Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:2508

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
18-09-2020
Datum publicatie
28-09-2020
Zaaknummer
23-001067-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling openlijk geweld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-001067-19

datum uitspraak: 18 september 2020

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 5 maart 2019 in de strafzaak onder parketnummer 15-163861-16 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Somalië) op [geboortedag] 1997,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

4 september 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de op te leggen straf en maatregel. In zoverre zal het vonnis worden vernietigd.

Oplegging van straf

De rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot het verrichten van 80 uren taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid, subsidiair 40 dagen hechtenis.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan openlijk geweld in het uitgaansleven. Tijdens hun bezoek aan een jeugdhonk liepen de spanningen tussen verdachte en medeverdachten enerzijds, en het slachtoffer - de uitbater van het jeugdhonk – anderzijds, op. Hierop heeft verdachte samen met de mededader het slachtoffer meermaals in het gezicht gestompt. Het slachtoffer heeft daarvan pijn en letsel ondervonden. Met zijn handelen heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Daarnaast brengen dergelijke misdrijven ook bij anderen gevoelens van onveiligheid teweeg, bijvoorbeeld bij de personen die van het incident getuige zijn geweest. Het hof rekent dit de verdachte aan.

Het hof acht de taakstraf, zoals door de politierechter opgelegd en door de advocaat-generaal gevorderd, in beginsel passend. In de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM ziet het hof aanleiding de duur van de opgelegde taakstraf te matigen.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 19 augustus 2020 is hij voorafgaand aan het hiervoor bewezenverklaarde feit niet strafrechtelijk veroordeeld.

Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 22c, 22d, 36f, 63 en 141 van het Wetboek van Strafrecht.

Schadevergoedingsmaatregel

Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de op te leggen straf en maatregel en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis.

Schadevergoedingsmaatregel

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd

[slachtoffer], ter zake van het primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 413,59 (vierhonderddertien euro en negenenvijftig cent) bestaande uit € 63,59 (drieënzestig euro en negenenvijftig cent) materiële schade en € 350,00 (driehonderdvijftig euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 8 (acht) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op

30 januari 2016.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R.D. van Heffen, mr. N. van der Wijngaart en mr. A.M.P. Geelhoed, in tegenwoordigheid van mr. A.S. de Bruin en mr. P.M. Huizenga, griffiers, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 18 september 2020.

Mr. Geelhoed is buiten staat dit arrest te ondertekenen.