur heeft met dagtekening 22 september 2017 aan belanghebbende voor het jaar 2016 een aanslag opgelegd in de ib/pvv berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 124.534 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 138.

1.3.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij uitspraken, gedagtekend 5 april 2018, de aanslagen gehandhaafd.

1.4.

De rechtbank heeft bij uitspraak van 19 augustus 2019 de beroepen ongegrond verklaard.

1.5.

De tegen de uitspraak van de rechtbank ingestelde hoger beroepen zijn bij het Hof ingekomen op 1 oktober 2019. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Op 17 juli 2020 is een nader stuk ontvangen van belanghebbende. Dit stuk is in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 juli 2020. De hoger beroepen zijn gelijktijdig behandeld met de hoger beroepen in de zaken met kenmerk 19/01540 en 19/0541 van [Y] , de echtgenote van belanghebbende. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Feiten

De rechtbank heeft in haar uitspraak de navolgende feiten vastgesteld (belanghebbende is aangeduid als ‘eiser’, de inspecteur als ‘verweerder’):

“1. Eiser, geboren op [geboortedatum] is gehuwd met mevrouw [Y] . Ter zake van het vermogen in box 3 is bij eiser in 2015 een forfaitair rendement van vier percent van
€ 3.600 oftewel € 144 in aanmerking genomen. De belasting hierover bedraagt € 43. Er is geen belastingrente in rekening gebracht. De bij de echtgenote van eiser in aanmerking genomen belasting ter zake van de vermogensrendementsheffing bedraagt € 5.533.

2. De daadwerkelijk in 2015 totaal ontvangen rente ter zake van de spaartegoeden bedraagt volgens de bij verweerder bekende gegevens € 2.189 + € 885 (ten name van de echtgenote) = € 3.174.

3. Ter zake van het vermogen in box 3 is bij eiser in 2016 een forfaitair rendement van vier percent van € 3.450 oftewel € 138 in aanmerking genomen. De belasting hierover bedraagt € 41. Er is geen belastingrente in rekening gebracht. De bij de echtgenote van eiser in aanmerking genomen belasting ter zake van de vermogensrendementsheffing bedraagt € 5.080.

4. De daadwerkelijk in 2016 totaal ontvangen rente ter zake van de spaartegoeden bedraagt volgens de bij de verweerder bekende gegevens € 1.970 + € 738 (ten name van de echtgenote) = € 2.708.

5. Daarnaast is in 2015 en 2016 een forfaitair rendement ter zake van onroerend goed bij de vermogensrendementsheffing in aanmerking genomen. Het onroerend goed waarop de vermogensrendementsheffing van toepassing is, betreft het pand [adres] te [Q] (2015 en 2016). Van een eventuele huuropbrengst is niets bekend. De woning is in eigen gebruik als uitvalsbasis voor het verlenen van mantelzorg. De waarde vastgesteld overeenkomstig de Wet waardering onroerende zaken is tussen partijen niet in geschil en staat onherroepelijk vast.

6. Op 31 maart 2016 heeft eiser de papieren aangifte ib/pvv voor het jaar 2015 ingediend. Het aangegeven verzamelinkomen bedraagt € 122.936 en bestaat uit een inkomen in box 1 van
€ 122.936. In box 3 is wel een vermogen vermeld van € 450.998. Hiervan heeft eiser echter niets toegerekend aan zichzelf.

7. Verweerder heeft ten aanzien van eiser een voorlopige aanslag vastgesteld met een teruggave, gebaseerd op de (eerste) aangifte van 31 maart 2016, nu geen sprake is van een inkomen in box 3.

8. Op 11 augustus 2017 is door verweerder een “tweede aangifte” inkomstenbelasting 2015 ontvangen. Hierin zijn dezelfde elementen opgenomen als in de eerste aangifte, echter is van de grondslag in box 3 nu € 3.600 toegerekend aan eiser. Het nu aangegeven verzamelinkomen bedraagt € 123.080. Dit betreft € 122.936 box 1 inkomen en € 144 (4% van € 3.600) box 3 inkomen.

9. De definitieve aanslag ib/pvv 2015 is vastgesteld met dagtekening

15 september 2017. Het verzamelinkomen is overeenkomstig de “tweede aangifte” vastgesteld op € 123.080.

10. Op 30 maart 2017 heeft eiser de papieren aangifte inkomstenbelasting voor het jaar 2016 ingediend. Het aangegeven verzamelinkomen bedraagt € 124.672 en bestaat uit een inkomen in box 1 van € 124.534. In box 3 is een vermogen vermeld van € 475.699. Hiervan heeft eiser echter een bedrag van € 3.450 toegerekend aan zichzelf. Hetgeen resulteert in een voordeel van € 138 (4 % van € 3.450). Daarover is ter zake van de vermogensrendementsheffing een bedrag van € 41 geheven.

11. De definitieve aanslag inkomstenbelasting 2016 is vastgesteld met dagtekening

22 september 2017. Het verzamelinkomen is overeenkomstig de aangifte vastgesteld op
€ 124.672.”


Partijen hebben tegen deze feiten geen bezwaren aangevoerd, zodat ook het Hof daarvan zal uitgaan.

3 Geschil in hoger beroep

In hoger beroep zijn de volgende punten in geschil:

1. Evenals voor de rechtbank de vraag of de vermogensrendementsheffing van artikel 5.2, eerste lid, Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Wet) naar haar aard in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: artikel 1 EP).

2. De vraag of de vermogensrendementsheffing ten aanzien van belanghebbende leidt tot een individuele en buitensporige last en op die grond in strijd is met artikel 1 EP.

3. De vraag of voor de vermogensrendementsheffing van de tweede woning de juiste waarde is gehanteerd.

4 Oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft, voor zover van belang in hoger beroep, het volgende overwogen en beslist:

“(…)
Inhoudelijk

19. De rechtbank zal in de eerste plaats de vraag beantwoorden of op regelniveau, dat wil zeggen het huidige stelsel van box 3, de belastingheffing onredelijk, onrechtvaardig en disproportioneel is. Aansluitend zal de rechtbank ingaan op de vraag of het wettelijk veronderstelde rendement van vier percent als onrechtvaardig moet worden beschouwd. Ten slotte zal de rechtbank antwoord geven op de vraag of ten aanzien van eiser sprake is van een buitensporige last. De overige geschilpunten komen daarna aan de orde.


20. Volgens vaste rechtspraak van het EHRM is belastingheffing te beschouwen als regulering van eigendom in de zin van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM (hierna: EP) en dient elke inbreuk door de Staat op het ongestoorde genot van eigendom in overeenstemming met het nationale recht te zijn en een legitiem doel in het algemeen belang na te streven. Een inbreuk is slechts toegestaan indien er een redelijke mate van evenredigheid bestaat tussen de gebruikte middelen en het doel dat ermee wordt nagestreefd. Dit vereist een redelijke verhouding ("fair balance") tussen voormeld algemeen belang en de bescherming van individuele rechten. Van een dergelijke redelijke verhouding is geen sprake indien de betrokken persoon wordt getroffen door een individuele en buitensporige last. Waar het gaat om de beoordeling van wat in het algemeen belang is en de keuze van de middelen om dit belang te dienen, komt de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid toe. Een keuze van de wetgever binnen die beoordelingsvrijheid kan voor een belastingplichtige alleen dan leiden tot een individuele en buitensporige last indien en voor zover deze last zich in zijn geval sterker laat voelen dan in het algemeen (vergelijk Hoge Raad 6 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:511).

21.1.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 14 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:816, dat betrekking heeft op de vermogensrendementsheffing over de jaren 2013 en 2014 voor zover hier van belang het volgende overwogen:

“2.4.4.(…)Bij de beoordeling van de vraag of een zodanige individuele en buitensporige last zich voordoet, moeten de gevolgen van de heffing van box 3 worden bezien in samenhang met de gehele financiële situatie van de betrokkene.
(…)
2.8. Uit de door partijen in het geding gebrachte stukken en het in onderdeel 7.9 van de gemeenschappelijke bijlage bij de conclusie van de Advocaat-Generaal weergegeven overzicht blijkt dat het destijds door de wetgever veronderstelde rendement van vier procent nominaal gemiddeld niet meer haalbaar was in elk van de jaren vanaf respectievelijk 2009 op Nederlandse staatsobligaties, 2001 op spaarrekeningen en 2010 op (termijn)deposito’s. Deze gemiddelden in samenhang beschouwd duiden erop dat de onderschrijdingen in de jaren 2013 en 2014 niet meer als incidenteel waren aan te merken.

2.9.

Het antwoord op de hiervoor in 2.5.1 vermelde vraag luidt dan ook dat voor de jaren 2013 en 2014 op stelselniveau het eertijds door de wetgever in het forfaitaire stelsel van box 3 voor een lange reeks van jaren veronderstelde rendement van vier procent niet meer haalbaar was voor belastingplichtigen zonder daar (veel) risico voor te hoeven nemen.

2.10.1.

Daarmee is aan de orde of belastingplichtigen, mede gelet op het toepasselijke tarief, op stelselniveau voor de jaren 2013 en 2014 worden geconfronteerd met een buitensporig zware last (zie hiervoor in 2.5.2).

2.10.2.

Bij de beoordeling van deze kwestie geldt met inachtneming van de hiervoor in 2.4.3 vermelde ruime beoordelingsvrijheid van de wetgever het volgende uitgangspunt. Indien de belastingdruk in box 3 voor het jaar 2013 of het jaar 2014 hoger is dan het gemiddeld zonder (veel) risico’s haalbare rendement, worden belastingplichtigen voor het desbetreffende jaar op stelselniveau geconfronteerd met een buitensporig zware last in box 3 die zich niet met het door artikel 1 EP beschermde recht op ongestoord genot van eigendom verdraagt. Het gaat hierbij om het nominale rendement, zoals hiervoor in 2.6.2 is geoordeeld. Daarbij dienen inflatie en heffingvrij vermogen buiten beschouwing te blijven. Mede gelet op het toepasselijke tarief vormt de heffing van box 3 op stelselniveau dus een schending van artikel 1 EP indien het nominaal zonder (veel) risico’s gemiddeld haalbare rendement voor de jaren 2013 en 2014 lager is dan 1,2 procent.

2.10.3.

Met een dergelijke schending op stelselniveau gaat een rechtstekort gepaard waarin niet kan worden voorzien zonder op stelselniveau keuzes te maken. Deze keuzes zijn niet voldoende duidelijk uit het stelsel van de wet af te leiden (vgl. HR 8 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:846, rechtsoverweging 2.5.1). Dan past de rechter ten opzichte van de wetgever terughoudendheid bij het voorzien in zo’n rechtstekort op stelselniveau. Voor ingrijpen van de rechter is in beginsel geen plaats, tenzij een individuele belastingplichtige in strijd met artikel 1 EP wordt geconfronteerd met een individuele en buitensporige last (zie hiervoor in 2.4.4).”

21.2.De Hoge Raad heeft bij arrest van 12 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1179, dat betrekking heeft op de belasting van vermogensrendement voor het jaar 2015, het cassatieberoep afgewezen met toepassing van artikel 81, lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie en onder verwijzing naar het hiervoor onder 21.1 vermelde arrest.

21.3

De rechtbank is van oordeel dat op de in het arrest van de Hoge Raad van 14 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:816 vermelde gronden en het nadien voor het jaar 2015 gewezen arrest Hoge Raad 12 juli 2019, nr. 18/04360, ECLI:NL:HR:2019:1179, waarin wordt verwezen naar het voormelde arrest, de klachten van eiser voor het jaar 2015 moeten worden afgewezen. Voor zover eiser zich nog beroept op schending van artikel 1 van het EP op stelselniveau voor het jaar 2016, wijst de rechtbank dat, onder verwijzing naar beide hiervoor vermelde arresten, af. De rechtbank sluit zich aan bij de aldaar gegeven overwegingen en oordelen en is van oordeel dat deze tevens hebben te gelden voor het jaar 2016.

22. Voorts ligt ter beoordeling de vraag voor of eiser in zijn individuele situatie in strijd met artikel 1 EP wordt geconfronteerd met een individuele en buitensporige last als gevolg van de heffing van box 3 over de jaren 2015 en 2016. Eiser stelt dat dit het geval is omdat zijn gehele vermogen louter uit bank- en spaartegoeden bestaat (behoudens de tweede woning in [Q] met een naar eiser stelt negatief rendement) en het rendement dat hij daarover geniet lager is dan het bedrag aan belasting dat hij hierover moet betalen.

23. Vast staat dat de effectieve belastingdruk in het onderhavige geval hoog is. Dit klemt temeer omdat bij een belastingdruk van meer dan 100 percent feitelijk sprake is van interen op het vermogen en dat is in strijd met de doelstelling van de regeling om slechts rendement op het vermogen te belasten en niet het vermogen zelf. Een en ander betekent echter nog niet dat sprake is van een individuele buitensporige last.

24. Zoals in de hiervoor onder 21.1 en 21.2 aangehaalde arresten van de Hoge Raad van 14 juni 2019 en 12 juli 2019 is overwogen dient bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een individuele en buitensporige last de gevolgen van de heffing van box 3 te worden bezien in samenhang met de gehele financiële situatie van de betrokkene. Daarbij moeten de inkomsten en het vermogen van eiser en zijn echtgenote tezamen worden bezien. De keuzemogelijkheid die de wetgever eiser heeft geboden in artikel 2.17, lid 4 van de Wet IB 2001 om het vermogen op de meest optimale wijze te verdelen over eiser en zijn echtgenote (fiscale partner) staat los van de toets welke moet worden aangelegd in het kader van de beoordeling of artikel 1 EP is geschonden. Uit de feiten leidt de rechtbank af dat eiser in 2015 en 2016 een (bruto)inkomen heeft van meer dan € 120.000. Daarnaast heeft eiser tezamen met zijn echtgenote een niet-onaanzienlijk vermogen tot zijn beschikking. De omstreden heffing over eisers box-3-inkomen is in dit licht bezien niet van een dergelijk grote omvang

dat die heffing kwalificeert als een individuele buitensporige last. Feiten en omstandigheden die in het geval van eiser tot een ander oordeel zouden kunnen leiden zijn niet gesteld of gebleken.

Gelet op dit alles is geen strijd met artikel 1 EP aanwezig.

25. Voor zover eiser stelt dat de wet onredelijk is, overweegt de rechtbank als volgt. Op grond van artikel 11 van de Wet algemene bepalingen staat het de rechter niet vrij om de innerlijke waarde of billijkheid van de wet te beoordelen. De rechter kan een wet in formele zin slechts (gedeeltelijk) buiten toepassing verklaren indien en voor zover deze onmiskenbaar onverbindend is wegens strijd met het gemeenschapsrecht of met een ieder verbindende bepalingen van een verdrag. Daaruit en uit het vorenoverwogene vloeit voort dat de wens van eiser om de belastingheffing in box 3 voor de jaren 2015 en 2016 te beperken tot het werkelijk behaalde rendement geen steun in het recht vindt. Ook in zoverre is het beroep ongegrond.

Tweede woning

26. Eiser heeft zich met betrekking tot de tweede woning in [Q] op het standpunt gesteld dat sprake is van een negatief rendement uitgaande van de historische aankoopprijs in 2006 van circa € 277.000, zodat ook hier ten onrechte een forfaitair rendement van vier percent in aanmerking is genomen. Verweerder heeft dat weersproken en gewezen op de wettekst waarin de tweede woning tegen de onherroepelijk vastgestelde WOZ-waarde als grondslag voor de berekening van de rendementsgrondslag in aanmerking moet worden genomen (vergelijk artikel 5.20 Wet IB 2001). Daarbij heeft verweerder aangevoerd dat enig negatief rendement, zo daarvan al sprake is, niet in aanmerking kan worden genomen. De rechtbank verwerpt het standpunt van eiser. Zij verwijst daartoe naar het door verweerder aangehaalde arrest Hoge Raad 10 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1129, rechtsoverweging 2.5.2.
De rechtbank is van oordeel dat dit arrest ook thans, na de recent gewezen arresten over de vermogensrendementsheffing, welke louter betrekking hebben op het behaalde respectievelijk te behalen rendement op spaartegoeden, onverminderd zijn gelding heeft behouden. Dat eiser de woning niet heeft verhuurd teneinde daar de beschikking over te houden om zijn hoogbejaarde moeder ingeval van ziekte te kunnen bijstaan, kan evenmin tot een andersluidend oordeel leiden. Ook in zoverre faalt het beroep.

Belastingrente

27. Eiser heeft zich tevens op het standpunt gesteld dat ten onrechte belastingrente in rekening is gebracht. Naar het oordeel van de rechtbank faalt dat standpunt bij gebrek aan steun in de feiten. Verweerder heeft onweersproken gesteld en met de door hem overgelegde bescheiden doen blijken dat geen belastingrente aan eiser in rekening is gebracht (vergelijk 1 en 3 hiervoor). Dat bij de echtgenote van eiser wel belastingrente is berekend leidt niet tot een andersluidend oordeel.

28. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.”

5 Beoordeling van het geschil

5.1.

Met betrekking tot de vraag of de vermogensrendementsheffing voor de jaren 2015 en 2016 op stelselniveau een schending inhoudt van artikel 1 EP sluit het Hof zich aan bij hetgeen de rechtbank daarover onder 20 tot en met 21.3 van haar uitspraak heeft overwogen. Indien veronderstellenderwijs ervan wordt uitgegaan dat belanghebbende op stelselniveau wordt geconfronteerd met een buitensporige last, betekent dit oordeel dat het Hof niet in het ontstane rechtstekort kan voorzien (vgl. het arrest HR 14 juni 2019, ECLI:NL:HR: 2019:816, rechtsoverweging 2.10.3).

5.2.1.

In zijn pleitnota heeft belanghebbende onder meer aangevoerd dat de staatssecretaris van Financiën in zijn brief aan de Tweede Kamer van 26 juni 2020, kenmerk 2020-0000121324, heeft laten weten de gevolgen van de arresten van de Hoge Raad van 14 juni 2019 nader te moeten bestuderen. Deze en ook de overige in dit verband door belanghebbende aangevoerde omstandigheden kunnen – anders dan belanghebbende heeft betoogd – niet ertoe leiden dat thans wel door de rechter in het hiervoor veronderstelde rechtstekort wordt voorzien.

5.2.2.

Het wachten is wat dit betreft op een oplossing van de kant van de wetgever. Weliswaar is het niet ondenkbaar dat er een moment komt waarop de rechter bij strijdigheid van de vermogensrendementsheffing met artikel 1 EP op stelselniveau een knoop heeft door te hakken, maar een dergelijke situatie is bij het doen van deze uitspraak, gezien ook de activiteiten die de wetgever sedert de arresten van 14 juni 2019 bij het zoeken naar een oplossing voor het veronderstelde rechtstekort heeft verricht (zie daarover onder meer de hiervoor vermelde brief van de Staatssecretaris), niet aan de orde.

5.2.3.

Daar komt bij dat ook indien de wetgever (op korte termijn) een oplossing biedt, deze oplossing de onderhavige jaren mogelijk ongemoeid laat. Nog steeds – veronderstellenderwijs – ervan uitgaande dat belanghebbende op stelselniveau wordt geconfronteerd met een buitensporige last, ligt in het arrest BNB 2019/161 besloten dat om redenen die in r.o. 2.10.3 van dat arrest zijn vermeld, in een eventuele compensatie voor (de onderhavige) voorbije jaren niet door de (Nederlandse) rechter kan worden voorzien en dat (ook) dit een taak is voor de wetgever.

5.3.

Voor zover belanghebbende ook in hoger beroep bedoeld heeft te stellen dat de vermogensrendementsheffing bij hem leidt tot een individuele en buitensporige last als bedoeld in artikel 1 EP, gaat ook het Hof ervan uit dat voor de beoordeling van de aanwezigheid van een individuele en buitensporige last, gelet op de aard van de ‘gemeenschappelijke inkomensbestanddelen’– in de zin van artikel 2.17, tweede lid, van de Wet – die het hier betreft, de inkomensbestanddelen van beide partners in aanmerking moeten worden genomen. Tevens heeft hierbij te gelden dat de gehele financiële situatie van belanghebbende in de beoordeling dient te worden betrokken, inclusief het inkomen uit werk en woning van belanghebbende (HR 29 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:994).
Hiervan uitgaande sluit het Hof zich aan bij hetgeen de rechtbank hierover onder 24 van haar uitspraak heeft overwogen. Ook het Hof concludeert dat zich ten aanzien van belanghebbende geen individuele en buitensporige last voordoet als bedoeld in artikel 1 EP.

5.4.

De stelling van belanghebbende dat voor het rendement van de tweede woning is uitgegaan van een verkeerde waarde verwerpt het Hof onder verwijzing naar onderdeel 26 van de uitspraak van de rechtbank. Het Hof sluit zich hierbij aan en constateert dat belanghebbende op dit punt in hoger beroep geen gronden heeft aangevoerd die tot een ander oordeel hebben te leiden.

5.5.

Slotsom

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd

6
6. Kosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

7
7. Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door mrs. E.A.G. van der Ouderaa, voorzitter, M.J. Leijdekker en R.C.H.M. Lips, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. V. Sathananthan, als griffier. De beslissing is op 22 september uitgesproken en wordt openbaar gemaakt door publicatie op www.rechtspraak.nl. De voorzitter is verhinderd de uitspraak mede te ondertekenen.

(oudste raadsheer)


Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie stellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Toelichting rechtsmiddelverwijzing

Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen.
Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.


Digitaal procederen

Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.

Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.


Per post procederen
Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte.
Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.