Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:2496

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
09-03-2020
Datum publicatie
25-09-2020
Zaaknummer
23-000612-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Mishandeling en belediging ambtenaar. Wederspannigheid. Strafmotivering, positieve ontwikkelingen in leven verdachte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-000612-19

datum uitspraak: 9 maart 2020

TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsvrouw)

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 1 februari 2019 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 13-257988-17 (zaak A) en 13-253586-17 (zaak B) tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1989,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 24 februari 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Tenlasteleggingen

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

Zaak A:
1.
zij op of omstreeks 23 november 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, een politieambtenaar, [verbalisant 1], gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening heeft mishandeld door hem

- tegen de schenen te schoppen, en/of

- vast te grijpen, en/of

- in zijn rechterhand te bijten;

2.
zij op of omstreeks 23 november 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, zich met geweld en/of bedreiging met geweld, heeft verzet tegen (een) politieambtena(a)r(en), [verbalisant 1] (hoofdagent van politie eenheid Amsterdam) en/of [verbalisant 2] (agent van politie eenheid Amsterdam), werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hun bediening, te weten de aanhouding van haar, verdachte, door

- haar armen steeds in tegenovergestelde richting van wat van haar verlangd werd rond te zwaaien, en/of - verbalisant [verbalisant 1] op de rechterkant van zijn kaak, althans op/in zijn hoofd/gelaat te slaan/stompen, en/of - verbalisant [verbalisant 2] in haar linkerhand te bijten, en/of

- verbalisant [verbalisant 2] één of meerdere keren in haar linkerbeen te bijten,

terwijl dit misdrijf en/of de daarmede gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel, te weten

- een beetwond op de rechterhand (pink) van [verbalisant 1], en/of

- een beetwond op de linkerhand van [verbalisant 2], en/of

- één of meer beetwonden op het linkerbeen van [verbalisant 2] ten gevolge heeft gehad;

Zaak B:
zij op of omstreeks 17 december 2017 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk beledigend (een) ambtenaar te weten [benadeelde] (ambtenaar werkzaam bij Politie Eenheid Amsterdam), gedurende en/of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, heeft beledigd, bestaande die belediging uit het eenmaal of meermalen spugen in of tegen het gezicht althans tegen het lichaam van die [benadeelde], in elk geval door feitelijkheden heeft beledigd.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een enigszins andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

Zaak A:
1.
zij op 23 november 2017 te Amsterdam een politieambtenaar, [verbalisant 1], gedurende en terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, heeft mishandeld door hem tegen de schenen te schoppen en

in zijn hand te bijten;

2.
zij op 23 november 2017 te Amsterdam zich met geweld heeft verzet tegen politieambtenaren, [verbalisant 1] (hoofdagent van politie eenheid Amsterdam) en [verbalisant 2] (agent van politie eenheid Amsterdam), werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, te weten de aanhouding van verdachte, door - haar armen steeds in tegenovergestelde richting van wat van haar verlangd werd rond te zwaaien,

- [verbalisant 1] op de rechterkant van zijn kaak te stompen,

- [verbalisant 2] in haar linkerhand te bijten, en

- [verbalisant 2] in haar linkerbeen te bijten,

terwijl dit misdrijf enig lichamelijk letsel, te weten een beetwond op de linkerhand van [verbalisant 2] en een beetwond op het linkerbeen van [verbalisant 2] ten gevolge heeft gehad.

Zaak B:
zij op 17 december 2017 te Amsterdam opzettelijk beledigend [benadeelde] (ambtenaar bij Politie Eenheid Amsterdam) gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening heeft beledigd, bestaande die belediging uit het spugen in het gezicht van [benadeelde].

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het in zaak A onder 1 bewezenverklaarde levert op:

mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.

Het in zaak A onder 2 bewezenverklaarde levert op:

wederspannigheid, terwijl het misdrijf enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft.

Het in zaak B bewezenverklaarde levert op:

eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf

De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg in zaak A onder 1 en 2 en in zaak B bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie weken, waarvan twee weken voorwaardelijk en een proeftijd van twee jaren met als bijzondere voorwaarden – kort gezegd – een meldplicht en een behandelverplichting.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het in zaak A onder 1 en 2 en in zaak B tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie weken (zonder bijzondere voorwaarden) en een proeftijd van twee jaren.

De raadsvrouw heeft zich aangesloten bij de vordering van de advocaat-generaal.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich in een relatief korte tijdspanne schuldig gemaakt aan twee geweldsmisdrijven en aan belediging, alle jegens politieagenten gepleegd. Zij heeft daarmee inbreuk gemaakt op hun lichamelijke integriteit (zaak A) en op de eer en goede naam (zaak B) van deze ambtenaren. De feiten hebben bovendien afbreuk gedaan aan het gezag dat aan deze ambtenaren moet worden toegekend. Naar het zich laat aanzien verkeerde de verdachte in een periode (en in een gemoedstoestand) waarin zij reeds bij een geringe aanleiding compleet “los” ging ten opzichte van politieagenten.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 11 februari 2020 is zij eerder ter zake van soortgelijke misdrijven onherroepelijk veroordeeld, hetgeen in haar nadeel weegt.

Het hof heeft acht geslagen op diverse over de verdachte opgemaakte reclasseringsrapporten, waaruit het volgende naar voren komt. De verdachte heeft problemen op diverse leefgebieden, die te relateren zijn aan overmatig alcoholgebruik, de uithuisplaatsing van haar dochter en het verlies van zelfstandige huisvesting. Ongeveer een half jaar geleden heeft zij zich herpakt, is zij gemotiveerd zich in te zetten als moeder van haar nog niet geboren kind en werkt zij constructief samen met de hulpverlening. De reclassering heeft met het oog hierop geadviseerd een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen. Het toekomstplan van, en de hulpverlening rondom, de verdachte zijn volgens de reclassering voldoende; interventies of toezicht zouden niet nodig zijn en zelfs de verdachte overvragen.

Het hof acht het in het belang van de verdachte én de samenleving dat deze positieve ontwikkeling niet wordt doorkruist door een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Met de advocaat-generaal en de raadsvrouw acht het hof een voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden. Daarmee wordt mede beoogd de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 200,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 100,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

De advocaat-generaal heeft gevorderd de vordering toe te wijzen tot € 150,00.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in zaak B bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Het hof stelt het schadebedrag naar billijkheid vast op € 100,00. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen. Voor het overige wordt de vordering afgewezen.

Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 63, 181, 266, 267, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in zaak A onder 1 en 2 en in zaak B tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in zaak A onder 1 en 2 en in zaak B bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) weken.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het in zaak B bewezenverklaarde tot het bedrag van € 100,00 (honderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Wijst de vordering voor het overige af.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde], ter zake van het in zaak B bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 100,00 (honderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 2 (twee) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op. Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente op 17 december 2017.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. H.M.J. Quaedvlieg, mr. A.M. van Woensel en mr. F.M.D. Aardema, in tegenwoordigheid van mr. S.L.D. Vriend, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 9 maart 2020.

=========================================================================

[…]