Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:2520

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
22-09-2020
Datum publicatie
25-09-2020
Zaaknummer
200.265.798/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2019:4842
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

kinderalimentatie terugbetalingsverplichting.

Zie ECLI:NL:GHAMS:2020:2131.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

zaaknummer: 200.265.798/01

zaaknummer rechtbank: C/15/287379 / FA RK 19-2133

beschikking van de meervoudige kamer van 22 september 2020 inzake

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. T. Kocabas te Zoetermeer,

en

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. W.L. Sieval te Heerhugowaard.

Als belanghebbende is aangemerkt:

- de hierna te noemen minderjarige [minderjarige] (hierna: [X] ).

1 Het verdere verloop van het geding in eerste aanleg

1.1

Het hof heeft in deze zaak op 14 juli 2020 een tussenbeschikking gegeven. Voor het procesverloop tot die datum wordt verwezen naar de tussenbeschikking.

1.2

Bij voornoemde tussenbeschikking heeft het hof de man niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoeken met betrekking tot vervangende toestemming erkenning, gezamenlijk gezag en het vaststellen van een omgangsregeling. Het hof heeft voorts geoordeeld dat de man met ingang van 5 april 2019 een kinderalimentatie voor [X] van € 146,- per maand aan de vrouw moet betalen. De beslissing ten aanzien van de kinderalimentatie is pro forma aangehouden om partijen in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over een eventuele terugbetalings-verplichting van de vrouw ter zake van teveel ontvangen kinderalimentatie.

1.3

Bij het hof zijn daarna binnengekomen:

- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 29 juli 2020 met bijlage, ingekomen op dezelfde datum;

- een journaalbericht van de zijde van de man van 3 augustus 2020 met bijlage, ingekomen op dezelfde datum.

2 De verdere beoordeling

2.1

De vrouw betwist dat de man teveel heeft betaald aan kinderalimentatie. Daarnaast stelt zij dat op haar geen terugbetalingsverplichting rust, aangezien zij de bijdragen reeds heeft geconsumeerd ten behoeve van [X] om in zijn behoefte te voorzien. Zij heeft geen middelen om de teveel ontvangen bedragen aan de man terug te betalen. Dit zou alsdan voor haar ingrijpende gevolgen hebben, waardoor zij aanzienlijk in haar belangen zal worden geschaad. De vrouw is ziek en ontvangt in dat kader enkel een uitkering op basis van de Ziektewet. Hiermee is het voor haar al lastig om rond te komen. In redelijkheid kan daarom niet worden aanvaard dat de vrouw de bedragen dient terug te betalen.

De vrouw wenst haar verzoek aangaande de ingangsdatum te wijzigen in die zin dat als ingangsdatum de datum van de uitspraak van het hof wordt aangehouden. Indien het hof van oordeel is dat een wijziging op dit punt niet meer mogelijk is, verzoekt de vrouw ambtshalve de ingangsdatum op de datum van de uitspraak te stellen, om te voorkomen dat een terugbetalingsverplichting voor de vrouw ontstaat.

2.2

De man stelt dat op de vrouw een terugbetalingsverplichting wegens teveel betaalde kinderalimentatie rust. Hij voert daartoe het volgende aan. Op grond van het oordeel van het hof bedraagt de betalingsverplichting van de man vanaf 5 april 2019 tot heden (hof: de datum van het journaalbericht van de man) een bedrag van € 2.482,- (17 maanden x € 146,-). In de periode 9 juli 2019 - 3 augustus 2020 heeft de man een bedrag van € 3.000,- voldaan, ter onderbouwing waarvan hij bankafschriften heeft overgelegd. De vrouw dient dan ook een bedrag van € 518,- aan de man terug te betalen, aldus de man. Voorts betoogt de man dat de vrouw haar stelling dat zij de bijdragen reeds heeft geconsumeerd, niet heeft onderbouwd. Zij heeft haar maandelijkse uitgaven ten behoeve van [X] niet inzichtelijk gemaakt. De man stelt dat niet aannemelijk is dat de vrouw de bijdragen reeds heeft besteed. Helder is dat de man sinds begin 2019 het niet eens is met het door hem te betalen bedrag aan kinderalimentatie. In eerste aanleg heeft de man niet tijdig verweer kunnen voeren. De vrouw heeft in eerste aanleg geen behoefte- of draagkrachtberekening ingediend, waardoor de beschikking in eerste aanleg van aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven voldoet. De man acht het redelijk en billijk dat een terugbetaling zal plaatsvinden van het door de man te veel betaalde aan kinderalimentatie.

2.3

Het hof overweegt als volgt. Op grond van voormelde tussenbeschikking is de man over de periode van 5 april 2019 tot en met augustus 2020 een bedrag aan kinderalimentatie van € 2.482,- aan de vrouw verschuldigd. De man heeft zijn stelling dat hij over die periode een bedrag van € 3.000,- aan kinderalimentatie aan de vrouw heeft betaald met bankafschriften onderbouwd. Tegen die achtergrond had het op de weg van de vrouw gelegen haar betwisting van de stelling van de man, dat hij teveel aan kinderalimentatie heeft betaald, nader te onderbouwen. Dat heeft zij nagelaten. De enkele omstandigheid dat de man, zoals de vrouw stelt, de afgelopen periode wisselende bedragen heeft voldaan, acht het hof daartoe onvoldoende. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de man aan de vrouw over voornoemde periode een bedrag van € 518,- (€ 3.000,- minus € 2.482,-) teveel aan kinder-alimentatie heeft betaald. Uit het dossier en het verhandelde ter zitting in hoger beroep kan worden afgeleid dat partijen het sinds mei 2019 niet eens zijn over het door de man te betalen bedrag aan kinderalimentatie. De man was in eerste aanleg te laat met het indienen van een verweerschrift. Hij heeft hiervoor nader uitstel verzocht, maar omdat de vrouw daarmee niet akkoord was, heeft hij geen verweer kunnen voeren. Het was de vrouw echter in ieder geval vanaf mei 2019 duidelijk dat de man het niet eens was met de hoogte van de door haar verzochte kinderalimentatie, zodat zij vanaf dat moment rekening had kunnen houden met een eventuele terugbetalingsverplichting van haar kant. Bovendien heeft zij niet aangetoond dat de door de man betaalde kinderalimentatie door haar is geconsumeerd, nu ieder overzicht ontbreekt van de door haar gemaakte kosten voor [X] afgezet tegen de haar (daarvoor) ter beschikking staande financiële middelen. Voorts heeft de vrouw haar stelling dat zij niet in staat is de teveel betaalde kinderalimentatie terug te betalen niet nader toegelicht en onvoldoende onderbouwd met (financiële) stukken. Uit de door de vrouw overgelegde uitkeringsspecificaties kan het hof dit niet afleiden, terwijl andere relevante stukken ontbreken. Het hof kan dan ook niet vaststellen dat de vrouw niet beschikt over reserves/spaartegoeden.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat van de vrouw in redelijkheid kan worden verlangd dat zij de door haar teveel ontvangen kinderalimentatie aan de man terugbetaalt.

2.4

Ten aanzien van het verzoek van de vrouw de ingangsdatum aan te passen, merkt het hof op dat de vrouw bij de tussenbeschikking van het hof niet in de gelegenheid is gesteld zich over de ingangsdatum uit te laten, maar enkel over de terugbetalingsverplichting. Bovendien is dit verzoek gelet op de twee-conclusieleer in hoger beroep te laat gedaan. Ook overigens ziet het hof, gelet op hetgeen het hof hiervoor onder 2.3 heeft overwogen, geen reden de ingangsdatum aan te passen, zoals door de vrouw verzocht. Het hof zal dit verzoek afwijzen.

2.5

Dit leidt tot de volgende beslissing.

3 De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, van 5 juni 2019, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en in zoverre opnieuw rechtdoende:

bepaalt dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [X] zal betalen € 146,- ( HONDERDZESENVEERTIG EURO) per maand met ingang van 5 april 2019, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

bepaalt dat de vrouw hetgeen zij uit hoofde van deze beschikking over de periode vanaf 5 april 2019 teveel aan kinderalimentatie van de man heeft ontvangen, aan hem dient terug te betalen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. J. Jonkers, mr. A.R. Sturhoofd en mr. C.M.J. Peters, in tegenwoordigheid van mr. A. Blijleven als griffier en is op 22 september 2020 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.