Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:2510

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
18-09-2020
Datum publicatie
29-09-2020
Zaaknummer
23-001635-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling openlijk geweld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-001635-19

datum uitspraak: 18 september 2020

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 25 april 2019 in de strafzaak onder parketnummer 15-033599-19 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboortedatum],

adres: [woonplaats].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

4 september 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

primair:
hij op of omstreeks 8 december 2018 te Alkmaar openlijk, te weten, op of aan de Europaboulevard, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer], door

- die [slachtoffer] (met een beenveeg) naar de grond toe te werken, althans ten val te brengen en/of

- de arm van die [slachtoffer] op diens rug te draaien en/of

- eenmaal of meermalen in het gezicht/tegen het hoofd van die [slachtoffer] te stompen/slaan en/of

- eenmaal of meermalen tegen het lichaam van die [slachtoffer] te schoppen/trappen;

subsidiair:
hij op of omstreeks 8 december 2018 te Alkmaar [slachtoffer] heeft mishandeld door

- die [slachtoffer] (met een beenveeg) naar de grond toe te werken, althans ten val te brengen en/of

- de arm van die [slachtoffer] op diens rug te draaien en/of

- eenmaal of meermalen in het gezicht/tegen het hoofd van die [slachtoffer] te stompen/slaan.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een (enigszins) andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:


hij op 8 december 2018 te Alkmaar openlijk, te weten, op de Europaboulevard, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer], door

- die [slachtoffer] met een beenveeg naar de grond toe te werken en

- de arm van die [slachtoffer] op diens rug te draaien en

- een of meermalen in het gezicht van die [slachtoffer] te stompen en slaan en

- tegen het lichaam van die [slachtoffer] te schoppen en trappen.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Beroep op (putatief) noodweer(exces)

De verdachte heeft ter terechtzitting aangevoerd dat zijn handelen een reactie was op de bedreiging door de aangever. Deze zou hebben geroepen “als jullie nu niet naar boven gaan, vallen er rake klappen”.

De verdachte voelde zich hierdoor zodanig bedreigd dat hij meende zich te moeten verdedigen tegen de aangever. Bovendien was hij op dat moment zeer boos en emotioneel. Het hof begrijpt hieruit dat verdachte vindt dat hij heeft gehandeld uit (putatief) noodweer(exces).

Het hof overweegt als volgt.

Ook indien wordt uitgegaan van de lezing van de verdachte dat de aangever hem bedreigd heeft, acht het hof het bestaan van een noodweersituatie, waarin de verdachte zich heeft moeten verdedigen tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding door de aangever, niet aannemelijk. De verdachte is bij de aangever verhaal gaan halen, omdat deze herhaaldelijk midden in de nacht geluidsoverlast veroorzaakte. Op het moment dat de aangever dreigde met ‘klappen’ had de verdachte zich aan de situatie kunnen onttrekken door weg te lopen. Dat de verdachte (abusievelijk) in de veronderstelling verkeerde dat hij zich in de gegeven situatie moest, dan wel zou mogen, verdedigen, acht het hof in de gegeven omstandigheden – waaronder met name de door de verdachte gehoorde woorden: “als jullie nu niet naar boven gaan” – evenmin aannemelijk. Gelet op het voorgaande kan een beroep op putatief noodweer(exces) evenmin slagen.

Het hof verwerpt het verweer.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het primair bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het primair bewezen verklaarde levert op:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter van de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg primair bewezenverklaarde veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden met een proeftijd van 2 jaren.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden met een proeftijd van een jaar. Zij heeft voorts gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen tot een bedrag van € 150,00 te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen de aangever [slachtoffer]. Met zijn handelen heeft de verdachte een inbreuk gemaakt op de lichamelijk integriteit van het slachtoffer. Daarnaast brengen dergelijke misdrijven gevoelens van onrust en onveiligheid teweeg in de samenleving.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 19 augustus 2020 is de verdachte eerder, zij het alweer geruime tijd geleden, strafrechtelijk onherroepelijk veroordeeld wegens een geweldsdelict.

Het hof acht, alles afwegende, een voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding, maar heeft hierbij geen schadebedrag opgegeven. De rechtbank heeft gebruik gemaakt van haar schattingsbevoegdheid om de hoogte van het schadebedrag vast te stellen en heeft verdachte mitsdien veroordeeld tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van € 150,00 bestaande uit immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 december 2018 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verdachte heeft dit bedrag ter zitting betwist. Hij vindt het met name onterecht dat hij de benadeelde partij een hoger schadebedrag zou moeten betalen dan de mededader. Het hof maakt gebruik van zijn schattingsbevoegdheid, en neemt hierbij in overweging het eigen aandeel dat de benadeelde partij in het gebeurde heeft gehad. Het hof komt tot een schadebedrag van € 100,00 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 december 2018 tot aan de dag der algehele voldoening.

Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f en 141 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 1 (één) jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 100,00 (honderd euro) ter zake van immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd

[slachtoffer], ter zake van het primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 100,00 (honderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 2 (twee) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 8 december 2018.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R.D. van Heffen, mr. N. van der Wijngaart en mr. A.M.P. Geelhoed, in tegenwoordigheid van mr. A.S. de Bruin en mr. P.M. Huizenga, griffiers, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 18 september 2020.

Mr. Geelhoed is buiten staat dit arrest te ondertekenen.