Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:2524

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
24-09-2020
Datum publicatie
01-10-2020
Zaaknummer
23-000002-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Jeugdstrafrecht: mishandeling - vrijspraak

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-000002-20

datum uitspraak: 24 september 2020

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Holland (locatie Haarlem) van 12 december 2019 in de strafzaak onder parketnummer 15-243152-19 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2002,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 10 september 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 18 augustus 2019 te Haarlem [benadeelde] heeft mishandeld door deze [met kracht] een of meermalen tegen de neus/in het gezicht/tegen het hoofd te slaan/stompen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de kinderrechter.

Vordering van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd, zijnde een werkstraf voor de duur van veertig uur. Met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij is de advocaat-generaal van mening dat er een hoger bedrag aan immateriële schade dient te worden toegewezen dan de kinderrechter heeft toegewezen. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat aan de benadeelde partij een bedrag van € 1.250,00 aan immateriële schade, met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel, zal worden toegewezen. Ook heeft de advocaat-generaal gevorderd dat een bedrag van € 85,92 aan materiële schade wordt toegewezen.

Vrijspraak

Het hof acht niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte aangever heeft mishandeld zoals dat is tenlastegelegd en overweegt daartoe als volgt.

De aangever heeft bij zijn aangifte op 23 augustus 2019 bij de politie verklaard dat hij op 18 augustus 2019 tijdens het Haarlem Jazz festival op de Grote Markt belandde in een zogenaamde moshpit en daarbij tegen de (naar het hof heeft vastgesteld donkergekleurde Somalisch uitziende) verdachte aanbotste. Hij sprak de verdachte aan, waarop zich plotseling een groep andere jongens om hem heen vormde. De persoon met wie hij in botsing kwam, de verdachte dus, zou hem vervolgens als eerste in zijn gezicht hebben geslagen, maar hij kan niet meer terughalen of hij toen pijn voelde, omdat hij het voor zijn gevoel allemaal niet echt heeft meegemaakt. De aangever heeft de verdachte omschreven als een getinte jongen met een zwarte pet met rode accenten.

De eveneens aanwezige neef van de aangever heeft begin september tegenover de politie verklaard dat hij zag dat de aangever werd geduwd, hij weet niet door wie, en dat de aangever toen tegen een jongen aanstootte, waarvan hij later zegt dat het de verdachte was. De aangever heeft toen iets tegen de verdachte gezegd, waarop het volgens de neef ook de verdachte is geweest die de aangever met zijn vuist met kracht in het gezicht sloeg. Daarop begon evenwel ook een groep jongens de aangever te slaan, waarvan ongeveer 5 jongens dat op zijn gezicht of hoofd deden. Vervolgens hebben die jongens de aangever ook nog getrapt terwijl de aangever op de grond lag. Dat die jongens bij de verdachte hoorden, is niet komen vaststaan, noch is er iets verklaard over dat de verdachte met het groepsgeweld zou hebben meegedaan.

De verdachte heeft op zijn beurt verklaard dat niet hij heeft geslagen, maar dat er na de botsing en het moment dat de aangever hem aansprak meteen vanuit de groep op de aangever werd geslagen en dat hij zelf daarna is blijven staan omdat hij immers niks had gedaan.

Uit de stukken leidt het hof af dat twee beveiligers de groep jongens bij de aangever hebben weggetrokken. Zij hebben vervolgens niet een van hen of de verdachte, maar de aangever meegenomen naar backstage. Na pogingen van de neef om backstage bij de aangever te komen en na het door hem plegen van twee telefoontjes is deze naar de moeder van de aangever gegaan, die eigenares is van een nabijgelegen café, waarna hij met haar is teruggekomen en met haar backstage naar de aangever toe is gegaan. Op dat moment was de verdachte nog steeds in het publiek aanwezig en heeft de neef de verdachte aan een beveiliger aangewezen als degene die als eerste had geslagen. Jongens uit de groep kon hij niet aanwijzen, hij kon enkel zeggen dat zij licht getint of donker getint waren. De verdachte is door de beveiligingsmedewerker meegenomen en overgedragen aan een inmiddels verschenen politieagent. Daarop heeft de moeder van aangever een foto gemaakt van de verdachte die met de politieagent in gesprek was, waarop te zien is dat de verdachte een donkere pet en een roodachtige capuchon draagt.

Het dossier bevat geen enkel proces-verbaal van bevindingen betreffende handelingen die de politie ter plekke heeft verricht, zelfs niet de vastlegging van de gegevens van de verdachte ter plekke.

De aangever heeft als gezegd op 23 augustus 2019 aangifte gedaan. De moeder van aangever is zes dagen na de aangifte, op 29 augustus 2019, met de foto van de verdachte naar het politiebureau gegaan. De politie heeft de volgende dag, 30 augustus 2019, een van de twee beveiligers gebeld omdat de aangever daarvan het telefoonnummer aan de politie had gegeven. Die beveiliger verklaarde door de telefoon dat de verdachte de betreffende avond tegen hem zou hebben gezegd dat hij de mishandeling had gepleegd. Veel later, na de veroordeling van de verdachte door de kinderrechter, is namens de aangever ook de tweede beveiliger bij justitie bekend gemaakt, waarop ook die op 6 maart 2020 telefonisch is gehoord. Hij heeft verklaard dat hij met de neef het publiek in is gelopen waarop de neef van de aangever de verdachte heeft aangewezen. Ook deze beveiliger zegt van de verdachte zelf te hebben gehoord dat hij de aangever een klap had gegeven.

De verdachte heeft op zijn beurt echter stellig ontkend dat hij tegen iemand heeft gezegd dat hij de aangever een klap heeft gegeven.

Bij deze stand van zaken acht het hof niet buiten redelijke twijfel bewezen dat de verdachte de aangever heeft geslagen.

Daarbij neemt het met name in aanmerking dat er voor de aanwezige politieagent kennelijk geen enkele aanleiding is geweest om zelf over te gaan tot enige vorm van verbalisering van hetgeen hij ter plekke van de aanwezige beveiligers, alsmede van de verdachte en mogelijk ook van de aangever, diens moeder en diens neef heeft vernomen. Daardoor twijfelt het hof aan de verklaringen van de beveiligers dat de verdachte - kennelijk voorafgaand aan de overdracht aan de politie - tegenover hen de mishandeling zou hebben bekend.

Het hof neemt verder in aanmerking dat de duisternis en de hectiek van een moshpit en de aanwezigheid van een grote groep mensen de waarneming door de neef heeft kunnen bemoeilijken, terwijl het erop lijkt dat het groepsgeweld gelijktijdig met of in elk geval direct volgend op de eerste klap plaatsvond, en dat camerabeelden ontbreken.

Het hof kan gelet op het voorgaande niet met de voor een bewezenverklaring vereiste mate van zekerheid vaststellen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft gepleegd.

Naar het oordeel van het hof is om deze reden niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 10.898,42. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 250,00 aan immateriële schade en voor het overige is de vordering niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

De verdachte wordt niet schuldig verklaard ter zake van het tenlastegelegde handelen waardoor de gestelde schade zou zijn veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom in de vordering niet worden ontvangen.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.M. Kengen, mr. M.J.A. Duker en mr. C.J. van der Wilt, in tegenwoordigheid van mr. E.C. Damo, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 24 september 2020.

=========================================================================

[…]