Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:2509

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
18-09-2020
Datum publicatie
28-09-2020
Zaaknummer
23-002456-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling poging woninginbraak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-002456-15

datum uitspraak: 18 september 2020

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 21 mei 2015 in de strafzaak onder de parketnummers 15-800055-15,

23-002923-12 (TUL) en 13-654109-14 (TUL) tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1990,

adres: [adres],

thans uit anderen hoofde gedetineerd in Huis van Bewaring Zwolle te Zwolle.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

4 september 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de opgelegde straf en maatregel en ten aanzien van de beslissingen op de vorderingen tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf - in zoverre zal het vonnis worden vernietigd - en met dien verstande dat het hof een overweging opneemt ten aanzien van een ter terechtzitting in hoger beroep gevoerd verweer.

Bespreking van een ter terechtzitting gevoerd verweer

De verdediging heeft ter terechtzitting aangevoerd dat een aantal getuigen, onder wie een verbalisant, de verdachten heeft omschreven als personen met een donkere huidskleur, terwijl de huidskleur van de verdachte evident lichter is dan die van de medeverdachten. Om die reden moet volgens de verdediging vrijspraak volgen.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Diverse getuigen hebben een van de verdachten omschreven als een jongen, gekleed in een groene trui met capuchon en spijkerbroek. Dit is de kleding die de verdachte blijkens de camerabeelden droeg op het moment dat hij samen met de medeverdachten een koevoet kocht bij de [winkel]. De huidskleur van deze jongen wordt door de getuigen verschillend omschreven en wel als: blank, licht getint, donker, Moluks/Marokkaans. Het hof neemt daarbij in overweging dat de getuigen naast het uiterlijk van de verdachte ook dat van één of meer medeverdachten hebben beschreven.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft het hof waargenomen dat de huidskleur van de verdachte donkerder is dan blank, maar lichter dan die van zijn medeverdachten. Het hof ziet daarom geen aanleiding om op basis van de door getuigen beschreven huidskleur te concluderen dat zij daarmee niet op verdachte hebben kunnen doelen.

Het hof verwerpt het verweer.

Oplegging van straf

De rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot 4 maanden gevangenisstraf, waarvan 1 maand voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren. De rechtbank heeft daaraan algemene en bijzondere voorwaarden verbonden.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, met aftrek van voorarrest. Er is sprake van aanzienlijk tijdsverloop sinds het feit, er is naderhand uitgebreid gerapporteerd over de verdachte, onder andere in een recente strafzaak tegen de verdachte. De advocaat-generaal ziet daarom in deze zaak geen toegevoegde waarde meer van een voorwaardelijk strafdeel.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een poging tot inbraak in een woning. Hiertoe heeft hij met een koevoet een kozijn vernield om zich toegang te verschaffen tot een woning. Dat het bij een poging is gebleven, is te danken aan oplettende personen die alarm hebben geslagen. Gedragingen als die van de verdachte veroorzaken niet alleen overlast en schade voor de gedupeerden, maar versterken ook gevoelens van onveiligheid in de samenleving onder slachtoffers en buurtbewoners.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 19 augustus 2020 is hij eerder voor soortgelijke feiten onherroepelijk veroordeeld. Het hof heeft bovendien acht geslagen op het recent (31 augustus 2020) door de reclassering over de verdachte opgemaakte adviesrapport waaruit volgt dat er in een lopende strafzaak zal kunnen worden geoordeeld met inachtneming van de huidige situatie van de verdachte.

Het hof acht in beginsel de door de advocaat-generaal gevorderde straf passend. Gelet op de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheid dat de verdachte eerder ter zake soortgelijke feiten is veroordeeld, kan niet worden volstaan met een andere dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Met de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat in deze zaak geen aanleiding bestaat daarnaast een voorwaardelijk strafdeel op te leggen.

In de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM en het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht, ziet het hof aanleiding de duur van de op te leggen straf enigszins te matigen.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36f, 45, 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Vorderingen tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf

Het openbaar ministerie heeft in eerste aanleg de tenuitvoerlegging gevorderd van:

  • -

    de bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 11 december 2012 aan de verdachte opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden en

  • -

    de bij vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 1 oktober 2014 aan de verdachte opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden.

Deze vorderingen zijn in hoger beroep opnieuw aan de orde.

Het hof zal beide vorderingen tot tenuitvoerlegging - conform de vordering van de advocaat-generaal - afwijzen.

Schadevergoedingsmaatregel

Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de op te leggen straf en maatregel en ten aanzien van de beslissingen op de vorderingen tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) weken.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd Stichting Parteon, ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 236,63 (tweehonderdzesendertig euro en drieënzestig cent) als vergoeding voor materiële schade.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 4 (vier) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) dit bedrag aan hetzij het slachtoffer, hetzij de Staat hebben voldaan, deze betalingsverplichting vervalt.

Wijst af de vordering van de officier van justitie in het arrondissement te Noord-Holland van

17 maart 2015, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van

11 december 2012, parketnummer 23-002923-12, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van

2 (twee) maanden met een proeftijd van 2 (twee) jaren.

Wijst af de vordering van de officier van justitie in het arrondissement te Noord-Holland van

13 april 2015, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de rechtbank Noord-Holland van

1 oktober 2014, parketnummer 13-654109-14, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 2 (twee) maanden met een proeftijd van 2 (twee) jaren.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. N. van der Wijngaart, mr. R.D. van Heffen en mr. A.M.P. Geelhoed, in tegenwoordigheid van mr. A.S. de Bruin en mr. P.M. Huizenga, griffiers, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 18 september 2020.

Mr Geelhoed is buiten staat dit arrest te ondertekenen.