Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:2479

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
15-09-2020
Datum publicatie
18-09-2020
Zaaknummer
200.239.349/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vermogensrecht. Arbeidsbemiddeling. Overeenkomst tussen professionele bemiddelaar en kandidaat voor interim-functie bij PostNL. Bemiddelaar had van kandidaat een vergoeding van 9% van diens verdiensten bedongen bij succesvolle plaatsing. Bemiddelaar heeft aan kandidaat voorgehouden dat hij handelde in opdracht van PostNL, terwijl in werkelijkheid sprake was van zelfstandige acquisitie naar aanleiding van een door PostNL gepubliceerde vacature. Dit is iets wezenlijks anders, zoals bemiddelaar had moeten begrijpen. Bij een juiste voorstelling van zaken was er geen goede reden voor kandidaat om de overeenkomst aan te gaan. Slagend beroep op dwaling. Geen bemiddelingsvergoeding verschuldigd. Artt. 6:228 en 7:400 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2020/268
RAR 2021/4
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.239.349/01

zaaknummer rechtbank (Amsterdam) : 6255445 \ CV EXPL 17-19592

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 15 september 2020

inzake

[appellant] handelend onder de naam [X],

wonend te [woonplaats] ,

appellant,

advocaat: mr. M.C. Krau te Ouderkerk aan de Amstel,

tegen

[geïntimeerde] handelend onder de naam [Y],

wonend te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. A.M. Verbrugge te Heemstede.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.

[appellant] is bij dagvaarding van 4 mei 2018 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam, hierna ‘de kantonrechter’, van 9 februari 2018, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen hem als eiser in conventie, tevens verweerder in reconventie, en [geïntimeerde] als gedaagde in conventie, tevens eiser in reconventie.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;

- memorie van antwoord.

Partijen hebben de zaak ter zitting van 30 januari 2019 doen bepleiten, [appellant] in persoon met bijstand van zijn in de aanhef van dit arrest genoemde advocaat en [geïntimeerde] door zijn in de aanhef van dit arrest genoemde advocaat, beiden aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. Bij deze gelegenheid zijn van de zijde van [appellant] nadere producties in het geding gebracht. Partijen hebben enige vragen van het hof beantwoord.

[appellant] heeft geconcludeerd, kort gezegd, dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en alsnog – uitvoerbaar bij voorraad – zijn vorderingen zoals in eerste aanleg in conventie ingesteld zal toewijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding in eerste aanleg en in hoger beroep, met inbegrip van nakosten en wettelijke rente.

[geïntimeerde] heeft geconcludeerd, kort gezegd, dat het hof het bestreden vonnis zal bekrachtigen, met – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, met inbegrip van nakosten.

Partijen hebben op een of meer punten bewijs van hun stellingen aangeboden.

Ten slotte is arrest gevraagd.

2 Feiten

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 1, 1.1 tot en met 1.11, de feiten vastgesteld die hij tot uitgangspunt heeft genomen.

Voor zover [appellant] in hoger beroep erover klaagt dat die feiten onvolledig zijn en dat de kantonrechter niet alle door hem aangevoerde feiten en omstandigheden heeft overwogen, miskent hij dat een rechterlijk vonnis geen naar volledigheid strevende opgave behoeft te bevatten van al hetgeen tussen partijen in enig opzicht is voorgevallen, maar uitsluitend de feiten waarop de beslissing rust. In de bepaling daarvan is de rechter in beginsel vrij. De klacht is op een ander uitgangspunt gegrond en faalt daarom.

Over de juistheid van de door de kantonrechter vastgestelde feiten bestaat voor het overige geen geschil, zodat ook het hof daarvan zal uitgaan, met dien verstande dat het mede acht zal slaan op enkele andere, hierna te noemen, feiten die tussen partijen niet in geschil zijn.

3 Beoordeling

3.1.

Kern van de zaak is de vraag of [geïntimeerde] verplicht is aan [appellant] een bemiddelingsvergoeding te betalen wegens de totstandkoming van een overeenkomst tussen [geïntimeerde] en PostNL waarbij eerstgenoemde zich heeft verbonden om, tegen betaling, bepaalde werkzaamheden voor PostNL te verrichten. Aanleiding tot deze vraag zijn, verkort weergegeven, de volgende feiten.

3.2.

[appellant] houdt zich bedrijfsmatig bezig met het zoeken en aanbieden van hoger opgeleid personeel voor het verrichten van werkzaamheden bij derden. Hiertoe drijft hij onder de naam ‘Offsite’ een eenmanszaak die zich, volgens haar inschrijving in het handelsregister, toelegt op arbeidsbemiddeling. In dit kader heeft [appellant] zich geregistreerd bij PostNL, met goedvinden daarvan, als leverancier van kandidaten voor het vervullen van interim-opdrachten in de onderneming van PostNL. Op 16 mei 2014 heeft hij een vacature voor een ‘interim finance director’ vermeld op de website van zijn eenmanszaak, welke vacature kort tevoren op de website van PostNL bekend was gemaakt en die op de onderneming daarvan betrekking had. De door [appellant] gepubliceerde vacaturetekst vermeldde niet dat het ging om een functie bij PostNL.

3.3.

[geïntimeerde] verricht, eveneens in het kader van een door hem gedreven eenmanszaak, werkzaamheden op het gebied van management en bedrijfsvoering voor derden. Naar aanleiding van bovengenoemde vacature heeft hij aan [appellant] laten weten daarvoor belangstelling te hebben, onder toezending van zijn curriculum vitae en aanvankelijk zonder te weten dat het een functie bij PostNL betrof. [appellant] en [geïntimeerde] zijn daarop met elkaar in contact getreden en zijn bij onderhandse akte gedateerd 19 mei 2014 een overeenkomst aangegaan die hun onderlinge rechtsverhouding regelt. Deze overeenkomst voorziet, onder andere, in een bemiddelingsvergoeding voor [appellant] . [appellant] heeft [geïntimeerde] vervolgens voorgesteld aan PostNL, die een of meer gesprekken met hem heeft gevoerd en hem in de genoemde vacature heeft geplaatst. Van 3 juni 2014 tot en met 6 februari 2015 heeft [geïntimeerde] werkzaamheden als ‘interim finance director’ voor PostNL verricht, tegen betaling van een uurtarief aan hem door laatstgenoemde.

3.4.

[appellant] stelt zich op het standpunt dat hij op grond van de overeenkomst tussen partijen in samenhang met een e-mail van 22 mei 2014 van hem aan [geïntimeerde] , die een aanvulling daarop inhoudt, recht heeft op een bemiddelingsvergoeding van [geïntimeerde] gelijk aan 9% van diens verdiensten bij PostNL. [appellant] heeft die vergoeding begroot op € 16.117,20 inclusief btw. Hij vordert een verklaring voor recht overeenkomend met zijn standpunt en de veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling aan hem van een bedrag van € 16.117,20, althans een in goede justitie vast te stellen bemiddelingsvergoeding, te vermeerderen met wettelijke rente, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten. Op zijn beurt heeft [geïntimeerde] in eerste aanleg in reconventie gevorderd dat [appellant] zou worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 2.560,36 aan [geïntimeerde] wegens door deze gemaakte kosten voor rechtsbijstand, te vermeerderen met wettelijke rente en incassokosten.

3.5.

Bij het bestreden vonnis zijn alle hierboven genoemde vorderingen afgewezen. [appellant] heeft geen gronden aangevoerd tot vernietiging van het vonnis voor zover dat betrekking heeft op de vordering van [geïntimeerde] in reconventie, zodat hij niet-ontvankelijk is in het hoger beroep tegen het vonnis in reconventie. [geïntimeerde] heeft tegen het desbetreffende deel van het vonnis geen hoger beroep ingesteld. Diens vordering is dus thans niet meer aan de orde. Dit is anders voor de vorderingen van [appellant] , die in hoger beroep onverkort zijn gehandhaafd. Tegen de beslissing van de kantonrechter tot afwijzing van zijn vorderingen en de overwegingen waarop deze beslissing berust, heeft [appellant] twaalf grieven aangevoerd. De grieven lenen zich voor een gezamenlijke bespreking. Anders dan daardoor wordt betoogd, is ook het hof van oordeel dat de vorderingen van [appellant] niet toewijsbaar zijn. De grieven falen dus. Hiertoe is het volgende bepalend.

3.6.

[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg aangevoerd, onder andere en voor zover van belang, dat de onder 3.3 genoemde overeenkomst tussen partijen tot stand is gekomen onder invloed van dwaling aan zijn zijde, dat die dwaling te wijten is aan inlichtingen van [appellant] en dat hij de overeenkomst bij een juiste voorstelling van zaken niet of niet met dezelfde inhoud zou zijn aangegaan. Met een beroep op het voorgaande heeft [geïntimeerde] de overeenkomst vernietigd, met inbegrip van de aanvulling daarop in de onder 3.4 genoemde e-mail van 22 mei 2014, en betoogd dat hij hierdoor aan [appellant] geen enkele bemiddelingsvergoeding of ander bedrag verschuldigd is. Bij het bestreden vonnis is de vernietiging wegens dwaling gegrond geoordeeld, met als gevolg dat [appellant] geen aanspraak kan maken op de door hem gevorderde bemiddelingsvergoeding en dat geen grond bestaat voor de gevorderde andersluidende verklaring voor recht.

3.7.

Anders dan [appellant] in hoger beroep betoogt, stuit het beroep op dwaling niet af op verjaring omdat het is gedaan meer dan drie jaar nadat [geïntimeerde] met de door hem gestelde onjuiste voorstelling van zaken bekend was geworden. Gelet op het bepaalde in artikel 3:51, derde lid, BW stond het [geïntimeerde] vrij zich in dit geding op dwaling te beroepen ter afwering van de vorderingen van [appellant] , zoals hij in eerste aanleg heeft gedaan, ongeacht het opgetreden tijdsverloop. Eveneens anders dan door [appellant] betoogd, is de stelling van [geïntimeerde] dat hij bij het aangaan van de onder 3.3 genoemde overeenkomst een onjuiste voorstelling van zaken had en dat deze onjuiste voorstelling het gevolg was van door [appellant] gegeven informatie, alleszins in overeenstemming met de feiten. Ook in hoger beroep wordt [geïntimeerde] daarom in dat verweer gevolgd.

3.8.

Tussen partijen staat vast dat [appellant] de overeenkomst ter ondertekening aan [geïntimeerde] heeft toegezonden nadat deze zijn belangstelling voor de onder 3.2 genoemde, in de overeenkomst vermelde vacature voor een ‘interim finance director’ aan [appellant] kenbaar had gemaakt. De aan [geïntimeerde] toegezonden en vervolgens ondertekende tekst vermeldt dat het ging om werkzaamheden bij ‘een opdrachtgever van Offsite’, de eenmanszaak van [appellant] , en dat Offsite aan ‘de opdrachtgever’ een ‘all-in tarief’ in rekening zou brengen, waarin een bemiddelingsvergoeding van maximaal 10% voor Offsite was begrepen. De naam PostNL komt in de toegezonden tekst niet voor. Deze wordt wel genoemd in de onder 3.4 genoemde e-mail van 22 mei 2014 van [appellant] aan [geïntimeerde] , waarin eerstgenoemde schrijft dat [geïntimeerde] rechtstreeks met PostNL mocht contracteren en van elke betaling die hij van PostNL ontving, 9% aan Offsite moest afdragen. Gelet op het herhaalde gebruik van de term ‘opdrachtgever’ in de hem toegezonden tekst van de overeenkomst, zonder enig voorbehoud of nuancering, en de genoemde e-mail van 22 mei 2014, heeft [geïntimeerde] redelijkerwijs erop mogen vertrouwen dat PostNL aan [appellant] opdracht had gegeven om voor haar een ‘interim finance director’ te zoeken. Dit is temeer zo, nu [appellant] handelde in het kader van zijn onderneming en zich als zodanig had gepresenteerd tegenover [geïntimeerde] .

3.9.

De voorstelling dat PostNL [appellant] een opdracht had gegeven zoals hierboven omschreven, veronderstelt dat [appellant] zich jegens PostNL had verplicht, bij een hiertoe tussen hem en PostNL gesloten overeenkomst zoals bedoeld in artikel 7:400 BW, werkzaamheden te verrichten die strekten tot de vervulling van de vacature voor een ‘interim finance director’ in haar onderneming. Dat is in werkelijkheid echter niet het geval geweest en dit maakt de door [appellant] gegeven voorstelling van zaken ronduit onjuist. Volgens zijn eigen stellingen heeft [appellant] zichzelf geregistreerd bij PostNL als leverancier van kandidaten voor het vervullen van interim-opdrachten en is hij naderhand uit eigen beweging op zoek gegaan naar kandidaten voor de hierboven genoemde vacature, die hij in samengevatte vorm op zijn website heeft gepubliceerd en waarop [geïntimeerde] heeft gereflecteerd. De registratie bij PostNL, ook al is deze met goedvinden van laatstgenoemde gebeurd en ook al had [appellant] daardoor de gelegenheid kandidaten aan te bieden aan PostNL voor de vervulling van openstaande vacatures in haar onderneming, maakt niet dat PostNL aan [appellant] opdracht had gegeven kandidaten te zoeken voor de functie van ‘interim finance director’ en dus ook niet dat PostNL in dit verband ‘opdrachtgever’ van [appellant] was, zoals deze aan [geïntimeerde] heeft voorgehouden. Het opnemen van een door [appellant] voorgestelde kandidaat in een sollicitatieprocedure door PostNL, gevolgd door de plaatsing van die kandidaat in de vacante functie, brengt evenmin mee dat PostNL ‘opdrachtgever’ van [appellant] was. Nadat PostNL de vacature voor een ‘interim finance director’ op haar website bekend had gemaakt, heeft [appellant] daarvoor zelfstandig, op eigen initiatief, acquisitie gepleegd. Dit is iets wezenlijks anders dan het zoeken van kandidaten op grond van een hem daartoe gegeven opdracht, zoals [appellant] gelet op de onder 3.2 beschreven aard van zijn onderneming heel goed heeft moeten begrijpen. De juiste voorstelling van zaken was dat PostNL geen opdrachtgever van [appellant] was en dat deze zelfstandig acquireerde naar aanleiding van een door PostNL op haar website gepubliceerde vacature. Bij die voorstelling was er geen goede reden voor [geïntimeerde] om een overeenkomst met [appellant] aan te gaan die deze recht gaf op een bemiddelingsvergoeding gelijk aan liefst 9% van [geïntimeerde] verdiensten bij PostNL, zoals [appellant] ook heel goed moest begrijpen. Het beroep van [geïntimeerde] op dwaling is dan ook volstrekt gegrond en hetzelfde geldt voor de daarop berustende vernietiging van de overeenkomst. Die kan dus ook in hoger beroep niet tot toewijzing van de vorderingen van [appellant] leiden.

3.10.

De slotsom uit het bovenstaande is dat het hoger beroep tegen het vonnis in conventie tevergeefs is ingesteld en dat het bestreden vonnis in zoverre zal worden bekrachtigd. [appellant] zal niet-ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep tegen het vonnis voor zover dat in reconventie is gewezen. De klachten van [appellant] over het procesverloop in eerste aanleg behoeven geen behandeling wegens gebrek aan voldoende belang, nu [appellant] de door hem van betekenis geachte feiten en stellingen in hoger beroep in volle omvang heeft kunnen uiteenzetten en die feiten en stellingen gelet op het slagende beroep op dwaling zijn vorderingen niet kunnen dragen, wat er ook zij van de bedoelde klachten. [appellant] heeft geen feiten gesteld en te bewijzen aangeboden die, indien bewezen, kunnen leiden tot andere oordelen dan hierboven gegeven, zodat zijn bewijsaanbod, als niet ter zake dienend, wordt gepasseerd. Als de in het ongelijk gestelde partij zal [appellant] worden veroordeeld in de kosten van het geding in hoger beroep.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het bestreden vonnis in conventie;

verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in het hoger beroep tegen het bestreden vonnis in reconventie;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 318,- aan verschotten en € 3.222,- voor salaris advocaat en op € 131,- voor nasalaris van de advocaat, te vermeerderen met € 68,- voor nasalaris ingeval niet binnen veertien dagen is voldaan aan de zojuist genoemde kostenveroordeling en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden, alle genoemde bedragen te voldoen binnen veertien dagen na betekening van dit arrest;

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. D. Kingma, W.H.F.M. Cortenraad en A.S. Arnold en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 15 september 2020.