Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:2462

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
27-08-2020
Datum publicatie
14-09-2020
Zaaknummer
23-002853-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vrijspraak poging doodslag. Veroordeling zware mishandeling (met helm slaan op hoofd). Voorwaardelijk opzet. Noodweerverweer verworpen. Benadeelde partij. GS 8 maanden m.a. wv. 4 maanden vw. met een PT van 2 jaren (bijz. vw.)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-002853-18

datum uitspraak: 27 augustus 2020

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 26 juli 2018 in de strafzaak onder parketnummer 13-665018-18 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1969,

adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

13 augustus 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is door het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

primair:
hij op of omstreeks 8 januari 2018 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [benadeelde] van het leven te beroven, met dat opzet die [benadeelde] twee, althans een, maal met een helm op zijn hoofd heeft geslagen, welk voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair:
hij op of omstreeks 8 januari 2018 te Amsterdam aan [benadeelde] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (bloeding hersenen), heeft toegebracht, door voornoemde [benadeelde] met dat opzet twee, althans een, maal, met een helm op diens hoofd te slaan;

meer subsidiair:
hij op of omstreeks 8 januari 2018 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [benadeelde] twee, althans een, maal met een helm op diens heeft geslagen, welk voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd om proceseconomische redenen.

Feiten en omstandigheden

Het hof gaat op grond van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting uit van navolgende feiten en omstandigheden.

Op 8 januari 2018 reed de aangever [benadeelde] als chauffeur in zijn taxi op de Stadhouderskade in Amsterdam. De verdachte reed daar ook op zijn scooter. Vervolgens ontstond een ruzie tussen hen beiden, waarbij de verdachte opmerkingen heeft gemaakt over het rijgedrag van de aangever en beiden naar elkaar schreeuwden en wilde gebaren maakten. De verdachte is van zijn scooter afgestapt en heeft zijn scooter op de stoep gezet. Daarbij heeft hij zijn helm afgedaan en tegen de aangever geroepen: “Kom op dan maar”. De aangever heeft zijn taxi vervolgens gestopt en is uitgestapt. De verdachte hield zijn helm op dat moment vast in zijn hand.

De aangever is daarop naar de verdachte toegelopen en heeft de verdachte in het gezicht gespuugd. Ook heeft hij de verdachte daarbij een duw gegeven. De verdachte heeft vervolgens de aangever een “zwiep” gegeven met zijn helm, die hij bij de kinband vasthield. Hierbij heeft hij de aangever aan de linkerzijde op het hoofd geraakt. De aangever is als gevolg van de klap met de helm in elkaar gezakt, begon te braken en is al bloedend buiten bewustzijn geraakt. De verdachte heeft daarop snel zijn helm weer opgezet en is op zijn scooter weggereden.

Na het geweldsincident is de aangever overgebracht naar het ziekenhuis. Daar werd geconstateerd dat de aangever twee bloedingen in zijn hoofd had, tussen het schedeldak en de hersenen in, zowel aan de linker- als aan de rechterzijde in zijn hoofd, met een hersenkneuzing in de linker slaapkwab. Daarnaast had hij meerdere breuken zowel links als rechts in zijn schedel, en breuken in en rond beide oogkassen. Er was sprake van geringe, abnormale verplaatsingen van de hersenen ten opzichte van delen van de omgevende hersenvliesbladen en tevens een verplaatsing van de middellijn van de hersenen naar rechts. Voorts had hij een forse zwelling aan zijn hoofd, zijn linkeroog zat dicht en hij had bloeduitstortingen aan beide ogen.

Vrijspraak van het primair ten laste gelegde

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde. Zij heeft daartoe aangevoerd dat wanneer je iemand een “hijs” tegen zijn hoofd geeft met een helm die je aan het bandje vasthoudt, de aanmerkelijke kans dat iemand daardoor komt te overlijden voor lief wordt genomen.

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit van het primair ten laste gelegde. Hij heeft daartoe, kort samengevat, aangevoerd dat het (voorwaardelijk) opzet op de dood niet bewezen kan worden.

Het hof stelt voorop dat niet is gebleken dat de verdachte vol opzet had op de dood van de taxichauffeur, met andere woorden de bedoeling had om de taxichauffeur van het leven te beroven.

Het voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier de kans op het overlijden van het slachtoffer door een klap met een helm – is aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zo’n kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard.

Uit de gegeven feiten en omstandigheden volgt dat de verdachte tijdens een uit de hand gelopen verkeersruzie de aangever een “zwiep” heeft gegeven met zijn helm en hem daarbij op het hoofd heeft geraakt. Hoewel bij het slaan met een helm, vastgehouden bij de kinband, door de zwaai een aanzienlijke kracht ontstaat en de helm een hard voorwerp is, kan in deze zaak echter niet vastgesteld worden dat de verdachte – die handelde in reactie op de duw die hij kreeg – daarbij daadwerkelijk “gericht” op het hoofd van de aangever heeft geslagen. Nu dat niet kan worden vastgesteld, kan evenmin worden vastgesteld dat de verdachte de kans op het overlijden van de aangever bewust heeft genomen.

Het hof is gelet hierop van oordeel dat niet is komen vast te staan dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans op het overlijden van het slachtoffer heeft aanvaard. Het hof zal de verdachte daarom van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag vrijspreken.

Bewijsoverweging ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde

De raadsman heeft aangevoerd dat de verdachte ook voor het subsidiaire tenlastegelegde feit moet worden vrijgesproken. Daartoe is aangevoerd dat de verdachte niet het opzet had tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

Voor een bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde dient bij de verdachte sprake te zijn geweest van opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, op zijn minst in voorwaardelijke vorm. Op basis van de navolgende overweging komt het hof tot het oordeel dat de verdachte voorwaardelijk opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij de aangever.

Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – in dit geval zwaar lichamelijk letsel bij de aangever – is, zoals hiervoor al overwogen, aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.

Zoals hiervoor weergegeven is vast komen te staan dat de verdachte de aangever met zijn helm tegen zijn hoofd heeft geslagen. Het hof is van oordeel dat dit met aanzienlijke kracht is gebeurd, waarbij de verdachte de helm vasthield bij de kinband en de helm het slachtoffer tegen de zijkant van het hoofd heeft geraakt. Naar algemene ervaringsregels roept het slaan met een brommerhelm, een hard en bol voorwerp van enig gewicht, tegen de zijkant van het hoofd de aanmerkelijke kans in het leven dat het slachtoffer daardoor zwaar lichamelijk letsel oploopt. De zijkant van het hoofd is namelijk door de aard, constitutie en door alle vitale functies die in de hersenen gesitueerd zijn, bij uitstek een kwetsbaar gebied.

Nu het algemene ervaringsregels betreft wordt een ieder, en dus ook de verdachte, geacht wetenschap te hebben van de risico’s van het slaan tegen de zijkant van het hoofd en daarmee ook van het bestaan van de aanmerkelijke kans op aanzienlijk letsel. Het slaan met de helm tegen de zijkant van het hoofd is naar de uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het bewerkstelligen van zwaar lichamelijk letsel, dat reeds hieruit volgt dat de verdachte die aanmerkelijke kans ook heeft aanvaard, ook als de verdachte niet gericht tegen dat deel van het hoofd heeft geslagen of heeft willen slaan. Door in een dynamische situatie op korte afstand van de taxichauffeur met kracht met de helm in de richting van diens hoofd te slaan heeft de verdachte welbewust het risico genomen dat hij hem op die plek op het hoofd zou treffen. Van contra-indicaties waaruit zou blijken dat de verdachte voornoemde aanmerkelijke kans niet heeft aanvaard is niet gebleken.

De aard en ernst van het letsel – uitgebreide botbreuken aan de hersenschedel, schedelbasisfracturen links en rechts, aangezichtsbreuken links, een epiduraal hematoom links aan de slaap en subduraal hematoom rechts ter plaatse van het slaapbeen en een gebied van hersenkneuzing in de linkerslaapkwab – is zodanig, dat dit als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt. De verdachte heeft vier dagen in het ziekenhuis verbleven en heeft dit tegen medisch advies in verlaten. De duur van het herstel heeft geruime tijd, meer dan zes maanden, geduurd.

Gelet op het voorgaande komt het hof tot een bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:


hij op 8 januari 2018 te Amsterdam aan [benadeelde] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (bloeding hersenen) heeft toegebracht, door [benadeelde] met dat opzet met een helm op diens hoofd te slaan.

Hetgeen subsidiair meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat de verdachte een beroep op noodweer dan wel noodweerexces toekomt.

De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat de ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding in het onderhavige geval heeft bestaan uit het feit dat de aangever op zeer dreigende wijze op de verdachte is afgekomen, de verdachte woordelijk heeft beledigd, bedreigd, bespuugd en geduwd. Dat een deel daarvan, de belediging en bedreiging, vooraf ging aan de fysieke confrontatie maakt dat niet anders, aldus de raadsman.

De advocaat-generaal heeft gemotiveerd betoogd dat het beroep op noodweer moet worden verworpen.

Het hof stelt voorop dat een beroep op noodweer slechts kan worden gehonoreerd indien aannemelijk is geworden dat het handelen van de verdachte was geboden door de noodzakelijke verdediging van zijn of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, waaronder onder omstandigheden mede is begrepen een onmiddellijk dreigend gevaar voor zodanige aanranding.

De verdediging moet noodzakelijk zijn. Aan de hier bedoelde subsidiariteitseis is niet voldaan indien de verdachte zich niet behoefde te verdedigen en er dus geen noodzaak tot verdediging bestond. Daarvan is bijvoorbeeld sprake indien de verdachte zich niet alleen aan de aanranding had kunnen, maar zich daaraan ook had moeten onttrekken. Het zich aan de aanranding kunnen onttrekken houdt in dat daartoe voor de verdachte een reële en redelijke mogelijkheid moet hebben bestaan.

Het hof gaat uit van de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden. Voorts stelt het hof het volgende vast.

De verdachte is boos en ziet, nadat hij zijn scooter heeft geparkeerd en naar de aangever heeft geroepen “Kom op dan maar”, een -naar zijn zeggen- grote man op zich aflopen en hij is vervolgens zoals hij ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard op enig moment ook even bang. Op het moment dat de aangever de verdachte dicht is genaderd spuugt de aangever in het gezicht van de verdachte en geeft hem ook een duw, waardoor de verdachte nóg bozer wordt. De verdachte slaat de aangever daarop met de helm op zijn hoofd.

Op grond van het voorgaande stelt het hof vast dat de verdachte bewust de confrontatie met de aangever heeft opgezocht door zijn scooter stil te zetten op de stoep, af te stappen en tegen de aangever te zeggen: “Kom maar op dan”. Het is derhalve de verdachte die de hem beangstigende situatie zelf in het leven heeft geroepen. Vervolgens zijn er nog twee momenten waarop de verdachte zich aan de confrontatie of het voortduren daarvan had kunnen en moeten onttrekken. Het eerste moment was het ogenblik waarop hij zag dat er een naar zijn zeggen grote man dreigend op hem afliep en hij bang werd. Gesteld noch aannemelijk geworden is dat de verdachte op dat moment geen andere keus had dan de verdere confrontatie afwachten. Het tweede moment was het moment dat de aangever hem in het gezicht spuugt en vervolgens duwt. Ook na die voor de verdachte onprettige en mogelijk beangstigende handelingen, had de verdachte de reële en redelijke gelegenheid zich te onttrekken aan de situatie. De aanranding vond midden op de dag in het openbaar op straat plaats en uit de beschrijving van de situatie ter plaatse door opsporingsambtenaren maar ook door getuigen, volgt dat de verdachte de ruimte had om van zijn belager weg te lopen.

Aldus is het hof van oordeel dat er weliswaar sprake is geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding maar ook dat voor de verdachte geen noodzaak tot verdediging bestond.

Het beroep op noodweer kan niet slagen en moet derhalve worden verworpen.

In vervolg hierop, is het hof van oordeel dat het beroep op noodweerexces eveneens moet worden verworpen, nu niet gebleken is van de noodzaak tot verdediging.

Derhalve zijn geen omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde of de verdachte uitsluiten, zodat het bewezenverklaarde en de verdachte strafbaar zijn.

Het subsidiair bewezen verklaarde levert op:

zware mishandeling.

Oplegging van straf

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor de in eerste aanleg subsidiair bewezenverklaarde zware mishandeling veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden met aftrek van voorarrest waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Daarbij zijn diverse bijzondere voorwaarden gesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het primair tenlastegelegde, poging tot doodslag, zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden met aftrek waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Daarbij heeft de advocaat-generaal gevorderd dat dezelfde bijzondere voorwaarden zullen worden gesteld als in eerste aanleg.

De raadsman heeft het hof – gelet op de positieve ontwikkeling in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte – verzocht om, indien het hof komt tot bewezenverklaring en geen ontslag van rechtsvervolging volgt, aan de verdachte geen straf op te leggen die inhoudt dat de verdachte opnieuw gedetineerd raakt.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zware mishandeling door het slachtoffer met kracht met een helm tegen zijn hoofd te slaan. Het slachtoffer heeft hierdoor ernstig letsel, namelijk meerdere bloedingen in zijn hoofd en meerdere breuken in zijn schedel en oogkassen opgelopen. Het slachtoffer heeft daardoor maandenlang zijn beroep niet kunnen uitoefenen en beperkingen in zijn functioneren ondervonden. Door aldus te handelen heeft de verdachte op zeer ernstige wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Daarnaast heeft het toegepaste geweld een grote impact gehad op het slachtoffer. Daarbij komt dat feiten als het onderhavige, op een druk moment op de dag in het verkeer met veel publiek, bijdragen aan gevoelens van onrust in de samenleving. Ter zitting in hoger beroep is bij het hof de indruk ontstaan dat de verdachte de aangever koste wat kost ter verantwoording wilde roepen en niet heeft willen inzien dat zijn aandeel mede heeft geleid tot de escalatie met alle hiervoor benoemde gevolgen van dien. Het hof rekent dit alles de verdachte ernstig aan.

Uit het reclasseringsadvies van 26 april 2018 blijkt dat gedrag bij de verdachte naar voren komt als een risicofactor. De verdachte heeft aangegeven open te staan voor reflectie op zijn gedrag en te willen leren hoe hij in de toekomst anders zou kunnen reageren. De reclassering acht een behandeling bij De Waag geïndiceerd gezien de kans op recidive die volgens de reclassering laag-gemiddeld is. Het hof is van oordeel dat gelet op verdachtes houding ten aanzien van hetgeen is gepasseerd, begeleiding door een instelling die zich richt op agressiebeheersing, kan bijdragen aan het verminderen van de kans op recidive.

Voorts heeft het hof gelet op de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd, zoals deze in de Oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) hun weerslag hebben gekregen. Een straf zoals opgelegd door de rechtbank loopt daarmee in de pas. De persoonlijke omstandigheden van de verdachte vormen geen aanleiding een lagere of andere straf op te leggen. Met oplegging van de na te noemen straf benadrukt het hof de ernst van het feit en beoogt het de verdachte te doordringen van de noodzaak zich in de toekomst verre te houden van het plegen van strafbare feiten en hem te stimuleren op het goede pad te blijven.

Tot [naam 1] stelt het hof vast dat in hoger beroep sprake is geweest van overschrijding van de redelijke termijn, nu het hoger beroep door het openbaar ministerie op 7 augustus 2018 is ingesteld, terwijl het hof

eerst thans arrest wijst. Gelet op de beperkte overschrijding van de redelijke termijn, vijf dagen ten tijde van de zitting en negentien dagen ten tijde van de uitspraak van het arrest, volstaat het hof met de constatering van de overschrijding en zal het hieraan geen rechtsgevolg verbinden.

Alles afwegende acht het hof – evenals de rechtbank – een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding ter hoogte van € 25.550,88 bestaande uit € 20.050,88 materiële schade (exclusief het bedrag van € 35,00 voor het opvragen van de medische gegevens) en € 5.500,00 aan immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 12.532,00 ter zake van materiële en immateriële schade.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd. Daarbij is het totale bedrag van de materiële vordering naar beneden bijgesteld tot een bedrag van € 13.173,24 (inclusief het bedrag van

€ 35,00 voor het opvragen van de medische gegevens). De materiële schade van € 13.173,24 bestaat daardoor uit:

- verlies arbeidsvermogen (over een periode van vijf maanden) € 12.020,00;

- eigen risico zorgverzekering 2018 € 385,00;

- ziekenhuis-daggeldvergoeding € 112,00;

- kosten vliegticket gemiste reis € 621,24 en;

- opvragen medische gegevens € 35,00.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering conform de beslissing van de rechtbank toewijsbaar is, evenals de gevorderde kosten van het vliegticket en het verlies aan verdiencapaciteit. Door de nadere onderbouwing van de benadeelde partij in hoger beroep zijn deze kosten nu wel toewijsbaar.

Het primaire standpunt van de verdediging is dat de benadeelde partij – gezien het verweer dat is gevoerd – niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering.

Subsidiair is onder andere aangevoerd dat de vordering onvoldoende is onderbouwd en meer subsidiair is verzocht de vordering niet-ontvankelijk te verklaren vanwege een onevenredige belasting voor het strafgeding. Ten aanzien van de immateriële schade is verzocht het toe te wijzen bedrag te matigen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het subsidiair bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiële schade heeft geleden ter hoogte van € 13.173,24.

Dat bedrag is opgebouwd als volgt:

a. verlies arbeidsvermogen over een periode van vijf maanden

€ 12.020,00;

b. eigen risico zorgverzekering 2018

€ 385,00;

c. ziekenhuis-daggeldvergoeding

€ 112,00;

d. kosten vliegticket gemiste reis

€ 621,24

e. kosten opvragen medische gegevens

€ 35,00

Ad a. Verlies verdiencapaciteit

Uit de opmerkingen van de behandeld arts-assistent neurologie [naam 1] en [naam 2], neuroloog, omtrent het rijverbod van 11 januari 2018 (bijlage 2b bij de vordering) en 20 januari 2018 (een brief aan de huisarts van de benadeelde partij van 20 januari 2018, weergave in NFI-rapport pagina 26) blijkt naar het oordeel van het hof genoegzaam dat de benadeelde partij gedurende zes maanden niet mocht autorijden en daardoor zijn beroep niet kon uitoefenen. Daaraan doet niet af dat zich geen rijverbod bij de stukken bevindt.

Het hof baseert de hoogte van het voor vergoeding in aanmerking komende bedrag op de door de benadeelde partij verstrekte stukken. Het thans aan verlies van verdiencapaciteit (naar beneden bijgestelde) gevorderde is voldoende onderbouwd.

Ad b. Eigen risico

Dit onderdeel van de vordering is niet betwist en zal daarom worden toegewezen, nu dit gedeelte van de vordering het hof niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt.

Ad c. Daggeldvergoeding ziekenhuis

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat niet relevant is hoeveel uren de benadeelde partij op de vierde dag in het ziekenhuis heeft verbleven, zodat ook die laatste dag voor vergoeding in aanmerking komt.

Ad d. Vliegticket

Gelet op de door de benadeelde partij bij brief van 24 april ingebrachte stukken, waaronder de bevestiging van annulering van de boeking en een afdruk waaruit volgt dat het gevorderde bedrag op 21 respectievelijk 22 december 2017 aan [website] is betaald, acht het hof de vordering thans voldoende onderbouwd.

Ad e. Kosten opvragen medische gegevens

Op grond van art. 6:96 lid 2 onder b BW komen redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid voor vergoeding in aanmerking. Dit onderdeel van de vordering is niet betwist en zal daarom worden toegewezen, nu deze kosten redelijk zijn en in redelijkheid gemaakt.

De verdachte is tot vergoeding van die schade en de overige materiële schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen en zal worden vermeerderd met de wettelijke rente.

Immateriële schade

Daarnaast is uit het onderzoek ter terechtzitting voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het subsidiair bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. De begroting van de omvang van immateriële schade is voorbehouden aan de rechter, die daarbij niet is gebonden aan de gewone regels omtrent stelplicht en bewijslast.

Het hof zal de omvang van de immateriële schade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 BW naar billijkheid schatten op € 5.000,00. Daarbij is in het bijzonder gelet op het ernstige letsel dat het slachtoffer aan de zware mishandeling heeft overgehouden, de langdurige pijn die hij heeft ondervonden en de psychische gevolgen die het incident voor hem hebben gehad. Anders dan in de door de raadsman aangehaalde Letselschade Richtlijn Licht letsel is hier sprake van zwaar lichamelijk letsel, met langdurig herstel. Voorts is gelet op de schadevergoeding die in vergelijkbare gevallen door rechters is toegekend. Bij de beoordeling van de gevorderde immateriële schadevergoeding heeft het hof tevens acht geslagen op de rol van de benadeelde in de aanloop naar het incident waardoor de schade is ontstaan.

De verdachte is tot vergoeding van de immateriële schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen en worden vermeerderd met de wettelijke rente.

Beoordeling van de vordering ter zake van immateriële schade voor zover deze uitgaat boven laatst vermeld bedrag vormt een onevenredige belasting van het rechtsgeding, nu dat nadere bewijslevering zou vergen, zodat de benadeelde partij in zoverre niet-ontvankelijk in de vordering zal worden verklaard.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 4 (vier) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn/haar identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich laat zich behandelen door De Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt zolang deze nodig wordt geacht door de behandelaar en/of de reclassering. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling.

Geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 18.173,24 (achttienduizend honderddrieënzeventig euro en vierentwintig cent) bestaande uit € 13.173,24 (dertienduizend honderddrieënzeventig euro en vierentwintig cent) materiële schade en € 5.000,00 (vijfduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdata tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd

[benadeelde] , ter zake van het subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 18.173,24 (achttienduizend honderddrieënzeventig euro en vierentwintig cent) bestaande uit € 13.173,24 (dertienduizend honderddrieënzeventig euro en vierentwintig cent) materiële schade en € 5.000,00 (vijfduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdata tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 125 (honderdvijfentwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op:

 8 8 januari 2018 over een bedrag van € 1.118,24 ter zake van eigen risico, ziekenhuisdaggeldvergoeding en vliegticket;

 8 1 februari 2018 over een bedrag van € 2.404,00 ter zake van verlies arbeidsvermogen januari;

 8 1 april 2018 over een bedrag van € 2.404,00 ter zake van verlies arbeidsvermogen maart;

 8 1 mei 2018 over een bedrag van € 2.404,00 ter zake van verlies arbeidsvermogen april;

 8 1 juni 2018 over een bedrag van € 2.404,00 ter zake van verlies arbeidsvermogen mei;

 8 12 juni 2018 over een bedrag van € 35,00 ter zake van opvragen medische gegevens;

 8 1 juli 2018 over een bedrag van € 2.404,00 ter zake van verlies arbeidsvermogen juni;

en van de immateriële schade op 8 januari 2018.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.H.C. van Ginhoven, mr. C.N. Dalebout en mr. J.J.J. Schols, in tegenwoordigheid van

mr. S. Bonset, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

27 augustus 2020.

mr. J.H.C. van Ginhoven is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.