Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2020:2459

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
27-08-2020
Datum publicatie
14-09-2020
Zaaknummer
23-000738-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling mishandeling moeder. Bewijsoverweging alternatief scenario. Oplegging maatregel tot plaatsing van de verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 jaren (ISD)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-000738-20

datum uitspraak: 27 augustus 2020

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 3 maart 2020 in de strafzaak onder parketnummer 15-243134-19 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1973,

adres: [adres],

thans gedetineerd in Detentiecentrum Schiphol HvB te Badhoevedorp.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

13 augustus 2020 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 9 oktober 2019 te Zandvoort zijn moeder, [slachtoffer], heeft mishandeld door een of meer harde voorwerp(en) met kracht tegen zijn moeder aan te gooien.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd gelet op in hoger beroep gevoerde verweren die nadere bespreking behoeven.

Bewijsoverweging

De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken op grond van het volgende.

Op basis van de stukken in het dossier kan niet worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de tenlastegelegde mishandeling van zijn moeder. Bovendien is het door de verdachte geschetste alternatieve scenario – dat inhoudt dat het letsel van zijn moeder is veroorzaakt door de nagels van de hond – niet ongeloofwaardig.

Het hof stelt de volgende feiten en omstandigheden vast.

Op 9 oktober 2019 heeft [zus], de zus van de verdachte, het alarmnummer 112 gebeld. Uit het proces-verbaal van bevindingen waarin de gesproken 112-melding is verwerkt blijkt dat [slachtoffer], de moeder van [zus] en de verdachte, [zus] gillend heeft opgebeld en haar heeft verteld dat zij werd aangevallen en mishandeld door de verdachte die helemaal dronken zou zijn en haar zou willen vermoorden.

Naar aanleiding van de 112-melding is politieambtenaar [verbalisant 1] ter plaatse gekomen bij de woning van [slachtoffer]. Hij zag [slachtoffer] in de woonkamer op bed liggen en zag en hoorde dat zij aan het huilen was. Ook zag [verbalisant 1] een bijzettafeltje ondersteboven naast het bed liggen waarvan één van de vier poten ontbrak. De verdachte heeft [verbalisant 1] de woning binnen gelaten en verklaarde tegenover hem dat hij ruzie had gehad met zijn moeder en dat zij altijd liep te zeiken. [verbalisant 1] zag wondjes op de neus en het linker scheenbeen van [slachtoffer] en een rode vloeistof gelijkend op bloed. Op zijn vraag naar wat er gebeurd was, verklaarde [slachtoffer] dat hij (het hof begrijpt: de verdachte) helemaal gek was geworden en dat hij niet ophoudt. Nadat de verdachte was afgevoerd, was [slachtoffer] duidelijk opgelucht, aldus [verbalisant 1]. Toen [verbalisant 1] meedeelde dat de verdachte mogelijk nog die avond terug zou komen schrok [slachtoffer].

Tegenover [verbalisant 2], een tweede politieambtenaar die ter plaatse is gekomen, heeft [slachtoffer] verklaard dat de verdachte weer ruzie heeft gemaakt en daarbij met spullen heeft gegooid. De verdachte heeft onder andere de bijzettafel naar haar gegooid en daardoor heeft zij ook letsel aan haar gelaat en been opgelopen. [verbalisant 2] zag dat zij kleine verse wondjes in haar gelaat had en een vers wondje op haar

linker scheenbeen. Tevens zag hij dat zij bloed op haar handen had.

[verbalisant 2] is tijdens de inhoudelijke behandeling in eerste aanleg op 18 februari 2020 door de rechtbank als getuige gehoord. Daar verklaarde [verbalisant 2] dat [slachtoffer] tegenover hem heeft verklaard dat het letsel – het wondje in haar gezicht en dat op haar scheenbeen – is veroorzaakt door de ruzie met de verdachte en dat de verdachte het tafeltje (stuk) had gegooid.

Voor het door de verdachte geschetste alternatieve scenario, inhoudende dat het letsel van [slachtoffer] is veroorzaakt door de nagels van de hond toen deze opsprong van zijn moeders benen nadat de verdachte hem beetpakte, kan in het dossier geen solide aanknopingspunt worden gevonden. Dat scenario biedt bovendien geen verklaring voor het letsel aan de neus van [slachtoffer]. Het hof oordeelt op grond van het voorgaande dat het alternatieve scenario zoals geschetst door de verdachte niet aannemelijk is geworden.

Met betrekking tot de getuigenverklaringen die [slachtoffer] en [zus] ruim drie maanden later bij de rechter-commissaris hebben afgelegd overweegt het hof dat de inhoud van deze verklaringen wordt weerlegd door de verklaringen die ter plaatse en direct na het voorval zijn afgelegd. De laatste verklaringen sluiten voorts (meer) aan bij de melding bij 112.

Alles afwegend en in onderlinge samenhang bezien is het hof van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte het aan hem tenlastegelegde feit heeft begaan. Het tot vrijspraak strekkende verweer wordt daarom verworpen.

Voorwaardelijk verzoek

Subsidiair heeft de raadsman het (voorwaardelijk) verzoek gedaan de moeder en de zus van de verdachte ter zitting te horen als getuigen indien het hof de verdachte niet zal vrijspreken van het hem ten laste gelegde.

Het hof wijst het voorwaardelijk verzoek van de raadsman tot het als getuigen ter zitting horen van de moeder en de zus van de verdachte af nu dit verzoek feitelijke grondslag mist.

Anders dan door de raadsman gesteld is er geen sprake van getuigenverklaringen van de moeder en de zus die tot bewijs worden gebezigd. Naast de verklaring van de verbalisant [verbalisant 2] als getuige ter terechtzitting in eerste aanleg zijn in het dossier twee processen-verbaal van bevindingen opgenomen waarin is gerelateerd wat de verbalisanten hebben waargenomen, waaronder de aan hen gedane mededelingen van de dames [slachtoffer] en [zus]. Er is derhalve geen sprake van door getuigen afgelegde verklaringen in engere zin. Dat deze personen later bij de rechter-commissaris anders hebben verklaard doet aan hetgeen de verbalisanten hebben gehoord niet af. Het beroep van de raadsman op de jurisprudentie die ziet op het gebruik van een getuigenverklaring die achteraf bij de rechter-commissaris is herroepen, waardoor de noodzaak ontstaat de getuigen ter zitting te horen, kan dan ook niet slagen. Voor zover hetgeen [slachtoffer] tegenover verbalisant [verbalisant 2] heeft opgemerkt wel als getuigenverklaring zou moeten worden beschouwd, geldt dat de bewezenverklaring niet in beslissende mate steunt op deze verklaring. Het hof neemt voorts als vaststaand aan dat [slachtoffer] moeilijk te verstaan is, gelet op hetgeen verbalisant [verbalisant 2] daarover als getuige heeft verklaard, maar ziet daarin geen reden te twijfelen aan hetgeen verbalisant uit haar mond heeft opgetekend. Voor een zorgvuldige totstandkoming van het oordeel omtrent het bewijs is het dus niet noodzakelijk haar nogmaals als getuige te horen.

Daarbij komt dat het hof zich ook overigens voldoende ingelicht acht en geen aanleiding ziet aan de weergegeven inhoud van de op ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal te twijfelen, zodat het hof ook anderszins geen noodzaak ziet om voornoemde personen als getuigen te (doen) horen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 9 oktober 2019 te Zandvoort zijn moeder, [slachtoffer], heeft mishandeld door een hard voorwerp tegen zijn moeder aan te gooien.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

mishandeling, terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen zijn moeder.

Strafbaarheid van de verdachte

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van de ISD-maatregel

De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) opgelegd door de duur van twee jaren.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde maatregel als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

De raadsman heeft verzocht om in geval van een bewezenverklaring een voorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen. De verdediging heeft daartoe onder meer betoogd dat de ISD-maatregel is bedoeld voor diegenen die niet gemotiveerd zijn om mee te werken aan een behandeling, terwijl de verdachte aan zichzelf heeft gewerkt tijdens zijn detentie en nog steeds gemotiveerd is behandeling te ondergaan.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen sanctie bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling van zijn moeder door een tafeltje naar haar te gooien. Hij heeft daardoor inbreuk gemaakt op haar lichamelijke integriteit en bij haar letsel veroorzaakt, terwijl de verdachte, als zoon van het slachtoffer, de persoon zou moeten zijn bij wie zij zich bij uitstek veilig moet kunnen voelen. De verdachte heeft de mishandeling ontkend en er geen blijk van gegeven het laakbare van zijn handelswijze in te zien. Blijkens een uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 30 juli 2020 is de verdachte eerder voor geweldsdelicten, waaronder op 24 januari 2019 eveneens voor de mishandeling van zijn moeder, onherroepelijk veroordeeld. Dit weegt in zijn nadeel.

In het reclasseringsadvies van Fivoor van 31 december 2019, opgemaakt door [naam 1] en

[naam 2], wordt het advies tot het opleggen van de ISD-maatregel als volgt gemotiveerd:

De beperkte agressieregulatie in combinatie met een hoge prikkelbaarheid worden gezien als voornaamste risico factoren. Het middelengebruik zou daarin ontremmend werken, waardoor betrokkene gewelddadig gedrag kan laten zien. Er is diverse malen getracht in een ambulant kader gedragsverandering te weeg te brengen. Echter zonder resultaat. De reclassering heeft betrokkene meerdere malen aangeboden de mogelijkheden van een klinisch traject te onderzoeken. Echter weigerde betrokkene structureel. Thans zegt betrokkene open te staan voor een klinische opname, maar dit hangt onzes inziens vooral samen met de dreigende ISD maatregel.

Om te komen tot gedragsverandering blijken de ingezette trajecten niet intensief genoeg, daar betrokkene recidiveert, terugvalt in middelengebruik en zich niet volledig aan de afspraken kan conformeren. Een langer traject is noodzakelijk en biedt betrokkene de beste kans om een adequate invulling te geven aan een plan van aanpak waarbij wel de gewenste gedragsverandering kan worden nagestreefd en ook de kans op recidive kan verlagen. Dit kan wat ons betreft het beste plaatsvinden in het kader van de ISD maatregel, daar hij dan langere tijd abstinent is, er zodoende aanvullende diagnostiek kan plaatsvinden en verder onderzoek gedaan kan worden naar de mogelijkheden van een klinisch traject.

In de aanvulling van 13 februari 2020 beschrijft Fivoor het verloop van het schorsingstoezicht:

Op 31 januari 2020 is de heer [verdachte] geschorst uit preventieve hechtenis, met als bijzondere voorwaarde een meldplicht bij GGZ reclassering Fivoor. Op 5 februari 2020 heeft betrokkene zich voor het eerst gemeld. Er is met betrokkene afgesproken dat de volgende meldplicht afspraak per e-mail aan hem zou worden bevestigd. Tevens is het telefoonnummer van Nazorg ex-gedetineerden per e-mail aan betrokkene verstrekt. Betrokkene heeft op beide e-mails niet gereageerd. Op 13 februari 2020 is betrokkene zonder tegenbericht niet op zijn meldplicht verschenen. Uit contact met Nazorg ex-gedetineerden is gebleken dat betrokkene geen contact met hen heeft gezocht.

Bij een veroordeling adviseren wij een onvoorwaardelijke ISD-maatregel. GGZ reclassering Fivoor ziet geen mogelijkheden om met interventies of toezicht de risico's te beperken of het gedrag te veranderen

Op basis van de beschikbare rapportages en in hetgeen ter terechtzitting naar voren is gekomen ziet hof dat verschillende hulpverleningsinstanties de nodige moeite hebben gedaan de verdachte te helpen op meerdere leefgebieden maar dat dit onvoldoende invloed heeft op de recidivekans bij de verdachte. Het recidiverisico is volgens de reclassering onverminderd hoog terwijl de mogelijkheden de verdachte te beïnvloeden, uitgeput zijn.

Het hof stelt met de rechtbank vast dat ten aanzien van het bewezen geachte feit aan alle voorwaarden is voldaan die artikel 38m Sr aan het opleggen van de ISD-maatregel stelt. Hiervoor is bewezen verklaard dat de verdachte een misdrijf heeft begaan waarvoor voorlopige hechtenis is toegestaan. Uit het op naam van de verdachte staande uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 30 juli 2020 blijkt dat de verdachte gedurende de vijf jaren voorafgaand aan het begaan van het onderhavige feit tenminste drie maal wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf of een taakstraf. Het in dit arrest bewezen verklaarde feit is begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen en er moet, zoals blijkt uit genoemde rapportages, ernstig rekening mee worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan. Uit genoemde stukken blijkt ook dat de veiligheid van personen het opleggen van de maatregel eist.

Op grond van bovenstaande acht het hof een onvoorwaardelijke ISD-maatregel passend en geboden.

Het hof acht het van groot belang dat voldoende tijd wordt genomen de ISD-maatregel ten uitvoer te leggen teneinde de bescherming van de samenleving te optimaliseren en alle kansen te geven aan de behandeling van de verdachte waaronder het leveren van een bijdrage aan de oplossing van zijn problematiek. Derhalve acht het hof, alles afwegende, de ISD-maatregel voor de maximale duur van twee jaren passend en geboden, en zal de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht niet in mindering worden gebracht op de duur van de maatregel.

Gelet op het voorgaande, acht het hof geen termen aanwezig om de ISD-maatregel in voorwaardelijke vorm op te leggen, zoals de raadsman heeft voorgesteld.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen maatregel is gegrond op de artikelen 38m, 63, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Legt op de maatregel tot plaatsing van de verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 (twee) jaren.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. C.N. Dalebout, mr. J.H.C. van Ginhoven en mr. J.J.J. Schols, in tegenwoordigheid van

mr. S. Bonset, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

27 augustus 2020.

mr. J.H.C. van Ginhoven is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.