Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:2470

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
24-06-2020
Datum publicatie
16-09-2020
Zaaknummer
23/001766-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Afwijzing beroep tegen beschikking ex artikel 226a Sv

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM,

MEERVOUDIGE STRAFKAMER, RAADKAMER

BESCHIKKING op het beroep tegen de beschikking ex artikel 226a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van de rechter-commissaris in de rechtbank Amsterdam van 2 juni 2020 in de strafzaak van de appellant:

[verdachte],

geboren te Paramaribo (Suriname) op [geboortedatum] 1971,

wonende te [woonplaats],

thans verblijvende in het huis van bewaring Penitentiaire Inrichting Zaanstad te

Westzaan.

1 De feiten en de rechtsgang

1.1.

[verdachte] (hierna: appellant) wordt in een strafrechtelijk onderzoek genaamd 13Mortel door het openbaar ministerie vervolgd ter zake van – kort samengevat en voor zover hier van belang – betrokkenheid bij een liquidatie en een dubbele poging daartoe in een parkeergarage in Amsterdam.

1.2.

Bij vonnis van 9 mei 2018 (parketnummer 13/728227-16) is appellant door de rechtbank Amsterdam ter zake van medeplichtigheid aan deze feiten en ter zake van het meermalen medeplegen van schuldheling en ter zake van overtreding van de Wet Wapens en Munitie veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien jaar.

1.3.

Tegen voornoemd vonnis heeft appellant hoger beroep ingesteld. De behandeling van de strafzaak is inmiddels aanhangig bij het gerechtshof Amsterdam onder bovengenoemd parketnummer 23/001766-18.

1.4.

Op 21 april 2020 heeft de CI-officier van justitie bij het arrondissementsparket Amsterdam, onder meer belast met bijzondere getuigentrajecten, in deze zaak en in de zaken van de medeverdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 2], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] een vordering gedaan tot het horen van een persoon als getuige op de voet van artikel 226a Sv. Deze persoon zal verder nader worden aangeduid als NN.

1.5.

Tussen 21 april 2020 en 2 juni 2020 is deze persoon in het kader van voormelde vordering gehoord door de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken, tevens rechter-commissaris bijzondere getuigen, in de rechtbank Amsterdam – het zogenoemde statusverhoor. Van dit verhoor is door de rechter-commissaris op 2 juni 2020 proces-verbaal opgemaakt.

1.6.

Bij beschikking van 2 juni 2020 heeft de rechter-commissaris de vordering van de CI-officier van justitie toegewezen en bevolen dat ter gelegenheid van het verhoor van getuige NN de identiteit van deze getuige verborgen wordt gehouden.

1.7.

Blijkens de akte instellen rechtsmiddel van de griffier van dit gerechtshof is namens appellant op 4 juni 2020 hoger beroep ingesteld tegen voormelde beschikking van de rechter-commissaris.

1.8.

Het gerechtshof heeft kennisgenomen van de hiervoor genoemde stukken en voorts van

- een proces-verbaal van de CI-officier van justitie voornoemd van 6 november 2019 ten aanzien van NN;

- een proces-verbaal van de rechter-commissaris voornoemd van 2 juni 2020 (proces-verbaal horen op vordering ex art. 226a, tweede lid, WvSv) met daarin de weergave van de door de rechter-commissaris ingewonnen zienswijzen van de advocaat-generaal en de raadsman van appellant, mr. M.L. van Gaalen, alsmede van de raadslieden van de medeverdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 2], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4].

1.9.

Het hof heeft bij de behandeling in raadkamer op 22 juni 2020 gehoord de advocaat-generaal en de gemachtigd raadsman van appellant, mr. J.M.J.H. Coumans namens mr. Van Gaalen.

2 Standpunt van de verdediging

Tegen de beschikking van de rechter-commissaris is niet alleen door appellant, maar ook door de medeverdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] beroep ingesteld. Het hof zal om proceseconomische redenen ook de standpunten die niet in deze, maar wel in (een van) de andere zaken naar voren zijn gebracht ambtshalve in deze zaak betrekken.

De navolgende bezwaren zijn naar voren gebracht.

2.1.

de procedure

Er is niet voldaan aan het beginsel van hoor en wederhoor. De verdediging is in de procedure op achterstand gesteld ten opzichte van het openbaar ministerie, nu het erop lijkt dat aan het openbaar ministerie een extra mogelijkheid is gegeven om de vordering toe te lichten nadat het statusverhoor al had plaatsgevonden.

Uit de beschikking van de rechter-commissaris blijkt dat deze tijdens en/of na het statusverhoor kennisgenomen had van meer stukken dan de rompverklaring van drie zinnen van de getuige (het hof begrijpt: vijf zinnen) met een algemene toelichting van de CI-officier van justitie en de vordering van 21 april 2020. Door de CI-officier van justitie wordt verder in het proces-verbaal van 6 november 2019 gesproken over “ambtshalve kennis” en voorts blijkt dat de CI-officier van justitie de rechter-commissaris nog een mondelinge toelichting heeft gegeven. De inhoud van dit alles is bij de verdediging niet bekend, niet te toetsen en de verdediging kon daardoor ook geen zienswijze op dat onderdeel van de vordering geven.

2.2.de motivering

De rechter-commissaris is ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, tot het oordeel gekomen dat jegens NN een bedreiging bestaat in de zin van artikel 226a, eerste lid, aanhef en onder a. Sv.

De rechter-commissaris heeft op dit punt slechts overwogen:

“Deze motivering kan niet worden weergegeven, omdat dit afbreuk zou doen aan de anonimiteit van de getuige.”

Acceptatie van een dergelijke motivering zou een schending van artikel 13 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) opleveren.

In het onderzoek 13Mortel zijn allerlei getuigen op naam gehoord. Niet is gebleken dat dit bij een of meer van die getuigen tot represailles of dreiging daarvan in hun richting heeft geleid. Onduidelijk is waarom dit bij NN anders zou zijn.

Met het enkele verwijzen naar de delicten waarvan appellant en zijn medeverdachten worden verdacht is nog niet de reële vrees voor represailles gegeven.

Niet is gebleken op welk van de in artikel 226a Sv genoemde aspecten de reële vrees van de getuige betrekking zou hebben.

2.3.

proportionaliteit en subsidiariteit

Gelet op de zware verdenkingen en de zeer forse straffen die in eerste aanleg zijn opgelegd – variërend van vijftien tot dertig jaar onvoorwaardelijke gevangenisstraf –, dan wel, in het geval van [medeverdachte 1], de omstandigheid dat in eerste aanleg tot vrijspraak van die zware verdenkingen is gekomen na een eis van 30 jaar gevangenisstraf, dient het evidente belang van de verdediging bij het ten volle kunnen uitoefenen van het ondervragingsrecht te prevaleren. De cruciale vraag in deze, namelijk wie de bron is van de getuige (“Van wie heb je het gehoord”), zal niet gesteld kunnen worden. Ook zal niet doorgevraagd kunnen worden op al gegeven antwoorden.

Omdat niet duidelijk is op welk aspect van artikel 226a Sv de reële vrees ziet, kan ook niet getoetst worden welk gewicht aan die vrees moet worden gehecht in het licht van de zware verdenkingen en straffen die appellanten boven het hoofd hangen.

Niet inzichtelijk is gemaakt waarom niet met minder verstrekkende maatregelen kan worden volstaan, zoals omschreven in artikel 190, derde lid, Sv en waarbij ook te denken valt aan vermomming, stemvervorming of het horen achter een scherm.

2.4.

manipulatie

Mogelijk liegt NN om deze status te kunnen verkrijgen, waardoor het strafproces gemanipuleerd wordt. Dit valt nu niet te toetsen.

3 Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat in raadkamer twee vragen beantwoord moeten worden:

  • -

    is de beslissing op de juiste wijze tot stand gekomen en

  • -

    is de beslissing op de juiste gronden genomen/heeft de rechter-commissaris in redelijkheid tot de beslissing kunnen komen.

De advocaat-generaal beantwoordt beide vragen bevestigend.

Meer in het bijzonder en naar aanleiding van wat van de zijde van de verdediging naar voren is gebracht heeft de advocaat-generaal nog de volgende standpunten ingenomen.

3.1.

de procedure

De correcte procedure is gevolgd. Er is geen sprake geweest van een extra ronde voor het openbaar ministerie. Ook de zaaks advocaat-generaal weet niet wat er tussen de CI-officier van justitie en de rechter-commissaris is besproken. In gevallen als dit is er wel degelijk een schot tussen de verschillende leden van het openbaar ministerie. Zowel verdediging als openbaar

ministerie weten bepaalde zaken niet en zullen in dit geval moeten varen op het kompas van de rechter-commissaris. Dat is inherent aan de procedure. Verder is onduidelijk wat de verdediging dan nog aanvullend naar voren had willen brengen in een extra ronde.

3.2.de motivering

De rechter-commissaris heeft de beschikking wel degelijk met redenen omkleed, en tamelijk uitgebreid. Die redenen kunnen de beslissing dragen. Aldus kan de beschikking door het hof worden getoetst, zodat er geen sprake is van schending van artikel 13 EVRM. De door de verdediging aangehaalde passage heeft betrekking op de door de getuige aan de rechter-commissaris gegeven onderbouwing van de bedreiging. Die motivering van de getuige kan niet worden weergegeven, omdat dit afbreuk zou doen aan de anonimiteit van de getuige.

De inhoud van de vonnissen in eerste aanleg is al voldoende om te onderbouwen dat er angst bij NN bestaat, gelet op het soort feiten waar het om gaat en het soort mensen dat zoiets kan doen.

De wet stelt niet de eis dat een keuze moet worden gemaakt tussen de verschillende in artikel 226a Sv genoemde aspecten waarop de vrees betrekking kan hebben. Er zit geen hiërarchie in die aspecten, het is alleen noodzakelijk dat de vrees er is. Daar komt bij dat een nadere motivering op dat punt weer gevolgen zou kunnen hebben voor het anoniem blijven van de getuige.

In het onderzoek tot nu toe zijn ook getuigen op nummer gehoord. Dat bleek nodig te zijn. Dat tot nu niet is gebleken van represailles jegens andere getuigen, wil nog niet zeggen dat NN geen vrees daarvoor hoeft te hebben. Misschien staat NN wel veel dichter bij de appellant en/of zijn medeverdachten dan de andere getuigen. Bovendien was de inhoud van de verklaringen van de andere getuigen van minder verstrekkende aard: geen van de getuigen heeft verklaard dat hij informatie heeft over de naam van een van de schutters.

3.3.

proportionaliteit en subsidiariteit

De status van bedreigde getuige moet niet lichtvaardig worden toegekend, gelet op de inbreuk die daardoor ontstaat op de mogelijkheden die partijen hebben – zowel het openbaar ministerie als de verdediging – om de getuige te ondervragen. De wet voorziet echter in deze mogelijkheid en het EVRM staat niet in de weg aan het anoniem horen van een getuige en evenmin aan het gebruik van aldus verkregen verklaring(en) van een anonieme getuige voor het bewijs, mits voldaan wordt aan de eisen van een eerlijk proces als neergelegd in artikel 6 EVRM. Die laatste vraag staat niet nu ter beoordeling maar is ter beoordeling van de zittingsrechter.

Alle vragen die vanuit het oogpunt van een goede verdediging gesteld moeten worden, kunnen ook worden gesteld. De rechter-commissaris zal die vragen doorgeleiden aan de getuige en bepalen of de antwoorden kunnen worden vrijgegeven. Aldus worden de rechten van de verdediging niet verder geschaad dan nodig is.

Uit de beschikking blijkt dat de rechter-commissaris heeft onderzocht of met een minder vergaande bescherming van de getuige kan worden volstaan dan op de wijze als voorzien in artikel 226a Sv. Dat bleek niet het geval te zijn. Dan zouden er onvoldoende waarborgen zijn voor de veiligheid van de getuige. Dat blijkbaar wel in de rompverklaring kon worden opgenomen dat de getuige zijn of haar informatie heeft van iemand die zelf betrokken is bij het plegen van de moord, maakt dat niet anders.

3.4.

manipulatie

De betrouwbaarheid en de geloofwaardigheid van de getuige liggen op dit moment niet ter toetsing voor. De rechter-commissaris zal een betrouwbaarheidsoordeel geven. De zittingsrechter zal dit vervolgens moeten toetsen.

4 Wettelijk kader

Voor de beoordeling van dit hoger beroep heeft het hof acht geslagen op de artikelen 226a e.v. Sv. Meer in het bijzonder heeft het hof gelet op de navolgende passages:

“Artikel 226a Sv

1. De rechter-commissaris beveelt hetzij ambtshalve, hetzij op de vordering van de officier van justitie of op het verzoek van de verdachte of van de getuige, dat ter gelegenheid van het verhoor van die getuige diens identiteit verborgen wordt gehouden, indien:

a. de getuige of een andere persoon, met het oog op de door de getuige af te leggen verklaring, zich zodanig bedreigd kan achten dat, naar redelijkerwijze moet worden aangenomen, voor het leven, de gezondheid of de veiligheid dan wel de ontwrichting van het gezinsleven of het sociaal-economische bestaan van die getuige of die andere persoon moet worden gevreesd, en

b. de getuige te kennen heeft gegeven wegens deze bedreiging geen verklaring te willen afleggen.

(..)

2. De officier van justitie, de verdachte, en de getuige worden in de gelegenheid gesteld daaromtrent te worden gehoord. (...).

Artikel 226b Sv

1. De ingevolge artikel 226a, eerste lid, gegeven beschikking van de rechter-commissaris is met redenen omkleed (..).

(..)

5 Oordeel van het hof

Het hof stelt voorop dat de wetgever met de regeling van artikel 226a e.v. Sv heeft beoogd een wettelijke regeling in het leven te roepen die zowel de rechten van de bedreigde getuige als van de verdachte in het strafproces eerbiedigt. Bij de getuige gaat het daarbij in het bijzonder om het recht op eerbiediging van het privéleven, neergelegd in artikel 8 EVRM. Bij de verdachte gaat het om het recht op een eerlijk proces, neergelegd in artikel 6 EVRM.

Het hof overweegt dat de toets ex artikel 226a Sv in hoger beroep beperkt van aard is. Het oordeel van het hof kan immers slechts gebaseerd worden op de door de rechter-commissaris in de gegeven beschikking vermelde feiten en omstandigheden. Dat is ingegeven doordat de wetgever de beoordeling van de vraag of een persoon kan en moet worden aangemerkt als bedreigde getuige exclusief heeft opgedragen aan de rechter-commissaris. De daarbij behorende procedure heeft een besloten karakter. De persoon om wiens of wier status als mogelijk bedreigde getuige het gaat, wordt alleen door de rechter-commissaris gehoord. De door de rechter-commissaris verkregen informatie komt slechts in zeer beperkte mate ter kennis van – in dit geval – de zaaks advocaat-generaal, de verdediging en van het hof.

Het hof heeft in deze procedure, zoals door de advocaat-generaal terecht is opgemerkt, te beoordelen of de beslissing op de juiste wijze tot stand gekomen – dat betreft een volle toets – en of de rechter-commissaris in redelijkheid tot de conclusie heeft kunnen komen dat de veiligheid van NN zodanig in het geding is dat de anonimiteit gewaarborgd moet zijn. Die laatste toets is een terughoudende.

5.1.

de procedure

Blijkens het proces-verbaal van 2 juni 2020 (proces-verbaal horen op vordering ex art. 226a, tweede lid, WvSv) heeft de rechter-commissaris naar aanleiding van de vordering van de CI-officier van justitie van 21 april 2020 de getuige, de appellant, de verdediging en de zaaksofficier van justitie/advocaat-generaal in de gelegenheid gesteld om te worden gehoord. Dit is in overeenstemming met de in artikel 226a, tweede lid, Sv voorgeschreven procedure. Van dit alles is proces-verbaal opgemaakt.

De rechter-commissaris heeft daarnaast, zo blijkt uit de beslissing, voorafgaande, tijdens en/of na het zogeheten statusverhoor van NN, kennisgenomen van

  • -

    de volledige verklaring, zoals afgelegd door de getuige tegenover verbalisanten van het Team Bijzondere Getuigen (TBG);

  • -

    bepaalde stukken ter verificatie/falsificatie die op de getuige betrekking hebben;

  • -

    de processen-verbaal van relaas uit procesdossier 13Mortel;

  • -

    de vijf vonnissen in eerste aanleg aangaande appellant en zijn medeverdachten;

  • -

    een mondelinge toelichting op de vordering van de CI-officier van justitie.

De verdediging stelt zich op het standpunt, zo begrijpt het hof, dat het openbaar ministerie in de vorm van de hiervoor genoemde mondelinge toelichting op de vordering door de CI-officier van justitie, een “extra ronde” in de besluitvorming van de rechter-commissaris heeft gekregen, waarop de verdediging niet meer heeft mogen of kunnen reageren.

Het hof volgt deze gedachtegang niet. Niet duidelijk is of de rechter-commissaris voor of nadat de verdediging en de appellant – en het openbaar ministerie – hun zienswijze konden geven, kennis heeft genomen van deze mondelinge toelichting. Wel duidelijk is dat het hier gaat, zo blijkt uit de beschikking van de rechter-commissaris, om een nadere mondelinge toelichting op de vordering door de CI-officier van justitie. Deze toelichting bestond uit nadere informatie die naar het oordeel van de rechter-commissaris niet verder kan worden gedeeld – noch met enig ander lid van het openbaar ministerie, noch met de verdediging – met het oog op het verborgen houden van de identiteit van de getuige. Derhalve mag worden aangenomen dat het geheime informatie over (de positie van) NN betreft waarover de CI-officier van justitie uit hoofde van zijn functie beschikt en welke alleen is gedeeld met de rechter-commissaris. Niet valt in te zien waarop dan de verdediging alsnog in de gelegenheid had moeten worden gesteld om te reageren of op welke wijze. Daar komt bij dat de overige leden van het openbaar ministerie, zoals de zaaks officier van justitie/advocaat generaal, een en ondeelbaar als het openbaar ministerie in naam mag zijn, niet zijn gekend in de informatie. Gelet daarop kan de mondelinge toelichting, zelfs indien deze zou hebben plaatsgevonden na het statusverhoor, niet worden gezien als een vorm van repliek voor het openbaar ministerie.

Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat de beslissing op juiste wijze tot stand is gekomen.

5.2.

de motivering

De stelling van de verdediging dat de rechter-commissaris ten aanzien van de beschikking heeft overwogen dat daaraan geen motivering kan worden gegeven (2e alinea van onderen van blad 4 van de beschikking) omdat dit afbreuk zou doen aan de anonimiteit van de getuige, berust op een onjuiste lezing van die beschikking. De gestelde inbreuk op het bepaalde in artikel 13 EVRM behoeft dan ook geen bespreking.

De rechter-commissaris heeft in de beschikking vermeld dat het oordeel dat er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 226a, eerste lid, aanhef en onder a., Sv, is gebaseerd op wat de getuige tijdens het statusverhoor heeft verklaard, in combinatie met de aard van de feiten waarvan appellant en zijn medeverdachten worden verdacht en de wijze waarop deze feiten zijn gepleegd, en voorts op de inhoud van de in de beschikking genoemde stukken en de nadere informatie van de CI-officier van justitie. Het hof constateert dat de rechter-commissaris uitgebreid is ingegaan op de aard van die verdenkingen, te weten het medeplegen van dan wel de medeplichtigheid aan moord en twee pogingen daartoe, waaronder op een tweejarig kind, met zwaar kaliber vuurwapens. De rechter-commissaris heeft verwezen naar de constateringen van de rechtbank in de deels veroordelende vonnissen, onder meer inhoudend dat er sprake is geweest van een professionele, strak geplande en geregisseerde, gerichte liquidatie. Ten slotte heeft de rechter-commissaris opgenomen dat de getuige concreet en gemotiveerd heeft toegelicht waarop (het hof begrijpt: de vrees voor) de bedreiging is gebaseerd, welke motivering niet kan worden weergegeven omdat deze naar het oordeel van de rechter-commissaris afbreuk zou doen aan de anonimiteit van de getuige.

Gelet op wat het hof in de aanhef van deze paragraaf over de aard van de onderhavige procedure en de rol van de rechter-commissaris daarin heeft overwogen, kan in deze zaak in redelijkheid niet meer motivering van de rechter-commissaris worden gevraagd over de vraag of de vrees als bedoeld in artikel 226a, eerste lid, aanhef en onder a., Sv, voldoende aannemelijk en objectiveerbaar aanwezig is. Zoals hiervoor is weergegeven, heeft de rechter-commissaris ter onderbouwing van dit oordeel niet uitsluitend verwezen naar de delicten waarvan appellant en zijn medeverdachten worden verdacht, waarbij overigens nog geldt dat het onder omstandigheden denkbaar is dat die enkele verwijzing de constatering van de reële vrees kan dragen. Bij de totstandkoming van deze bepaling is immers door de wetgever te kennen gegeven dat het ook denkbaar is dat de bedreiging uitgaat van de reputatie van de verdachte of van het criminele circuit waarin de verdachte zich bevindt.

De verdediging heeft zich beklaagd over het feit dat de rechter-commissaris niet heeft aangegeven op welk van de in artikel 226a Sv genoemde aspecten de reële vrees van de getuige betrekking zou hebben. Daargelaten de vraag of de wetgever bedoeld heeft dat een zodanige keuze gemaakt moet worden, mag gelet op de hiervoor weergegeven overwegingen van de rechter-commissaris worden aangenomen dat het hier in ieder geval gaat om de vrees voor het leven, de gezondheid en de veiligheid van de getuige en/of andere personen.

De rechter-commissaris heeft voorts overwogen dat het feit dat andere getuigen in deze zaak wel op naam hebben verklaard, niet afdoet aan de dreiging in de richting van NN. Het is die dreiging die de rechter-commissaris heeft beoordeeld en aanwezig geacht. Daarbij geldt dat de ene getuige de andere niet is en de omstandigheden van de ene getuige niet die van de andere (hoeven te) zijn. Niet gezegd kan daarom worden dat de rechter-commissaris om deze reden niet in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen.

5.3.

proportionaliteit en subsidiariteit

In deze zaak is er sprake van zware verdenkingen en zijn er in eerste aanleg zeer forse straffen opgelegd, welke mogelijk ook de in eerste aanleg van betrokkenheid bij de (pogingen tot) liquidatie vrijgesproken Dieke boven het hoofd hangen. Het hof is met de verdediging van oordeel dat het belang van de verdediging bij het uitoefenen van het ondervragingsrecht evident is. Ook is duidelijk dat bij de statusverlening van bedreigde getuige aan NN dit ondervragingsrecht weliswaar niet afwezig, maar wel gemankeerd zal zijn.

De wet voorziet echter in een procedure waarbij een getuige extra bescherming toekomt wanneer deze, zoals hier volgens de rechter-commissaris het geval is, door het afleggen van een verklaring voor eigen of andermans leven, gezondheid en veiligheid moet vrezen. Of de gevolgde procedure voldoende compensatie biedt voor de beperkingen van het ondervragingsrecht is een vraag die de zittingsrechter zal moeten beantwoorden. In de procedure ex artikel 226a e.v. Sv is slechts aan de orde of het door de rechter-commissaris verlenen van de status van bedreigde getuige in een redelijke verhouding staat tot het te dienen belang en of niet met minder verstrekkende maatregelen zou kunnen worden volstaan.

De rechter-commissaris heeft zich blijkens de inhoud van de bestreden beschikking rekenschap gegeven van de hiervoor geschetste belangentegenstelling. Daarbij is ook betrokken de vraag of met minder verstrekkende maatregelen kan worden volstaan, waarbij speciale aandacht is besteed aan de vraag of toepassing van artikel 190, derde lid, Sv in deze niet een optie zou kunnen zijn. Uit de gebezigde bewoordingen dat “deze vraag snel ontkennend beantwoord moest worden” valt af te leiden dat dit evident niet het geval is. Gelet op het doel van de procedure van artikel 226a e.v. Sv, de bescherming van de getuige, kan dan bezwaarlijk een verdergaande inhoudelijke motivering op dit punt worden verwacht.

De rechter-commissaris heeft ten slotte bezien en beslist dat in dit geval de beslissing om de identiteit van de getuige verborgen te houden in een redelijke verhouding staat tot het daarmee te dienen belang, terwijl dit belang niet op een andere wijze kan worden gediend.

Gelet op het vorenstaande kan niet worden gezegd dat de rechter-commissaris zich bij zijn beslissing geen rekenschap heeft gegeven van de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. De rechter-commissaris heeft bovendien in de beschikking uiteengezet dat sprake is van verdenkingen van zeer ernstige feiten, dat aannemelijk is dat de getuige of een ander persoon zich bedreigd kan achten als bedoeld in artikel 226a, eerste lid, aanhef en onder a. Sv, dat hij of zij wegens deze bedreiging niet wil verklaren, dat de verklaring van de getuige de kern van de verdenking raakt en dat de bescherming van de getuige niet kan worden bewerkstelligd met minder vergaande maatregelen. Omwille van de afscherming van de identiteit van getuige kan de rechter-commissaris slechts zeer beperkt inzicht geven in de gemaakte afwegingen. Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat uit de overwegingen van de rechter-commissaris genoegzaam blijkt dat het verlenen van de status van bedreigde getuige voldoet aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit.

5.4.

manipulatie

Voorts heeft de rechter-commissaris onder ogen gezien dat een getuige kan liegen over de vrees om niet-anoniem te verklaren. De rechter-commissaris heeft vervolgens overwogen dat daarvoor in het onderzoek dienaangaande geen enkel aanknopingspunt is gevonden. Ook ten aanzien van dit punt kan van de rechter-commissaris niet worden gevergd dat de beschikking nader

wordt gemotiveerd, nu voor de hand ligt dat bij een nadere motivering persoonlijke omstandigheden prijs zouden moeten worden gegeven die het achterhalen van de identiteit van de getuige zouden vergemakkelijken. Het hof is dan ook van oordeel dat de rechter-commissaris in redelijkheid tot de conclusie heeft kunnen komen dat in deze fase van de procedure geen aanleiding bestaat om aan te nemen dat de getuige liegt over zijn of haar vrees voor bedreigingen indien de getuige zou verklaren zonder dat de status van bedreigde getuige zou zijn toegekend.

De vraag of NN overigens al dan niet de waarheid spreekt, is een vraag die niet in het kader van deze procedure beantwoord kan of hoeft te worden. De rechter-commissaris zal zich in het nadere getuigenverhoor een oordeel over de betrouwbaarheid van de getuige moeten vormen, mede aan de hand van de te stellen en ook door de verdediging aan te leveren vragen. Ten slotte is het aan de zittingsrechter om de bruikbaarheid van de verklaring voor het bewijs en de bewijswaarde daarvan te beoordelen.

Gelet op al het voren overwogene is het hof van oordeel dat de rechter-commissaris in redelijkheid tot de beslissing waarvan beroep heeft kunnen komen.

6 Conclusie

Het beroep moet worden afgewezen.

7 De beslissing

Het hof:

WIJST AF het beroep tegen de bestreden beschikking.

Deze beschikking is gegeven op 24 juni 2020 in raadkamer van dit hof door

mr. J.L. Bruinsma, voorzitter,

mrs. M.M.H.P. Houben en L.I.M. van Bergen, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J.G.W.M. Lut als griffier.

Bij afwezigheid van de voorzitter en de griffier is deze beschikking alleen door de oudste raadsheer ondertekend.

De advocaat-generaal bij dit gerechtshof brengt vorenstaande beschikking ter kennis van appellant.

Amsterdam, 24 juni 2020,

de advocaat-generaal